De NPO is bezig met een nieuwe interactieve videoserie voor scholieren, over persoonlijke dilemma's. Om de serie zo herkenbaar mogelijk te maken, hebben ze jouw hulp nodig. Ben je tussen de 15-18 jaar en wil jij meedenken? Vul de vragenlijst in (5 a 10 minuutjes) en maak kans op een Bol.com bon van 10 euro.

 


Meedoen



Samenvatting Geschiedenis: CHINA
1. Kenmerken van de Chinese Maatschappij
Het bestuur en de samenleving
Tot 1912 leek het alsof de keizer van China onbeperkte macht had, maar dat had hij niet door:
1. China te groot is.
2. er te veel verschillende volkeren leefden.
3. hofintriges.
4. eigenmachtig optredende gouverneurs, generaals en plaatselijke grootgrondbezitters.
Wel had de keizer een groot ambtenaren apparaat, maar hij beheerste dat niet.
Er waren ook hoge ambtenaren met veel invloed. Als je ambtenaar wilde worden moest je een staatsexamen over de leer van Confucius en de commentaren daarop maken. Voor de Chinezen was het ideaal om via zo’n examen toe te treden tot het plaatselijke of centrale bestuursapparaat.
Confucius
Confucius (551-479 v. Chr.) heeft de Chinese opvattingen over de vraag hoe een mens moet leven diepgaand beïnvloed. Volgens hem moest iedereen zijn plaats weten en handelen overeenkomstig zijn functie en positie. Ook zei Confucius dat een mens altijd het goede moet doen, en zijn/haar best moet doen. Confucius vond studie over de Chinese cultuur heel belangrijk omdat studie volgens hem zou leiden tot beter begrip en de juiste wijze van handelen. Door de bestudering van deze oude cultuur ontstond er een grote verstarring. Voor nieuwe opvattingen was geen plaats.
Ook het naleven van de ouderverering was iets waar Confucius veel waarde aan hechtte.
De man-vrouw verhouding was erg oneerlijk in China. De positie van de man was veel sterker. Zonen hadden verre de voorkeur boven dochters. Vrouwelijke baby’s werden vaak verkocht of gedood. Wanneer een zoon trouwde trok de vrouw bij zijn familie in. Zolang ze geen kinderen had, was haar positie zeer ondergeschikt. Als ze ongehoorzaam tegenover haar schoonouders was, dan was dat in principe een reden tot echtscheiding. Ook kon een vrouw niet erven.
2. China en de Buitenwereld
De chinezen zagen zichzelf als middelpunt in de wereld. Alle omringende volkeren waren, als ze randvolkeren waren die qua cultuur en gebruiken redelijk op de chinezen leken “gekookte barbaren” en degenen die hun eigen weg bleven gaan waren “rauwe barbaren”. Om de barbaren buiten het land te houden werd door de eerste keizer van China in de Qin-dynastie (221-206) v. Chr.)opdracht gegeven om al bestaande stukken verdedigingsmuur aan elkaar te maken en te versterken.
Tijden de beginjaren van de Ming-dynastie, die in 1644 werd opgevolgd door de Qing, werd voor het eerst Peking (Beijing) de hoofdstad van China. Door een periode van Mongoolse overheersing in de 13e en 14e eeuw was de Chinese afkeer van de barbaarse buitenwereld nog meer versterkt. Men wilde de eigen cultuur behouden en daarom werd de Chinese Muur versterkt, contacten met het buitenland kwamen onder streng toezicht en privéhandel met buitenlanders werd verboden.
Er was wel één mogelijkheid om te handelen met de chinezen, en dat was door middel van Tribuutgezantschappen. Volgens de chinezen zou de keizer met de uitstraling van de deugd niet alleen het eigen volk maar ook de omringende volkeren in toom kunnen houden. Deze volkeren konden hun onderwerping aan de keizer en zijn juiste cultuur tonen door gezanten met geschenken naar het keizerlijk hof te sturen. Hoe meer gezantschappen er tribuut naar de keizer kwamen brengen, hoe groter kennelijk zijn uitstraling van deugd was.
Maar ook aan deze handelsmanier werd paal en perk gesteld. Gezanten van nabije volken mochten eenmaal per jaar komen, zij die van ver kwamen slechts eenmaal in de 7 of 8 jaar.
De opiumoorlogen
Door de industriële revolutie was de macht van Engeland enorm toegenomen. Ze wilden van de tribuutgezantschappen af en overgaan op vrije handel en internationale betrekkingen op basis van gelijkwaardigheid.
In China was er behalve naar opium geen vraag naar een westers product. De Engelse East India Company (EIC) smokkelde vaten opium China binnen waardoor na 1820 de illegale opiumhandel enorm steeg en de handelsbalans voor China met het westen voor het eerst negatief werd.
Omdat de opium met zilveren munten werd betaald, moesten boeren hun belasting ook in zilveren munten betalen. De Chinese regering besloot in te grijpen.
In Kanton moesten de Engelsen hun opiumvoorraad af staan en beloven nooit meer opium te smokkelen. De opiumoorlog (1839-1842) was uitgebroken.
Toen de Chinezen hadden verloren werd bij het Verdrag van Nanking besloten alle Engelse eisen in te willigen:
- Rechtstreekse vrije handel.
- Openstelling van een aantal havens; voor buitenlandse handel zonder controle van de Chinese overheid.
- Overdracht van Hongkong aan Engeland.
- Meest begunstigde natie (Engeland kreeg ieder recht dat een ander land in een verdrag met China zou verwerven)
Na deze oorlog werd China in 1860 nog een keer verslagen door een gecombineerde Frans-Engelse troepenmacht. En hoewel hier weer concessies voor China uit volgde, werden deze concessies door de Chinezen tegen gewerkt, omdat ze nog steeds in het tribuutsysteem bleven denken.
Toen een Engels-Frans gezelschap het laatst gesloten verdrag (Verdrag van Tianjin) wilde komen tekenen, wilde de Qing dit als een tribuutgezantschap zien. Toen ze van de tribuutroute afweken werden de gezanten beschoten, alleen kwamen de gezanten met versterking terug en staken ze als wraak het oude keizerlijk zomerpaleis in brand.
Er begonnen dingen te veranderen in China: Binnen de confucianistische elite ontstond een zelfversterkingsbeweging. China wilde moderner worden en ging ook enkele chinezen naar het buitenland sturen om te studeren. Alleen kregen deze projecten geen echte steun omdat een echte confucianistische geleerde zich veel meer met de klassieken bezig hield. De ondernemingen slaagden niet omdat een moderne manier van managen nog niet paste in de Chinese maatschappij.
In Japan lukte de modernisering wel. Daar begon in 1860 een grootscheepse industrialisatie. In 1894 leidde een ruzie over Korea tot de Chinees-Japanse Oorlog. Japan versloeg China, waardoor China zich realiseerde dat er fundamentele hervormingen noodzakelijk waren. Na deze nederlaag moest China Taiwan afstaan aan Japan en een enorme oorlogsschatting betalen. Deze nederlaag vormde ook voor andere imperialistische mogendheden het startsein om over te gaan tot een opnlijke jacht op concessiegebieden, waardoor Engeland, Frankrijk, Rusland en Duitsland pachtgebieden verkregen waar zij alle rechten hadden op het gebied van spoorwegen en delfstoffen.
De Bokseropstand
Toen in het oosten van China in 1899 een opstand uitbrak, liep deze opstand tegen de Qing dynastie uit op een verzet tegen en moordpartijen op alle buitenlanders. Hoewel de Qing-legers de kant van de boksers kozen om samen de buitenlandse troepen te verslaan werden ze opnieuw vernederd.
Door de afloop van de bokseropstand ging China drastisch hervormen naar Japans voorbeeld. Dat mislukte alleen door gebrek aan geld en goede onderwijzers. Na 1900 vertrokken duizenden studenten naar het buitenland. De studenten waren het allemaal eens dat China was vernederd, maar het kon weer sterk worden.
Buiten China ontstond nu een vooruitstrevende elite, maar binnen China vond er een voor confucianistische begrippen een schokkend gebeuren plaats. Het traditionele examen werd afgeschaft in 1906 en er werden allemaal moderne banen zoals bankier geïntroduceerd.
Er ontstond ook een modernisering van de strijdkrachten, alleen die vond plaats op een regionaal niveau. De regionale legers werden geleid door bevelhebbers aan wie de officieren persoonlijk trouw waren. De belangrijkste daarvan was Yuan Shikai, vertrouwenspersoon van keizerinweduwe Cixi, toen zei in 1908 stierf werd ze opgevolgd door een driejarig kind: Henry Pu Yi.
Omdat de prins-regent die namens Pu-Yi regeerde onbekwaam was, werd Yuan Shikai de machtigste man in het land. Het leger kwam in opstand en Yuan Shikai was bereid in te grijpen als de dynastie afstand deed van haar mandaat. Op 12 februari 1912 werd door een keizerlijke edict op waardige wijze afstand gedaan van de troon.
Na een geschiedenis van 2133 jaar kwam er een einde aan het Chinese keizerrijk. In de zuidelijke stad Nanjing liet Sun Yat-sen zich uitroepen tot president van de Chinese Republiek, maar hij deed hier weer afstand van ten gunste van generaal Yuan Shikai.
3. De periode van de Kwo Min Tang
In 1866 werd Sun Yat-sen geboren, hij ging in Honolulu naar school en studeerde medicijnen in Hongkong. Daar liet hij zich ook tot Christen dopen.
Sun verzamelde een groep mensen met het plan om een einde te maken aan het oude China en een modern China op te bouwen. In 1905 verbleef hij in Tokio en stichtte daar de Kwo Mint-tang. De KMT zou de belangrijkste tegenspeler va het keizerlijk bewind worden. Suns toekomstplannen waren als volgt: Het ‘nationale principe’, het ‘principe van de rechten van het volk’ en het ‘principe van het levensonderhoud van het volk’. Oftewel nationalisme, democratie en volkswelvaart.
De belangrijkste invloed voor de KMT was die van de jonge studenten en academici. In 1905 was het oude staatsexamen opgeheven dus nu kon men ook een ambtelijke loopbaan beginnen zonder die examens. Dat bevorderde het stichten van moderne scholen in China en universiteiten.
Aanhang had de KMT ook onder officieren, kooplieden en industriëlen. Zij ergerden zich allen aan het zwakke keizerlijke bewind en de bevoorrechte positie van de buitenlanders in China. Toen de keizer in 1911 moest aftreden greep de KMT niet de macht, maar generaals die in de chaotische toestand een provincie als keizer regeerde. Deze ‘warlords’ gebruikten hun troepen om de bevolking eronder te houden en uit te buiten. De regering in Peking kon helemaal niet tegen hen op. Sun vormde in 1918 in het zuiden van Kanton een tegenregering toen nog zonder veel macht, maar dat zou veranderen.
De 4 mei-beweging van 1919
Op 4 mei 1919 waren er in Peking heftige demonstraties van studenten aan de universiteit, die gevolgd werden door stakingsacties van arbeiders en een boycot van Japanse goederen.
In 1915 hadden Frankrijk en Engeland aan Japan, toen het de kant van de geallieerden had gekozen, de concessierechten van Duitsland in China beloofd. China, dat pas in 1917 bij de geallieerden kwam, wist van niets. Tijdens de vredesbesprekingen in Versailles was de Chinese woede dan ook erg groot. Door de acties van 1919 nam de Chinese regering het besluit om niet toe te geven aan de Japanners.
Conclusie van China: wie hulp van het buitenland verwacht, komt bedrogen uit.
Door WO 1 was er in China een industriële opbloei ontstaan. China ging vele producten nu zelf vervaardigen. Zo ontstond een industrieel proletariaat. Mede hierdoor kwam er verandering in het familiesysteem: op het platteland was de familiestructuur nog te diep geworteld, maar onder de industriearbeiders kwamen modernere opvattingen naar voren. De positie van de familievader werd aangetast en er kwam een bestrijding van analfabetisme en een aanpassing van de schrijftaal die sterk afweek van de spreektaal. Er vond een ‘literaire revolutie’ plaats. Ook de positie van de vrouw werd veranderd, in 1919 nam de universiteit van Peking de eerste vrouwelijke studenten aan.
KMT en CCP
Westerse opvattingen als liberalisme en democratie waren zeer populair in China. Democratie moest het fundament vormen van de toekomstige Chinese staatsvorm.
Westerse wetenschap zou helpen bij het bereiken van materiële vooruitgang en het bestrijven van oude confucianistische opvattingen.
Ook kwamen de Chinezen in contact met het marxisme. Maar daar geloofde men eerst niet in omdat volgens Marx het communisme alleen maar in een industriële samenleving zou kunnen worden ingevoerd. Maar toen in Rusland in 1917 de communistische revolutie uitbrak werd dat anders. Want Rusland was ook geen industrieel ver ontwikkeld land. Uit een studiegroep in Peking, waar ook Mao toe behoorde, ontwikkelde zich de Chinese Communistische Partij (CCP), de oprichting van de CCP vond plaats in 1921. Aanhang had de CCP vooral onder de fabrieksarbeiders in de steden.
Inmiddels was Sun bezig om zijn denkbeelden te herzie, hij zag dat het westen er belang bij had om de chaos in stand te houden, dus veranderde hij van koers. Hij zocht hulp bij de Russen en keerde zich tegen het imperialisme. Ook schonk hij meer aandacht aan de armoede in China. Volgens hem moest de grond toebehoren aan degene die de grond bewerkte. De KMT werd linkser, zonder dat Sun het Marxisme omhelsde. Hij streefde ook naar een KMT met een hechte organisatie die (op autoritaire wijze) China zou leiden.
Toen Sun bij de Russen aanklopte brachten ze een samenwerking tussen KMT en CCP tot stand waarbij de communisten zich onder het gezag van de KMT en Sun stelde. Er waren wel tegenstellingen, maar eerst gingen ze voor 1 doel: China werkelijk bevrijden van de warlords.
In 1925 stierf Sun en kreeg Tsjang Kai-sjek de leiding over de KMT, hij had zijn militaire opleiding in de SU gekregen. In 1926 en 1927 begon Tsjang een groot offensief tegen de warlords en de macht van deze werd ook gebroken. En in 1928 kon Tsjang zijn intocht in Peking houden. De hoofdstad werd verplaatst van Peking naar Nanking.
Op het eerste gezicht leek Tsjang links, maar toen hij de overwinning tegen de warlords in zicht had, keerde hij zich tegen de communisten. Duizenden werden vermoord en de CCP werd verboden. Vanaf 1927 had China dus weer een centraal gezag. Het KMT-bewind durfde het niet aan om agrarische veranderingen door te voeren, dus ontstond er ook al snel weer corruptie. Dat kwam omdat vele ministers ook fabrikanten, bankiers en kooplieden waren. Het grootste deel van de bevolking van China is er dus met de KMT niet op vooruit gegaan. Voor de communisten lagen er nog kansen genoeg.
Mao Tse-toeng
In 1893 werd Mao Tse-toeng geboren. Zijn vader was boer, maar wist zich tot een betrekkelijke welstand op te werken en stuurde Mao naar school. Daar werd Mao in de confucianistische traditie opgeleid. Na de middelbare school studeerde hij voor onderwijzer, en in 1918 haalde hij zijn diploma. Hij interesseerde zich voor de revolutie en kwam in contact met marxistische opvattingen. In 1921 hoorde hij tot de kleine groep oprichters van de CCP.
Na de zware slag van de KMT leidde Mao de CCP in een andere weg: op de boeren in plaats van het stedelijk proletariaat. Mao zette in zijn eigen provincie Hunan met succes een communistische organisatie op onder de boeren en in 1931 werd de eerste Chinese Sovjetrepubliek uitgeroepen en Mao was de president.
Generaal Tsjang achtte dit een dodelijk gevaar en tussen 1930 en 1934 stuurde hij 5 keer legers naar Kiangsi. Mao en zijn volgelingen besloten zich uit te breken. Ze waren getraind in guerrillatechnieken.
In 1934 braken de communisten door de blokkade heen en begonnen de ‘Lange Mars’. Deze Lange Mars duurde ruim een jaar en van de 130000 aan het begin waren er nog 30000 in leven. In de plaats Jenan vestigde ze hun hoofdkwartier.
De agressie van Japan
Al in de 19e eeuw was de Japanse agressie tegenover China merkbaar. Japan had zich gemoderniseerd en gedroeg zich als een imperialist tegenover China. Na de Japans-Chinese oorlog
(1894/95) moest China Formosa en Korea afstaan.
In 1931 veroverden Japan het grondstofrijke Mantsjoerije en maakten er een onafhankelijke staat van: Mantsjoekwo. Aan het hoofd kwam Pu Yi. Toen de Volkenbond in 1933 besloot de staat Mantsoekwo niet te erkennen stapte Japan uit de Volkenbond. In 1933 werd de provincie Jehol ingelijfd, in 1935 werden Hopei en Tsjahar veroverd. De KMT-regering in Nanking deed daar niets tegen omdat Tsjang de communisten een groter gevaar achtte dan Japan. Hij zette dan ook zijn beste troepen tegen de communisten in, waardoor er rebellie in het Chinese leger kwam. In 1936 namen legerofficieren in Sian Tsjang gevangen, maar later werd hij door een communistische pleidooi weer vrijgelaten. De communisten dachten dat Tsjang de enige zou kunnen zijn die China tegen Japan zou kunnen leiden.
Gevolg van het Sian-incident: KMT en CCP spreken af gezamenlijk tegen Japan te strijden. Japan besloot snel aan te vallen, voordat de nationale krachten in China te sterk werden gebundeld. Het incident bij de Marco Polobrug (50 km westelijke van Peking) tussen Japanse en Chinese soldaten vormde het begin van de oorlog (juli 1937). Omdat Japan veel beter bewapend was dan China waren al gauw Peking Nanking en Shanghai in Japanse handen. In 1938 viel de belangrijke aanvoerhaven Kanton. Het Chinese verzet was echter taai, Tsjang toonde zijn militaire kunde en werd massaal gesteund door de bevolking en de guerrillatactiek van de communisten was nu zeer effectief. Vanaf 1939 kwam Japan dan ook niet verder.
Tijdens de oorlog waren de KMT en CCP niet altijd vriendjes. Toch is gedurende de gehele WO2 het front in stand gebleven.
Opnieuw Burgeroorlog
Na de Japanse capitulatie (aug. 1945) brak er al snel een burgeroorlog uit in China. Amerikaanse bemiddelingspogingen van generaal Marshall liepen op niets uit. Hoewel de KMT over veel meer troepen beschikte en Amerikaanse steun kreeg, was het bewind te corrupt. Zijn bewind had veel te weinig gedaan aan hervormingen, aan de ontwikkeling van de democratie en zijn soldaten waren veel minder populair. Mao’s soldaten waren echter populair bij de massa. Bovendien hadden de boeren van de KMT-regering weinig goeds ondervonden. Een China met communisten aan de macht zou gunstig voor hen zijn. Dus kon Mao in 1949 de Volksrepubliek China uitroepen in Peking. Tsjang trok zich terug op het eiland Taiwan (Formosa). De V.S. erkenden zijn regering als enige wettige en boden militaire bescherming omdat zij net als Tsjang een snelle terugkeer van de KMT naar het vaste land verwachtten.
4. De Chinese Volksrepubliek
Net als vroeger bleef China iets van besloten houden. Dat maakt het moeilijk de interne gebeurtenissen, een nieuwe politieke koers en de beweegredenen daartoe duidelijk te maken. Na 1949 stelden de Chinese communisten zich een doel: China moest veranderen in een moderne industriestaat. Ze achtten de Russische weg de meest geschikte: een sterk gecentraliseerd bestuur en vijfjarenplannen.
Naar Russisch model werd ook de CCP gemodelleerd: aan top het Centraal Comité (90 leden); uit het Centraal Comité vormden 10-20 leden het Politbureau, verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur van de partij. Overal waren partijcomités actief. Ze hadden een propagandafunctie en tevens een controlerende taak.
De CCP organiseerde een ideologische hervorming om de gehele bevolking tot het communisme te bekeren. Het confucianisme werd ingeruild voor het communisme en keizer voor Mao. Deze campagnes waren niet zachtzinnig: mensen die te veel met oude opvattingen besmet waren, kregen de kogel. Ook maakte Mao een begin met de landverdeling. In 1950 kwam de Agrarische Hervormingswet tot stand:
Arme en landloze boeren kregen grond ten koste van de rijkere boeren, de regering nationaliseerde de grote fabrieken, de Huwelijkswet van 1950 maakte dat de vrouw een veel betere positie kreeg.
Het eerste vijfjarenplan (1953-1957)
Na de eerste ‘grote schoonmaak’ kwam in 1953 de volgende stap en kreeg de zware industrie voorrang, waarbij Russische hulp onmisbaar was: Chinezen kregen een technische opleiding in de SU en 10.000 Russische adviseurs stonden in China ter beschikking.
Ook op het platteland traden veranderingen op: begin gemaakt met collectivisatie van de landbouw, naar voorbeeld van de Russische kolchozen werden landbouwcoöperaties opgezet. Aan het individuele grondbezit kwam dus een einde.
Laat honderd bloemen bloeien
In 1956 nodigde de partijleiding vooral Chinese intellectuelen uit tot openlijke kritiek op de partij. ‘Laat honderd bloemen bloeien, laat honderd scholen met elkaar wedijveren’. We weten niet zo goed wat ze hiermee wilden, misschien wilde men wat losser worden tegen de achtergrond van de toen in de SU begonnen destalinisatie, misschien was het een poging om de zwakke punten te achterhalen of misschien was het de bedoeling om kritische elementen op te sporen. Pas in het voorjaar van 1957 kwam de actie goed op gang en was de stroom van kritiek zo groot dat de Chinese leiders er snel een einde aan maakten. Een scherpe anti-intellectuele koers volgde. Sommige critici moesten openlijk zelfkritiek uitoefenen. Anderen werden uit hun positie gezet en op het platteland en in fabrieken tewerkgesteld.
‘De Grote Sprong Voorwaarts’
In aansluiting op de campagne tegen de ‘rechtse elementen in de partij volgde in 1958 de ‘Grote Sprong Voorwaarts’. Waarschijnlijk heeft Mao zelf deze mobilisatie van de massa doorgedrukt, maar de bedoeling was dat China snel naar een betere maatschappij zou opstomen.
Zowel stad al platteland waren betrokken bij de sprong:
Stad: bevolking werd opgezweept alle vrije tijd op te offeren voor het grote doel; ook de productie van staal moest worden opgevoerd.
Platteland: de landbouwcoöperaties werden samengevoegd tot grote volkscommunes van vele dorpen en tienduizenden mensen. Daarbij werd ook de gezinsband verbroken: mannen en vrouwen leefden en sliepen gescheiden. De volkscommunes hadden de verantwoordelijkheid voor gezondheidzorg, onderwijs, wegenaanleg en economische planning. Er trad dus in plaats van een decentralisatie een centralisatie op die verbonden werd door de communistische leer.
Hoewel de Grote Sprong op sommige punten (irrigatie en wegenaanleg) slaagde was het geheel een mislukking en in 1960 kwam er een eind aan het experiment.
De oorzaken van de mislukking: De slechte organisatie en de overschatting van wat men kon bereiken, het was veel te ambitieus opgezet; Door natuurrampen in juist die jaren brak er hongersnood uit, wat de chinezen uitlegden als een teken dat de hemel ontstemd was over de communistische regering; in 1960 ontstond een volledige breuk tussen China en SU, de SU riepen al hun deskundigen terug en weigerden verder machines en materialen te leveren.
Culturele Revolutie (1966-1968)
De Culturele Revolutie was een tijd waarin miljoenen navolgelingen van Mao op allerlei manieren hun steun aan hem wilden betuigen.
Wat was er aan de hand:
1. Binnen de partijleiding was het verzet tegen Mao gegroeid. Een groep rond president Lioe en partijsecretaris Deng vond dat Mao en premier Tsjoe Enlai te veel de nadruk legden op de leer en te weinig op de praktijk. De tegenstanders van Mao wilden wel samenwerken, als dat tot gevolg had dat China zich sneller zou kunnen ontwikkelen. De culturele Revolutie zou dan een poging van de groep Mao zijn om via de jeugd de positie van Mao te versterken.
2. Hiermee verbonden vreesden de Maoïsten dat China de kant van de SU op zou gaan. De Maoïsten wilden voorkomen dat de revolutie in China op dood spoor zou komen, dat er een kloof tussen de specialisten en het gewone volk zou ontstaan.
Voor mao en zijn volgelingen was de CR in zekere zin een succes: President Lioe verloor zijn functie, Deng werd aan de kant gezet.
Aan de andere kant liep de CR in de loop van 1967 af. Er schijnt toen een militaire staatsgreep gedreigd te hebben als de chaos nog langer had geduurd. In 1968 werd iedereen aangespoord om weer normaal aan het werk te gaan, waardoor er een periode van rustiger ontwikkeling aanbrak.
Spanningen in de partijtop bleven bestaan. In september 1971 pleegde Mao’s “kroonprins” Lin Piao een mislukte staatsgreep. Toen in 1976 Mao stierf, kwam aan wat wij Mao-China noemen een einde. In datzelfde jaar stierf ook zijn oude strijdmakker Tsjoe En-lai.
5. Na de dood van Mao
In 1973 begon de rehabilitatie van veel personen die tijdens de CR in ongenade waren gevallen, de opvallendste daarvan was de terugkeer van Deng Xiaoping.
In de volgende jaren hield de top van de CCP zich redelijk in evenwicht door aan de ene kant de extreem radicalen onder leiding van de vrouw van Mao: Jiang Qing en aan de andere kant de meer gematigden onder leiding van Tsjoe En-lai. Maar aan deze situatie kwam in 1976 een einde door de dood van Tsjoe en Mao.
De dood van Tsjoe werd onmiddellijk gevolgd door en campagne van zijn opvolger Deng. Maar hij werd niet als eerste vice-premier, maar de minster van staatsveiligheid: Hua Guofeng. Tijdens een demonstratie begin april betoogden honderduizenden Chinezen tegen de maoïstische lijn. Kort daarna werd Deng op voorstel van Mao door het Politbureau uit zijn functie ontheven. Daarna werden de rellen in de volgende maanden nog verhevigd door een catastrofale aardbeving die een groot aantal slachtoffers maakte. In die situatie kwam op 9 september het bericht van het overleiden van Mao Zedong.
Het schijnt dat de extreem radicalen na de dood van Mao geprobeerd hun positie te behouden en eventueel te versterken. Hieraan kwam een eind toen premier Hua Guofeng de kant van de gematigden koos en de Bende van Vier liet arresteren. Hua Guofeng werd door het politbureau aangewezen als voorzitter van de partij en daarmee als opvolger van Mao. Zijn positie werd in 1977 na de rehabilitatie van Deng sterk aangevochten, waarna Deng feitelijk de leider in China werd.
In 1980 moest Hua het premierschap overdragen aan Zhao Ziyang, in 1981 verloor hij ook zijn functie als voorzitter van de partij .
Deng is vastbesloten om de modernisering van China tot stand te brengen de door Zhou in 1975 vastgelegde lijn van ‘4 Moderniseringen’:
Landbouw; industrie; defensie en de wetenschap en technologie.De ‘demoaïsering verloopt uiters voorzichtig en geleidelijk. De politiek mag sinds 1977 haaks staan op de ideeën van Mao, ze wordt nog steeds gelegitimeerd met zijn uitspraken.
6. Buitenlandse Politiek
China en de Sovjet-Unie
In 1950 ging Mao naar Moskou en kwam terug met een vriendschapsverdrag met Stalin. Tien jaar lang bestond er een nauwe samenwerking , die echter in 1960 plotseling afbrak. De breuk zat al langer in de lucht. De kwestie van de grenzen was niet uit de Chinese gedachten geraakt en bleef een belediging voor het Chinese gevoel van eigenwaarde. China voelde zich bovendien langzamerhand in staat om zelf te handelen. Mao ervoer de Russische hulp steeds meer als bemoeizuchtig, en Mao vond dat het Russische communisme verstard raakte. Mao had al eerder zijn eigen weg gekozen toen hij zich richtte op het boerenproletariaat. Nu kwam het tot een breuk die diepe vijandschap veroorzaakte.
China en de Verenigde Staten
De V.S. heeft tegenover China in 1945 twee grote beoordelingsfouten gemaakt:
1. Ze overschatten de kracht en de invloed van de KMT.
2. Washington zag in Mao de natuurlijke bondgenoot van Stalin.
Door de Koreaanse oorlog (1950-’53) werden de verhouding tussen Peking en Washington zeer slecht. Maar ook het optreden van de V.S. in de Vietnamese oorlog speelde een rol bij die spanning.
Pas in de jaren 70 kwam er ontspanning door de ‘pingpongdiplomatie’. In 1971 lieten de V.S. de KMT-regering op Taiwan vallen en erkenden ze de Volksrepubliek China en nam deze de plaats van Taiwan in de VN in. Vooral na de dood van Mao is de onderlinge verhouding Peking-Washington goed.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.