De Middeleeuwen, hoofdstuk 3 - 4

Beoordeling 6.2
Foto van Matthijs
  • Samenvatting door Matthijs
  • 4e klas vwo | 4347 woorden
  • 16 maart 2016
  • 12 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 12 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

De middeleeuwen




  1. De verbreiding van het christendom in Europa



In 481 werd Clovis koning van één van Frankische stammen. Hij versloeg sommige stammen en andere sloten zich bij hem aan. Toen hij stierf in 511, was zijn rijk het grootste in West-Europa. Clovis bekeerde zich tot het christendom in 496. Daardoor had hij succes, want hij kreeg steun van christenen in het voormalige Romeinse rijk. Inwoners van zijn rijk waren ook christen. Na zijn dood viel het rijk uiteen, het rijk werd toen bestuurd door hofmeiers.



In het uiteengevallen Frankische rijk kwam in 768 een koning aan de macht, die grote gebieden veroverde, Karel de Grote. Zijn strijd tegen de Saksen duurde 33 jaar. Karel bedreigde de Saksen met de doodstraf om zich te bekeren.



Pas in de 7de eeuw kwam het christendom in Nederland weer op. Frankische monniken trokken naar Zuid-Nederland. Amandus was een monnik die naar Nederland trok. Hij had een succesvolle strategie van Ierse monniken:




  • Monniken stichten kloosters en trokken nieuwe monniken aan. Met het klooster als centrum verrichten de monniken hun bekeringswerk.

  • De regionale machthebber de bekeren, die konden drang uitoefenen of grond schenken voor nieuwe kloosters.



Het christendom werd gezien door machthebbers als een stabiliserende factor die eenheid en rust onder de bevolking tot stand kon brengen.



Een groot deel van het vasteland werd bekeerd tot het christendom onder leiding van monniken uit Ierland. Een Engelse monnik Willibrord probeerde in 690 de Friezen te bekeren. De regionale machthebber was Pippijn II. Ondanks zijn steun had Willibrord weinig succes. Willibrord trok naar het zuiden. Hij werd de eerste bisschop van Utrecht, benoemd door Pippijn.



In 716 probeerde een andere Engelse monnik, Bonifatius, om de Friezen te bekeren, maar ook hij had geen succes. De paus gaf hem toen de opdracht alle heidenen te bekeren ten oosten van de Rijn. In 732 werd hij door de paus tot aartsbisschop van Mainz benoemd. In 754 ging hij weer naar Friesland. Maar hij werd vermoord in Dokkum, omdat ze hem als handlanger van de Franken zagen.



Later gaan ook Slavische vorsten het christendom invoeren. Dit gebeurde in de 8ste – 10de eeuw. Slavische volken op de Balkan en in Rusland werden tot het christendom gebracht door het Byzantische rijk (Oost-Romeinse rijk). De Griekse broers Methodius en Cyrillus deden in de 9de eeuw al bekeringswerk onder de Tsjechen en Slowaken. De Russische vorst Vladimir werd christen om te kunnen trouwen met de zus van de Byzantijnse keizer (988).



Het westen was katholiek en erkende de paus van Rome als hoogste gezag en behield het Latijn als kerktaal. Het oosten was orthodox en erkende de patriarch van Constantinopel als hoogste gezag en stond de landstaal als kerktaal toe. In 1054 verbraken deze Kerken de onderlinge banden definitief.













 




  1. Karel de Grote



Karel de Grote was koningen van de Franken in 768. Hij kreeg te maken met verschillende problemen:




  • Grote verdeeldheid in zijn rijk

  • De armoede en de geringe ontwikkeling van de meeste van zijn onderdanen

  • De dreiging van invasies vanuit het noorden en westen, Friezen en Noormannen. Het oosten, Saksen en Avaren en het zuiden, de Arabieren.



De verdeeldheid kwam door het lappendeken van talen, stammen, gebruiken en eigengereide edelen die delen van rijk bestuurden. Weinig mensen konden zijn wetten lezen of werden slecht vertaald. Hij ging daarom een bondgenootschap aan met de christelijke Kerk. Het Latijn werd bestuurstaal en wetgeving. Hij benoemde geestelijken tot ambtenaar. Hij probeerde kennis te redden uit de Grieks-Romeinse tijd. Hij probeerde zoveel mogelijk jonge geestelijken op te leiden.



Voor de invasies had hij een goede ruiterij nodig. Een krijger kreeg een bepaald gebied in leen, waarvoor zij delen van de oogst moesten afstaand, maar kregen bescherming en het verrichten van bepaalde diensten. In tijd van oorlog kon de vorst hem dan oproepen. De groep krijgers worden adel genoemd.



Karel trok rond met zijn hof. Het was moeilijk om zo’n grote groep bestuurders te onderhouden. Ook was het belangrijk dat iedereen het hof en de koning in levenden lijve had gezien. De aanwezigheid van de vorst leverde medewerking en trouw van de hele streek op. Karel sprak recht, verrichtte benoemingen, luisterde naar specifieke problemen van de streek, beloonde dapperen, gaf geschenken en vertrok na enige tijd.



Karel trok met zijn leger naar Italië om Rome te beschermen tegen een Germaans volk, de Longobarden. Op kerstmis in 800 kroonde de paus Karel tot keizer. De West-Romeinse keizer die in 476 was afgezet, had een opvolger. Het rijk viel na Karel de Grote weer uiteen, dat kwam door:




  • De gewoonte onder de Germanen om het rijk te verdelen onder alle zonen van de vorst

  • De oorlogen die de opvolgers van Karel de Grote met elkaar voerden

  • De aanvallen van andere volken zoals de Noormannen vanuit het noorden, de moslims van het zuiden en de Hongaren vanuit het oosten.






  1. De boeren



In de Vroege Middeleeuwen leefde in Europa bijna iedereen van de landbouw. De Romeinse steden liepen leeg omdat:




  • Veel steden waren groot, omdat er veel Romeinse soldaten waren gelegerd en Romeinse bestuurders woonden. Na het instorten van het Romeinse rijk trokken die weg.

  • De Romeinen zorgden voor goede wegen, voor veilige handel. Het was na de val niet meer veilig en handelaren werden weer boer.

  • Handwerkslieden kregen minder werk, want producten werden alleen gekocht door mensen uit de omgeving. Die werden dus ook noodgedwongen boer.



`De bisschoppen bleven hun bisdom vanuit steden besturen. Daardoor bleven die steden wel bestaan, al werden ze wel kleiner. De geestelijken moesten worden gevoed, ook mensen nodig voor het onderhouden van kerken en kloosters. Ook moesten bezoekers kunnen overnachten.



Er was in de Vroege Middeleeuwen bijna geen handel, iedereen zorgde voor zijn eigen eten. Door slechte weersomstandigheden, nauwelijks eten, ook niet voor dieren. Als het paard stierf, kon boer niet meer ploegen, dan nog grotere hongersnood. Iedereen probeerde voor voldoende voedsel te zorgen, maar lukte niet vaak, de meeste leefden in armoedige omstandigheden, waren ziek en meestal ondervoed.



In het Romeinse rijk bestond een agrarisch-urbane cultuur; wonen in stad en platteland, leefde vooral van landbouw en handel en nijverheid. In Vroege Middeleeuwen werd dat een agrarische cultuur. Sommige Germaanse machthebbers slaagden erin grote gebieden met landbouwgrond in bezit te krijgen. Ook bisschoppen en abten van kloosters lukten dat. Het grootgrondbezit werd in grote delen van West-Europa door het hofstelsel, ook wel domeinstelsel georganiseerd. Kenmerken hiervan zijn:




  • De kern van een hof/domein werd gevormd door de versterkte boerderij, het kasteel of het klooster en de bijbehorende landerijen van de grootgrondbezitter. Daaromheen woonden horige boeren die grond in pacht hadden.

  • Op de domeinen zorgden de mensen voor bijna alles wat ze nodig hadden.



Sommige rijke grootgrondbezitters, hadden meerdere domeinen, die lieten ze besturen door rentmeesters.



Ruim 90% leefde op een domein. De meeste mensen waren horigen. Horigen hoorde tot de grond die zij bewerkten. Zij mochten niet verhuizen of trouwen met iemand buiten het domein. Geboorte bepaald of je horige was. Verplichtingen aan de heer:




  • Zij moesten als pacht een deel van wat hun boerderij voortbracht aan de heer afstaan.

  • Zij moesten herendiensten verrichten.



Sommige vrije boeren gaven hun vrijheid op voor bescherming. De heer sprak ook recht.



Gelaagdheid onder de horigen:




  • De hoeveelheid land, sommige kregen meer land om te verbouwen

  • De hoeveelheid diensten, sommige minder diensten dan andere, meer tijd voor hun eigen bedrijf

  • De hoeveelheid pacht, sommige hoefden minder belasting te betalen, hielden meer over voor zichzelf



Sommige rijken konden zichzelf vrij kopen.



In de Romeinse tijd werd op veel landgoederen maar één product verbouwd. Ze verbouwden voor de verkoop. De goedkoopste arbeiders waren toen slaven. In de middeleeuwen waren nauwelijks grote steden, dus konden niks verkopen. De inkomsten gingen achteruit, dus gaven ze slaven land in pacht. Dus moesten ze voor zichzelf zorgen.






  1. De edelen



Edellieden waren eigenaars van grond, ze leefden van de arbeid van de boeren. In ruil daarvoor bestuurden ze hun domeinen, spraken recht over hun onderdanen en voerden zonodig oorlog.









Je hebt hoge en lage adel. De meeste waren lage, zij beheerden maar één of enkele domeinen en woonden op kleine kastelen. Lage adel had vaak maar weinig meer te eten dan horigen. Ze verdiende wel veel, maar moesten veel uitgeven aan een paard en wapenuitrusting. Er waren maar honderden hoge edelen. Zij woonden in grote burchten, zij hadden luxe.



Hoge adel had veel domeinen, ze hadden er weinig aan, want geen handel. Ze wilden trouwe en goed bewapende volgelingen om hun bezitten te beschermen. Daarom gaven ze domeinen in leen aan lagere adel, die de hogere adel moesten helpen bij oorlog.



Degene die het leen geeft is de leenheer, degene die het land krijgt is de leenman. Sommige leenmannen hadden veel domeinen, dus gaven ze het weg aan achterleenmannen. Leenmannen worden vazallen genoemd. Het bestuur wordt leenstelsel of feodalisme genoemd. Leenheer en leenmannen sloten een verdrag:




  1. De leenheer leende de leenmand land.

  2. De leenheer gaf de leenman bescherming.

  3. De leenman beloofde de leenheer trouw te zijn.

  4. De leenman kwam zijn leenheer met gewapende mannen te hulp als deze moesten oorlogvoeren.

  5. De leenman gaf zijn leenheer raad als deze erom vroeg en hielp bij de uitvoering van besluiten.

  6. De leenman sprak recht op zijn leen volgens de richtlijnen van de leenheer.

  7. De leenheer kon een leenman zijn leen afnemen als de leenman zich niet aan de afspraken hield.

  8. Als de leenheer of leenman stierf, was het verdrag beëindigd. Met een nieuwe leenheer of leenman werd een nieuw verdrag gesloten.



Veel leenmannen stelden zich zeer onafhankelijk op tegen hun leenheer, rond de 9de eeuw, toen werden ze erfelijk. Waardoor een leenheer zijn land niet meer kon terugeisen.






  1. De geestelijken



De geestelijken waren onder te verdelen in twee groepen. De paus, de bisschoppen en de priesters behoren tot de seculiere geestelijkheid. Zij leven in de wereld. De andere groep waren monniken en nonnen, zij behoren tot de reguliere geestelijkheid. Zij leefden in kloosters en volgens bepaalde regels.



De lage geestelijkheid bestond uit dorpspriesters, dit waren vaak boeren en niet-opgeleid. Zij moesten toezicht houden op een parochie, een groep gelovigen die meestal samenviel met een dorp in een domein. Iedere parochie had een eigen kerk, de dorpspriesters moesten mensen voorbereiden op leven na de dood. Daarboven stonden de bisschoppen, zij waren vaak van adellijke afkomst. Zij moesten toezicht houden op de parochies in hun bisdom. Zij benoemden en ontsloegen dorpspriesters en beheerden het kerkelijk bezit. Veel bisschoppen waren ook leenmannen van de koning. Boven de bisschoppen stonden de aartsbisschoppen, zij hadden een eigen bisdom en oefenden daarin dezelfde taken uit als een bisschop. Daarnaast hielden ze toezicht op bisschoppen en bisdommen. Bovenaan stond de paus, hij had grote macht. Hij bestuurde de Kerk en had het recht kerkelijke wetten en bepalingen af te kondigen waaraan alle christenen zich moesten houden. Hij had ook oppertoezicht over alle kloosters. Verder kon hij concilies, kerkvergaderingen van alle bisschoppen, bijeenroepen.



Monniken en nonnen dachten dat ze het beste konden terugtrekken in een klooster. Niet bloot aan verleidingen van de wereld. Ze verenigden zich in groepen, die orden werden genoemd. Aan het hoofd van een klooster stond een abt of abdis. De oudste orde, de Benedictijnen is genoemd naar Benedictus. In 529 stichtte hij een klooster op een berg. Hij stelde regels op m.b.t. bidden, werken, eten, slapen en kleding. Ze moesten ook de gelofte van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid afleggen. Je was monnik of non voor de rest van je leven. Ze hielden zich ook met andere dingen bezig:




  • Verspreiden van het christelijke geloof

  • Zoeken naar verbeteringen bij het verbouwen van gewassen en het fokken van dieren

  • Land ontginnen door het droogleggen van moerassen en het aanleggen van dijken

  • Onderdak geven aan pelgrims en reizigers

  • Zieken verzorgen

  • Brood uitdelen aan hongerige

  • Onderwijs geven

  • Kronieken en annalen bijhouden

  • Boeken uit de Grieks-Romeinse tijd bestuderen en overschrijven



De geestelijken konden iedereen beïnvloeden, want zij kwamen alleen buiten hun domein en konden alleen schrijven en lezen. De geestelijken waren onmisbaar bij het bestuur, want ze konden als enige alleen schrijven en lezen. Geestelijken moesten ook sacramenten toedienen bij belangrijke gebeurtenissen, geboorte / huwelijk / de dood.



De kerk had gerechtshoven waardoor zelfs keizers en koningen ter verantwoordingen konden worden geroepen. Als men hier zich niets van aantrok, werd men in de ban gedaan. Niemand mocht met enige vorm van contact met hen hebben. Na zijn leven, kwam hij in de hel. Je ontving ook geen sacramenten meer.



De Kerk kon ook belasting opleggen. Alle christenen stonden een tiende van hun inkomsten af. In de 13de eeuw, toppunt van haar macht, grote rijkdommen. De geestelijken bepaalden wat er werd geschreven. De kerken waren de belangrijkste bouwwerken.






  1. Opkomst van de islam in de Arabische wereld



De cultuur in het Midden-Oosten wordt bepaald door de islam. In de 6de eeuw was Mekka daar de belangrijkste stad. Rond 570 werd Mohammed geboren in Mekka. Mohammed kreeg via een engel de boodschap van Allah, hij was de profeet. In 622 vluchtte hij weg naar Medina. Hij trok terug in 630 in Mekka, hij overleed twee jaar later.



In 711 stak een Arabisch leger onder leiding van Tarik de zeestraat tussen Afrika en Spanje over. Ze werden verslagen bij het Frankische leger in 732.



Zij dwongen nooit mensen af om zich te bekeren tot de islam. Zij lieten de mensen zelf kiezen. De meeste volken namen echter geleidelijk de islam over. De volgende factoren kunnen een factor hebben gespeeld:




  • Niet-moslims werden door Arabieren als tweederangsburgers beschouwd. Ze mochten geen wapens dragen en mochten niet trouwen met moslimvrouwen. (Een moslim mag wel met een niet-moslim trouwen)

  • Niet-moslims moesten een specifieke belasting betalen

  • Men kon op eenvoudige wijze moslim worden. Het uitspreken van de geloofsbelijdenis was voldoende.






  1. Het Arabisch-islamitische wereld- en mensbeeld



Samen met de soenna (alle overgeleverde handelingen en uitspraken van de profeet) is de Koran de bron voor de sharia, de islamitische wetgeving. Volgens de Koran moet iedere moslim de djihad vervullen. Het verbreiden van de islam. De Arabieren hadden op wetenschappelijk gebied een grote voorsprong op de Europeanen. Zij blonken vooral uit in geografie, sterrenkunde, wiskunde, geneeskunde en filosofie. Er waren gunstige omstandigheden voor de wetenschap:




  • De Arabische geleerden stonden open voor kennis en kunde van geleerden uit vroeger tijden en uit andere landen.

  • De islamitische wereld lag tussen Zuidoost-Azië, Afrika en Europa. Met al deze gebieden waren goede contacten.

  • De Arabische geleerden deden meer aan wetenschappelijke experimenten dan de Europese in de Middeleeuwen. In Europa werd dit beperkt door de Kerk.

  • Geleerden stonden in hoog aanzien. ‘De inkt van geleerden is kostbaarder dan het bloed van martelaren’.



Veel Europeanen trokken naar Spanje om de Arabische kennis over te nemen.






  1. Kruistochtentegen de moslims



In 1095 riep de paus alle mensen in Europa op mee te doen met de bevrijding van Palestina. Tot in de 7de eeuw maakte Palestina deel uit van het christelijke Byzantijnse rijk. In die eeuw werd een deel van Byzantijnse rijk, waaronder Palestina, veroverd door de islamitische Arabieren. Pelgrims mochten de voor hen heilige plaatsen blijven bezoeken en christenen en joden mochten in Palestina blijven wonen en hun godsdienst blijven uitoefenen. Dat veranderde toen in de 11de eeuw de Turkse Seldsjoeken kwamen. Uit alle lagen kwamen mensen die mee wilden doen. Enthousiasme voor het christendom en voor de bevrijding van de heilige plaatsen in Palestina was voor velen het belangrijkst. Maar andere gingen voor roem, rijkdom en avontuur. De paus beloofde de deelnemers vergeving van zonden. Misdadigers die meegingen, hoefden hun straf niet te ondergaan.



Tussen 1096 en 1270 vetrokken verschillende legers naar Palestina. Het heet kruistocht, omdat ze een kruis op hun kleding hadden gemaakt. Eerste kruistocht was begonnen in Constantinopel in 1096. Na drie jaar werd Jeruzalem ingenomen. Nadat Saladin, sultan van Egypte in 1187 Jeruzalem had heroverd. Besloten de Duitse keizer en de koningen van Engeland en Frankrijk een kruistocht, die door gebrek aan samenwerking mislukte. Uiteindelijk waren er zeven kruistochten, met geen of enkel succes.










  1. Herleving van handel, ambachten en steden vanaf de 11de eeuw



In de loop van de 11de en 12de eeuw wisten de kooplieden een groot deel van de hindernissen voor de handel te overwinnen:




  • De kooplieden in elke stad gingen samenwerken. Zij gingen bij een gilde, diende belangen van mensen die hetzelfde beroep uitoefenden. Het gilde van de kooplieden zorgde voor gewapende begeleiding tijdens handelsreizen.

  • De kooplieden en stedelingen kregen soms steun van de landsheer en hoge edelen. Die zagen het belang van de steden in. Zij beschermden kooplieden tegen rovers en piraten, zorgden voor verbetering van wegen en bruggen en hielpen een einde maken aan de tol en belastingen. Ze steunden ook de invoering van een muntstelsel.



In Italië was als eerste weer handel, dat kwam omdat het centraal lag tussen Europa en het Midden-Oosten. De kruistochten was een goede winst voor de kooplieden, want heen wilden ze voedsel en wapens en terug wilden zij luxe artikelen.



Kooplieden van verschillende steden gingen samenwerken. Een goed voorbeeld daarvan in Noordwest-Europa is de Hanze. Later werd de invloed van de kooplieden in de steden zo groot, dat zij het bestuur van de steden in handen kregen. Toen groeide het tot een verbond van steden. Ze probeerden samen zoveel mogelijk handelsbelemmeringen weg te werken, dezelfde munt, maten en gewichten gebruiken. De Hanze werd in de 13de en 14de eeuw op het gebied van handel oppermachtig.



Ook ontstonden er nieuwe steden. Om handel te drijven zijn er steden nodig, de stad is de beste verzamelplaats voor handelaren. Er kwam veel werkgelegenheid daardoor groeide de stad. Als een horige een jaar en een dag in een stad had geleefd, kan die niet langer door zijn heer worden opgeëist. Stadslucht maakt vrij!



Ook de ambachten herleefden in de steden. Dat werd de grootste bevolkingsgroep, mensen hadden geen tijd meer om zelf dingen te vervaardigen. Door de herleving van handel, ambachten en steden ontstond er weer een agrarische-urbane samenleving.



De meeste steden bleven erg klein, minder dan 5000 inwoners. In grote steden woonden tienduizenden mensen. De arbeiders nam erg toe in grote steden, er ontstonden knechten. Handelaren wilden grote hoeveelheden spullen verkopen. De grootste tak van nijverheid was textiel. De kooplieden hadden veel meer contacten, ook buiten Europa. Er was ook jaarlijks een jaarmarkt.






  1. Zelfstandigheid van de steden neemt toe



Eerst waren stedelingen net zo onvrij als boeren, maar zij konden die verplichtingen niet goed combineren met handel drijven. Daarom vroegen de stedelingen of ze los gemaakt konden worden van het feodale systeem en aparte rechten, stadsrechten, te schenken. Veel hoge edelen gingen akkoord. In ruil voor stadsrechten, eisten ze erkenning als landsheer en moesten ze belasting betalen. Zij konden dan rekenen op financiële steun en militaire hulp.

 







De stadsrechten verschilden van stad tot stad. In de meeste gevallen:




  • Geen verplichtingen meer tegenover de grootgrondbezitter

  • Zelf bestuur en rechtspraak mogen regelen

  • Zelf mogen bepalen wie stadburger is en wie niet



De steden buitten erfopvolgeinskwesties uit. Als een graaf of hertog stierf. De steden konden dat uitbuiten door één van de kandidaat-opvolgers te steunen in ruil voor meer zelfstandigheid en invloed op het landsbestuur. Dat lukte in Brabantse steden, toen de hertog van Brabant in 1312 overleed.



Veel stadbestuurders wilden het leven in de steden zoveel mogelijk regelen. Daarom werden de ambachtslieden per beroep verenigd in gilden. Meestal werken de ambachtslieden van harte mee. Vooral omdat werp bepaald dat alleen zij het beroep mochten uitoefenen. De stadsbesturen maakten ook reglementen voor de gilden. Zo’n reglement werd een gildebrief genoemd. Daarin werd precies voorgeschreven hoeveel leerlingen en gezellen een meester mocht hebben, hoe lang de werktijden waren, welke materialen en werktuigen wel of niet mochten worden gebruikt, welke kwaliteit de producten moesten hebben, waar en wanner de producten mochten worden verkocht, wat de prijs was. Hierdoor was er geen concurrentie en alle gildeleden een even groot inkomen. Ook konden burgers rekenen op een vaste en goede kwaliteit van producten.



Aan het eind van de middeleeuwen waren stad en platteland nauw verweven. Het platteland produceerde voedsel en grondstoffen, de stad produceerde nijverheid. Beide betaalden belasting en onderhielden zo de adel en geestelijkheid, die zorgden voor onderwijs, bestuur, rechtspraak en verdediging. In de 16de eeuw kreeg boer tal van negatieve effecten en in de 17de eeuw kwam de landman weer terug met een goede naam.






  1. Opstanden en ketterijen worden onderdrukt



De arbeiders profiteerden niet van het toenemende van de welvaart. Zij leefden in armoedige omstandigheden. Er ontstonden opstanden, in sommige steden kregen zij de macht in handen. De arbeiders hadden te weinig ervaring en verloren hun macht.



Ketterijen zijn meningen die de leiders van de Kerk hebben verboden. De Kerk verbood uiting van de kritische gedachten en vervolgde de aanhangers. Onder de armen waren ketterijen erg populair, die leerden dat de verschillen tussen arm en rijk onrechtvaardig waren en dat God de rijken vreselijk zou straffen.



Er waren twee kloosterorden die een belangrijk aandeel hadden in de bestrijding van ketterij, de Dominicanen en de Franciscanen. Ze hadden een terugkeer naar de oorspronkelijk waarde en normen van de Kerk. De geestelijken vielen onder speciale kerkelijke gerechtshoven, ook andere mensen die in de ban werden gedaan kregen daar mee te maken of als je van ketterij werd beschuldigd. De gerechtshoven hadden het opsporen en berechten van ketters tot doel. Dit waren de rechtbanken van inquisitie. Zo kreeg de Kerk de ketterijen weer enigszins onder de duim gekregen.












  1. Het conflict tussen de christelijke Kerk en de vorsten



Toen er christelijke keizers kwamen vonden die het vanzelfsprekend dat zij invloed op godsdienstige zaken konden uitoefenen. Keizer Theodosius maakte het christendom tot staatsgodsdienst. De keizers benoemden voortaan de bisschoppen in de grote steden en de abten van de grote kloosters. Karel de Grote voelde zich opvolger van de West-Romeinse keizers en liet zich door de paus tot keizer kronen (800).



In de 11de eeuw begonnen Benedictijner monniken van het klooster Cluny zich te verzetten tegen de macht van de vorsten over de Kerk. Zij vonden dat in de christelijke wereld het primaat (hoogste gezag) toekwam aan de geestelijke macht. Hildebrand, een monnik uit Cluny, werd raadgever van de paus. Hij pleitte dat de paus voortaan werd gekozen door de geestelijkheid van Rome (1059). Toen Hildebrand zelf paus (Gregorius VII) was geworden, ontbrandde het conflict over de investituur (benoeming) van bisschoppen, abten en andere geestelijken (1073). Dit wordt de investituurtijd genoemd. Gregorius VII verbood het benoemen van kerkelijke functionarissen door vorsten. Dit was vooral gericht tegen Hendrik IV, hij zorgde ervoor dat zijn bisschoppen in het Duitse Rijk Gregorius VII niet meer als paus erkenden. Daarop deed Gregorius Hendrik IV in de kerkelijk ban.



De leenmannen moeste toen kiezen, voor de koning of voor de paus. Ze kozen voor de paus, want ze dachten dat de koning anders te machtig zou worden. Hendrik IV ging om vergeving vragen, hij bewoog er toe de ban op te heffen (1077). Hendrik IV bleef bisschoppen en abten benoemen. Gregorius deed hem weer in de ban. Daarop kreeg Hendrik zijn bisschoppen zover dat ze een tegenpaus kozen. Hendrik trok met een tegenpaus en zijn leger naar Rome. Gregorius werd toen uit Rome verdreven. De tegenpaus kroonde Hendrik IV tot keizer (1084).



Hendrik V, erkende het gezag van de Kerk bij de benoeming bisschoppen en abten (Concordaat van Worms, 1122). Maar in praktijk bleven vorsten invloed uitoefenen. De paus had te weinig macht om vorsten af te zetten, ook kon hij ze niet dwingen een andere politiek te volgen. Toch zouden de vorsten vaak rekening houden met de Kerk. En hielpen geestelijken in het bestuur van het land.






  1. Begin van staatsvorming: nationalisme en centralisatie



Nationalisme is: het gevoel van saamhorigheid van een groep mensen die samen een staat vormen of willen vormen. Voor dat gevoel van saamhorigheid zijn enkele voorwaarden noodzakelijk:




  • Het besef over gemeenschappelijke ervaring te beschikken (bijv. gemeenschappelijke geschiedenis en tradities)

  • Het besef gemeenschappelijke belangen te hebben



Centralisatie is het samentrekken van het bestuur naar één centrum. Het gaat samen met staatsvorming. Het begin van staatsvorming en centralisatie deed zich het eerst voor in Engeland. In 1066 veroverde de Normandische hertog Willem de Veroveraan Engeland. Hij slaagde erin zelf de macht in heel Engeland in handen te houden:




  • Als koning van Engeland gaf hij het grootste deel van de grond in leen aan zijn Normandische ridders (hogere adel) en soldaten (lagere adel). Maar hij zorgde er wel voor dat ze allemaal kleine gebieden kregen. Dit moest voorkomen dat ze machtelijke concurrenten zouden vormen.

  • Het bestuur en rechtspraak kregen zij ook niet in handen. Willem deelde het land in counties, maar de werkelijke bestuurder van een county (graafschappen) was niet de graaf, maar een Koninklijke ambtenaar, de sheriff.

  • Willem de Veroveraar stuurde ambtenaren naar alle steden en dorpen in Engeland. De ambtenaar noteerde hoeveel mensen er woonden en hoeveel grond zij bezaten. Dit stond allemaal in het Domesday Book. Hierdoor kon de koning een goede belasting opleggen.



De opvolgers van Willem de Veroveraar kregen toch te maken met groeiende invloed van de andere lagen. Na een nederlaag tegen de Franse koning Filips Augustus werd de Engelse koning Jan zonder Land in 1215 gedwongen de Magna Charta te ondertekenen. Dat hield in dat de koning niet zonder overleg met de andere lagen belasting kon opleggen. Het gold voor het hele land, dus vorm van centralisatie.



Uit gebruik dat leenmannen hun leenheer raad mochten geven, ontstond in de 14de eeuw het Hogerhuis, waarin de koning en de hoge adel zitting hadden en konden overleggen. De lagere adel en de burgerij gingen ook vergaderen om gezamenlijke standpunten, geformuleerd als petitie, aan de koning te kunnen voorleggen. Zo ontstond het Lagerhuis. Beiden Huizen samen werden het parlement genoemd.



Willem de Veroveraar en zijn opvolgers bezaten grote gebieden in Frankrijk. De Franse koning Filips Augustus (1180-1223) wist zijn machtsgebied erg uit te breiden. Tegen het einde van de 15de eeuw beheersten de Franse koningen bijna het hele gebied van het tegenwoordige Frankrijk. De Franse koningen slaagden er grotendeels in de macht van hun leenmannen, de hoge edelen, te breken door steun te zoeken bij de steden. Zij hun vestigden hun gezag door ambtenaren aan te stellen. Daarmee was Filips Augustus al begonnen. Frankrijk werd het eerste land met een uitgebreid ambtenarencorps, geleid vanuit een centraal punt, het Koninklijke hof in Parijs.




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.