Examenstof: De Sovjet-Unie onder Stalin en Brezjnev

Beoordeling 6.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 6129 woorden
  • 18 mei 2002
  • 80 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.8
  • 80 keer beoordeeld

Persoon
Taal
Nederlands
Vak
Samenvatting examenkatern De Sovjet-Unie onder Stalin en Brezjnev.

Hoofdstuk I: De bolsjewieken komen in Rusland aan de macht.


Kenmerken van Rusland +/- 1900:
- Rusland vormde het grootste rijk in de wereld.
- Het Russische rijk was multi-etnisch: er leefde veel volken, elk met een eigen taal en eigen andere cultuuruitingen.
- In het Russische rijk waren verschillende godsdiensten. De meeste waren lid van de Russisch-orthodoxe kerk.
- Het Russische rijk was een autocratie (onbeperkte heerschappij) +/- 1900 bestuurd door tsaar Nicolaas II.


De macht van de tsaar beruste op drie pijlers:
- De Russisch-orthodoxe kerk (staatskerk). De tsaren beschermde de kerk en steunde haar financieel. In ruil daarvoor moesten de geestelijke het volk aansporen tot trouw aan de tsaar.
- Bestuursapparaat in handen van de adel.
- Machtsinstrumenten leger, politie en geheimen dienst (Ochrana)

Door WO 1 ontstond er in Rusland gebrek aan voedsel en allerlei andere producten, hierdoor ontstond er een groei van ontevredenheid onder de bevolking. Begin 1917 werd er in Petrograd (St. Petersburg) massaal gestaakt, gedemonstreerd en geplunderd. Tsaar moet afstand doen van zijn troon. Februarirevolutie.

Tussen het voorjaar en najaar 1917 is er een machtsvacuüm. Niemand had voldoende macht om de situatie te beheersen.
De bolsjewieken vormde slechts een kleine minderheid. Zij voerde propaganda: onmiddellijk vrede en brood, alle macht aan de sovjets, de fabrieken voor de arbeider, het land voor de boeren. De propaganda sloeg aan.

In Petrograd en Moskou grepen de bolsjewieken in het najaar 1917 de macht. (Oktoberrevolutie) De bolsjewieken vormde direct een nieuwe regering onderleiding van Lenin.
In 1922 nieuwe naam: Unie van Socialistische Sovjet-Republieken (USSR), Sovjet-Unie.

De bolsjewieken baseerde zich op een ideologie: het marxisme-leninisme. Het marxisme was bedacht door Karl Marx. Voorspelling Marx: de kapitalisten zullen hun eigen ondergang veroorzaken door onderlinge concurrentie en doordat de arbeiders steeds armer zullen worden en dus bereid zullen zijn tot klassenstrijd. Het proletariaat zal dan een revolutie uitvoeren en de macht in handen krijgen. Dat noemde Marx de dictatuur van het proletariaat. De productiemiddelen zullen in handen komen van de hele gemeenschap. Dan zijn er geen klassen meer. Marx noemde dit het socialisme.
Hierdoor zou de opbouw van het communisme kunnen beginnen, waar mannen en vrouwen, en alle volken gelijk waren. Iedereen zou dan kunnen krijgen wat nodig was. Er zouden geen misdaden meer gepleegd worden en de politie zou worden afgeschaft. Als het communisme over de hele wereld werd ingevoerd, zouden er ook geen oorlogen meer zijn.

Lenin nam de ideeën van Marx deels over, maar voegde zijn eigen opvattingen toe:
- De revolutie zou niet vanzelf ontstaan, maar moest centraal worden georganiseerd en geleid door een revolutionaire elite: de bolsjewieken.
- Als de revolutie geslaagd was, moest de bolsjewistische /communistische partij de leiding in handen houden bij de opbouw van het socialisme en communisme, want de partij vormde ‘de voorhoede van het proletariaat’.
- Het communisme moest niet beperkt blijven tot Rusland, maar internationaal zijn.

Om Rusland te hervormen tot een communistische heilstaat voerden de bolsjewieken na de revolutie de volgende politiek:
- De bolsjewieken achtten een voortzetting van de klassenstrijd nodig. Eerst moest afgerekend worden met de tegenstanders. De klassenstrijd richtte zich daarom vooral tegen adel, de bourgeoisie en de geestelijkheid.
- De communistisch heilstaat moest worden bereikt door geplande economisch groei, waarbij vooral sterkt industrialisatie van belang was. De boeren moesten daarom het grootste deel van hun producten aan de staat afstaan.
- Politieke vrijheid werd niet toegestaan. Alle andere partijen werden verboden en hun aanhangers werden vervolgd door een speciale staatsveiligheidsdienst, de Tsjeka.

De positie van het gezin werd ondermijnd ten gunste van werkende vrouwen:
- De staat stichtte kindertehuizen, waaraan moeders hun kinderen konden afstaan.
- Abortus werd op verzoek van de vrouw toegestaan.
- Echtscheiding werd zeer gemakkelijk gemaakt: man of vrouw hoefde daarvoor slechts een briefje aan de burgerlijke stand te schrijven.

Er rees verzet tegen het gebrek aan politieke vrijheden en de staatsdwang. De productie was sinds de revolutie sterk gedaald
In 1921 voerde Lenin de Nieuwe Economische Politiek (NEP) in:
- de dwang waaronder de boeren leefden, werd verlicht: zij mochten meer producten vrij verkopen.
- Kleine bedrijven en winkels werden aan de eigenaars teruggegeven.

De NEP had voor de communistische partij een gunstig en een ongunstig gevolg:
- Door de NEP werd de economisch toestand geleidelijk beter: in 1927 was het vooroorlogs productiepijl van 1913 weer bereikt.
- De NEP droeg echter niet bij tot gewenste sterke industrialisatie. De SU bleef een land van boeren.

Hoofdstuk II: Naar een nieuwe politieke en sociaal-economische orde

Na de dood van Lenin (1924) ontstond er een opvolgingsstrijd onder de leiders van de Communistische partij.
Er waren drie stromingen:
- De radicale groep (door Stalin de linkse oppositie of de trotskisten genoemd) vond dat de SU in de eerste plaats moest streven naar een ‘wereldrevolutie’ omdat anders het communisme zich in de SU niet zou kunnen handhaven. Om de ‘wereldrevolutie’ te bevorderen was in 1919 de Komintern (Communistische Internationale) opgericht. De Komintern steunde de communistische partijen in het buitenland.
- De gematigde groep( door Stalin de rechtse oppositie genoemd) geloofde niet in een spoedige wereldrevolutie en vond daarom dat de SU slechts zeer voorzichtig en geleidelijk de kant van het socialisme moest opgaan. De gematigde waren dus voorstander van de NEP en van een voorzichtig beleid ten opzichte van de boeren.
- De middengroep geloofde evenmin als de gematigde groep in een spoedige wereldrevolutie, maar vond ‘socialisme in een land’ wel mogelijk, als dat land maar sterk genoeg was. Zij wilde in plaats van de NEP een politiek die erop gericht was de SU tegelijk machtig en ‘socialistisch’ te maken. De secretaris-generaal van de partij, Jozef Stalin, was de leider van deze middengroep.

Stalin verbond zich eerst met de gematigden en schakelde zo Trotski en zijn aanhangers uit. Daartoe hoorden Zinovjev en Kamenev. Zinovjev was partijleider in Leningrad (de nieuwe naam van Petrograd na de dood van Lenin) en tevens leider van de Komintern. Kamenev was de partijleider in Leningrad. Daarna wist Stalin ook de gematigde groep opzij te zetten.
Hij slaagde daarin doordat hij als secretaris-generaal van de partij (sinds 1922) grote invloed had op nieuw benoemingen en zo een solide machtsbasis kon creëren. In 1927 bestond de meerderheid van het Politiebureau uit aanhangers van Stalin.

In 1928 had Stalin de macht zo stevig in handen dat hij aan een eigen politieke orde kon gaan denken:
- het centraliseren van de politieke macht in handen van 1 partij onder leiding van een absoluut leider: Stalin
- het invoeren van een commando-economie (bevelseconomie), in de vorm van Vijfjarenplannen, opgesteld door een Staatsplaneconomie, het Gosplan;
- het voorschrijven van de ‘communistische moraal’ als het officiële ideaal.

Stalin achtte de door hem verlangde politieke orde nodig om:
- een einde te maken aan de permanente noodtoestand waarin de Russische samenleving sinds 1917 zou verkeren;
- de klasseloze industriële samenleving tot stand te kunnen brengen;
- een machtige militaire mogendheid tegen een vijandige buitenwereld te worden.

Volgens Stalin werd de noodtoestand veroorzaakt door twee sociaal-economische ontwikkelingen:
- een conflict tussen de boeren en partijleiding;
- afnemende bereidheid van de industriearbeiders om de productie te verhogen.

In 1929 besloot de partijtop, onder leiding van Stalin, tot zeer ingrijpende hervormingen, de ‘Grote Doorbraak’:
- een grootschalige industrialisatie,
- een agrarische collectivisatie ’van bovenaf (in plaats van een geleidelijke industrialisatie ‘van onderop’, zoals met de NEP werd beoogd).

De communistische elite durfde tot deze andere economische koers over te gaan door aanwezigheid van een gemilitariseerd machtsapparaat dat bestond uit het Rode Leger en de staatsveiligheidsdienst.

Het was de taak van de boeren om de stedelingen en de soldaten van het Rode Leger van voedsel te voor zien. De boeren raakten hierbij in conflict met de partijleiding:
- In 1927 ontstond er door tegenvallende graanoogsten en te lage industriële productie schaarste. Omdat de boeren geen industriële producten konden kopen en de vastgestelde lage graanprijs niet werd losgelaten, weigerde de boeren levering;
- De regering keerde terug nar een systeem van gedwongen graanleveranties, met als resultaat een groeiend verzet onder de boeren.

Het verzet van de boeren tegen de staatsdwang werd door Stalin gezien als het verzet van de ‘klassevijand’.

De bereidheid van de arbeiders om de productie te verhogen nam af, omdat de voedselprijzen door de schaarste stegen.

De ‘cordon-sanitaire’ politiek (de SU isoleren door er zo weinig mogelijk contacten mee te onderhouden) van de westerse mogendheden versterkte bij de communistische elite de gedachten van de ‘kapitalistische omsingeling’ en van een onverzoenlijk conflict tussen de communistische wereld en de kapitalistische wereld.

In de SU leefde, ook bij de bevolking, het gevoel van oorlogsdreiging sterk op. Trotski noemde de SU een ‘belegerde versting’. Deze uitspraak nam Stalin later over.

Stalin wilde in korte tijd de SU van een agrarische staan in een industriële Staat veranderen. De NEP werd afgeschaft. In plaats daarvan kwamen Vijfjarenplannen. In deze plannen werd door de regering bepaald wat de landbouw en de industrie in de komende vijf jaar moesten produceren.

Voor de landbouw kwam een oplossing: collectivisatie; individuele boerderijen werden samengevoegd. Er kwamen twee soorten boerderijen: kolchozen ( gemeenschappelijke bedrijven) en sovchozen (staatsbedrijven)

De landbouw moest een belangrijke rol vervullen bij de ontwikkeling van een industriële samenleving:
 Door collectivisatie en efficiënt werken moesten een agrarische overproductie totstandkomen. Een agrarische overschot diende meerdere doelen:
- export van landbouw producten om de import van investeringsgoederen voor de industrie te betalen
- het handhaven van lage voedselprijzen en daardoor lage lonen van de arbeiders.
 De mechanisatie van de landbouw moest ook een arbeidsreservoir voor de industrie opleveren. Door het gebruik van machines zouden er veel minder arbeiders nodig zijn. Het overschot aan arbeiders kon in de industrie gaan werken.

Het concept van het eerste Vijfjarenplan werd onder druk van Stalin gewijzigd: de streefcijfers moesten sterk worden verhoogd.
Het eerst Vijfjarenplan (1928-1932) voorzag dan ook in een enorme groei van de industriële productie met nadruk op zware industrie, energiewinning en bewapening.

Mede door de chaos die de collectivisatie met zich meebracht, werden de toch al irreële groeicijfers lang niet gehaald.

Het tweede en derde Vijfjarenplan werden realistischer opgezet. Stalins nieuwe orde kan in bepaalde opzichten een economisch succes worden genoemd:
- De zware industrie, energiewinningen en bewapeningsindustrie hielden de prioriteit en behaalden door sterk stijgende productiecijfers indrukwekkende resultaten.
- In korte tijd werden rijke grondstofgebieden ontsloten.
- Uit het niets ontstonden nieuwe industriesteden.
- In tien jaar tijd werd zo de grondslag gelegd voor een moderne industrie en bijbehorende infrastructuur.

De indrukwekkende industriële resultaten werden bereikt door een massale inzet van arbeid en kapitaal. Vrouwen werden ingezet in tot dan toe typische mannenberoepen. De ‘dubbele belasting’ van vrouwen, op het werk en in het huishouden, stond niet ter discussie.

Toch kan Stalins nieuwe economische orde geen onverdeeld succes genoemd worden:
- Van echte planning was lang niet altijd sprake, dikwijls ging het om een soort ban crisismanagement. Vlak voor het einde van de driemaandelijkse ‘planperiode’ werd dan geprobeerd met kunst- en vliegwerk toch de norm te vervullen
- Niet het rendement en kwaliteit, maar regelmatig verhoogde streefcijfers en de deadline telde.
- Er werd te weinig aandacht besteed aan consumptiegoederen. Het gevolg was schaarste aan vrijwel alle goederen.
- Er was te weinig aandacht voor de diestensector.
- Een moderne landbouw kon niet worden gerealiseerd
- De belangen van arbeiders- en boerenfamilies telden niet.

Boeren worden tot collectivisatie gedwongen. Met de collectivisatie werd beoogd:
- samenvoeging van boerderijen tot kolchozen of sovchozen
- snelle mechanisatie van de landbouw.

In het eerste Vijfjarenplan werd aanvankelijk gestreefd naar een collectivisatie van 20% van de boerenhuishoudens. Het ging echter veel sneller. Maar van de beoogde mechanisatie van de landbouw kwam weinig terecht.

De boeren werden op verschillende manieren gedwongen aan collectivisatie deel te nemen:
 Aanvankelijk probeerde de partijleiding door middel van propaganda en druk in de vorm van het opleggen van belastingen en verplichte leveranties de boeren tot ‘vrijwillige’ collectivisatie te brengen.
 Daarna door deportatie van de koelakken. De overwegend analfabete bevolking werd overrompeld door de plaatselijke radicale communisten en door partijleden uit de stad, vaak arbeiders en jongeren van communistische jeugdorganisaties Komsomol.
 Vervolgens door terreur tegen ieder die zich verzette.

Collectivisatie en terreur hadden voor de boerbevolking ernstige gevolgen:
 Ruim twee miljoenen boeren werden gedeporteerd, met of zonder vrouwen en kinderen naar gevangenkampen de zogenoemde ‘Goelag’.
 De overige boeren raakten uitgeput. De streefcijfers van de communistische staat waren irreëel
 Er braken hongersnoden uit (1932-1933). Stalin weigerde elke concessie.
 In de Oekraïne werd bewust op een hongersnood aangestuurd om zowel het hardnekkige verzet tegen de collectivisatie als mogelijk nationalistische gevoelens te breken.

De kolchozen waren als volgt georganiseerd:
 Een kolchoz was in theorie het gemeenschappelijke bezit van de leden. Bij de collectivisatie werd het land van de boeren dus niet officieel onteigend, maar ‘slechts’ samengevoegd.
 Het bestuur werd gevormd door een voorzitter met zij staf
 De voorzitter was verantwoordelijk voor de uitvoering van het kolchozplan zoals voorgeschreven door de partijleiding in het district en in laatste instantie door Gosplan.

Ook de opbrengst van de kolchoz was in theorie het gemeenschappelijk bezit van de leden. In de praktijk ging het als volgt toe.
Eerst moest een deel van de oogst tegen lage prijs worden geleverd aan de staat, op basis van een veronderstelde ‘opbrengst van het land’. Vervolgens moest het MTS in natura worden betaald voor de verrichte werkzaamheden. Dan moest er zaaigoed voor het volgende jaar worden gereserveerd.
Wat er dan nog overbleef, werd aan het eind van het jaar onder de leden verdeeld volgens een loonstelsel uitgedrukt in ‘arbeidsdagen’.

De door Gosplan opgestelde plannen werden vaak niet gehaald. Oorzaken daarvan waren:
- geringe scholing van de boeren
- tekort aan zaaigoed
- tekort aan machines
- geringe arbeidsproductiviteit
- absurde politieke richtlijnen (alles moest sneller en eerder)
- verplichte ideologische activiteiten

Binnen tien jaar veranderde de eeuwenoude dorpsgemeenschap drastisch:
- Groepen boeren worden tegen elkaar uitgespeeld
- Het recht op zelfstanding ondernemerschap, de trots van boeren en vaklieden in het dorp, werd opgeheven. Allen moesten toetreden tot de kolchoz
- Traditionele gezagsdragers zoals de dorpsgeestelijken werden geliquideerd of verdwenen in de Goelag
- Het naleven van traditionele christelijke gebruiken werd als een daad van klassevijhandschap beschouwd.
- Families werden door terreur en staatsdwang ontregeld. Vaak werden mannen zonder hun vrouw en kinderen gedeporteerd
- Veel jonge mannen en vrouwen, de meeste productieve arbeidskrachten, werden gedwongen het dorp te verlaten om te gaan werken in de industriecentra

De afstand tussen de boeren en de staat was groot. Boeren voelde zich miskend en onderdrukt.

Al met al bleef de levensstandaard van de boeren zeer laag. Er heerste armoede en ondervoeding. Oorzaken daarvan waren:
 De productie van graan en andere gewassen steeg wel na 1933, maar bleef voortdurend benenden de verwachtingen van de staat.
 Bij de distributie van schaarse goederen en middelen door de staat werd de kolchozbevolking feitelijk vergeten. De zorg van de staat ging uit naar de industriearbeiders en de grote steden.

In nog meer opzicht veranderde het dorps leven:
 Door het verdwijnen van traditionele ambachten en de huisnijverheid werden het dorpsleven en het werk eentoniger. Ook ontstond er een gebrek aan allerlei goederen.
 De boeren werden aan de grond gebonden door de invoering van een paspoort om binnen de SU te reizen.

Het werk van vrouwen werd ondergewaardeerd. Ze werkten op de akkers en droegen de zorg voor het vee. Dat gold als ‘ongeschoold’ werk. De bestuurlijke functies waren daarentegen meest in handen van de mannen.
Vrouwen kwamen meer dan mannen in verzet tegen de willekeur van de kolchozvoorzitter of andere bestuurders.

Ondanks sterk terreur slaagde Stalin er niet in de eeuwenoude dorpscultuur volledig te breken:
- Veel boeren bleven vasthouden aan eeuwenoude gebruiken zoals het vieren van Pasen en het vereren van ikonen
- Boeren bleven op kleine schaal eigen producten verbouwen en aan particulieren handel doen.

De boeren voelden zich niet of nauwelijks verbonden met de vooruitgang van de SU, omdat zij op allerlei gebied achtergesteld werden.

Onder druk van de zwarte mark en de tekorten stond Stalin toe dat kolchozboeren kleine stukjes grond bij hun huis mochten verbouwen voor eigen gebruik.
Al spoedig ontstond er buiten de staatswinkels een grijs circuit. Maar zowel onder Stalin als onder zijn opvolgers bleef het gebruik van dit stukje grond omstreden. De eigen grond bleef in strijd met de communistische leer.

Hoofdstuk III: Een machtige partij met een zeer machtige leider

De Communistische Partij was strak hiërarchisch georganiseerd:
- Op papier was het Partijcongres het hoogste partijorgaan
- Uit het Partijcongres werd een Centraal Comité gekozen. Maar het Centraal Comité vergaderde slechts enkele dagen per jaar.
- Het Centraal Comité koos op zijn beurt een Politiebureau.

In het Politiebureau zaten de hoogste partijleden. Als secretaris-generaal van het Centraal Comité maakte Stalin binnen het Politiebureau de dienst uit. Van de overige Politiebureau-leden eiste Stalin de hoogste loyalitieit.

Krachtens het ‘democratisch centralisme’ werden richtlijken en bevelen van boven naar benenden doorgegeven en uitgevoerd. Het ‘democratisch centralisme’ was al in de tijd van Lenin ingevoerd. Het hield het volgende in:
- Besluiten van hogere partijorganen zijn bindend voor lagere
- Partijleden dienen regelmatig verantwoording af te leggen aan hun superieuren.
- ‘Fractievorming’ binnen de Partij is verboden.

Stalin kreeg steeds meer grip op het partijapparaat:
- Hij schoof geleidelijk het grootse deel van het oude partijkader aan de kant en verving het door nieuwe partijleden, afkomstig uit de ‘proletarische bevolkingsgroepen’.
- Er was een strakke interne partijcontrole
- Partijzuiveringen werden als een terugkerend verschijnsel ingevoerd.

De staatsveiligheidsdienst (eerst Tsjeka, vervolgens GPOe en daarna OGPOe geheten) speelde de belangrijkste rol in de interne controle. In 1934 werd deze dienst door Stalin gereorganiseerd en ondergebracht in de NKVD, het ‘volkscommissariaat van binnenlandse zaken.
De NKVD had grote bevoegdheden:
- gaf de staatsveiligheidsdienst opdrachten
- controleerde de burgerpolitie
- had een groeiende invloed in het Rode Leger
- bepaalde de gang van zaken in concentratie- in werkkampen
- beheerde bedrijven
- beheerde een deel van het transportsysteem

In 1936 begon de echte Grote Terreur. De nieuwe topman van de NKVD, Nikolaj Jezjov, kreeg de vrije had om af te rekenen met werkelijke en vermeende tegenstanders van Stalin in de Partij
 Een aantal hoge partijfunctionarissen en opperofficieren van het Rode Leger werd tot zelfbeschuldigingen gebracht en al of niet in propagandistisch uitgebuite showprocessen veroordeeld tot dwangarbeid of de doodstraf
 De partij werd uitgedund. Vooral de ‘oude’ bolsjewieken werden ‘opgeruimd’. Tienduizenden partijfunctionarissen werden zonder vorm van proces terechtgesteld. Miljoenen partijleden, mensen uit hun familie- of bekendenkring en andere 'verdachten' verdwenen in de kampen zonder duidelijke beschuldiging of veroordeling.

De terreur leek een olievlek die zich in steeds grotere cirkels uitbreidde van boven naar beneden: van de top van de partij naar de lagere partijorganen en de bedrijven.
Geleidelijk drong bij Stalin het besef door dat deze Grote Terreur had geleid tot excessen die de belangen van zijn partij bedreigden.

In december 1936 nam het Partijcongres unaniem een nieuwe grondwet (constitutie) aan. In die Stalin-constitutie werd de Partij omschreven als ‘leidende kracht’ van alle maatschappelijke en staatkundige organisaties.

De Partij had de staatsinstellingen volledig onder controle:
 Er was een personele unie tussen functies in het apparaat van de partij en staat: alle bestuursfuncties in het staatsapparaat waren in handen van partijleden
 De Partij leverde ook het kader voor het hele economische machtsapparaat.
 De Partij schoolde dit politieke en economische kader

De partij was relatief klein: in de jaren ’30 nooit meer dan 2% van de totale bevolking en dus nog minder van de volwassen bevolking.

Lidmaatschap kwam tot stand op basis van selectie. Kandidaat-leden moesten worden aanbevolen door minstens drie plaatselijke partijleden. Na een proefperiode van een jaar werden door de plaatselijke partijorganisatie over toelating beslist.

Het aantal vrouwen in de partij was relatief klein: vrouwen maakten slechts +/- 15% uit van de partij. Ook bereikte zij zelden hoge posities.

Het partijlidmaatschap bracht aanzienlijke voordelen met zich mee, partijleden vormden een bevoorrechte klasse met materiële voorrechten:
- voorrang bij de voedselvoorziening, soms toegang tot speciale winkels en betere huisvesting
- Voor partij elite ging maatschappelijke bevoorrechting voor de hele familie op.
- Leden van de partij top, verdiende niet veel, konden gratis beschikken over datsja’s (buitenhuizen) in de omgeving van Moskou en vakantiedatsja’s aan de Zwart Zee.

Een carrière in de Partij bracht echter ook risico’s met zich mee. Hoe sneller en hoger een partijlid steeg in rang, hoe meer gevaar hij liep te worden weggezuiverd.

De Partij vond strakke controle van de samenleving door het partijkader nodig. De streefcijfers van elk vijfjarenplan moesten worden gehaald. Daarom joegen partijleden de bevolking op harder te werken.

Er was in de Sovjetsamenleving alleen ruimte voor specifieke kritiek op bijzondere misstanden, bijv. de slechte kwaliteit van de kleding. Maar kritiek mocht zich niet richten op de Partij als zodanig.
Propaganda maken werd als een belangrijke taak van de Partij gezien. Daarin kwam het volgende beeld naar voren:
- Partijleden waren een voorbeeld voor de bevolking. Zij gedroegen zich als het propagandabeleid de ideale Sovjetburger uitbeeldde: als heldhaftige, zichzelf opofferende strijders voor een betere samenleving.
- De successen onder Stalins leiding werden uitvoerig bejubeld en afgezet tegen de slechte situatie in de tijd van de tsaar op in de kapitalistische wereld.
- Een vijandige buitenwereld waartegen ieder waakzaam was onder leiding van Stalin, de ‘Lenin van vandaag’.

Het is duidelijk geworden dat terreur en het verspreiden van angst belangrijke pijlers van Stalins macht waren.
Een andere pijler van Stalins macht was de beeldvorming rond hem, de Stalin-cultus. In deze cultus liet Stalin zich verheerlijken als een bovenmenselijk persoon:
- als hoeder van het communisme, een ‘werelds geloof’ dat de godsdienst moest vervangen in het belang van volk en partij;
- als de welwillende, alwetende en vaderlijk leider.

De cultus bleek een doeltreffende manier om legitimiteit te verwerven in een land dat juist aan analfabetisme en achterlijkheid werd ontrukt.

Stalin liet zijn cultus over aan de Partij. Zelf trad hij niet als de almachtige leider op de voorgrond. Hiervoor hebben historici de volgende verklaringen gegeven:
 Stalin had veel moeite met directe contacten buiten de kleine kring van mensen om hem heen
 Hij genoot niet van optreden in het openbaar.
 Zelfs een machtige leider als Stalin had geen greep op alles wat in de SU gebeurde. Stalin besefte dat.
Hoofdstuk IV: Een culturele ommekeer.
Om de nieuwe politieke en sociaal-economische orde tot stand te brengen was een ‘totale revolutie’ nodig. Voor de totalitaire samenleving (een samenleving die volledig beheerst wordt door een partij, een leider en een ideologie) die Stalin nastreefde, was de ‘nieuwe Sovjetmens’ nodig.
In ideologische zin was de nieuwe sovjetmens iemand die zich met overgave wijdde aan de opbouw van het communisme in zijn land. Eigenschappen van deze nieuwe sovjetmens waren overtuiging en enthousiasme, maar ook
onverzoenlijkheid en meedogenloosheid als het moest. De jongeren zouden over het algemeen in deze maakbaarheid van de mens gaan geloven. Maar vooral op het plattenland bleven oudere generaties, zelfs in families van de partijleden, vasthouden aan christelijke tradities.
De nieuwe Sovjetmens moest worden gecreëerd door:
 op voeding van de jeugd in:
- het onderwijs,
- jeugdbewegingen (Jonge Pioniers, Komsomol)
 op voeding van de gehele bevolking door:
- het inzetten van massamedia
- het organiseren van sportmanifestaties en massavieringen ter vervanging van kerkelijke tradities
- gebruik maken van kunst
- de vrijetijdsbesteding in dienst stellen van het ideaal
- de dienstplichtigen in het Rode Leger te scholen
De belangrijkste doelstellingen van de opvoeding waren het bijbrengen van bepaalde waarden en basisvaardigheden. Tot deze waarden behoorde dat een kind in zijn opvoeding moest leren dat:
- het collectief belangrijker is dan de individu
- de politiek eenheid belangrijker was de familie
- loyaliteit gericht moest zijn op Stalin, de Partij en het Vaderland
- discipline belangrijk was
- godsdienst, bijgeloof en kapitalisme verwerpelijk waren

Tot de basisvaardigheden behoorden:
- het toepassen van regels voor basishygiëne;
- het leren van Russisch als verplichte tweede taal voor anderstalige volken in de SU
- gedisciplineerd samenwerken in een groep

 De opvoeding tot en met het zesde jaar
De opvoeding moest zo vroeg mogelijk beginnen. In theorie kon de opvoeding het best van staatswege worden gegeven: in de crèches, peuter- en kleuterscholen.
In de praktijk bleek het een onmogelijk opgave het hele land te voorzien van voldoende crèches, peuter- en kleuterscholen.

 Vanaf het zevende jaar neemt het onderwijs de opvoeding grotendeels over
De weg voor de scholing van de nieuwe sovjetmens werd geplaveid door veranderingen in het onderwijs:
- Voor alle kinderen werd vier jaar lager onderwijs verplicht.
- Voortgezet onderwijs en volwassenenonderwijs namen enorm toe: het opleidingpeil van de sovjetbevolking steeg enorm.
- Accenten werden gelegd op techniek en natuurwetenschappen.
- Tot in het midden van de jaren ’30 werden in het kader van de klassestrijd vooral jongeren van arbeiders- en boerenafkomst tot het voortgezet onderwijs toegelaten.
- Er werden grote alfabetiseringscampagnes gehouden
- Onderwijs en alfabetiseringscampagnes gingen hand in hand met ideologische vorming
De wetenschap stond in dienst van de staat. Dit werd bijvoorbeeld zichtbaar i het herhaald herschrijven van de geschiedenis.
Ook jeugdorganisaties worden belangrijk voor de opvoeding:
- Bijna ieder kind werd lid van de ‘Jonge Pioniers’. (9 tot 14 jaar)
- De Komsomol was de belangrijkste massaorganisatie voor jongeren van 15 tot 26 jaar. Ze was een van de pijlers van het Stalinistische systeem.

Voor de Komsomol werd een selectie toegepast omdat de Komsomol belangrijke taken te vervullen had bij de vorming va de nieuwe Sovjetsamenleving:
- Uit de Komsomolleden moest het toekomstige partijkader voortkomen
- Voor de ijverigste onder hen waren leidende posities in de Partij, in het economische leven, in de wetenschap, in het leger of waar dan ook bestemd.
- Komsomolleden hadden een voorbeeldfunctie

Op allerlei anderen manieren droegen de Komsomolleden bij tot de vorming van de nieuwe sovjetmens:
- Komsomolleden werden belast met de alfabetisering van het plattenland en bestreden daarbij godsdienst als ‘opium van het volk’.
- Ze maakten propaganda voor het eerste Vijfjarenplan en propageerden daarbij het idee van de socialistische wedijver.
- Ze streden tegen slechte woon- of werkomstandigheden
- Ze aanvaarden indien nodig communale leefsituaties, zoals in de nieuwe ontginningssteden in Siberië, waar zij zonder enige privacy in houten barakken met slaapzalen leefden.
- Ze uitten kritiek op machtsmisbruik door lokale partijkaders.
- Ze droegen het geloop in Stalin uit.
- Ze stelden eigentijdse helden van de SU aan de rest van de bevolking als voorbeeld

Massamedia werden in de SU van het begin af aan op grote schaal gebruikt om propaganda te maken. Film, affiches en brochures.

Kerkelijke tradities worden vervangen door sportmanifestaties en massavieringen. Kerken en kloosters werden afgebroken of omgebouwd tot musea, theaters, crèches of kantoren.
In plaats van kerkelijke feestdagen kwamen:
- Sportmanifestaties, waarin de collectieve prestaties van het ‘socialisme’ werden benadrukt. Belangrijke sportmanifestaties waren de Spartakiaden.
- Massavieringen van ‘socialistische’ hoogtijdagen. Belangrijke hoogtijdagen waren: 7 november (herdenking van de Oktoberrevolutie), 8 maart (Internationale Vrouwendag), 1 mei (Dag van de Arbeid) en 21 december (Stalins verjaardag)

De staat controleerden alle culturele uitingen door middel van het gedwongen lidmaatschap van beroepsorganisaties (bonden)
Kunst moest:
- begrijpelijk zijn voor de massa (‘realisme’)
- de idealen en successen van het Sovjetcommunisme uitdragen
- de nieuwe –hard werkende en gelukkigen – Sovjetmens verheerlijken.

Vrije tijd diende ingezet te worden om te leren, het communisme op te bouwen en het klassebewustzijn te versterken. In steden werden cultuurpaleizen, badinrichtingen, arbeidersclubs en avondscholen gebouwd.

Stalin slaagde er niet in een volledige culturele ommekeer te bereiken. Dat blijkt uit het volgende:
- De jongeren accepteerden over het algemeen de ideologie van het communisme, zij geloofde in de nieuwe Sovjetmens. Maar vooral op het platteland bleven oudere generaties vasthouden aan christelijke tradities, zelfs in families van de partijleden.
- In de tweede helft van jaren ’30 daalden de geboortecijfers verontrustend. Om daarin verandering te brengen deed de overheid concessies aan Sovjetidealen: het huwelijk werd in ere hersteld, echtscheidingen en abortus werden bemoeilijkt.
- Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd aan de christelijke Kerk meer vrijheid gegeven om meer steun van de bevolking voor de oorlogvoering te verwerven.

Voor het niet bereiken van een volledige culturele ommekeer zijn de volgende oorzaken aan te wijzen:
- De Sovjetburgers raakten gedemotiveerd door woningnood, arbeidsdruk, schaarste en bureaucratie.
- De ongelijkheid in de nieuwe Sovjetsamenleving nam toe als gevolg van de ‘socialistische wedijver’ en van de maatschappelijke privileges die het partijkader en een culturele elite wisten te verwerven.
- In de stofomschrijving wordt het deporteren en vermoorden van miljoenen landgenoten niet genoemd, maar het lijkt toch waarschijnlijk.

Hoofdstuk V: De Sovjet-Unie onder Brezjnev

In 1964 kwam Leonid Brezjnev aan de macht.
Brezjnev wilden de door Stalin gevestigde politieke orde handhaven, maar zonder terug te keren naar een permanente terreur of politieke willekeur.

In veel opzichten was Brezjnevs politieke orden een voortzetting van die van Stalin:
- In de nieuwe grondwet van 1977 werd de leidende rol van de Partij opnieuw bevestigd. De functies van het Partijkader in de samenleving veranderen niet.
- Zonder Komsomol en vervolgens partijlidmaatschap bleef een politieke of wetenschappelijke carrière vrijwel onmogelijk.
- De SU bleef een politiestaat. Het systeem van politieke strafkampen (de Goelag) werd gehandhaafd. Ook de staatsveiligheidsdienst bleef bestaan.
- Internationale spanningen in de Koude Oorlog werden ook nu gebruikt om de eenpartijstaat te legitimeren en te versterken.
Economisch beleid:
- In economisch opzicht hield het Brezjnev-regime vast aan Stalins planeconomie
- Het landbouwbeleid bleef ongewijzigd. Wel vond er in de landbouw schaalvergroting plaats.
- In de jaren ’60 leken de hoge economische groeicijfers het succes van de planeconomie te bevestigen
- Een communistische samenleving met een overvloed aan goederen voor iedereen bleef het ideaal, maar de verwachte datum van invoering werd steeds opgeschoven.

Veranderingen in de partij en staat:
- De werkelijk macht in de partij concentreerde zich in de kleine, conservatieve toplaag van leden en kandidaat leden van het Politiebureau. Brezjnev had officieel dezelfde functie als Stalin: secretaris-generaal van de CPSU. Hij was echter geen absoluut leider zoals Stalin.
- Er waren geen partijzuiveringen meer zoals in Stalins tijd.
- De partijelite bleef zitten in de verworven posities. Daardoor vergrijsde de partijelite. Jongere communisten maakte geen bliksemcarrière meer naar de top.
- Er vond een ’informele’ decentralisatie plaats waarbij regionale partijbonzen geleidelijk steeds meer macht kregen.
Economisch beleid:
- Onder Stalin wist de SU het Westen in korte tijd op militair-economisch gebied in veel opzichten te evenaren. Het Brezjnev-regime stelde zijn doelen nog hoger. Maar het lukte niet het Westen bij te houden. De enorme bedragen die aan de militaire sector werden uitgegeven, bleken ontoereikend. Ook op andere gebieden werd de achterstand op het Westen weer groter
- Er werden ook enorme bedragen geïnvesteerd in de landbouw. Maar tegelijk werd de agrarische bedrijfsvoering in toenemende mat gebureaucratiseerd. Steeds meer landbouw producten gingen verloren door verkeerde opslag en verwerking of door het ontbreken van transportmogelijkheden.
- Brezjnev kon de door Stalin voorgestane autarkie niet handhaven. Voor het betalen van de import, onder ander van graan en van de hogen militaire uitgaven werd de SU steeds meer afhankelijk van de export van olie en gas.
- De ‘tweede economie’ nam onder Brezjnev sterk toe. Zwarte handel, corruptie en vriendjespolitiek namen een ongekende omvang aan. De ‘eerste economie’ was de officiële economie van de Vijfjarenplannen.
- De levensstandaard werd hogen, vooral in de steden. De huren en de voedselprijzen werden kunstmatig laag gehouden. Aangezien de lonen stegen, hield de bevolking meer over om aan andere goederen te besteden.
- Maar ook op het plattenland werd het leven beter. Een grote stap voorwaarts was de invoering van een gegarandeerd minimumloon voor de kolchozboeren in 1966. In 1971 werden de kolchozboeren opgenomen in het staatsstelsel van sociale verzekeringen.

Controle en vervolging.
- De censuur was minder streng dan onder Stalin.
- De ideologische propaganda was vriendelijker, nogal conservatief en Russisch nationalistisch. Partijleden joegen de bevolking niet meer op.
- Ondanks een wijd verbreid informantensysteem drong de staat minder dan onder Stalin het privé-leven binnen.
- Willekeurige en grootschalige terreur, zoals onder Stalin, vond niet meer plaats. Wel was er een gerichte en intensieve vervolging van een naar verhouding kleine groep dissidenten.

De nationaliteitenpolitiek van Brezjnev was ten dele een voortzetting van die van Stalin, maar ten dele ook anders:
 Het Brezjnev-regime brak met de onderdrukkende nationaliteitenpolitiek van Stalin: grootschalige deportaties vonden niet meer plaats.
 De politiek van russificatie werd voortgezet, met name op de terreinen van onderwijs en taal. Toch werd binnen niet-Russische Sovjetrepublieken ruimte gelaten voor eigen cultuur.
 Vergeleken met de Stalin-periode was de relatieve rust in het multi-etnische Sovjetrijk opvallend.
 De autochtone etnische elite kreeg meer invloed, zijn het beperkte mate. De eerste man, de partijsecretaris, kwam uit de etnisch dominante groep en de ‘tweede man’ was vrijwel altijd een Rus.

Tegen over de communistische staat namen Sovjetburgers een ambivalente (halfslachtige) houding aan. Enerzijds vonden zij hun afhankelijkheid van staan wel gemakkelijk, anderzijds wantrouwden ze de macht en willekeur van de staat.

De staat stond de ontwikkeling van een moderne relatie tussen burgers en staat, zoals in de West-Europese parlementaire democratieën, in de weg:
 In West-Europa kwamen de burgers en de staat geleidelijk nader tot elkaar door democratische uitgangspunten.
 In West-Europa was de door de staat gewaarborgde sociale zekerheid gekoppeld aan de plicht ook zelf initiatief te ontwikkelen.
 In de SU bestond net als in West-Europa een grondwet, maar in de praktijk overheerste de staat het leven van de Sovjetburgers. Zij kregen via krant, radio en tv alleen te horen wat de partij had besloten.
 Elke vorm van openlijk ‘politiek afwijkend gedrag’ of van etnisch protest werd onderdrukt.

Tijdens de Brezjnev-periode groeide onder Sovjetburgers de ontevredenheid over de planeconomie:
- De Sovjetburgers stelden vast dat de planeconomie in feite een systeem van gespreide, relatieve armoede opleverde.
- De meest Sovjetburgers, in het bijzonder de vrouwen, voelden zich als producent en als consument door de staat sterk ondergewaardeerd.
- In de staatswinkels waren slechts weinig of kwalitatief slechte consumptiegoederen te koop.

De Sovjetburgers uitten hun onvrede met de planeconomie heel weinig door openlijk protest, maar wel op andere manieren:
- Er werd met weinig inzet gewerkt.
- Kenmerkend voor de algehele onvrede waren ook het alcoholisme, diefstal en corruptie.

De grote kloof tussen Sovjetburgers en de staat werd vooral zichtbaar op het platteland:
- De boerenbevolking voelde zich als producent en consument buitengesloten
- De producten van de kleine stukjes privé-grond waren steeds meer nodig om direct in eigen levensonderhoud te voorzien.
- Plattelandsvrouwen voelden zich uitgebuite agrarische arbeidskrachten.
- Een gunstige uitzondering vormden de boeren in de vruchtbaren en klimatologisch gunstige zuidelijke gebieden.

Ook de boeren gaven uiting aan hun onvrede met de planeconomie:
- De arbeidsinzet van de boerenbevolking op de steeds grotere kolchozen en sovchozen was spreekwoordelijk laag
- Fabrieksarbeiders konden, als het ‘plan’ gehaald moest worden, soms nog wel concessies afdwingen. Dat konden de boeren niet.

De jonge generatie in De Brezjnev-periode nam ten opzichte van de communistische ideologie een ambivalent houding aan.
Aan de ene kant hadden de jongeren in tegenstelling tot jongeren in de jaren’30’ nauwelijks echte politieke belangstelling.
Aan de andere kant toonden de jongeren in het openbaar ook collectief enthousiasme over de verworvenheden van de sovjetstaat en over de grote internationale betekenis van de SU

In het Komsomol ontbrak onder het Brezjnev-regime het vroegere revolutionaire enthousiasme. Voor het lidmaatschap moest men nog wel gevraagd worden. Maar het werd niet meer als een uitverkiezing gevoeld, het was vanzelfsprekend geworden.

In toenemende mate wantrouwden jongeren het officiële ideaal van gelijkheid:
- Door een aantal beperkingen hield de staat bij de toegang tot het voortgezet en hoger onderwijs en bij het vinden van een baan maatschappelijke ongelijkheid in stand
- Jongeren zagen dat vrouwen onder het mom van gelijkheid dikwijls de zwaarste lasten in de Sovjetsamenleving droegen, op de arbeidsvloer, in de samenleving en thuis. De staat bood vrouwen een laag inkomen en weinig persoonlijke bescherming

Jongeren waren teleurgesteld door het verschil tussen ideaal en praktijk. Velen trokken zich terug in eigen subculturen, naar westers voorbeeld.

De Partij bleek niet in staat de stagnatie in het communistisch systeem te doorbreken. Daarvoor zijn verschilleden oorzaken:
 Angst voor vernieuwing.
Door angst voor vernieuwing werden noodzakelijk hervormingen geblokkeerd:
- Technische en wetenschappelijke vernieuwingen werden telkens tegengehouden
- Veel gewone Sovjetburgers wantrouwden vernieuwingen
 Politieke stabiliteit krijgt voorrang boven aanpassing planeconomie
Een deel van het partijkader onderkende wel oorzaken van tekorten in de Sovjetsamenleving, in het bijzonder in de planeconomie
 Kritiek dringt niet door tot de partijtop
Het sterk hiërarchisch karakter van de Partij was er debet aan dat onwelkome analyses en mogelijke oplossingen vaak niet doordrongen tot de vergrijsde partijtop
 Het Brezjnev-regime aarzelt tussen centralisatie en regionalisering
In de tijd van Chroesjtsjov was de economie gedecentraliseerd. De SU was verdeeld in een groot aantal economische regio’s die grotendeels zelf hun plannen mochten opstellen. Tijdens het bewind van Brezjnev werd dit ten dele terug gedraaid, maar een zekere mate van regionale invloed bleef bestaan.

De centrale planning werkte niet goed. Maar deze opgeven was niet mogelijk. Decentrale hervormingen, zo werd gevreesd, zouden de SU uit doen vallen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

Ben jij nou helmaal van de pot gerukt? Noem jij dat een samenvatting? Kort is ie in ieder geval niet! Maar ik vind het wel tof dat je dit NASLAGWERKje op het net zette, maar misschien kun je hem nog inkorten. Als je daarna zo vriendelijk zou zijn om deze verkorte versie te mailen, zou ik dit erg op prijs stellen

19 jaar geleden

J.

J.

Dankjewel...maarre, waar is hoofdstuk 4?

19 jaar geleden

T.

T.

Hey bedankt voor je goede samenvatting van geschiedenis!! (over de sovjet unie). heb jij enig idee waar ik net zo'n goede samenvatting als die van jou, over het andere examenonderwerp (nederlanders en hun gezagsdragers) vandaan kan halen? ik ben zelf wel begonnen, maar voor als hulp erbij, snap je?

maar in ieder geval, thanks!
liefs, Tamarah

19 jaar geleden