Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Democratie en ismen; begrippen blijven, hun inhoud verandert

Beoordeling 7.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 2670 woorden
  • 2 oktober 2016
  • 5 keer beoordeeld
Cijfer 7.9
5 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
Democratie en ismen; begrippen blijven, hun inhoud verandert
 
Wat is democratie?
In de 20e eeuw ontstonden er in een paar landen democratieën, burgers waren echter  niet tevreden. Te weinig invloed op de politiek.
Democratie is de regeringsvorm waarbij het volk recht heeft om een regering te kiezen en hun staat naar eigen inzicht in te richten mits de burgers hun grondrechten behouden. 
 
 Kenmerken parlementaire democratie :
- volkssoevereiniteit

- constitutioneel
 - iedere burger heeft recht om mee te beslissen ongeacht religie, kennis, materiële  rijkdommen. (18 of 21 jaar)
 
 Democraten zijn de aanhangers van de democratie en geloven dat ze d.m.v de democratie, politieke problemen kunnen oplossen. Het woord ‘democraat’ wordt zowel zelfstandig als bijvoeglijk gebruikt. -liberaal, sociaal-, en christen-democratie of -democraten. 
 
 Aanvullende kenmerken parlementaire democratie:  de grondrechten
- Vrijheid van religie
- vrijheid van meningsuiting
- burgers moeten zich een mening kunnen vormen, daarom:
- vrijheid van pers
- gelijke kansen voor alle bevolkingsgroepen. Alle partijen hebben gelijke     toegang tot de media.
 
Vrijheid van de pers is ook voor overheid van belang. Als alle verschillende groeperingen namelijk hun stem laten horen via de media, dan weet de overheid wat er speelt in het land.
 
- gelijkheid van iedereen voor de wet

 
- recht op bescherming, privé-leven en bezit
- altijd recht op een openbare rechtszaak, toegestaan is voorlopige hechtenis - rechtsprekende macht is los van de overheid. Anders kan de overheid     bijvoorbeeld iemand veroordelen vanwege kritiek op de overheid.
- iedereen heeft recht op privacy
- overheid mag alleen onteigenen tegen een vergoeding
 
- Iedereen mag wanneer diegene wil, een partij oprichten, vergaderen en aan  verkiezingen deelnemen. De uitgebrachte stemmen moeten anoniem blijven en  kiezers mogen niet onder druk worden gezet.
 
- De overheid moet zorgen dat er voldoende zorg, werkgelegenheid en uitkeringen etc.  zijn voor het volk, omdat in de democratie inkomens nogal van elkaar kunnen   verschillen. Dit zijn de sociale grondrechten .
 
- Bereidheid tot samenwerken en compromissen sluiten met andere groepen die ook  een eigen en misschien visie hebben om de inrichting van de staat. 
 
- Vertrouwen van het volk in de democratie en de regerende en gekozen partijen. Dit  kunnen ze laten merken door belangstelling te tonen d.m.v volgen van media en pers  en te gaan stemmen.
 

Vormen van democratie:
 
Directe democratie  Indirecte democratie
Beslissingen worden direct en gezamenlijk door de burgers genomen.  Burgers kiezen hun vertegenwoordiging die vervolgens beslissingen nemen.
Alleen mogelijk in een samenleving met een beperkt aantal burgers. (max. enkele duizenden)  Mogelijk in een samenleving van miljoenen burgers.
  Meest voorkomende vorm
 
 
Gemengde democratie -> Recht van initiatief en referendum. Er wordt wel
vertegenwoordiging gekozen, maar burgers kunnen het beleid direct beïnvloeden. Recht van initiatief is een wijziging van de wet of een wetsvoorstel, daarvoor zijn slechts 100.000 handtekeningen nodig. Om een referendum te mogen houden zijn 50.000 handtekeningen nodig. 
 Evenredige vertegenwoordigingen en districtenstelsel -> Evenredig: alle stemmen worden bij elkaar opgeteld. Dit aantal wordt gedeeld door het aantal  zetels in het parlement. De uitkomst is de kiesdeler, het aantal stemmen dat nodig is voor één zetel.  Districten: het land wordt verdeeld in kiesdistricten bekend voorbeeld is de VS. Per district wordt de de persoon met de meeste stemmen afgevaardigd.
 

Ongelijke macht in een democratie
Niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden om macht uit te oefenen of dezelfde vaardigheden en niet dezelfde wil om deze mogelijkheden te benutten. Daarbij speelt geld altijd een rol.
 
 
 
 
 
 
De democraten raken verdeeld over verschillende stromingen en partijen In de 19e eeuw raakten democraten verdeeld. Deze splitsing trad op door de Franse  Revolutie en de Industriële revolutie en tevens het ontstaan van nationale staten. Democraten stonden voor gelijkheid van rechten en gelijke kansen. Maar onder hen ontstonden verschillende opvattingen over de vereiste maatregelen de snelheid van de te nemen maatregelen en op welke wijze ze in de samenleving toegepast moesten worden.
 

In de 19e eeuw ontstonden door deze uiteenlopende meningen de stromingen: conservatisme, liberalisme, nationalisme, socialisme, communisme en feminisme.
 
 
Conservatisme
Ontstaan conservatisme:
De idealen van de Franse Revolutie (vrijheid, gelijkheid en broederschap) drongen door tot de burgers van Europa. Toch was het ook schokkend. Het christendom werd proberen te vervangen en de christelijke zondag verdween van de kalender. Tenslotte werd Europa onderdrukt door Napoleon na de Franse Revolutie. 
 
Het begrip revolutie werd een spookbeeld en men wilde de herhaling van de geschiedenis voorkomen. De macht van vorsten zagen zij daarom aan als beste optie om dit te voorkomen. De aanhangers van vorsten waren de conservatieven . 
 
Er is een bepaalde visie op mens en maatschappij. Ze hebben namelijk een pessimistische kijk op de mens en geloven dat deze van nature slecht isen ze geloven niet in de komst van vrijheid voor de burger (liberaal) of gelijkheid voor de mensen (sociaal).
- mens is geneigd tot het kwade, de mens is egoïstisch dus is er gezag nodig.

- de mens is van nature ongelijk en de gelaagdheid is goed.
- het verleden moet rekening mee worden gehouden en daar moet men zich aan  vasthouden.
- de veranderingen die er moeten komen, moeten extreem langzaam gebeuren.
 
 
 
 
1847 - afschaffing invoerrecht van
 aardappels gevolg: goedkoper voedsel voor arbeiders 
 
 
 
 
 
 
Conservatieven 19e eeuw  Conservatieven nu
Voor de macht van een vorst, niet een parlement.   Nooit een officiële politieke partij geweest in Nederland van de conservatieven. Toestroom van conservatieven naar christelijke partijen, maar, vreemd genoeg, ook naar liberalen. De verschillen tussen hen waren namelijk in de loop van de tijd kleiner geworden.
2e helft 19e eeuw nieuwe kwesties: uitbreiding kiesrecht (tegen, macht kwam van boven was het argument, niet

van burgers) en ‘’de sociale kwestie’’(ook tegen, er moest wel gezorgd worden voor arbeider, maar niet d.m.v het verlenen van bepaalde rechten)  Tegenwoordig vinden ze de parlementaire democratie waardevol.
 
Zijn ze voorstanders van het algemeen kiesrecht.
 
En erkennen ze de rechten van arbeiders. Ze benadrukken echter wel ook de plichten van de burgers en de overheid.
  
  
 
Radicalisme
Tegenover het conservatisme staat het radicalisme. Zij staan voor het streven van snelle en grondige veranderingen die de samenleving ontwikkelen. Radicalisme kan zich naar twee zijden toe uitwerken. Ontwikkelingen stimuleren of er juist fel tegen protesteren. Radicalen zijn niet echt tot compromissen bereid, maar werken wel binnen een democratisch kader.
Radicalen kan je in principe binnen alle stromingen aantreffen. 
Ultra- radicalen: geloven niet in democratie en zijn niet bang om geweld te gebruiken. Bekendste voorbeeld is de duitse RAF. Zij moorden zelfs mensen.

 
Liberalisme
Ontstaan
Ontstond eerste helft 19e eeuw. Kwam voort uit 18e eeuwse verlichte ideeën van o.a  Montesquieu.
 
1859 boek ‘on liberty’
 
 
 
 
 
- Het liberalisme wil vrijheid voor het individu op álle gebieden. Op economisch gebied  leken hun ideeën op het mercantilisme van de 17e en 18e eeuw. Die was   overheidsbemoeiing met het economische leven, gericht op het verkrijgen van een  gunstige handelspositie en balans met het buitenland. Daarom bevorde de overheid  de export en hinderde de import. De overheid verleende monopolies bijvoorbeeld de  VOC en de WIC. Er waren strenge regels voor productie, handel en arbeid.
- Liberalen stelden echter vrijheid van handel. Ze moesten het recht hebben om te  kunnen produceren en handelen terwijl arbeiders recht hadden op het zelf kiezen van  voor wie ze wilden werken.

- Verder stonden ze heel erg voor volkssoevereiniteit en ze streefden dan ook naar een  grondwet, parlement en uitbreiding van het kiesrecht. Het parlement moest de  wetgevende macht hebben en de bevoegdheid om de regering te controleren en  eventueel tot aftreden te dwingen. 
 
De staat moest zo weinig mogelijk ingrijpen en moest beperkt worden tot slechts drie taken: burgers beschermen tegen vijanden, binnenlandse rechtsorde handhaven en openbare werken uitvoeren. Wel mochten ze blasting heffen zodat ze deze taken konden uitvoeren. Dit heette een nachtstaat . 
Ze spanden zich in voor allerlei soorten vrijheden en gelijkheden op gebied van religie, meningsuiting, wetenschap en kunst en afschaffing v.d slavernij.
 
Liberalisme valt uiteen
Na 1870 uiteenvallen liberalen
Men kreeg andere principes en er kwamen op die manier  radicale liberalen . De liberalen die zich vasthielden aan hún oude principes waren conservatieve liberalen . 
 
De gevolgen van de industriële revolutie waren lang niet allemaal positief en het liberale principe wat betreft economie leek toch niet zo goed uit te pakken. Arbeiders waren arm en werden uitgebuit. Veel liberalen waren klaar met de nachtstaat. De overheid moest maar meer taken op zich nemen zoals: onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en openbare voorzieningen. 
 

1844 Thorbecke schrijft: zonder bezit is men niet zelfstandig
De nieuwe ideeën van liberalen waren dus dat het kiesrecht uitgebreid moest worden, maar aan vrouwen dacht nog niemand. Behalve de radicale liberalen, die wilden wél kiesrecht ook voor vrouwen en ze wilden het sws uitbreiden. Iets wat de conservatieve liberalen liever niet hadden. 
 
 
 
 
 
Liberalen in onze tijd
 
Nog steeds van mening dat de overheid een plicht heeft om voor de zwakkere bevolkingsgroepen te zorgen. De financiering van sociale wetgeving heeft in de laatst decennia voor problemen gezorgd. In de conservatieve liberalen zijn er veel handen omhoog gegaan om deze verantwoordelijkheid meer bij burgers neer te leggen. De radicalen zijn bang dat de zwakkeren hierop achteruit gaan en hebben tevens oog voor het milieu. Dit zijn de VVD(conservatief) en de D66(radicaal) 
 

1948 conservatieve VVD opgericht 1966 radicale D66 opgericht
 
Socialisme
Een klein aantal mensen kreeg veel meer dan ze nodig hadden, terwijl heel veel mensen te weinig hadden. Ongelijkheid na toe. Het bestaande kapitalistische stelsel was net voldoende om de samenleving te onderhouden. Daarom moest het socialisme komen: Het ideaal dat de gemeenschap alle productiemiddelen bezit en via vertegenwoordigers beheert. De productie moet vervolgens zo worden verdeeld dat iedereen een redelijk aandeel ontvangt
 
Het marxisme werd het belangrijkste soort socialisme. Dit gaat ervan uit dat de bevolking bestaat uit één rijke bovenlaag en de onderdrukte benedenlaag. Marx noemde iedere samenleving een klassenmaatschappij. De lagen staan niet vast. De bovenlaag wordt rijker en kleiner terwijl de benedenlaag armen er groter wordt. => Verelendung    Er ontstond strijd tussen die twee klassen. De klassenstrijd. De beneden klasse brengt door revolutie een nieuwe naamloze en klassenloze samenleving tot stand.
 
De arbeider werden uit 19e eeuw minder arm en de marxisten sloegen daarop de weg van de parlementaire democratie in omdat ze niet meer wilden wachten op een revolutie. De arbeiders waren namelijk ruim in de meerderheid. Deze gebeurtenis was het Revisionisme. 
 
In Rusland waren de marxisten die de parlementaire democratie kozen in de meerderheid en werd Lenin de leider. Hij pastte alles een beetje aan en zo ontstond het:
Marxisme-leninisme:

- revolutie moet gemaakt worden en zal niet ‘’vanzelf ontstaan’’
- er moet een kleine gecontroleerde partij zijn en niet één massapartij
- volgens Lenin konden kapitalisten via het imperialisme hun producten nog kwijt aan  koloniën en was er niet een groot probleem zoals Marx beweerde. 
 
 
 
De 20e eeuw liep anders dan volgens de verwachtingen - armen zijn tijdens de industrialisatie niet armer geworden.
- de kleine middengroep is gegroeid en niet verdwenen.
- vanaf eind 19e eeuw toonde de regering zelf initiatief om kapitalistische fouten  ongedaan te maken d.m.v sociale wetten.
- de arbeiders zijn wel degelijk ten strijde getrokken.
- de marxistische leer werd misbruikt wat niet verwacht was.
- de communisten slaagden er niet in een communistisch bewind tot stand te houden.
 
 
Confessionelen
Eind 19e eeuw ontstaan confessionele partijen

Kenmerken:
- overheid ontleent haar macht aan God, niet aan het volk.
- rijk en arm, kapitaal en arbeid, zijn niet elkaars vijanden men moet iedereen in  zijn/haar waarde laten als mens en christen.
- confessionele arbeider moeten eigen vakvereniging krijgen, overleg voor betere  Omstandigheden.
- de overheid heeft als taak de zwakken in de samenleving aan te trekken.
- geen volledige scheiding van Kerk en staat. De hele maatschappij moest doortrokken  worden van christelijke opvattingen. Ontstaan schoolstrijd. 
 
Ná de tweede wereldoorlog waren er een aantal belangrijke veranderingen onder het confessionalisme
- katholieke partijen scheidden zich van kerkelijk gezag.
- katholieken en protestanten smolten tot één partij het CDA.
- christen-democraat werd veel meer gebruikt. Ze waren gehecht aan de democratie.
- ze baseren zich op de christelijke beginselen, maar worden verschillend toegepast.
 
1980 CDA ontstaan
 

 
 
 
 
 
 
 
 
Feminisme
Het socialisme, confessionalisme en feminisme waren emancipatiebewegingen. Dus voor gelijke rechten voor iedereen. 
Eind 19e eeuw wilden Europese vrouwen kiesrecht net als de man. Bekend waren Aletta  Jacobs en Wilhelmina Drucker. 
 
1889 Vrije Vrouwenvereniging door Wilhelmina Drucker 1894 vereniging voor vrouwenkiesrecht door Aletta Jacobs
 
Pas in de loop van de 20e eeuw kwamen ook mannen een beetje om het idee heen van vrouwen met stemrecht.  Gehuwde vrouwen mochten geen bezit hebben en bleven thuis voor de kinderen zorgen, ze mochten niet scheiden tenzij de man zijn minnares in het echtelijke huis bracht. Als de man wilde scheiden dan bleven de kinderen bij hem.
 

Abolitionisme was voor afschaffing van slavernij. De slavenhandel werd eerst afgeschaft en laten ook de slavernij. Daar richtten ze zich begin 19e eeuw op. 
 
Socialisten streefden naar emancipatie van arbeiders, het ging ze vooral om algemeen kiesrecht, hogere lonen en betere omstandigheden.
Confessionelen wilden emancipatie op het gebied van bestuur en belangrijke functies.  Zij probeerden hun doelen te bereiken door organisaties op te zetten die hiervoor streden.
 
Voortschrijdende democratisering
Overal in Europa waar liberalen aan de macht waren kwam censuskiesrecht (gebaseerd op het behalen van een bepaald minimum aan vermogens- of inkomstenbelasting em soms ook op andere kenmerken). Alleen de rijkste burgers kwamen hier dus voor in aanmerking. 
 
1848 grondwet van Nederland herschreven met censuskiesrecht 1887 en 1896 censuskiesrecht uitgebreid 1917 algemeen kiesrecht 1919 algemeen kiesrecht vrouwen 1907 vrouwenkiesrecht Finland 1971 vrouwenkiesrecht Zwitserland
Nationalisme
Algemeen gevoel van saamhorigheid van een groep mensen die samen een staat vormen of willen vormen. Noodzakelijk zijn:
- Gemeenschappelijke geschiedenis en ervaring beschikken
- Besef van gemeenschappelijke belangen

Gunstig voor ontstaan zijn dezelfde taal, godsdienst en vorstenhuis erkennen.
 
In de Middeleeuwen ontstonden Frankrijk en Engeland als staten. Het nationalisme groeide tijdens de Honderdjarige Oorlog, de nationale heldin Jeanne d’Arc is symbool voor nationalisme van de Fransen. Vanaf tweede helft 16e eeuw ook nationalisme in de Republiek, door de oorlog tegen Spanje, een gemeenschappelijke ervaring. Nationalisme groeit sterk in de 19e eeuw. 
 
Franse overheersing onder Napoleon: europeanen bewust van hun volk, taal, geschiedenis en gemeenschappelijke ervaringen. Nieuwe stroming de Romantiek   ontstond eind 18e  eeuw.
Congres van Wenen: 1814-1815
De vorsten hebben Europa verdeeld. Ze hielden alleen geen rekening met het nationalisme waardoor duits sprekenden opeens bij bv. Italië hoorde. Ze voelden zich vervreemd. 
 
Turkse rijk: Gevoel van saamhorigheid door religie. Christelijk. 
 
7 nieuwe staten ontstaan:
1830: Grieken en de Belgen
1870: Italië
1871: Duitse keizerrijk
1878: Roemenië, Servië en Montenegro
 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.