Examen 2004 Nederland en Lancashire

Beoordeling 5.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 7761 woorden
  • 31 mei 2004
  • 19 keer beoordeeld
Cijfer 5.2
19 keer beoordeeld

Nederlanders en hun gezagdragers 1950-1990 Hoofdstuk 1: Politiek in de jaren ‘50 Hoe ontwikkelde de Nederlandse politiek zich in de jaren ’50? Consensus: Politieke cultuur bestond uit grote ideologische verschillen tussen de partijen, maar er werd wel gezocht naar oplossingen waar de meeste mensen tevreden mee waren. Doorbraakgedachte: poging om de verzuiling te doorbreken (sociaal-democraten, katholiek) Volk wist niet veel wat er in de achter de schermen van de politiek gebeurde. Asfaltjeugd: jongeren die zich door de 2e WO niets meer aantrekken van de normen en waarden. -> politici dachten dat het goed kwam door de verzuiling. Staat deed meer om de economie in goede banen te laten lopen. -> sociale zekerheid -> Samenwerking vakbonden, bedrijven, overheid -> arbeidsrust (geen stakingen) Stichting v/d Arbeid en Sociaal-economische Raad: overleg over lonen vs. Prijzen
Hoe ontwikkelde de Nederlandse politiek zich in de jaren ’50? - Om de wederopbouw te laten slagen was in het verdeelde Nederland samenwerking noodzakelijk. - Een groep KVP- en PvdA-politici vonden dat het parlementaire systeem niet goed werkte door de verzuiling. Daarom wilden zij de verzuiling doorbreken. De NVB moest een echte nationale partij worden. - De invloed van de kerken stond de doorbraakgedachte in de weg. De meeste Nederlanders bleven trouw aan hun oude partij. Bovendien waren de ideeën van de vernieuwers nogal vaag. - De media maakten deel uit van het verzuilde systeem. Kritiek op de ‘eigen’ politici werd als ongepast gezien. Daar kwam nog bij dat veel politici een rol speelden bij een krant of een omroep. - Veel politici geloofde dat de burgers er tijdens de Duitse bezetting aan gewend waren geraakt het politieke gezag te ondermijnen. Leugen, bedrog en ongehoorzaamheid waren in 1945 niet meteen verdwenen. - Het beeld klopte slechts ten dele. Op politiek gebied was er sprake van consensus en rust. De wederopbouw kon slagen dankzij een zekere mate van arbeidsrust. Maar de jaren ’50 kenden ook genoeg beweging en maatschappelijke onrust. In de kunstwereld zorgden schilders als Karel Appel regelmatig voor rellen. Jongeren maakten de straten van de steden onveilig. Tijdens de verkiezingen was in de politiek weinig te merken van de consensus; de partijen streden fel om de gunst van de kiezer en maakten de tegenpartij graag zwart. - De politiek streefde naar een volledige werkgelegenheid, sociale zekerheid en arbeidsrust. - De vakbeweging kreeg een belangrijke rol in overlegorganen zoals de Stichting van de Arbeid (1945) en de Sociaal-Economische Raad (1950)
Hoofdstuk 2: Trouw aan het gezag in de jaren ‘50 Welke invloed hadden gezagsdragers op het leven van Nederlanders? Harmonieuze ongelijkheid: Het ideale gezin was waar de man aan het hoofd stond en werkte, de vrouw bleef thuis om op de kinderen te passen en het huishouden te doen. De vrouwen accepteerden dit, want het stond zo in de bijbel. Kinderen deden wat hun ouders zeiden. Katholiek Protestants Socialistisc- Liberaal
vakbond Katholieke Arbeidsbeweging (KAB) Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) Wilden in een vrije markt, dus geen vakbonden
Vakbonden zorgden ervoor dat alles goed ging met hun leden, niet alleen op het werk, maar ook thuis. Sociale harmonie: arbeiders lieten hun vakbondsleiders overleggen en compromissen
sluiten met de politieke leiders. Staken werd als verouderd middel gezien. Welke invloed hadden gezagsdragers op het leven van Nederlanders? - De vader was het hoofd van het gezin. Hij had het gezag over zijn vrouw en de kinderen. Er moest echter wel harmonie heersen in het gezin. Vrouw en kinderen moesten het gezag accepteren. Dit kon alleen als de vader niet als een tiran heerste. - Volgens de confessionelen scheef de bijbel de harmonieuze ongelijkheid voor. Volgens het scheppingsverhaal had de man het gezag over zijn vrouw. De vrouw was dus voorbestemd om een liefhebbende huismoeder te zijn. - De overheid ondersteunde de handhaving van het ouderlijk gezag door de filmcensuur. Kinderen konden geen films zien die slecht zouden zijn voor hun opvoeding. Ook greep de overheid in als in een danshal te ‘wilde’ muziek werd gespeeld. Bovendien werden verzuilde verenigingen door de overheid gesubsidieerd. Hoofdstuk 3: Een samenleving begint te veranderen Welke veranderingen vonden in de jaren ’50 in de Nederlandse samenleving plaats? Nozems: kinderen van arbeiders die rondhingen op straat, luisterden naar Rock’n Roll. Ze
wilden geluk in hun leven, en geen behaaglijk die hun ouders hebben door te werken. Ze trokken zich weinig aan van de bestaande normen en waarden. Economische veranderingen: - Industrialisatie; overheid zorgde voor goede omstandigheden voor startende bedrijven - Verstedelijking door industrialisatie -> ontstaan van ‘slaapsteden’ - Individualisering doordat mensen in grote steden wonen - Eliteonderwijs veranderde in massaonderwijs zodat iedereen een goede opleiding had
Culturele veranderingen: - Nederland werd een moderne consumptiemaatschappij - Mensen spaarden geld om luxeartikelen te kopen (tv, koelkast, wasmachine) - Sociale zekerheid werd uitgebreid -> Nederland werd een verzorgingsstaat - Secularisatie (ontkerkelijking) - Burgers werden onafhankelijker door hogere lonen en verzorgingsstaat, -> ontzuiling

Politieke veranderingen: - Vrouwen werden niet meer ontstagen na hun huwelijk (motie-Tenderloo) - Kerk moest zich niet zoveel meer bemoeien met de politiek - Er werd weer gestaakt, overheid gaf toe en iedereen kreeg meer loon
Welke veranderingen vonden in de jaren ’50 in de Nederlandse samenleving plaats? - De nozems luisterden naar nieuwe muziek, zij maakten de straat onveilig en luisterden niet naar de ouderen. Hulpverleners hadden geen invloed op hen. - De overheid zorgde voor een gunstig ondernemersklimaat, nam de aanleg van een goede infrastructuur voor haar rekening en zorgde voor gunstige belastingregels en lage lonen. - Dankzij de auto werd de burger enorm mobiel. Dit had niet alleen gevolgen voor de besteding van de vrije tijd, maar ook voor het wonen. Aan de randen van de steden verschenen de eerste naoorlogse nieuwbouwwijken. Korte tijd later zag Nederland de eerste slaapsteden ontstaan. De werknemers legden met de auto steeds grotere afstanden af tussen wonen en werken. Het onderwijs werd verbeterd. Dankzij de studiebeurs konden kinderen uit lagere milieus ook studeren. De industrie had goede opgeleide mensen nodig. - In een consumptiemaatschappij is het welvaartspeil zo hoog dat de burgers geld kunnen besteden aan allerlei luxeartikelen. De reclame tracht de burgers te beïnvloeden. In een verzorgingsstaat worden de zwakkeren, zieken en ouden van dagen door de staat geholpen door middel van sociale verzekeringen en sociale voorzieningen. - De verzorgingsstaat maakte mensen onafhankelijker van hun zuil. Door de verstedelijking nam het contact tussen de zuilen toe. Ook het hoge onderwijspeil speelde een rol. Studenten accepteerden het kerkelijke gezag niet meer zo makkelijk. - Dankzij de motie-Tenderloo van 1955 konden vrouwen na hun huwelijk niet meer uit overheidsdienst worden ontslagen worden. Een jaar later werd de ‘handelingsonbekwaamheid’ van de vrouw uit het wetboek geschrapt. - Het bisschoppelijk mandement van 1954 verbood de katholieken lid te zijn van een socialistische organisaties zoals de VARA of het NVV. Het lidmaatschap van de PvdA werd afgeraden. - Bisschop Bekkers noemde het gebruik van voorbehoedsmiddelen een ‘persoonlijke kwestie’. - De bouwstaking keerde zich lijnrecht tegenover de gematigde loonpolitiek. Daarmee kwam er een einde aan de lange periode van sociale harmonie. Hoofdstuk 4: Gezag onder druk: emancipatie van jongeren Welke ontwikkelingen hebben geleid tot een veranderende verhouding tussen jongeren en het gezag? Ontstaan van jeugdculturen: - meer vrije tijd - meer geld - langer naar school, dus langer ‘jong’ blijven
Provo: 1965, beweging opgericht door Roel van Duijn. Afgeleid van het woord ‘provoceren’. Wilden het gezag voor gek zetten. Burgers moesten inzien dat hij door de consumptiemaatschappij saai, hebzuchtig en fantasieloos was geworden. De autoriteiten, politie en burgemeester werden gezien als de vijanden van de democratie. Idealen van de Provo: Vrijheid, Gelijkheid en Creativiteit. Acties van de Provo waren vaak ludiek. Politieke ideeën: - Burgers moeten meer te zeggen krijgen (d.m.v gemeenteraden, enz.) - Leefbaarheid in steden moest verbeterd worden - Milieuvervuiling geremd worden
Kabouter-beweging: 1969, oprichter Roel van Duijn. Wilden een alternatieve samenleving
binnen de maatschappij opbouwen. Zeer milieubewuste samenleving. Kraakbeweging: ontstaan eind jaren ’60. Radicale en harde vormen van protest tegen
stadsvernieuwingen en speculanten. Krakers trokken in leegstaande woningen. De autoriteiten wisten niet hoe ze moesten reageren op de acties van de jongerenbewegingen. Ze waren gewend dat er geluisterd werd de autoriteiten. Ze namen de acties niet echt serieus. Besloten werd om toleranter tegenover de jongerenacties te staan. Er werd geluisterd naar hun idee, geleidelijker kregen ouderen begrip voor de jongeren. Ze mochten thuis meer. Politieke partijen kregen eigen jongerenorganisaties. Vooral op universiteiten krijgen jongeren medezeggenschap. Welke ontwikkelingen hebben geleid tot een veranderende verhouding tussen jongeren en het gezag? - Provo wilde het autoritaire gezag aantasten om de democratie opener te maken. De gewone burger moest gaan inzien dat hij tot een fantasieloos deeltje van de consumptiemaatschappij was geworden. Provo maakte gebruik van ludieke en provocerende acties, waarbij vooral de aandacht van de media werd getrokken. - De jongeren gedroegen zich bewust anders dan hun ouders. Ze lieten hun haar groeien,droegen spijkerbroeken, dachten anders over seksualiteit en lazen hun eigen blaadjes. Muziekgroepen zoals de Rolling Stones en de Beatles waren een middel om zich af te zetten tegen de ouderen. De popmuziek vormde voor de jeugd een belangrijk bindmiddel. - Jongeren hadden meer geld en vrije tijd dan ooit. Dat gaf hen de kans om de wereld buiten ouderlijk huis te verkennen. Het betere onderwijs maakte de jeugd kritischer. In veel gevallen hadden de ouders een lagere opleiding dan hun eigen kinderen. - De Nederlandse regering ondersteunde het Amerikaanse beleid in Vietnam. Dat wekte de woede van veel jongeren. De oorlog veroorzaakte een diepe kloof in de Nederlandse samenleving en leidde tot massale demonstraties. - De roep om democratisering werd steeds luider. Studenten eisten meer invloed op het beleid en het onderwijs. Bovendien wilden ze dat de universiteiten studenten ‘sociaal bewust’ maakten. - Zowel de provo’s als kabouters bedienden zich van speelse, uitdagende acties. Maar de kabouters probeerden wat serieuzer de maatschappij te veranderen. Ze waren actief op het gebied van milieuvriendelijk landbouw en werden in veel gemeenteraden gekozen. - Het gezag stelde zich minder autoritair op. De politiek streefde naar meer democratie en openheid. Ook het gezag van de kerken brokkelde af. Daardoor kwam er vrijwel een einde aan de verzuiling. Ook in de opvoeding en op school waren de veranderingen merkbaar. Het gezag van de ouders en leraren werd minder vanzelfsprekend. Gezag moest voortaan verdiend worden. Hoofdstuk 5: Gezag onder druk: emancipatie van vrouwen Hoe en waarom veranderden de traditionele gezagsverhoudingen in het gezin tussen de seksen? Tweede feministische golf: vrouwen pleiten voor meer gelijkheid (1968-1970) Eerste feministische golf: 1919, vrouwenkiesrecht

Redenen voor getrouwde vrouwen om te werken: - Het ging goed met de economie -> tekort aan arbeidskrachten - Huishouden werd makkelijker door elektrische apparaten - Kleinere gezinnen door de pil
Man/Vrouw/Maatschappij (MVM): 1968, opgericht door Joke Kool-Smit. De naam moest
duidelijk dat niet alleen de vrouwen moesten emanciperen, maar ook de mannen en de samenleving. Mannen mochten ook lid worden van de organisatie. Ideeën: - Gelijke kansen voor mannen en vrouwen - Crèches - Deeltijdbanen - Andere verdeling van het huishouden - Voorrangsbeleid voor vrouwen op de arbeidsmarkt (positieve discriminatie) - Zelf beslissen over abortus
Dolle Mina: 1969, waren het eens met de ideeën van de MVM. Vrouwen moesten opkomen
voor hun rechten. De acties van de Dolle Mina waren veel radicaler, geïnspireerd op de provo’s en hun ludieke acties. Hoe en waarom veranderden de traditionele gezagsverhoudingen in het gezin tussen de seksen? - Als gevolg van de economische bloei waren er veel arbeidskrachtennodig. Door het grote aantal huwelijken moesten de werkgevers wel vrouwen in dienst nemen die getrouwd waren. - Huishoudelijke apparaten, zoals de wasmachine, namen de vrouwen veel werk uit handen. Zij kregen daardoor tijd om buitenshuis te gaan werken. De pil zorgde ervoor dat het kindertal per gezin drastisch daalde. Ook dit bevorderde de vrijheid van vrouwen. - Steeds meer meisjes gingen voortgezet onderwijs volgen. Maar toch kozen zij vaker dan jongens voor een lager soort onderwijs. De gedachte dat een meisje toch zou trouwen, was nog algemeen. - Beide organisaties streden voor de gelijkberechting van de vrouw. Zowel de MVM als Dolle Mina zetten zich in voor vrije abortus. De aanpak verschilde. MVM koos voor voorlichting op scholen en het benaderen van politici en vakbondsmensen. Dolle Mina zocht de publiciteit en organiseerde daartoe speelse en uitdagende acties. - MVM en Dolle Mina vonden dat vrouwen het recht moesten hebben over hun eigen lichaam te beschikken. Ook moesten zíj het kind opvoeden als de man dat niet wilde. - Abortus bleef in het Wetboek van Strafrecht, maar als aan enkele zorgvuldigheidsregels was voldaan, zou niet worden overgegaan tot strafvervolging. - De echtscheidingswet makte scheiding makkelijker. Een huwelijk kon bijvoorbeeld ontbonden worden op verzoek van een van de partners. De overheid benoemde een Emancipatiecommissie (gevolgd door de Emancipatieraad) en een staatssecretaris voor emancipatiezaken. De wetgeving regelde onder meer de gelijke behandeling van vrouwen. Hoofdstuk 6: gezag onder druk: emancipatie van de media Hoe emancipeerden de media in de jaren ’60 en ’70 ten opzichte van de gezagsdragers? Radio Veronica: eerste commerciële radiozender, vooral populair bij jongeren. Verdienden
hun geld met reclameboodschappen. TV Noodzee: eerste commerciële tv-zender, met programma’s zoals Zorro. Werd al snel van
de buis gehaald door het kabinet. TROS: omroep die gebruik maakte van de nieuwe ruimte in het omroepbestel. Had vooral ‘licht’ amusement, zoals spelletjes en detectives. -> vertrossing

eind jaren ’80 werd commerciële tv legaal -> einde van verzuilde omroepbestel
Voor de jaren ’50: Soort krant
Katholiek De Volkskrant
Protestants Trouw
Socialistisc- Het Vrije Volk
Liberaal NRC of Algemeen handelsblad
Niet gebonden aan een zuil De Telegraaf, Algemeen Dagblad, Het Parool
In de jaren ’60 werden de banden met de politieke partijen doorgesneden. Journalisten werden kritisch tegenover de gezagsdragers. Op tv leken de politici hele gewone mensen. Gezagsdragers besloten om zich aan te passen aan het nieuwe gedrag van de burgers. Ze volgden cursussen om gewend te raken aan de tv’s. Ze stelden voorlichters aan die de journalisten te woord stonden. -> succesvol
Hoe emancipeerden de media in de jaren ’60 en ’70 ten opzichte van de gezagsdragers? - In de jaren ’50 bestond de angst dat de televisie tot gezinsontwrichting zou leiden. Kinderen zouden hun huiswerk niet meer maken en het hele gezin zou passief worden. - Politici zagen geld verdienen aan tv of radio als onfatsoenlijk. De commercie zou tot vervlakking leiden. Bovendien waren de politici bang dat zij hun invloed op de media zouden verliezen. Een commerciële omroep zou minder dan een omroep met levensbeschouwelijk karakter, rekening houden met de politici uit de ‘eigen’ groep. - De tv liet meer licht amusement zien. Ondanks de bezwaren van de zijde van de politiek gingen steeds meer Nederlanders naar deze programma’s kijken. Ten slotte kozen de verzuilde omroepen eieren voor hun geld. Zij maakten zich los van hun zuil en brachten voortaan ook meer amusement. - De neutrale kranten (AD en Telegraaf) groeiden uit tot de grootste kranten van het land. Kranten zoals de Volkskrant ontdeden zich van hun verzuilde karakter en wisten overeind te blijven. Veel kleine kranten raakten door de ontzuiling hun trouwe achterban kwijt. Door te fuseren konden zij soms het hoofd boven water houden. - Met kritische en soms provocerende programma’s maakten de media duidelijk dat ze een eigen koers volgden, los van het gezag. - De burger werd mondiger en de overheid besloot zich aan te passen aan de nieuwe tijd. De politiek stelde zich opener op door middel van wekelijkse persconferenties. Begrepen werd dat de burger recht had op informatie van zijn eigen gezagsdragers. - Journalisten kregen invloed op de gang van zaken in Den Haag. Wie een bepaalde gebeurtenis op tv of pp de voorpagina van de krant bracht, wist dat de politiek zou reageren. Anderzijds konden politici natuurlijk ook de pers misbruiken. Het gevaar bestond dus dat de politiek en de pers hun onafhankelijkheid verloren. Dit vergde een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Van de journalisten en van de politici in de omgang met elkaar.
Hoofdstuk 7: Gezag onder druk: het politieke bestel Hoe trachtte de Haagse politiek zich in de jaren ’60 en ’70 te vernieuwen? Nacht van Schmelzer: KVP fractieleider stelde kritische vragen aan de katholieke permier, dit zorgde ervoor dat het kabinet aftrede. PvdA voelde zich verraden door de KVP en wilde niet meer samen regeren. D’66 wilde een progressief blok en een conservatief blok, dan wist de kiezer wat hij kon verwachten. Dus geen ‘vage’ coalitievorming. Stelsel van evenredige vertegenwoordiging vervangen door districtenstelsel: Evenredig: Districtenstelsel Gevolg: veel kleine Degene die de meeste stemmen haalt Partijen in een district, krijgt alle zetels van dat district. (tweepartijenstelsel) Participatiedemocratie: kiezers krijgen meer invloed -> premier moet gekozen worden
Nieuw Links: jongerenbeweging binnen de PvdA; Tien over Rood, programma over
vernieuwingen van de PvdA (betere ontwikkelingshulp, inkomensverschillen omlaag, meer zeggenschap werknemers, Nederland moest republiek worden en uit de NAVO stappen) Naam Positief of negatief over Nieuw Links Samenvatting van de mening
Drees Negatief Het ging Nieuw Links vooral om macht. De oude PvdA-garde moest verdwijnen
Van der GoesVan Naters Negatief Nieuw Links bestond uit hebzuchtige baantjesjagers
Van Thijn Positief Ondanks een gespannen verhouding met de oudere PvdA-bestuurders zorgde Nieuw Links voor openheid en een fikse verkiezingswinst
Heertje Negatief Nieuw Links was onvoorstelbaar onverdraagzaam. Je was voor of tegen. Iets anders bestond niet. Wallage Tussenpositie Nieuw Links leed aan kliekjesgeest. Ze hebben wel het oude bestel opener gemaakt. Verschil tussen D’66 en Nieuw Links: D’66 had iets dromerigs en wilde de doorbraak meteen. Nieuw Links wilde eerst de partij veranderen (agressieve manier) dan de samenleving. Progressief Akkoord: samenwerking tussen drie linkse partijen; PvdA, D’66 en PPR. Wilden zo de KVP buitensluiten. Keerpunt ’72: verkiezingsprogramma van de drie partijen
Progressief Akkoord verloor de verkiezingen en moesten toch samenwerken met KVP. -> kabinet Den Uyl

Kabinet kreeg al snel problemen door de oliecrisis. Het had te weinig geld voor radicale veranderingen
KVP en ARP stoorden zich aan de polarisatie van de linkse partijen. Het ging slechter met de economie, vakbonden riepen de overheid op om meer geld te geven. Polarisatie tussen werkgevers en werknemers: - Werknemers eisten meer medezeggenschap - “ Inkomstennivellering - “ betere sociale zekerheid - Werkgevers zagen al deze plannen niet zitten - Er konden geen compromissen worden gesloten - Er was minder begrip voor elkaar
1977: val van kabinet Den Uyl, door de slechte sfeer die de polarisatie had veroorzaakt
Hoe trachtte de Haagse politiek zich in de jaren ’60 en ’70 te vernieuwen? - Het vertrouwen tussen de PvdA en de KVP was voor lange tijd geschaad. Na de Nacht van Schmelzer polariseerde de politiek snel. Veel burgers zagen hun mening bevestigd dat de politiek een onbetrouwbaar bedrijf was. Het werd tijd voor hervormingen en openheid. - D’66 en Nieuw Links wilden de politiek democratiseren. Het verzuilde systeem moest plaats maken voor een progressief en een conservatief blok van partijen. D’66 wilde de burgers bij de politiek betrekken door middel van een gekozen premier en een districtenstelsel. Nieuw Links wilde de PvdA van binnenuit democratiseren. Er moest meer ruimte komen voor mensen met nieuwe ideeën. - In de jaren ’50 hadden de verzuilde partijen het overleg aan de top altijd gaande gehouden. Nieuw Links wilde duidelijkheid scheppen. De kiezer moest een duidelijke keuze worden voorgelegd tussen links en rechts. - De invloed van de oude, verzuilde partijen werd uitgehold. Kiezers wisselden vaker van partij en besloten pas laat op wie zij zouden stemmen. - Het overlegmodel van de jaren ’50 maakte plaats voor polarisatie, voor een scherpere houding ten opzichte van de regering. De vakcentrales kwamen met looneisen en riepen sneller stakingen uit als die eisen niet werden ingewilligd. - Het kabinet wilde spreiding van kennis, macht en inkomen realiseren. Er heerste geloof in de maakbaarheid van de mens en de samenleving. Werknemers moesten meer zeggenschap krijgen en hadden recht op een deel van de winst. Bovendien moest het politieke bestel gedemocratiseerd worden. - Het kabinet kreeg te maken met economische problemen zodat er bezuinigd moest worden. Daardoor konden dure hervormingen niet uitgevoerd worden. Bovendien werd er door de polarisatie de samenwerking met andere partijen (VVD en de confessionelen) en het bedrijfsleven steeds lastiger. Hoofdstuk 8: Van polarisatie naar consensus 1977-1990 Hoe veranderde de relatie tussen burgers en gezag tussen 1977 en 1990? CDA: 1977, Christen Democratisch Appèl, fusie van de drie confessionele partijen KVP, ARP
en CHU. Stelde zich op als middenpartij. 4 uitgangspunten: - Solidariteit - Gerechtigheid - Gespreide verantwoordelijkheid - Rentmeesterschap (mens was beheerder van de aarde) Liberalen speelden een grote rol in de politiek van 1977 tot 1989
Door grote oliecrisis in de jaren ’70 ging het slecht met de economie. De enige oplossing was dat de lonen niet meer mochten stijgen. Akkoord van Wassenaar: 1982, vakbonden zouden geen hoge lonen meer eisen, werkgevers zouden de werkweek verkorten en het kabinet zou niet meer ingrijpen. Einde van de polarisatie. Poldermodel: er moet samengewerkt worden om de economie weer overeind te krijgen

CDA-premier Lubbers was het symbool voor de consensus
Verschillen met de consensus in de jaren ’50: - Kiezer hadden geen eigen zuil meer - Burgers waren kritischer en zelfstandiger geworden - Emancipatie van de jongeren, vrouwen en de media
Civil Society: ‘burgermaatschappij’, burgers komen op voor hun eigen rechten, ze werden
lid van belangenverenigingen zoals Greenpeace en ANWB. Dit leidde tot individualisering van de samenleving
Hoe veranderde de relatie tussen burgers en gezag tussen 1977 en 1990? - De kruisrakettenkwestie was de laatste grote uiting van polarisatie. Na deze kwestie werd duidelijk dat er een nieuw consensusmodel nodig was. - Vanaf de tweede helft van de jaren ’60 raakten de KVP, ARP en CHU steeds meer leden kwijt. Gehoopt werd dat met een fusie het stemmenverlies zou stoppen. - Het CDA en de VVD kozen voor een ‘terugtredende overheid’. Om de dure verzorgingsstaat te kunnen handhaven zou er sterk bezuinigd moeten worden. Het CDA koos als uitgangspunten gerechtigheid, gespreide verantwoordelijkheid, solidariteit en rentmeesterschap. De VVD gebruikte de symbolen vrijheid en zelfstandigheid ten opzichte van de overheid. De PvdA nam afstand van het polarisatiemodel. De ideologische verschillen tussen de grote partijen werden kleiner en daardoor konden zij elkaar vinden in een beleid van bezuinigingen en beheersing van de sociale zekerheid. - De vakbeweging verloor veel leden. Dagelijks steeg het aantal werkelozen. Uiteindelijk zagen de vakverenigingen, politiek en werkgevers dat de looneisen gematigd zouden worden. Het akkoord betekende het einde van de polarisatie en het begin van een nieuw soort consensus. Er werd minder gestaakt en de loononderhandelingen verliepen soepeler. - De overheidsuitgaven voor onderwijs en volksgezondheid waren te veel gestegen ten opzichte van de inkomsten. Bovendien werd er massaal gebruik gemaakt van de sociale voorzieningen. Om deze problemen op te lossen moesten de uitgaven door middel van drastische bezuinigingen omlaag worden gebracht. - De politiek keerde terug naar consensus. Erkgevers, werknemers en de politiek gingen rond de tafel zitten om samen problemen op te lossen. - Het nieuwe consensusmodel was niet langer verzuild. De maatschappij veranderde in een ‘civil society’ waarin de individuele burger opkwam voor zijn eigen belangen. Hij koos voor eigen belangenverenigingen, los van de oude, verzuilde organisaties. De politiek luisterde naar deze belangenverenigingen om polarisatie te voorkomen. Met de Loep op Lancashire 1750-1850 Historisch Kader Factoren die hebben bijgedragen aan de snelle groei van de textielindustrie in Lancashire - Bevolkingsgroei (beter voedsel) - Verhoging van de agrarische productiviteit (Enclosure Movement) - Verbetering van de infrastructuur (via water d.m.v kanalen) Common fields: woeste gronden in het bezit van een dorpsgemeenschap, de gronden
werden meestal gebruikt om vee op te laten grazen. Open fields: grote, niet omheinde stukken grond waarbij één soort gewas wordt verbouwd. De grond was gemeenschappelijk bezit, dus boeren moesten veel samenwerken. Enclosure Movement: het eigen maken en omheinen van de common fields en het

herverkavelen van de open fields. Hierdoor was grootschalige en efficiëntere
landbouw mogelijk. Katoen werd geïmporteerd vanuit Calicut in India. Het was een zeer populaire stof vanwege: - Lichte stof - Zeer kleurrijk en exotisch - Variatie van zeer fijn tot zwaar en sterk - Geschikt voor zomer en winter - Goed wasbaar dus beter voor hygiëne
Calico Act: 1721, om de eigen textielnijverheid te beschermen (wol) mocht er geen textiel
worden geïmporteerd uit India. - Moderne historici zien de Industriële Revolutie minder als een snel, technologisch verschijnsel en meer als een langzaam maatschappelijk veranderingsproces met economische, sociale, culturele en politieke elementen. - De agrarische revolutie werd veroorzaakt door de enclosure movement. Herverkaveling en omheining van grote stukken grond maakten een efficiënte landbouw mogelijk. Nieuwe productietechnieken (vierslagstelsel, betere bemesting) en technische verbeteringen zorgden voor een enorme productievergroting. - De bevolking groeide. Een deel van de aanwas trok naar de steden. Die mensen konden dankzij de verbeteringen in de landbouw gevoed worden. De textielnijverheid moest de groeiende, stedelijke bevolking kleden. Dit maakte een vergroting van de textielproductie nodig. Zo werd een hele kettingreactie van uitvindingen op gang gebracht. - 1) verbeteringen in de landbouw; 2) de toename van kleine ondernemers en loonarbeiders in de steden, die later in de fabrieken zouden kunnen werken; 3) verbetering van de infrastructuur Hoofdstuk 1 Huisnijverheid en industrie Onder invloed van welke ontwikkelingen vond in Lancashire in de katoennijverheid de overgang plaats van huisnijverheid naar het werken in fabrieken? Manufactuur: grote aantallen mensen werken samen in één ruimte met arbeidsdeling (ieder doet zijn eigen ding), maar zonder machines. Voorloper op de echte industrie. Huisnijverheid/putting-out system: boeren die vrije tijd hadden vulden dit met het

doen van arbeidsintensief werk. Vooral in Lancashire werd die textielindustrie belangrijk: - Het putting-out system was hier al vroeg ontwikkeld. - Nabij de grote haven van Liverpool - Vochtig klimaat - Calico act en de Weavers’ act golden hier niet
Weavers’ act: wet tot stand gekomen op aandringen van de machtige gilden. Hierbij werd
het maximum aantal leerlingen per meesterwever beperkt. Schietspoel/flying shuttle: in 1733 uitgevonden door John Kay voor het weefgetouw. Een wever kon sneller en over een grote afstand de spoel door het garen trekken. Spinning Jenny: gemaakt door James Hargreaves voor het maken van meerdere garen
d.m.v het draaien aan een wiel. Waterframe: een vinding van R. Arkwright, kon 200x zo snel spinnen als een spinnewiel. Het Waterframe rekte de katoenvezels uit. Spinning Mule: uitgevonden door Samuel Crompton, hij combineerde de Spinning Jenny en
het Waterframe. Ondanks al deze uitvindingen was de huisnijverheid er nog steeds. Maar het Waterframe kon niet gebruikt worden in huis, want het werd aangedreven op waterkracht. Mill: de eerste spinnerijen die aangedreven werden door waterkracht. Het nadeel van de Mills waren dat ze langs het water gebouwd moesten worden. James Watt heeft toen de stoommachine aangepast zodat die voortaan kon worden gebruikt als aandrijfkracht. Redenen waarom de huisnijverheid werd vervangen door fabrieksmatige productie: - Technische ontwikkelingen - Arbeidskrachten moesten optimaal benut worden - Efficiëntie van het productieproces verhogen - Meer controle op de arbeiders
Voorwaarden/voordelen voor de Industriële Revolutie in Engeland: - Goede infrastructuur (rivieren en zeehavens) - Landbouwoverschot - Technische ontwikkelingen - Bevolkingsgroei door betere hygiëne - Veel koloniën voor grondstoffen - Te weinig hout->steenkool nodig->stoommachines nodig->ook voor de rest van de Industriële Revolutie gebruikt - Steenkool nodig voor ijzer->beide in Engeland aanwezig - Engeland had niet geleden onder Napoleon

Onder invloed van welke ontwikkelingen vond in Lancashire in de katoennijverheid de overgang plaats van huisnijverheid naar het werken in fabrieken? - De gilden waren niet gericht op massaproductie. Bovendien had het putting-out system geen last van allerlei bindende regels. In de werkplaats werkten loonarbeiders, geen leerlingen en gezellen. Iedereen had een eigen taak (arbeidsdeling). In het gilde werd een product van begin tot einde door één man gemaakt. Het nieuwe systeem werkte sneller, goedkoper en was meer flexibel. - In de oogsttijd konden arbeiders op het land werken. In rustige tijden werkten zij in de huisnijverheid. - De ondernemers wilden hun greep verstevigen omdat de vraag steeg. Thuiswerkers die stukjes ‘afval’ voor zichzelf hielden, kregen een boete. Ook probeerden ze de werkgevers de ‘vrije tijd’ van de op het platteland werkende arbeidskrachten te beperken. - Dankzij de schietspoel konden bredere doeken in kortere tijd worden geweven. De Spinning Jenny verbeterde de kwaliteit van het spinnen. Dankzij het waterframe kon de productiviteit van de spinners enorm worden vergroot. De Spinning Mule maakte het mogelijk om een fijnere draad te spinnen dan het waterframe. - Het Waterframe kon niet met mankracht worden aangedreven, maar vereiste het gebruik van waterkracht. De stoommachine maakte de fabrikant niet langer afhankelijk van waterkracht. Hij kon zich overal vestigen, ook al was de nabijheid van steenkool belangrijk. Hoofdstuk 2 veranderd platteland Hoe beïnvloedde de katoennijverheid het platteland van Lancashire? Cottages: kleine en ondeugdelijke arbeiderswoningen, stonden in lange rijen naast elkaar. Door de vernieuwingen van de spinnerijen, konden de wevers het niet meer bijhouden. Er kwamen steeds meer handwevers. Power Loom: mechanisch aangedreven weefmachine
Ook met de komst van de Power loom bleef het aantal thuiswevers stijgen, omdat deze machine duur en niet bedrijfszeker was. Maar als er slechte tijden waren, dan was de thuiswever de pineut, want hij was de eerste die geen werk meer had, omdat de machines door moesten blijven draaien. Hoe beïnvloedde de katoennijverheid het platteland van Lancashire? - De ondernemers breidden de productie eerst uit door de weefcapaciteit van de huisindustrie te intensiveren. De wevers kregen daardoor minder tijd om op het land te werken. Pas toen de grens aan de capaciteit van de huisindustrie was bereikt, werd naar andere mogelijkheden gekeken. De huisnijverheid bleef ook lang bestaan omdat de eerste machines duur, langzaam en weinig bedrijfszeker waren. - Het landschap van Lancashire werd gekenmerkt door honderden verspreide mills. De spinnerijen werden aan de boorden van riviertjes gebouwd. Aan de ene oever verrees het landhuis van de eigenaar, aan de andere kant de cottages voor het personeel. De stadjes in de buurt van de katoenspinnerijen groeiden. Ze trokken migranten aan uit nabijgelegen agrarische gebieden. Doordat de spinnerijen verspreid in het land stonden deed zich geen grootschalige verstedelijking voor. - Enkele ondernemers combineerden het streven naar maximale winst met een meer sociaal beleid. Zij wilden hun werknemers menselijker behandelen en geloofden bovendien dat tevreden en gezonde arbeiders betere prestaties zouden leveren. - Op korte termijn werden machines als concurrenten gezien. Tijdens talloze onlusten (vooral in perioden van crises) waren machines het doelwit van actievoerders. Op langere termijn konden de thuiswerkers de concurrentie niet volhouden. De armoede op het platteland groeide. Fabriekswerk (en dus acceptatie van de machine) bleek onontkoombaar. Hoofdstuk 3 het leven in de steden Op welke wijze veranderden de woon- en leefomstandigheden in de steden van Lancashire onder invloed van de ontwikkelingen in de katoennijverheid? Men beschouwde de stad als een slechte leefomgeving, het sterftecijfer lag er veel hoger dan op het platteland. Steden konden alleen groeien door migratie, er kwamen vele migranten uit Ierland. De huizenkwaliteit was zeer slecht. Er werden 3 huizenrijen gebouwd, de 1e rij was het beste, daar kwam het meeste licht en lucht door. De middelste huizenrij was het slechts af. Reden hiervoor was dat: - Ramen waren zeer duur en werd gezien als luxe - De grond werd gepacht, dus je moest het teruggeven met alles wat erop stond

Hele gezinnen leefden vaak in kelders die grotendeels onder water stonden. De hele stad was één grote vuilnisbelt. Iedereen gooide het afval op straat of in de rivieren. Er ontstond bodem, oppervlakte en luchtverontreiniging op. Cholera: besmettelijke ziekte, vooral in de meest dichtbevolkte gebieden. Een belangrijke
oorzaak voor snelle verspreiding is het vervuilde drinkwater. Iedereen die het kon veroorloven trok weg uit het centrum en ging aan de rand van de stad wonen, zo ontstond er sociale scheiding. Public Health Act: 1835, eerste sociale wetgeving hiermee konden gemeenten zelf de
openbare gezondheid regelen. Politiewet: 1835, gemeenten mochten zelf politiekorpsen oprichten. Op welke wijze veranderden de woon- en leefomstandigheden in de steden van Lancashire onder invloed van de ontwikkelingen in de katoennijverheid? - Rond 1800 behoorde Lancashire tot de gebieden waar het aantal inwoners per vierkante mijl het grootst was. Vooral de steden groeiden snel. In de graafschappen waarin 1831 de industrie een rol van betekenis speelde, woonde in dat jaar 45% van de Engelse bevolking. In 1851 had Lancashire ruim 2 miljoen inwoners. Met de opkomst van de industrie nam het belang van de landbouw voor Lancashire af. - In de grote steden van Lancashire bedroeg de sterfte ongeveer 1 op 28. Vooral de kindersterfte was hoog. De woonomstandigheden waren vaak miserabel. In kelderwoningen liep het grondwater naar binnen. De mensen woonden soms met hele families in twee kamers. Hele huizenblokken moesten het met 1 wc doen. Omdat waterleiding en riolering nog niet bestonden, was de kans op cholera groot. - De samenstelling van de stedelijke bevolking veranderde vooral door de migratie. In bijna alle grote steden was het aandeel van de migranten groter dan de groep die in de stad zelf geboren was. Van de migranten in Preston was 40% geboren binnen een straal van 10 mijl van de stad en 30% was afkomstig uit een plaats die meer dan 30 mijl van Preston verwijderd lag. Ongeveer 2% van de migranten kwam uit een plaats die meer dan 100 mijl van Preston lag. Hiertoe behoorden onder meer de Ieren. - In de industriesteden was sprake van ernstige milieuvervuiling. Huizen werden zo dicht mogelijk bij fabrieken gebouwd, waardoor de arbeiders de ongezonde rook uit de schoorstenen elke dag moesten inademen. Aan de aanleg van waterleidingen en riolering werd nog niet gedacht. Varkens liepen los rond in de straten. Bewoners en fabrieken loosden al hun afval in riviertjes en kanalen. Hoofdstuk 4 Lancashire en de wereld Hoe beïnvloedde de katoensector de verbondenheid van Lancashire met de rest van de wereld? In Lancashire werkte 1 op de 4 mensen in de katoensector. Dit was dus de grootste textielsector, maar er werd ook nog wol en bombazijn gemaakt. Verticaal geïntegreerde bedrijven: dan werd er zowel gesponnen als geweven in 1
bedrijf. Alleen bij de grote ondernemingen. Steenkoolwinning groeide ook heel snel. En doordat er overal steden kwamen, ging het met de boeren ook goed, omdat ze verzekerd waren van afzet van hun landbouwproducten. Haven van Liverpool groeide ook snel, oorzaken: - groei van de katoenindustrie - graaninvoering voor de snel groeiende steden - afzet van industriële eindproducten aan de rest van de wereld

Katoenbeurs: 1809, katoenlords ontmoeten elkaar hier voor zaken -goederen en
handelspapieren werden hier verhandeld- en ze besproken hier politieke zaken. De uitbereidingen van de katoenfabrieken werden op verschillende manieren gefinancierd: - succesvolle ondernemingen betaalde uitbereiding van hun winst - leningen afsluiten bij familieleden - leningen afsluiten bij handelaren - een geldschieter een partnerschap aanbieden - uitstel van betaling bij leveranciers van de machines - sinds begin 19e eeuw ging het via bankinstellingen
Ontwikkelingen van de katoenimport: - ruwe katoen werd ingevoerd uit verschillende gebieden (Europa, Nabije Oosten, West Indië) - sterke groei van de import; 500x zo groot in 150 jaar - Brits West-Indië belangrijkste leverancier tot 1820, oorzaak: uitputting van de bodem - prijzen hoog voor de ruwe katoen, tot de uitvinding van de Cotton Gin - Aan het eind van de 19e eeuw kwam de ruwe katoen vooral uit Amerika
Cotton Gin: 1793, uitgevonden door Eli Whitney, voor een snelle en effectieve verwijdering
van de katoenzaden. Zorgde voor een daling van de prijs van ruwe katoen. Ontwikkelingen van de katoenexport: - Eindproducten bleven in Engeland, maar na de uitvinding van de spinmachines werden de prijzen goedkoper en werd er geëxporteerd naar het buitenland - Export zorgde voor een versnelling van de groei - Vanaf het begin van de 19e eeuw was de export groter dan de binnenlandse afzet - Europa, Amerika en West-Indië belangrijkste bestemmingen, maar Europa en Amerika kregen een eigen industrie, dus Engeland vervoerde ook naar India, China, Afrika, Zuid-Amerika en Nabije-Oosten. - Engeland vervoerd halffabrikaten naar Amerika en Europa, zo kwamen daar geen concurrerende katoenspinnerijen. Hoe beïnvloedde de katoensector de verbondenheid van Lancashire met de rest van de wereld? - De katoen overvleugelde allen andere takken van nijverheid wat betreft de omvang van de productie en wat betreft de werkgelegenheid. Toch groeiden ook de andere sectoren, zoals de steenkoolwinning. Tegen 1850 was de regio Lancashire/Cheshire goed voor 14% van de totale Britse productie. Ook de machinebouw en de chemische industrie groeiden explosief. - De ontwikkeling van de katoenindustrie in Lancashire stond in wisselwerking met de rest van Engeland. Arbeiders migreerde vanuit het hele land naar dit graafschap. Ten tweede werd de financiering van de industrie steeds meer een landelijk fenomeen. In elke stad in Lancashire verrezen bankfilialen, die vaak in relatie met de Londense bankiershuizen stonden. - De katoennijverheid van Lancashire was nauw verbonden met het buitenland. De ruwe katoen moest worden ingevoerd vanuit Amerika, West-Indië of India. Ook voor de afzet van textielwas het buitenland van groot belang. Al in het begin van de 19e eeuw was het aandeel van de export groter dan dat van de binnenlandse afzet. - Toen in Europa en Amerika een eigen katoenindustrie van de grond kwam, nam de afzet in deze gebieden af. De Britten gingen zich daarna meer op India richten. Hoofdstuk 5 arbeidsomstandigheden Hoe beïnvloedde de katoennijverheid de arbeidsverhoudingen en de bestaanszekerheid? Pessimisten: Onderzochten de sociale en culturele gevolgen van de industrialisatie, ze
baseerden hun verweer op kwalitatieve bronnen (geschreven). Optimisten: Zij baseerden hun onderzoek op kwantitatieve bronnen (cijfers), daarbij leek
de uitkomst positiever. Standard of living debate: debat waarbij de vraag is of de levensomstandigheden van de
arbeiders tijdens de Industrialisatie beter of slechter werden (is nog steeds gaande) Al voor de Industrialisatie waren de werkdagen lang, behuizing, voeding en de gezondheidssituatie niet goed. Vooral vrouwen en kinderen werkten in de fabrieken, omdat mannen een grote afkeer hadden van vaste werktijden en gedisciplineerd werk. Mannenwerk Vrouwenwerk

Spinfabriek Spinnen Kaarden
Weeffabriek Zwaar + geschoold werk Weven
De arbeidsomstandigheden waren slecht: - Het was een ongezonde en onveilige omgeving - Je moest lang werken - Je kreeg een laag loon
Een onzeker bestaan
Arbeiders in de stad Landarbeiders - hogere lonen - lagere lonen - levensverwachting laag - levensverwachting hoog - leven is duurder - leven is goedkoper - bazen zijn strenger - bazen zijn minder streng - vast dienstrooster - eigen werktijden
De meeste fabrikanten waren self-made men. Ze zijn een fabriek begonnen met zeer weinig geld, ze kwamen uit de middenklasse. De verhouding tussen de fabrieksbazen en de arbeidersklasse was als volgt: - Solidariteit tussen de arbeiders was gering - Arbeiders wilden liever geen conflicten - Er was geen grote vijandschap tussen de elite en de arbeiders
Vakbonden hadden het moeilijk om zich goed te organiseren, omdat: - Ze kregen veel tegenwerking van de fabrikanten - Combination Act: 1799, verbood de vorming van vakbonden - Lonen waren te laag om lidmaatschap te kunnen betalen - Arbeiders waren makkelijk te vervangen, dus staken was zeer gewaagd - Leden van de vakbond werden vaak uitgesloten; bazen namen stakers niet aan - Vrouwen werden niet toegelaten in vakbonden

Eer bestonden grote regionale verschillen tussen de arbeidersklasse. Hoe beïnvloedde de katoennijverheid de arbeidsverhoudingen en de bestaanszekerheid? - De ‘klassieke’ visie ziet de introductie van de fabrieksarbeid als een ramp voor de massa. Terwijl een kleine groep kapitalisten schatrijk werd, leefden en werkten de arbeiders onder erbarmelijke omstandigheden. De ‘optimistische’ historici stellen dat de arbeiders het langzaam aan toch beter kregen. Moderne historici verrichten vooral lokaal onderzoek. Hieruit blijkt dat er grote regionale verschillen waren en dat er in de 19e eeuw perioden waren waarin het slechter ging en perioden waarin het beter ging. Ook betogen zij dat het onmogelijk is om van ‘de’ arbeiders te spreken. Tussen groepen arbeiders bestonden grote verschillen. - De huisnijverheid maakte geleidelijk plaats voor fabrieksmatige productie. De arbeidsdeling veranderde van karakter. In de nieuwe spinfabrieken namen de mannen bijvoorbeeld het spinnen van de vrouwen over. De arbeidsdiscipline was in de fabrieken veel strenger, daarom namen de fabrikanten liever vrouwen en kinderen in dienst. De arbeidsomstandigheden in de fabrieken waren slecht: er werd land en hard gewerkt in een onveilige en ongezonde omgeving. De lonen waren laag. De fabrikanten deden nauwelijks iets om de situatie te verbeteren. - De rijke fabrikanten vormden een aparte klasse, die steeds meer buiten de grote steden ging wonen. Uit talloze arbeidsconflicten blijkt dat de arbeiders vaak tegenover de fabrikanten stonden. Zij stichtten vakbonden om sterker te staan. Toch mag je de arbeiders niet als één homogene groep zien. Eer waren grote onderlinge verschillen. Lang niet alle arbeiders waren bijvoorbeeld lid van een vakbond. Ook waren ze vaak niet erg georiënteerd op conflicten. - De gemiddelde levensstandaard van de arbeiders was laag. Vooral tijdens periodieke crises hadden de arbeiders het slecht. De mensen in de huisnijverheid verloren de concurrentieslag tegen de fabrieken en vervielen in armoede. De arbeiders woonden in sloppenwijken, terwijl de fabrikanten in deftige buitenwijken woonden. De tegenstelling tussen de klassen werd hierdoor groter. Hoofdstuk 6 reacties op de industrialisatie Hoe werd – in en buiten Lancashire – gereageerd op de, onder invloed van de industrialisatie, veranderende samenleving? Vóór de industrialisatie konden velen nog gedeeltelijk in hun eigen levensbehoeften voorzien, na de industrialisatie waren ze geheel afhankelijk van ‘de markt’. Thomas Malthus (1766-1834): An Essay on the Principle of Polulation; de bevolking zou groeien volgens een rekenkundige rij (1 , 2 , 4 , 8 , 16) en de bestaansmiddelen
liberaal
volgens een meetkundige rij (1 , 2 , 3 , 4 , 5). Maar door de checks of misery and vice zou de bevolkingsgroei geremd worden. Maar dat zou niet genoeg zijn, ook het kindertal moest beperkt d.m.v de preventive checks. Malthus zag de industrialisatie
als dingen van de duivel, hij voorspelde dan ook dat de industriële voorsprong snel verloren zou gaan. Checks of misery and vice: oorlogen, epidemieën en hongernood (misery) en abortus en
geslachtziektes (vice) -> positive checks
Preventive checks: om de rampen van de positive checks te voorkomen moesten de

mensen minder kinderen krijgen -> dus later trouwen
Andrew Ure (1778-1857): The Philosophy of Manyfactures; hij zag alleen de positieve
kanten van de industrialisatie. Het werk was eenvoudiger, minder inspannend, hygiënischer en goedkoper. De nadelige kanten ontkende hij, zoals kinderarbeid. Adam Smith (1723-1790): Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations; hij
liberaal
vond dat ieder individu zoveel mogelijk moest handelen in eigenbelang, opdat deze
zoveel mogelijk winst zou maken. Wanneer dat zou gebeuren, zou de welvaart van de hele samenleving stijgen. Hierbij speelde de handel met het buitenland een grote rol. Engeland was de koploper op de wereldhandel. Het land moest zich specialiseren in hetgeen waarvoor hij de beste middelen had, dat zou de efficiency verhogen en dus ook de wereldhandel zou stimuleren. David Ricardo (1772-1823): Principles of Economy and Taxation; hij werkte de ideeën van

Liberaal
Adam Smith systematischer uit. Bij de 1e druk negeerde hij de problemen, zoals
werkeloosheid en arbeidsconflicten. Hij dacht dat met de invoering van machines er weer nieuwe banen vrijkwamen door investeringen van de winst die je uit de machines haalde. Met zijn 3e boek is hij triester over de gevolgen van de Industriële Revolutie voor de arbeiders. Robert Owen (1771-1858): Hij was van mening dat de voordelen van de industrialisatie
Utopist
niet opwogen tegen alle nadelen. Hij zag de arbeiders niet als een kostenpost, daarom schonk hij veel aandacht aan de opvoeding en onderwijs van de arbeiders. Zijn stelling was: Een fabriek met een gezonde en intelligente arbeidsbevolking kan beter en meer produceren. -> was geen succes. Coöperaties: bedrijfjes die gemeenschappelijk bezit waren. Door uitschakeling van de
tussenhandel kan er goedkoop worden geleverd. -> idee van de Utopisten
1792: Mule-spinners organiseren zich voor het eerst in een vakbond
Estafettestaking: stakers kregen financiële steun van arbeiders die wel doorwerkten
Luddisme: thuiswevers organiseerden zich omdat ze te weinig geld kregen voor hun werk. Het was goed georganiseerd verzet. Het uitte zich uiteindelijk in de machine-breaking, hierbij werden vele frames in elkaar geslagen. -> smashers. Rond 1830 werden de omstandigheden beter voor de arbeiders, de premier verbeterde de Factory Acts. Factory Acts: wetten over de veiligheid in fabrieken en over werktijden. Verbeteringen in 1833; kinderen onder 9 jaar mochten niet werken en een maximum werktijd voor de jongeren. Meetings: arbeidersklasse komen bijeen om te discussiëren over politiek, economische
depressie, lage lonen en hoge prijzen. Peterloo Massacre: Meeting van 50.000 mensen, waardoor de stadsbestuurders het

benauwd kregen en dachten dat er een revolutie zou uitbreken. Daarom stuurden ze het leger erop af. Hierdoor werd de kloof tussen lokale bestuurders en de regering vergroot. Hogerhuis: vertegenwoordigers van de aristocraten
Lagerhuis: volksvertegenwoordigers
Hervormingen van het parlement: - Afschaffing van het veto recht in het Hogerhuis - Industriesteden kregen een stem in het parlement - De minimumeisen voor kiesrecht werden verlaagd Reform Bill - Dunbevolkte gebieden geen zetel geven
Chartisme: - Algemeen (mannen)kiesrecht - Minimaal vermogen voor passief kiesrecht afschaffen - Parlementleden moesten betaald worden - Geheime verkiezingen
O.l.v Feargus O’Conner. Beweging gebruikte geweld, stakingen, fakkeloptochten en meetings. Het zette de klassen op tegen het kapitalisme. Niet succesvol
Anti-Corn Law League: 1839, was tegen de graanwet uit 1815 -> je mag pas buitenlands
graan invoeren als het binnenlandse duurder dan 80s. is geworden. Maar ze wilden dat het gehele protectionisme in de graanhandel afschaffen. Arbeiders en ondernemers wilden hetzelfde, namelijk vrijhandel. Succesvol
Lords of the loom: Heren van de machine -> ondernemers
Lords of the soil: Heren van de grond -> grootgrondbezitters

Hoe werd – in en buiten Lancashire – gereageerd op de, onder invloed van de industrialisatie, veranderende samenleving? - Malthus geloofde dat de toename van de bestaanmiddelen zou achterblijven bij de groei van de bevolking. De bevolkingsgroei zou volgens hem afgeremd worden door oorlogen, epidemieën en hongersnood. Dit kon voorkomen worden als de bevolking zelf het kindertal beperkte. Malthus was somber over de toekomst van het kapitalisme. Ure was veel optimistischer dan Malthus. Hij zag de industrie als de grote redder in nood. Fabriekswerk was eenvoudiger, minder inspannend, hygiënischer en goedkoper. Smith en Ricardo beschouwden de handel als de basis van de Britse wereldmacht. Zij vonden dat de staat de werknemers op geen enkele manier mocht belemmeren. Ieder land diende zich te specialiseren in het vervaardigen van die producten waarvoor het het best was toegerust. Owen bestreed het ongeremde winststreven van Smith en Ricardo. Volgens hem hoefde een fabrikant de arbeiders niet uit te buiten. Gezonde, geschoolde arbeiders zouden meer produceren. - De Luddieten protesteerden tegen de autoriteiten die steeds minder luisterden naar de vragen van de weversvakbonden. Toen het economisch slecht ging, kwamen zij in opstand. De machines in de fabrieken werden een belangrijk doelwit van de Luddieten. De beweging werd met keiharde hand door de overheid bestreden. - Uit talloze opstanden was gebleken dat het antwoord op alle problemen in Engeland niet op straat zou worden gevonden. Wie in het parlement genoeg zetels had, kon Engeland diepgaander, via wetten veranderen - De Reform Bill was een eerste, belangrijke stap op weg naar meer democratie. Industriesteden zoals Manchester kregen eindelijk een stem in het parlement. Het kiesrecht werd uitgebreid, zodat nu één op de vijf Engelsen mocht stemmen. - De afschaffing van de graanwet in 1815 betekende een belangrijke daling van de broodprijzen. Maar de afschaffing was vooral een liberaal succes. Nu kon de vrijhandel domineren, waardoor de industriële export sterk groeide.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.