Edo-Japan H9

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 3057 woorden
  • 17 juli 2001
  • 86 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 86 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
I Paragraaf 3 Japanse religie: van Natuur, Confucius, Boeddha en Christus.

3.1 Steden aan de rand van Japan overvol i.v.m. bossen en bergen

Door aardbevingen leven Japanners met groot ontzag voor de natuur.

Speelt een grote rol in het oudste geloof van Japan het Shintoïsme (= de weg van de geesten, ookwel kami genoemd)
Deze kami kunnen niet alleen personen zijn maar ook plekken en voorwerpen.
Dieren fungeerden als boodschappers, priesters konden deze boodschappen op hun beurt vertalen.
Vroeger vereerde men kami in de openlucht, later gebeurde dat in tempels.


Shintoïsme: Band tussen mens en natuur staat centraal, de mens is afhankelijk van de natuur.
Alles is goed wat met zuiverheid en natuur te maken heeft
Tempels waren spil voor culturele uitingen zoals sumoworstelen en boogschieten
Het vereren van de natuur in de godsdienst zien we terug in de scheppingsmythe van Japan
Eerste twee goden waren broer en zus: Isanagi en Isanami
Deze daalden neer uit de hemel en zij maakten een eiland in de zee
Hier vestigden zij zich en trouwden ze
Hun kinderen werden de andere Japanse eilanden
Insanami overleefde het baren niet, Isanagi trok eenzaam over de eilanden
Toen Insanami op een dag zijn gezicht waste, vond er een wonder plaats, hij baarde de drie goden, de zon, de maan en de storm.

- Susanowo (storm) maakte Amaterasu (zon) zo bang dat zij zich verstopte in een diepe grot. De aarde liet zij in het duister achter. De andere goden verzonnen een list om haar terug te halen. In een hoge boom voor de grot hingen zij een grote spiegel. Alle godinnen begonnen een onkuise dans. Het publiek geinde het uit van het lachen, wat ook de bedoeling was. Amaterasu kroop uit de grot om te zien wat er gaande was. En wat ze het eerste zag was haar spiegelbeeld: nog nooit zag zij zo’n groot en stralend licht. Nieuwsgierig, naar de pracht uit de spiegel kwam zij geheel uit de grond. Op dat moment hadden de godinnen gewacht. Ze grepen haar vast en verboden haar zich ooit weer te verstoppen. Het licht keerde terug op aarde. De godinnen verbanden Susanowono naar ‘het land van de duisternis’. Hij beleefde daar tal van avonturen en verwekte daar de eerste Japanners. Onder de nazaten van de zonnegodin bevond zich de eerste Japanse Keizer.


3.2 Conficus (China), grondlegger van het confucianisme (leefde van het 5de tot de 6de eeuw voor Christus.) à Men diende zich aan te passen aan de ‘wil van de hemel’à alleen dan zou de samenleving stabiel blijven.

Centrale waarden:
liefde voor de familie
respect
hulpvaardigheid jegens vreemdelingen
trouw aan de staat

5de en 6de eeuw na Chr. à Confucianisme drong door in Japan. Met als belangrijkste idee: De regering van een persoon staat of valt met het zedelijke karakter van de heerserà Japan neemt het Chinese alfabet overà Zo komt men in de 5de eeuw na Chr. ook in contact met het

Boeddhisme.
- Boeddhisme was ontstaan in India (5de/ 6de eeuw voor Chr.)
- Kern: De verbondenheid van de mens aan de cyclus van het leven, dood en wedergeboorte.
- Men blijft in deze kringloop door daden uit het verleden. (Karma: komen voort uit Begeerte) à Wanneer men dit slechte karma weet uit te schakelen treedt de verlichting in = het nirvana

Later toen overal tempels en kloosters werden gebouwd kwamen ook de lagere standen tot inkeer.
De Japanse bestuurders waren zeer geïnteresseerd in het Boeddhisme. Ze wisten het gezicht van Japan te veranderen, het Christendom had minder succes.
- Men meende dat wanneer de keizer zich hield aan de principes van het Boeddhisme het land ook voorspoed zou genieten.
- Het Boeddhisme vermengde zich met het oude Shintoïsmeà Kami- verlichte geesten v/h Boeddhisme.

16de eeuw: eerste missionarissen vanuit Portugal
aanvankelijk boekte deze successen, ook weer als eerste bij de elite. Later ook bij de lagere standen succes, soms vrijwillig!

Christendom bracht enorm veel voordeel met zich mee:
De handel met het Westen.

Nadelen:
- Een christen moest trouw zijn, zowel aan zijn vorst als aan zijn god
- God was belangrijker dan de vorst
- 1616 Leiders van Japan verbieden christendom, vervolging van Christenen volgde.

I Paragraaf 4 Japanse Politiek: Goddelijke macht in menselijke gedaante.

4.1 Uit het Japanse scheppingsverhaal blijkt dat een van de nazaten van de zonnegodin Amaterasu de eerste keizer van Japan werd: Jimmu Tenno à Hier stammen alle Japanse keizers vanaf.à Er was niet 1 keizer in heel Japan...

Japan bestond aanvankelijk uit een groot aantal kleine gemeenschappenà kende een duidelijke scheiding tussen machthebbers (oedji) en de ondergeschikten (be)
1 Staat = Jamato
Geleid door een oedje die beweerde tot het nageslacht van Jimmu Tenno te behoren
Kon zo de andere oudji onder zijn gezag plaatsen
Zo ontstond de allereerste vorm van centraal gezag
Jamato-Dynastie ontwikkelt zich zo van lokale tot centrale leider.

Soga – Familie
- Spande zich in om de positie van de keizer te vergroten
- Spande zich in voor de introductie van het Boeddhisme
- Hun voorbeeld was China
- Net als dat in China het geval was, wilden zij dat Japan een eenheid werd waarbij de keizer het centrale gezag had.
- China à macht van de keizer ingegeven door God
- Japan à keizer zelf kwam uit de hemel à was een levende menselijke God à Heete: Tenna = Hemelse Vorst

4.2 De Soga-Familie wilde de keizerlijke macht versterken, maar ze wilde ook zelf invloed verwerven. ßà Taika-Hervorming à 7de eeuw, andere Oedji-families hielpen de keizer om zijn positie te versterken.

Strijd om macht tussen de Oedji en de keizer komt steeds terug. Deze ging altijd om de omvang van keizerlijke macht, oftwel om de omvang van de centrale macht.

9de eeuw
Familie Foedjiwara à Toen de machtigste van Japan.
Gebruikte de postie van regent om de keizer te laten doen wat zij wenste.
Alle belangrijke beslissingen werden genomen met instemming van deze familie.
Keizer fungeerde nu dus als officieel hoofd van de regering en als symbool van wettelijkheid.
Dit zou een wezenskenmerk van de Japanse Staatsinrichting worden.

De Foedjiwara’s grepen niet in toen in steeds meer provincies wetteloosheid en rebellie heerste. à Het plaatselijke bestuur moest zelf voor haar bescherming zorgdragen.
à Zo ontstonden in Japan gewapende groepen waarover het centrum geen zeggenschap had. Leider van het Centrum was de Samoerai, deze ontwikkelde een eigen levenswijze.
De verschillende legers bestreden elkaar en vormden op den duur een serieuze bedreiging voor de Foedjiwara’s. Winnaar van deze strijd was de Minamoto- Familie.

Deze familie:
- Hield de keizer in ere, maar had zelf de feitelijke macht
- De leider: Yontomo à Liet zich door de keizer benoemen tot Sei-i-tai-shogun (= groot opperbevelhebber ter onderwerping der barbaren) à De militaire titel sjogoen kreeg hij voor het leven en deze was erfelijk. Deze sjogoen gaf leiding aan de Bakoefoe.
- Bakoefoe is het bureau dat alle militairen regelde. En hij hield namens de regering de militairen in het gareel.

Het leger ontwikkelde zich tot het enige goed functionerende bestuursapparaat in het land. Hierdoor zag de Sjogoen zijn macht groeien.
Vanaf de 12de eeuwà - Militaire Klasse beheerde het land
- De keizer en zijn hof moesten zich in Kyoto tevreden stellen met een plaats op de achtergrond (tot in de 19de eeuw)
- Militairen domineerden vanuit Edo (Tokyo) de bestuurlijke, wetgevende en rechtsprekende macht en ze beheersten tevens de cultuur en de economie.
Het Bakoefoe vormde een goed middel om Japan centraal te leiden.

4.3 13e eeuw à Japan kreeg te maken met de mongolen, olv Djengis Khan en zijn opvolgers. De Samoerai verdedigde zich en won uiteindelijk door een Tyfoon (=storm)
Deze overwinning had voor het bakoefoe noodlottige gevolgen.
à De samoerai wenste een beloning die ze niet kregen wat er toe leidde dat de Samoerai zich tegen de Bakoefoe keerde.
De Sjogoen die zijn macht had opgebouwd uit beloften van trouw in ruil voor goede beloning zag zijn systeem instorten.

Begin 14de eeuw à De Keizer probeerde met behulp van ontevreden militairen de Sjogoen af te zetten, dit mislukte en leidde tot desintegratie van Japanà Japan viel uiteen in kleinere gebieden Sterke edelmannen werden nieuwe machthebbers. De heer van een gebied = Daimio, De eenheid van het land was verdwenen.

In 16de eeuw à Nieuwe buitenlandse bedreigingen voor Japan, de Portugezen komen naar Japan. Deze wilden: Handel (nieuw in Japan het vuurwapen) en zij introduceerden het Christelijke geloofà Velen bekeerd

Toch nam de afkeer voor het Christelijke Geloof toe omdat:
Men vreesde dat de katholieken het absolute gezag van de Bakoefoe zou afwijzen
Christendom is een mogelijk bindmiddel voor vijandige Daimio
Vrees voor mogelijke economische invasie van Europese Mogendheden.
à 17de eeuw: Verbod op het katholicisme

4.4 Na 1500 wist een aantal Daimio een goede uitvalsbasis te creëren om de eenheid van Japan te herstellen.

I Daimio Oda Noboenaga (1534-1582)
Maakte gebruik van het geïmporteerde musket en kan veel centrale provincies veroveren

II Tojotomi Hidejosji (1542-1598)
Voegde alle delen van het land onder zijn gezag
Beval Scheiding tussen Boeren en Samoerai, om het centraal gezag meer kracht te geven.
Besloot tot verwijdering van de Samoerai uit de maatschappij (zie boek)

III Tokoegawa Iëjasoe (1542-1616)
Dmv vechten kreeg hij de feitelijke macht in handen
Werd Sjogoen en er werd een nieuwe Bakoefoe ingesteldà Overgeërfd

De Japanse Eenheid was gevestigd.

I Paragraaf 5 De Japanse samenleving: samoerai, boeren, stedelingen en buitenlui.

5.1 Een starre standenmaatschappij

Vanuit Edo, hoofdkwartier van de sjogoen deelde het bakoefoe de samenleving in vier standen in. Deze standenindeling wordt door geboorte vastgesteld, en is vast voor het verdere leven.

De standenverdeling:

Hoogste stand: de Samoerai
Een tiende deel van de bevolking.
bestaat uit:
- keizerlijk hof;
- sjogoen;
- daimio;
- militaire voetvolk;
- ambtenaren van het bakoefoe;
- geleerden;
- artsen;
- bepaalde kunstenaars.

De priveleges van verschilden van hoog naar laag: hoogsten in de stand mochten paardrijden, vissen, jagen, lager in de stand moesten knielen voor de hogere standgenoten.

Tweede stand: de Boeren
- Meer dan 80% van de bevolking.
- Hadden een laag aanzien.
- Waren verplicht om op hun geboortegrond te blijven wonen en mochten dus geen ander beroep uitoefenen.
- De Samoerai bepaalden dat de boeren een dienende taak hadden.
- Ze moesten voor voedsel en herendiensten (klusjes voor landeigenaren) zorgen.
- Het leven werd tot in detail voorgeschreven:
- Men stelde de producten vast die men moest verbouwen.
- Men stelde vast op welke manier deze verbouwd moesten worden.
- De boeren hielden net genoeg over om in leven te kunnen blijven, hun eigenlijke hoofdtaak was het opbrengen van belastingen voor de landheren, in natura, dus in rijst of een ander gewas.
- Begrijpelijk ontstond er aversie tegen de samoerai en daaruit volgden vele kleinere en grotere opstanden.
- De boerenbevolking had weinig tot geen vrije tijd, men moest keihard werken en alles afstaan aan de boeren.
- Landeigenaren lieten de boeren sober leven, op die manier bleef er meer voor de rijkeren over.
- De boeren betaalden 50% belasting, meer als de heersers dat nodig hadden. De boeren betaalden deze belasting per dorp.
- Als de boeren hun belastingen niet konden voldoen volgde vaak de verkoop van 1 of meerdere familieleden om deze te betalen.
- Er waren ook welvarendere onder de boeren. Kenmerken van die boeren:
- Beschikking over personeel;
- Grondbezittend.

Hetgeen resulteert in: Voorang en een stem in het dorpsbestuur, hoe rijker hoe belangrijker deze rol in het bestuur van het dorp werd.
- De dorpen stonden onder bewind van de Daimio & Sjogoen en ze mochten tal van zaken zelf regelen (met name belastingen).

De derde en vierde stand: de Handelaren en de Ambachtslieden
- De derde en vierde stand leefden in de steden en hadden het beter dan de boeren, want ze verdienden geld. Toch keek de bovenste stand op deze standen neer omdat de Handelaren geld verdienden zonder echt iets te maken.

De handel profiteerde van een aantal zaken:
De rust die het bakoefoe in Japan bracht.
Bevolkingsgroei in de 17de en de 18de eeuw (van 18 tot 26 miljoen mensen).
Steeds meer mensen gingen in de steden wonen, rondom het kasteel, waaromheen de steden werden gebouwd.
Edo werd de grootste stad à 18e eeuw miljoen mensen, Osaka en Kyoto 2e grote steden.
Goede verbindingen tussen de steden die werden aangelegd.

Steden:
De steden hadden een grote rijstbehoefte: de daimio gebruikte de handelaren om de ontvangen belasting (in natura) om te zetten in geld. Later kende deze daimio de handelaren ook als geldverschaffers, ze sloot leningen bij de handelaren. De handelaren werden op die manier dus onmisbaar voor de daimio.

In de steden bestond een zg. tweedeling. In deze tweedeling maakte bezit het verschil, huisbezitters hadden vele malen meer aanzien dan niet huisbezitters (de huishuurders). De huizenbezitters waren dan ook geregistreerde, officiële burgers.

Buiten de indeling van de 4 standen heb je de paria’s de eta en de hinin. Zij hadden minimale rechten, vormden de kelder avan het volk. Binnen Japan bestond een Hiërarchische maatschappij, de bovenste stand legt haar wil op aan lagere standen. Binnen de familie bepaalde het geslacht en de ouderdom wie er de baas was. Het kwam erop neer dat de vader de baas was, vrouwen in onderdanige positie.

In de rechtspraak kwam dit ook tot uiting, de hogere in stand en rang mocht rechtspreken over de lageren, dit gebaseerd op de gedachte dat mensen ongelijk ter wereld kwamen. Straffen varieerden van verbanning tot huisarrest tot ranselen, tatoëren of boetes. Men liet de beklaagde allereerst bekennen (al dan niet met martelen).

De indeling in de vier standen was bedacht door het bakoefoe om Japan zelfvoorzienend te maken, het werkte uiteindelijk niet want de mensen trokken naar de steden waar de lagere twee standen langzaam maar zeker meer invloed verkregen doordat a) de daimio er een te luxueze levenstijl op na hield, en b) omdat de handel steeds meer geld leende aan de daimio, de daimio niet meer zonder de handel kon. De landbouw kreeg meer macht omdat er steeds minder boeren kwamen waardoor de minst aanzienlijke economische macht kregen.

5.2 Een stevige greep op de samenleving

Het bakoefoe zette het bestuur van Japan op. Eenderde van het land stond onder het directe bestuur van het bakoefoe en de leenheren van de sjogoen. Tweederde kende een daimio als beheerder. Deze hadden hun eigen domeinen (de han) en kastelen. De Samoerai traden als leenmannen in hun dienst. Deze domeinen leken onafhankelijke staten. De Sjogoen liet bestuur, belastinginning en registratie van land over aan de Daimio. De Tokoegawa-sjogoen benoemde zijn eigen te vertrouwen mensen. De Daimio hadden hun trouw getoond door mee te vechten bij de slag van Sekigaharaà beloning eerlijke daimio status.

Twee machtsmiddelen om land te behouden: sankin kotai en de dienstplichtà duur bestaan in Edo
resp. Daimio moet evenveel tijd in hoofdstad Edo zijn als op land, en de daimio moest meestrijden in het leger.

Keizer leefde een schaduwbestaan, in Kyoto, het hof bestond uit de keizer, zijn echtgenote, hun kinderen en de hofadel een groep van circa 140 families. Vanaf de 14de eeuw had de keizer geen politieke functie meer. Functieà Symbolische legitimatie van macht. De Bakoefoe stelde strenge regels aan dit leven. Keizer kwam in 1615 buitenspel, kreeg geen zeggenschap meer, mocht niets meer uiten. Ook de geestelijke stand kwam steeds meer onder de invloed van de Bakoefoe.

Het Bakoefoe verbood het christendom in 1616

I Paragraaf 6 Economie: Rijst, Geld en Macht!

Japan in Edo-Periode à Zeer weinig contact met het buitenland à wél contact met China en een Nederlandse handelspost op het eilandje Deshima.

Japanse Economie à Landbouw à Boeren à Belastingen (hoog, 50%) à Naar DAIMIO en BAKOEFOE à Dit konden de boeren niet langer opbrengen.

Het systeem van de Tomoegawa’s à Indeling van de standen à Iedereen deed wat hij/zij moest doen en trad niet buiten zijn/haar vak.

De standen hadden elkaar nodig à Opbrengsten landbouw financierde de leidende stand à Inkomsten kleiner dan de uitgaven à Geld Lenen à lenen van de Kooplieden stand

Standsopbouw:
- Samoerai
- Boeren
- Ambachtslieden
- Kooplieden

Handelaren (kooplieden) profiteerden van de vraag naar allerhande producten. Rijkdom van deze handelaren nam enorm toe. Verdienden geld met het omwisselen van belastingen.

Boeren gaven de rijst aan hun heren, deze verkochten ze voor een laag bedrag aan de handelaren die het verkochten aan de stadsbevolking. Deze verkoop leverde hoge winsten op, waardoor ze kredieten konden verlenen aan de Samoerai.

Rond 1700 à 100x zoveel geld geleend als er in omloop was (door de Samoerai)

Politieke macht = Hoogste Stand
Economische macht = Laagste Stand

Tokoegawa-sjogoen wist de oude situatie niet langer te handhavenà ook militairen traden nu op als handelaren à Het begin van het Einde. Er ontstond onrust door de gewijzigde economische orde. Onvrede over de onderdrukking van de belastingen

Intellectuelen hoopten op herstel van de keizerlijke macht.

I Paragraaf 7 Cultuur en wetenschap: Hoge waarden in Hoogtepunten.

Macht bepaalt in hoge mate hoe een cultuur zich zal uiten.

Japan einde 16de eeuw: à De nieuwe machthebbers van het Sjogoenaat bepaalden de cultuur.

Symbool van verovering en macht waren grote burchten
Straalden macht uit over het omliggende platteland vanaf heuveltoppen of op strategische kruispunten.
Rondom kwamen legerplaatsen
Hadden aantrekkingskracht op handelaren en op ambachtslieden
Kastelen dienden als besturingscentra
De muren werden door kunstenaars versierd. De afbeeldingen toonden volksfeesten en het dagelijks leven in de stad.

Japan à Typen cultuuruitingen:
Architectuur van de burchten + Schilderkunst (zie vorige blokje)
Theeceremonie
= Spel van subtiele regels gericht op eenvoud, rust en schoonheid
Thee + Kalligrafie staan centraal bij het contact tussen gastheer en zijn gast
Dit geheel lijkt op een toneelvoorstelling
Echt toneel kon men bewonderen in het Kaboeki-Theater, welke erg populair werd in de 18de eeuw.
De Bakoefoe greep echter in toen bleek dat actrices zich ook inlieten met Prostitutie.

Verklaringen van de populariteit van het Toneel:
Kooplieden in het theater zagen een mogelijkheid om hun rijkdom te tonen.
Men kon op die manier haar behoefte aan pracht en praal bevredigen
Het publiek genoot van de onderwerpen in de toneelstukken, vaak lukte iets wat in het dagelijks leven onmogelijk was
b.v. stuk “Sukeroku” à Centraal: Strijd tussen een burger en een bullebak van een Samoerai

Het Kaboeki-Theater stond tegenover de verheven wereld van de theeceremonie en de intellectuele inspanningen van geleerden. Werd aan het eind van de 17de eeuw: ‘Drijvende Wereld” genoemd. Bestond uit:
Restaurants
Bordelen
Theaters
Badhuizen
Het bakoefoe probeerde de “zwevende wereld” zoveel mogelijk te beperken > Rijke Japanners wilde echter het tegendeel bereiken. De spanning tussen hoge en lage cultuur kende ook in Japan een lange geschiedenis.

Japanse Wetenschap (= een dubbel gezicht)
Enerzijds de eigen zaken (Confuciaans Denken), Anderzijds in de 18de eeuw: Buitenlandse Ideeën Rangaku (De Hollandse Wetenschap)= westerse kennis van techniek en van geneeskunst.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

N.

N.

hoi alexander ik zoekte wat over economische ontwikeling van japan oooof economishe geschidenis van japan wil je a.u.b iets voor me zoeken ik kan echt niks vinden of weet je misschien een site waar ik dat wel kan zoeken ik dacht jij moet het wel weten maar als je het vindt wil je misschien me zo snel mogelijk sturen ik moet het voor een dosee toets maar ok thnx ee doei doei nini

20 jaar geleden

I.

I.

hey, thnx voor je werkstuk hoor!kus!

19 jaar geleden