ADVERTENTIE
Open Avond = ontdekken of jij hier past Leren is keuzes maken. Continu blijven zoeken, twijfelen, vallen en opstaan. Dát leren, dat leer je bij Hogeschool Inholland. Tijdens onze Open Avond op woensdag 30 oktober staan onze studenten en docenten klaar om al je vragen te beantwoorden. Kom langs en ontdek of jij hier past.

Meer info!

Prehistorie

 

Tijd van jagers en boeren, tot 3000 voor Christus

 

Kenmerkend aspect 1: de levenswijze van jagers-verzamelaars

Jagers-verzamelaars zijn nomaden. Ze bouwden tijdelijke kampen en gingen van daaruit op zoek naar voedsel. Er worden interpretaties gemaakt over hoe zij zich voelden aan de hand van bijvoorbeeld grafvondsten (ze geloofden in het hiernamaals & de hoeveelheid gaf de status aan). De Ohalo-cultuur (20.000 voor Christus): bij het Meer van Tiberias werden sporen gevonden van jagers-verzamelaars die geen nomaden waren. Rond 12.000 voor Christus  leefden de Natufiërs (in het Midden-Oosten) ook op een permanente plek. Voorbeelden: werktuigen, grottekeningen, ötzi.

 

Kenmerkend aspect 2: het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen

De landbouw werd uitgevonden in het gebied ‘Vruchtbare Halvemaan’ (Mesopotamië). Door een goed klimaat werd landbouw mogelijk gemaakt, waardoor de bevolking groeide. Boeren werden sedentair (vestigen op één vaste plek), gingen dieren domesticeren en werkten met nieuwe werktuigen (sikkels, ploegen, maalstenen). Ze maakten voor het eerst aardewerk om o.a. zaden te bewaren. De mensen kregen meer bezittingen, waardoor ook een sociale hiërarchie opkwam. De landbouw was succesvol door de irrigatielandbouw: op vruchtbaar slib van de oevers werd verbouwd en kreeg door een ingewikkeld systeem van kanalen watertoevoer. Hierdoor ontstonden de eerste dorpen aan de oever van de Eufraat en de Tigris. Hillman-theorie: in de laatste IJstijd en tijdens de opwarming van de aarde was er een nog koudere periode waardoor men gedwongen was granen te domesticeren.

 

Kenmerkend aspect 3: het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen

Steden ontstonden vanwege de irrigatielandbouw. De eerste landbouw stedelijke gemeenschappen (stadstaten) met een agrarisch-urbane samenleving ontstond in Mesopotamië. De belangrijkste stadstaat was Uruk. Kenmerken van stadstaten:

  • Hiërarchische opbouw

De koning had zijn macht van de goden gekregen. Hij was opperbevelhebber, opperrechter en bestuurder.

  • Godsdienstig centrum

De tempel was het centrum (de Ziggurat). Het bouwwerk bevond zich aan het eind van vele trappen, zodat je dichter bij God kwam. Dit centrum had ook een economische functie: er was handel rondom en belasting werd hier betaald met oogst. Deze belasting werd vervolgens weer gebruikt voor handel met andere steden en voor re-distributie.

  • Taakverdeling in de samenleving

Er kwamen ook mensen die een ander beroep dan boer hadden. Er kwam specialisatie. Mensen gaan zich nu ook bezig houden met andere ambachten, handel, bestuur en godsdienst.

  • Schrift

Rond 3300 voor Christus ontwikkelden de Soemeriërs een schrift met logogrammen, om economische zaken te registreren (spijkerschrift). In Egypte werd het hiërogliefenschrift ontwikkelt. Door het schrift ontstonden er ook scholen.

 

De Egyptische staat werd geregeerd door een farao. Egypte was opgedeeld in boven (Zuiden) en onder (Noorden). Rond 2950 voor Christus werd Egypte één staat. Door eenheid van taal, geloof, cultuur en bestuur groeide de saamhorigheid (natiestaat). De Egyptenaren waren polytheïstisch. Rond 2000 voor Christus was Amon (schepper-god) de belangrijkste god. Voor alle goden waren aparte tempels, waarvan de priesters veel macht hadden verkregen. Zij vormden een bedreiging voor de farao. De verering van één god zou de macht van de farao veiligstellen. Farao Amenhotep IV voerde 3 vernieuwingen in:

  1. Hij verschoof de aandacht in het geloof naar god Aton (god van de zonneschijf). Egypte werd monotheïstisch. De farao veranderde zijn naam naar Achnaton. Hierdoor verloren de rijke Amon-priesters hun macht.
  2. Er kwam ook een nieuwe hoofdstad: Achetaton.
  3. De stijl waarin er geschilderd werd, werd minder stijf. Ze kregen opvallende kenmerken om zich te onderscheiden.

Na de dood van Achnaton verdween de verering van Aton en werd het geloof weer polytheïstisch, vooral Amon. De zoon van Achnaton had namelijk de macht gekregen: Toetanchaton. Hij veranderde vervolgens weer zijn naam in Toetanchamon.

Oudheid

 

Tijd van Grieken en Romeinen, 3000 voor Christus – 500 na Christus

De landbouw van de prehistorie verspreidde zich naar het vasteland van Europa, als eerste in Griekenland rond 6000 voor Christus. Er ontstond een culturele eenheid: dezelfde goden, gewoontes, taal en gezamenlijke religieuze spelen.

 

Kenmerkend aspect 4: de ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat

Vanaf 850 voor Christus ontstaan er in Griekenland poleis (stadstaten) die hun aandacht richten op filosofie, politiek en wetenschap. Vanaf 750 tot 550 voor Christus vertrokken veel mensen naar de kusten van de Middellandse Zee om zelf koloniën te stichten. In 499 voor Christus kwam de Griekse poleis in Ionië in opstand tegen de overheersing van de Perzen. Zij werden hierbij geholpen door het Griekse moederland. Toen de opstand mislukte, besloten de Perzen het Griekse moederland te straffen. Dit leidde tot de Eerste (490 voor Christus) en Tweede (480-479 voor Christus) Perzische Oorlog. De Grieken waren de eerste die de Perzen hadden verslagen. Athene werd het culturele centrum nadat het door de Perzen verwoest was en ze de stad volledig vernieuwd hadden. De bouwkunst en beeldende kunst noemen we klassiek: van blijvende waarde.

Voor verschijnselen die men niet kon verklaren, zocht men de oorzaak bij de goden (polytheïsme). Vanaf de 6e eeuw voor Christus ging men op een wetenschappelijke manier kennis ervaren:

  • Thales van Milete: de oerstof (waaruit alles zou bestaan) is water.
  • Pythagoras: de hele wereld is uit te drukken was in getallen en verhoudingen daartussen.
  • Demokritos: de oerstof is niet met het oog waarneembaar (atoma)
  • Hippokrates (arts): gezondheid hangt samen met de juiste verhouding en menging van de 4 lichaamsvochten (bloed, slijm, gele gal en zwarte gal). Dit is de theorie van de 4 temperamenten (genezende god Asklepios).  
  • Sokrates: iemand die precies de betekenis van een begrip als rechtvaardigheid wist, vanzelf ook rechtvaardig zou handelen.
  • Plato: de basisbegrippen zijn bij iedereen aangeboren, maar niemand kan zo’n begrip volledig bevatten, behalve een filosoof.
  • Aristoteles: wetenschap begint met observeren, nauwkeurig beschrijven en daarna verklaren.

Sofisten (redenaars, rondtrekkende specialisten op het gebied van filosofie, politiek en communicatie) vonden dat er geen algemene waarheid was. Zij hielpen burgers ook met redeneren om politieke invloed te krijgen.

Athene was een democratie waarin alle politieke functies toegankelijk waren. Ostracisme: scherven waarmee men stemt wie er veroordeelt werd tot verbanning. Het draaide om vrijheid (vrij spreken en politiek actief zijn) en gelijkheid, maar deze vrijheid en gelijkheid golden alleen voor mannen met burgerrecht. Het was een directe democratie: voor meebeslissen moest je aanwezig zijn. Lijnrecht tegenover hen stond Sparta, een aristocratie. Sparta focuste zich op de hoplieten (zwaarbewapende soldaten, Spartiaten). De macht werd gedeeld door 2 koningen, een raad en 5 eforen (bestuurders). De Peloponnesische oorlog (431 – 404 voor Christus) was een oorlog tussen Athene en Sparta. Athene werd verslagen en de democratie werd opgeheven. Er kwam een Spartaansgezinde oligarchie (kleine groep rijken aan de macht). In 403 voor Christus werd echter de democratie weer hersteld. In 338 voor Christus kreeg koning Philippos van Macedonië de macht in heel Griekenland. Philippos besloot oorlogsplannen te maken voor een oorlog tegen de Perzen. Zo kreeg hij ook de Griekse bevolking mee. Hij werd echter vermoord en zijn zoon Alexander volgde hem op. Hij zette de oorlogsplannen door en verovert in 331 voor Christus het Perzische Rijk, maar toen hij stierf viel zijn rijk uiteen in Egypte, Azië en Macedonië-Griekenland. Alexandrië (bij de Nijl) werd de stad van de wetenschap, met als centrum het Museion.

  • Eratosthenes had als eerste de omtrek van de aarde berekend, was de uitvinder van de chronologie, ontwerper van de wereldkaart en bedacht een manier om onregelmatig gevormde ruimtes te berekenen.
  • Herophilos ontdekte dat de zenuwen in de hersenen samenkwamen en dat de intelligentie zich hier bevindt door autopsie.
  • Erasistratos ontdekte dat het hart werkte als een pomp.           

 

Kenmerkend aspect 5: de klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur

De Griekse cultuur ging zich ver buiten Griekenland verspreiden: hellenisme. Grieken vormden de bovenlaag en hadden volledig burgerschap. Voor een beter leven was het leren van de Griekse taal en cultuur noodzakelijk. De hellenistische koninkrijken waren welvarend. De vuurtoren op het eilandje Pharos (bij Alexandrië) was een bewijs van het hoge technische niveau van de Griekse bouwers. In 31 voor Christus versloegen de Romeinen Cleopatra en beëindigden de hellenistische periode. De Romeinen kwamen voor het eerst in aanraking met de Griekse cultuur toen zij Zuid-Italië hadden veroverd. Griekse beelden werden als oorlogsbuit meegenomen naar Rome. Ze bouwden naar hellenistisch voorbeeld.  De bevolking van de veroverde gebieden kwamen als slaven op het land van de Romeinen, waaronder ook Griekse geleerden. Via hen kwam ook de Griekse cultuur en wetenschap in de Romeinse maatschappij. De Romeinen bewonderden en minachtten de Grieken. De Romeinen namen de vormentaal van de Grieken over, maar hielden vast aan wat ze gewend waren. Er zijn 2 belangrijke Romeinse verbeteringen in de bouwkunst:

  • Beton (licht en sterk)
  • Boogconstructie (grote ruimtes overkoepelen en druk over dragende muren verdelen)

De combinatie is terug te zien in koepels, amfitheaters en aquaducten.

 

Kenmerkend aspect 6: de groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidt

Toen de Romeinen heel Italië hadden verovert, wilden ze ook Carthago. Dit leidde tot de Eerste Punische Oorlog (264 – 241 voor Christus). Bij deze oorlog kregen de Romeinen Sicilië en gingen de Carthagers zich uitbreidden naar Spanje (rijke zilvermijnen). Toen in 219 voor Christus een delegatie uit Spanje de Romeinen om hulp vroegen, brak de Tweede Punische Oorlog uit (218 – 201 voor Christus). De Carthaagse veldheer Hannibal stak met olifanten de Alpen over en kreeg jarenlang delen van Italië in zijn macht. Toen de Romeinen naar Noord-Afrika vetrokken, versloegen ze Carthago volledig in 146 voor Christus. Deze gebiedsuitbreidingen zijn het begin van het Imperium Romanum. Door de groei van het Romeinse Rijk worden de volkeren in Europa beïnvloed door de Grieks-Romeinse cultuur: romanisering. Het Romeinse imperialisme leidde uiteindelijk tot de ondergang van de Romeinse Republiek. Door de vele oorlogen waren de generaals belangrijker en machtiger geworden dan de senaat. De machtigste generaals waren Pompeius (Seleucidenrijk verslagen) en Caesar (Galië verovert). De rivaliteit tussen Pompeius en Caesar leidde in 49 voor Christus tot een burgeroorlog die Caesar won. Hij werd gezien als een bedreiging voor de Republiek en werd dus vermoord door de senaat. Zijn adoptiefzoon Augustus werd de eerste keizer en bracht het Romeinse Rijk weer op orde (30 voor Christus). Sommige Gallische stadjes werden tot hoofdstad gemaakt van een reeds bestaand civitas (district) of samengevoegde civitates. De hoofdstad was een administratie centrum waar de belasting geïnd werd. De steden kregen een forum (centraal plein), tempels, bestuursgebouwen, amfitheater, etc. Op het platteland waren villae rustica (landbouwbedrijven met een luxe villa). Ze leverden graan aan de Romeinen aan de Rijngrens. De Romeinen bouwden ook een wegennet voor verplaatsing van legers en voor het drijven (en dus verdere cultuur verspreiden) van handel. Mensen uit de geromaniseerde gebieden hebben nooit over zichzelf geschreven, want alleen de Romeinen konden schrijven.

 

Kenmerkend aspect 7: de confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa

Rond 50 begonnen de Romeinen met het aanleggen van de limes (verdedigingssysteem van legioenskampen en wachttorens langs de Rijn en de Donau). Het bood bescherming tegen de Germaanse plundertochten. In de veroverde gebieden lieten de Romeinen de machtsstructuur met rust. Ze sloegen opstanden neer en als leiders meewerkten schonen ze bijvoorbeeld het Romeinse burgerrecht (je kon alleen berecht worden door de Romeinse rechtbank). Germaanse goden werden gekoppeld aan een Grieks-Romeinse god. Er is dus sprake van wederzijdse beïnvloeding. Van 211 – 284 (3e eeuw) was er sprake van een economische en politieke crisis in het Romeinse Rijk. Dit was ontstaan doordat legeraanvoerders de macht grepen. Elke soldatenkeizer probeerde zich geliefd te maken bij de soldaten door soldij telkens te verhogen en premies te geven. Aan Germaanse stammen werden afkoopsommen betaald om plunderingen te voorkomen. Vanaf 250 stonden alle grenzen onder druk vanwege de oorlogen tegen Goten, Bourgondiërs, Franken, Alemannen en Perzen. Keizer Diocletianus (284 – 305) maakte een eind aan de chaos en het rijk werd een tetrachie (in 4 stukken gedeeld). Het West-Romeinse deel en het Oost-Romeinse deel kregen elk een keizer met een onderkeizer. Elk deel had een eigen hoofdstad. Er kwam voor het eerst een scheiding tussen militair en burgerlijk bestuur. Het leger werd opgedeeld in een vast grensleger en mobiele troepen. Er kwam een aanpassing in het belastingstelsel: een boer zat vast aan zijn grond en was afhankelijk van grootgrondbezitters. De lijst van Diocletianus voor maximumprijzen werkten echter niet. Wel werd het Romeinse recht overzichtelijker. Het recht bestond uit uitspraken en opmerkingen van vroegere rechters. Keizer Justinianus maakte van deze verzameling een soort wetboek.

De regeling van ‘de keizer wordt opgevolgd door zijn onderkeizer’ werd niet nageleefd. In 306 werd Constantijn keizer, terwijl hij niet de onderkeizer was. Het werd een burgeroorlog die Constantijn won in 312 bij de slag bij de Milvische brug. Na keizer Theodosius werd de scheiding Oost-West definitief. 2 maatregelen van Constantijn hebben het Romeinse Rijk overleefd:

  • 324 werd Constantinopolis de hoofdstad van het Oosten
  • Er werden waardevaste gouden munten ingevoerd, die solide bleef tot de 11e eeuw

Rond 375 kwamen de Hunnen in Europa. Door het Oosten werden hun plunderingen afgekocht, maar dit kon het westen zich niet veroorloven. De 5e en 6e eeuw is de tijd van de Volksverhuizingen. Germanen gingen zich vestigen in het West-Romeinse Rijk. In 476 zette een Germaanse generaal in Italië de keizer af. Dit was het einde van het West-Romeinse Rijk.

 

De Bataafse opstand (69-70) werd uitgevoerd onder leiding van Julius Civilus. Hij werd onterecht beschuldigd tot verraad en streed met de Bataven (verdedigers van Romeinse noordgrens) tegen de Romeinen.

 

Kenmerkend aspect 8: de ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten

Het jodendom is de oudste monotheïstische godsdienst. Ze geloven in Jahweh. Rond 1000 voor Christus wordt Jeruzalem de hoofdstad van het joodse rijk. Vanaf 586 voor Christus leefden de joden in diaspora: een volk verspreid over vele landen. Ook waren er veel joden in Alexandrië. Ze spraken Grieks en wilden zelfs de Thora vertalen, maar ze bleven buitenstaanders. De Grieken en joden konden het niet met elkaar vinden. Door de geboorte van Christus ontstond een nieuwe groep gelovigen: de christenen. Een groot verschil met de joden was dat de christenen ook anderen tot hun geloof wilden bekeren. Keizer Nero gaf hun dan ook de schuld van de grote brand in Rome in 64. Er ontstond een christenvervolging. Keizer Trajanus stopte deze vervolging, maar christen zijn bleef strafbaar. Christendom kreeg vooral veel aanhang onder de armen, vrouwen en slaven, want zij verkondigden dat status en rijkdom er niet toe doet. In de 3e eeuw kregen de christenen de schuld van de economische en politieke crisis. Het christendom was erg gegroeid en toen ook rijke mensen zich gingen aansluiten, kwam er geld voor naastenliefde (voedseluitkeringen, hulp voor weduwen en wezen, etc.). In 250 werden joden en christenen gedwongen om de Romeinse goden te eren. Wie geen offerbewijs had, werd vermoord. Christenen lieten zien niet bang te zijn voor de vervolgingen, wat veel respect opleverde. Toen de maatregel verdween, groeide het aantal christenen wederom. Toen Constantijn keizer werd van het West-Romeinse Rijk gaf hij het christendom gelijke rechten door het Edict van Milaan. Het christendom werd voor Constantijn een middel om meer eenheid in het rijk te krijgen. Voor keizer Constantijn was de god van christenen echter niet de enige god. In 391 maakte keizer Theodosius het christendom de staatgodsdienst. Het jodendom bleef ook toegestaan. De islam ontstaat later. Er zijn geregeld gewapende conflicten geweest tussen de drie monotheïstische godsdiensten.

 

Kenmerken

Jodendom

Christendom

Islam

Ontstaan

15e eeuw voor Christus

1e eeuw na Christus

7e eeuw na Christus

God

Jahweh

God

Allah

Belangrijkste profeet

Mozes

Jezus

Mohammed

Heilig boek

Tenach

Bijbel

Koran

Regels

Thora en Tien geboden

Tien geboden

Vijf zuilen

 

Middeleeuwen

 

Tijd van monniken en ridders, 500 – 1000

De geestelijkheid en de adel bezetten de belangrijke posities in de samenleving. Er werd veel geplunderd door Vikingen en Noormannen. Er was geen geldverkeer en nauwelijks bevolkingsgroei.

 

Kenmerkend aspect 9: de verspreiding van het christendom in geheel Europa

Door de nauwe samenwerking tussen de paus en Karolingische vorsten, groeiende rijkdom en een goed georganiseerde kerk werd het succes van het christendom versterkt. Het geloof werd gebruikt om eenheid te creëren wat nauwe samenwerking tussen koning en kerk vereist. Ze steunden elkaar. De eerste Frankische koning die overging tot het christendom, was Clovis. Er werden kloosters gesticht waarin men leefden volgens leefregels (celibaat, gehoorzaamheid, hard werken en armoede). Het christelijke geloof werd verspreid door missionarissen. Missionarissen werden door Europa gestuurd om heidense volken te kerstenen (bekeren). Paus Gregorius I de Grote (590 – 604) deed veel om het geloof te verspreiden. In 690 kwam missionaris Willibrord om het gebied van de Friezen te kerstenen, maar de Friezen gaven veel verzet. Willibrord en Bonifatius gingen samenwerken. De Friezen bleven zich verzetten en doodden in 754 Bonifatius. Kerken waren erg rijk geworden door schenkingen (om een plaats in de hemel te krijgen). Kloosters gaven in ruil voor de geschenken armen- en ziekenzorg en onderwijs.

De palts van Karel de Grote in Aken werd beschouwd als het politieke en culturele centrum van zijn rijk. Het werd gebouwd naar klassieke voorbeelden, want Karel zag zijn Frankische rijk als een voortzetting van het Romeinse Rijk. We noemen deze periode de Karolingische Renaissance vanwege de belangstelling voor de Klassieke Oudheid.

 

Kenmerkend aspect 10: het ontstaan en de verspreiding van de islam

In diverse visioenen openbaart Allah zich aan de profeet Mohammed (570 – 632). Hij vluchtte in 622 uit Mekka, naar Medina. Dit is de hedsjra en is het begin van de islamitische jaartelling. De boodschappen van Allah worden na Mohammeds dood vastgelegd in de 144 soera’s van de Koran. In minder dan 100 jaar zijn Noord-Afrika, het Midden-Oosten en grote delen van Azië veroverd door de islamitische Arabieren. Deze veroveringen deden zij om het geloof te verspreiden. De snelheid van de veroveringen heeft meerdere oorzaken:

  • Het Byzantijnse rijk en het Perzische rijk voerden oorlog en hadden weinig kracht over om de Arabieren te vechten.
  • De jihad: de religieuze verplichting die islamieten hebben om ‘zich in te spannen om het geloof te verbreiden en goede werken te doen.’
  • De Arabische paarden waren sterk en snel.

Volgens de Koran was kennis verwerven ook erg belangrijk. Zo werd in Bagdad een Huis van Wijsheid opgericht om klassieke geschriften te vertalen. Deze Arabische vertalingen zijn in West-Europa weer naar het Latijn vertaald. Islamitische geleerden hebben zelf vooral veel onderzoek gedaan in de anatomie en astronomie.

In de gebieden die zij veroverden werden zij de elite. De andere geloven werden met rust gelaten als zij het gezag accepteerden en extra belasting betaalden (dhimmi-status). Het veroverde gebied van de Arabische moslims werd het kalifaat genoemd. Het bestuur bleef vaak in een familie. De bekendste families waren de:

  • Omayyaden waren de leiders van 661 tot 750 en kozen Damascus als hoofdstad.
  • Abassieden waren de leiders vanaf 750 en kozen Bagdad als hoofdstad.

Over de kwestie ‘opvolger (kalief) van Mohammed’ was een tweedeling. Enerzijds waren de soennieten die zeiden dat een nieuwe leider niet van Mohammed hoeft af te stammen. En anderzijds waren de sjiieten die vonden dat een nieuwe leider wel moest afstammen van Mohammed. De eerste opvolger was Aboe Bakr, geen directe familie van Mohammed. De sjiieten accepteerden hem niet en zagen Ali, Mohammeds neef, als de ware opvolger.

Ook in Spanje zaten veel islamieten en van daaruit wilden ze Europa veroveren. In 732 was de Slag bij Poitiers dat gezien wordt als het moment dat Europa werd gered van een grootschalige islamitische invasie. Vanaf de 11e eeuw begonnen de noordelijke christenen aan een herovering van Spanje wat tot 1492 zou duren, de Reconquista.

 

 

 

 

 

 

 

Kenmerkend aspect 11: de vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.

 

Rechten

plichten

Eigenaar van het domein (abt of edele)

  • Deel van de opbrengst innen
  • Vroonland wordt bewerkt door de boeren
  • Bescherming bieden
  • Voorzieningen als molen, smidse, bakkerij, weverij faciliteren

Horige boer

  • Bescherming
  • Een eigen stukje land om voor eigen gebruik te verbouwen
  • Eigen woning/hoeve
  • Onderhouden en bewerken van het vroonland (herendiensten)
  • Afstaan van oogst als belasting

Vrije boer

  • Eigen land en hoeve
  • Heer bijstaan tijdens militaire veldtochten
  • Afstaan van oogst als belasting

Lijfeigenen

  • Kost en inwoning
  • Bewerken van het vroonland
  • Werken in dienst van de heer op het domein

Een agrarisch-urbane samenleving is een samenleving met veel landbouw en weinig steden en handel. Het is zelfvoorzienend (autarkie). De meerderheid van de boerenbevolking leeft op de domeinen van kloosters of kastelen. Dit domein- of hofstelsel heeft een heldere hiërarchie van rechten en plichten.


Een landgoed/domein waren altijd in twee stukken opgedeeld:

  • Vroonland: land van de edelman zelf. Het centrum werd gevormd door het vroonhof (woonhuis). Verder bestond het ook uit akkers, weiden en bos. Dit werd onderhouden door lijfeigenen.
  • Hoevenland: land verdeeld in boerderijen wat vrijen en horigen konden pachten.

Een hofstelsel is een economisch systeem van een door vrijen en horigen bewerkt landgoed. Door het wegvallen van het Romeinse gezag, verdween de handel. Dit kwam weer op door Dorestad (havenstad). Dit werd een handelsstad op internationaal niveau. Om ervoor te zorgen dat het werk goed en op tijd gedaan werd, zorgden de heren voor kalenders die per maand uitbeeldden welk werk er in die maand op het land gedaan moest worden.

 

Kenmerkend aspect 12: het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur

In Gallië leefden Keltische en Germaanse stammen. In de 5e eeuw vielen de noordelijke grenzen weg door invallen van grote stammen (volksverhuizingen). Er was geen centraal leger dat de invallers kon tegenhouden, dus mensen sloegen op de vlucht waardoor de voedselvoorziening en handel instortten. De Franken namen Gallië. Na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk slaagde o.a. Frankische koning Clovis (481 – 511) om grote gebieden in Europa met elkaar te verbinden en als rijk te besturen. Om zijn macht te behouden, had Clovis steun nodig van zijn krijgslieden (vazallen). Alle vazallen legden een eed van trouw af aan de koning. Na zijn dood werd zijn rijk verdeeld, met uiteindelijk Karel Martel als vorst. Hij had veel oorlogen en een leger van ruiters was dus noodzakelijk. Ridders wilden zich alleen binden als er een leen/feodum (een stuk land) tegenover stond. De koning was de leenheer, de ridder was de leenman. Dit is het feodale stelsel.

Karel de Grote verdeelde zijn rijk in 400 graafschappen met ieder een graaf (koninklijk gezag handhaven). Zij werden gecontroleerd door zendgraven (reizende controleurs). Markgraven kregen het land aan de grenzen in leen om het gebied te verdedigen. Als de koning rondreisde, verbleef hij in de palts (burchten) die voor hem gebouwd waren. Karel de Grote kreeg veel aanzien door zijn gebiedsuitbreiding en georganiseerde bestuur. In 773 hielp Karel de paus bij het verdedigen van Rome. Wederom in 800, en toen werd hij door de paus tot keizer gekroond. Dit zou hem in conflict brengen met de keizer van het Byzantijnse Rijk (het Oost-Romeinse Rijk). Hun hoofdstad, Constantinopel, lag gunstig aan de doorgang tussen de Middellandse en Zwarte Zee, een handelsroute. Het rijk was verzwakt door interne conflicten.

Leenmannen werden machtig en wilden hun gebied graag afstaan aan zijn zoon. Hierdoor zouden koningen de controle verliezen, wat bij de sterke koningen geen probleem was. Leenmannen gingen uiteindelijk achterleenmannen benoemen die trouw zwoeren aan hun lokale heer. Dit werd een bedreiging van de eenheid. Ook vanaf zee werd het rijk bedreigd door Noormannen. Zij kwamen voor voedsel. Uiteindelijk kregen ook zij land in leen, zodat de plunderingen zouden stoppen.

 

 

 

 

Tijd van steden en staten, 1000 – 1500

 

Kenmerkend aspect 13: de opkomst van handel en ambacht die de basis legt voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving

Door ontginningen, inpoldering en nieuwe landbouwtechnieken (drieslagstelsel) verandert de autarkische samenleving. De voedselproductie neemt toe en de bevolking groeit. In de steden vestigen zich ambachtslieden. Veel nieuwe steden ontstaan langs de grote waterwegen in Europa, waar de nieuwe markten gemakkelijk via het water voorzien kunnen worden van handelsgoederen. Vlaamse steden als Gent (Lakenstad) en Brugge worden internationale handelscentra. Er werden Hanze opgezet. Dit was een handelssamenwerking tussen verschillende steden. De bekendste Hanze werd opgericht in het Oostzeegebied. Op jaarmarkten werden producten uit diverse gebieden verhandelt. De geldeconomie kwam weer op. Handelaren kunnen geld inleveren bij de bank. Zij krijgen een wisselbrief waarmee ze in een andere stad geld kunnen opnemen. Zo kunnen de handelaren veiliger betalen en reizen zonder grote hoeveelheden munten te hoeven meenemen.

 

Kenmerkend aspect 14: de opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden

De stedelingen krijgen van de leenheren eigen rechten, zoals stadsrecht. Met stadsrecht mochten de stedelingen zelf de regels voor bestuur maken en eigen rechtspraak houden. In ruil voor deze privileges moesten de stedelingen de landsheer financieel en militair steunen. Boeren vertrokken van het platteland naar de stad. Om te voorkomen dat er geen arbeidskrachten meer overbleven, moest de adel de belastingen en herendiensten op het platteland wel verminderen. In de steden ontstonden gildes. Een gilde is een samenwerkingsverband van ambachtslieden met hetzelfde beroep in een stad. Er ontstaan zelfs volledig onafhankelijke stadstaten. In steden werden door de graven patriciërs (rijkste burgers) tot schepenen (bestuurders en rechters van de stad) gekozen. Nadat deze kleine elite dit recht misbruikte werd er een stadsraad ingesteld, waarin de gilden het financiële beheer van de schepenen konden controleren.

Guldensporenslag is een voorbeeld van hoe steden meer vrijheid konden krijgen. De Franse koning wou zijn macht in Vlaanderen vergroten en kreeg steun van de patriciërs in de Vlaamse steden. De graaf van Vlaanderen verzette zich en kreeg de steun van het volk. Het Vlaamse volksleger versloeg de Fransen en kreeg een vergroting van de bestuursmacht voor ambachtslieden.

 

Kenmerkend aspect 15: het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat behoort te hebben

God had zijn macht in tweeën verdeeld (tweezwaardenleer):

  • Geestelijke macht: de paus had de heerschappij kerk en gelovigen. De hiërarchie was als volgt: paus, bisschoppen, pastoors en kapelaans.
  • Wereldlijke macht: de keizer had de bestuursmacht over landen en mensen. De hiërarchie was als volgt: keizer, koning, hertog en graaf.

In 1054 ontstond het Oosters Schisma: scheiding tussen de oostelijke kerk en de westerse kerk met als hoofd de paus. Rond 1100 gaan de paus in Rome en diverse West-Europese vorsten de strijd aan over wie nu de hoogste wereldlijke macht heeft. De inzet is wie het recht heeft om bisschoppen te benoemen (de investituur). Onder Gregorius VII was deze investituurstrijd het felst. Toen Duitse koning Hendrik IV (1050 – 1106) bleef bisschoppen benoemen en werd in de kerkelijke ban gedaan. Het kasteel in Canossa diende als plaats van verzoening. Na 3 dagen boetedoening werd de ban opgeheven. In 1084 nam hij wraak en bezette Rome. Hij benoemde Clemens III als nieuwe paus en werd door hem ook tot keizer gekroond. De investituurstrijd eindigde in 1122 met het Concordaat van Worms. De paus zou bisschoppen benoemen en de investituur verrichten (ring, mijter en staf overhandigen). Daarna mocht de keizer de nieuwe bisschop de scepter overhandigen als teken van wereldlijke macht.

 

Kenmerkend aspect 16: de expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten

Rond het jaar 1100 vraagt de keizer van het Byzantijnse rijk hulp bij de paus in Rome tegen de Turkse veroveringen (oproep). Voor paus Urbanus II was dit de mogelijkheid om de eenheid te bevorderen (gezamenlijke vijand) en om het christendom te verspreiden. Er word een kruistocht georganiseerd om de Turken terug te dringen en het Heilige Land Palestina te bevrijden. De paus belooft alle deelnemers vergeving van zonden, zodat ze in de hemel zouden komen. Voor edelen en ridders was het de mogelijkheid om macht en roem te verwerven. In 1096 vertrok de eerste kruistocht en in 1099 veroverden ze Jeruzalem. In 1187 werd onder leiding van de islamitische generaal Saladin Jeruzalem opnieuw veroverd. Europa organiseerde de Derde Kruistocht onder leiding van o.a. Engelse koning Richard Leeuwenhart. Richard slaagt er niet in Jeruzalem te heroveren, maar hij kon Saladin ertoe bewegen christelijke pelgrim toe te laten.

De kruistochten veranderden gelovige mensen in fanatieke strijders voor het geloof, die zich ook fel keerden tegen andersgelovigen, zoals de Joden. De Joden kregen de schuld van kruisdood van Jezus en omdat ze meestal bankiers waren, hadden mensen schulden bij hen. Ze konden maar beter dood. De kruistochten verscherpten de tegenstellingen tussen christenen en moslims, maar de kruistochten leidden ook tot handel en culturele uitwisseling. West-Europa maakte kennis met cijfers, Arabische medische kennis en filosofische werken van Grieken.

 

Kenmerkend aspect 17: het begin van staatsvorming en centralisatie

Door de komst van de geldeconomie wordt de organisatie van het landsbestuur makkelijker. Koningen heffen belasting, nemen ambtenaren in dienst om hun beleid en bestuur uit te voeren en leenmannen en soldaten komen in dienst van de koning.

In Engeland moest in 1215 koning John ‘zonder land’ de Magna Carta tekenen, waarmee de macht van de koning werd ingeperkt: ze konden niet meer zomaar belastingen opleggen of rechten tenietdoen zonder instemming van de standen.

De Honderdjarige Oorlog (1337 – 1453) was een oorlog tussen het Huis Valois (maakte aanspraak op de titel van koning van Frankrijk) en de Plantagenets (maakte aanspraak op de troon van Frankrijk en Engeland). In 1347 versloegen de Engelsen de Fransen. Onder leiding van Jeanne d’Arc drongen de Fransen echter de Engelsen weer terug. In 1450 sloten de Franse en Engelse koning vrede en werden de Engelsen definitief uit Frankrijk verjaagd. Het gebied van een koning wordt, vanuit een hoofdstad, meer centraal als een eenheid bestuurd door een overheid die zo veel mogelijk dezelfde regels en wetten (uniformering) toepast. De Franse koningen waren het meest succesvol in het centraliseren van hun macht. Door huwelijken, erfenissen en veroveringen breidden Franse koningen snel hun macht en grondgebied uit.

In 1363 wou Filips de Stoute een eigen staat stichten met de provincie Bourgondië. De Bourgondische hertog, Filips de Goede, stelde in 1464 een Staten-Generaal in: een vergadering van vertegenwoordigers van alle verschillende Bourgondische gewesten. De hertog wou een belasting op zout en een centrale organisatie van de rechtspraak. Veel Vlaamse steden kwamen in verzet tegen de belastingen en tegen de inbreuk op hun oude privileges (particularisme).

Vroegmoderne tijd

Tijd van ontdekkers en hervormers, 1500 – 1600

 

Kenmerkend aspect 18: het begin van de Europese overzeese expansie

In 1415 heroverden de Portugezen de Marokkaanse havenstad Ceuta op de Moren. Het voornaamste doel van de Portugezen, en later ook de Spanjaarden, was om de Reconquista voort te zetten. Ze voeren langs de Afrikaanse kust naar Indië (Azië) en namen specerijen mee naar Europa. Bij de Goudkust onder de Sahara worden de eerste, winstgevende plantages gesticht waar de Afrikaanse bevolking als slaven worden ingezet. De handel met Indië is in handen van Arabische tussenhandelaren. De Portugezen willen een eigen route naar Indië vinden, via Afrika. Columbus werd door Spanje naar het westen gestuurd en dacht daar Indië te hebben bereikt. Amerigo Vespucci (1454 – 1512) ontdekte dat Columbus eigenlijk een Nieuwe Wereld had ontdekt. Cartografen brachten de nieuwe zeeroutes en ontdekte gebieden in kaart en verbeterden dus het wereldbeeld. Spaanse conquistadores vielen de inheemse bevolking van Amerika aan. Als beloning kregen ze een groot landgoed in Amerika. Met de encomienda werd de lokale bevolking tot het christendom bekeerd: elke Spanjaard kreeg een paar indianen om ze te onderrichten in het katholieke geloof. In 1542 kwamen de Nieuwe Wetten waarin oorspronkelijke bewoners rechten kregen en volwaardige mensen werden. Het was het begin van de Europese kolonisatie. Koloniaal bezit gaf de Europese vorsten macht en aanzien. Zo ontstond ook de handelsdriehoek tussen Europa, Afrika en Amerika. Europa leverde aan Afrika wapens en textiel. Afrika leverde slaven aan Amerika en Amerika leverde parels, koffie, cacao, tabak en katoen aan Europa. Er kwam veel goud en zilver vanuit Amerika naar Europa, wat enorme inflatie veroorzaakte. Holland had aan het eind van de 16e eeuw behoefte om zelf een zeeroute naar Indië te vinden. Jan Huygen van Linschoten reisde met de Portugezen mee en verzamelde informatie over de routes naar Azië. Deze informatie werd doorgestuurd naar Holland.

 

Kenmerkend aspect 19: het veranderende mens- en wereldbeeld van de Renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling

In de Middeleeuwen stond ‘memento mori’ (gedenk te sterven) centraal. Dit zal in de Renaissance omslaan naar ‘carpe diem’ (pluk de dag). Met de opkomst van rijke steden, handel en culturele uitwisseling groeit bij de elite van Europa het besef dat het individu een eigen rol kan spelen in de samenleving. Religie blijft een vooraanstaande rol spelen in het dagelijks leven. Ondanks de wedergeboorte van de klassieke kunst, waren er verschillen. Er werd gebruik gemaakt van perspectief, maar ook van gelaatstrekken en emoties in de geschilderde gezichten. In deze tijd kwamen er homo universalis: volmaakte mens. Zij waren architect, kunstenaar en wetenschapper zoals Michelangelo en Leonardo da Vinci. De kerk beschikte niet meer over alle kennis. Zo ontstond het humanisme, de mens komt centraal te staan. Humanistisch onderzoek vernieuwde het geestelijke en godsdienstige mensbeeld. Arts Vesalius onderzocht op dode mensen in het geheim om zo meer te ontdekken. De humanistische ideeën, uitvindingen en wetenschappelijke ideeën konden snel hun weg vinden naar de mensen door het ontstaan van de boekdrukkunst. Een bekende humanist was Thomas More die kritiek gaf op het gezag van de kerk en de koning in zijn boek Utopia. Copernicus kwam in conflict met de kerk. Hij beweerde namelijk dat niet de aarde, maar de zon het middelpunt was (heliocentrisch wereldbeeld).

 

Kenmerkend aspect 20: de hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de Klassieke Oudheid

Door handel komt er een hernieuwde belangstelling voor de culturele prestaties in de Klassieke Oudheid. Kunstenaars en schrijver bestuderen de klassieke vormentaal en vinden hierin inspiratie voor een nieuwe kunststroming: de Renaissance. In de literatuur krijgt de heroriëntatie op het klassieke erfgoed de naam humanisme. Zo werd door Erasmus de Bijbel onder de loep genomen. De Bijbel was een Vulgaat (vertaling van Hebreeuwse en Griekse teksten) en moest dus onderzocht worden. Hij zet hiermee onbedoeld de eerste stap naar de kerkhervorming. Vasari schreef het eerste kunsthistorisch werk: het streven naar perfectie ging een belangrijke rol spelen in de kunst van de Renaissance.

 

Kenmerkend aspect 21: de protestantse reformatie die de splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg heeft

Steeds meer gelovigen stoorden zich aan de luxe waarin de hoge geestelijkheid leefde, aan het streven naar wereldlijke macht van de paus en aan de slecht opgeleide priesters. Critici en ketters werden door de kerkelijke rechtbank (inquisitie) veroordeeld. Erasmus schreef zijn kritiek op in ‘Lof der Zotheid’, maar bleef de kerk trouw. In 1517 stelde Luther de 95 stellingen op. Hij wilde oorspronkelijk slechts een kerkhervorming (reformatie). Luther had vooral kritiek op de aflaathandel. Hij vond dat je alleen verantwoording aan God hoefde af te leggen. De Bijbel was het woord van God en moest door iedereen gelezen kunnen worden (statenbijbel). Luther vond wel dat je moest luisteren naar de vorst. De godsdienstdiscussie leidt tot grote spanningen, strijd en een splitsing van de kerk in een rooms-katholieke en protestantse richting. Het ontstaan van de lutherse kerk leidde tot een godsdienstoorlog tegen keizer Karel V. In 1555 kwam de Augsburgse Godsdienstvrede. Het protestantisme en het katholicisme kregen gelijke rechten. In Frankrijk kreeg Calvijn veel aanhang. Hij vond dat een geestelijke de Bijbel in begrijpelijke taal moest uitleggen en dat de kerken geen afleidingen mochten hebben. Hij had ook het predestinatieleer: al voor geboorte stond vast of iemand na de dood in de hemel zou komen. Een belangrijk punt was dat Calvijn vond dat je in opstand mag komen tegen de koning, als hij niet leefde naar de wetten van God. Zijn aanhangers (hugenoten) hadden vaak conflicten. In 1598 kwam het Edict van Nantes waarin stond dat elke Fransman recht had op gewetensvrijheid. De katholieke kerk kwam met de contrareformatie: er moesten priesteropleidingen komen, maar verder bleef veelal hetzelfde.

 

Kenmerkend aspect 22: het conflict in de Nederlanden dat resulteert in de stichting van een Nederlandse staat

Karel V heerste over het Habsburgse Rijk: Spanje en koloniën, delen van Italië, Oostenrijk, Duitsland en de Nederlanden. Sinds 1515 trachtte Karel om van de 17 gewesten een eenheid te maken door het bestuur te centraliseren, oude privileges op te heffen en in alle gewesten dezelfde regels te laten gelden. In Brussel vestigde hij een centraal bestuursapparaat met 3 raden:

  • Raad van Financiën: beden regelen en belasting innen
  • Raad van State: adviesorgaan
  • Geheime Raad: opstellen van centrale wetten en regels

De Nederlanden kreeg een landvoogd en elk gewest een stadhouder. Karel V had een fel beleid tegen ketters, het Bloedplakkaat (elke ketter moet vervolgd worden). In 1555 volgde Filips II zijn vader op. Margaretha van Parma werd de landvoogdes van de Nederlanden. Zij overlegde veel met haar belangrijkste adviseur Granvelle, tegen de zin van het volk in. In 1562 werd de Liga (Horne, Egmond en Van Oranje) opgericht die het vertrek van Granvelle eisten. In 1566 boden de lage edelen een smeekschrift aan Margaretha met de vraag of het Bloedplakkaat en de inquisitie opgeheven kon worden. In datzelfde jaar werden er veel hagenpreken gehouden, waarin de hervormden de luisteraars aanmoedigden om kerkgebouwen te bezetten en heiligenbeelden te verwoesten. Dit is de Beeldenstorm. Filips verving hiernaar Margaretha van Parma door hertog Alva om de opstand neer te slaan. Hij stichtte de Bloedraad op en liet Egmond en Horne daar onthoofden. Willem van Oranje was gevlucht. In 1572 ondernam hij een veldtocht en vond zijn bondgenoten, de watergeuzen. Zij versloegen de Spanjaarden bij Den Briel. Niet veel later werd Willem van Oranje tot stadhouder benoemt. Dit was revolutionair, want alleen de landsheer mocht een stadhouder aanstellen. Alva slaagde er niet in de opstand neer te slaan en werd in 1573 vervangen door Requesens. In 1576 was de Spaanse Furie. De opstandige gewesten en de gewesten die trouw waren gebleven aan Filips II sloegen de handen ineen en sloten de Pacificatie van Gent. Daarin stond dat de Spaanse troepen het land uit moesten en er gewetensvrijheid moest komen. Filips II erkende de Pacificatie van Gent niet, omdat hij maar één geloof wilde. In 1579 kwamen er twee verbonden:

  • Unie van Atrecht: radicale rooms-katholieken die voor Spanje waren
  • Unie van Utrecht: radicale calvinisten die een militair verbond tegen Spanje sloten

In 1580 werd Willem van Oranje in de ban gedaan. Willem verdedigde de opstand nog, tevergeefs, in de Apologie. In 1581 besluit de Staten-Generaal Filips II niet langer als hun landheer te erkennen met de Acte van Verlatinghe. Graaf van Leicester werd door Engeland gestuurd, maar zijn bestuur maakte geen kans.  In 1584 werd Willem van Oranje vermoord. Na enkele pogingen een andere vorst voor de Nederlanden te vinden, besluiten de Staten-Generaal in 1588 dat het gebied ook zonder vorst bestuurd kan worden. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden wordt uitgeroepen.

 

 

 

 

Tijd van regenten en vorsten, 1600 – 1700

 

Kenmerkend aspect 23: het streven van vorsten naar absolute macht

De machtsverhouding tussen koning en parlement stonden vaak ter discussie. De koning wou centraliseren, maar het parlement wou zijn invloed op het bestuur niet inleveren. Er was behoefte aan stabiliteit, omdat er telkens strijd was tussen katholiek en protestant. Nieuwe politieke opvattingen stellen dat de soevereiniteit in een staat haar meest stevige vorm kan krijgen in handen van een absolute vorst die eenduidig de wetten voor het hele land kan maken. In Frankrijk heerste sinds Lodewijk XIV (1638 – 1715) het absolutisme: alle macht was in handen van de koning. De koning had het droit divin (goddelijke macht). De Staten-Generaal bleef bestaan, maar werd niet meer bijeengeroepen. Hij was de belangrijkste opdrachtgever wat betreft wetenschap en kunst. De kunsten werden door hem gestimuleerd, maar ze moesten de koning dan wel verheerlijken en idealiseren zodat het zou bijdragen aan het absolutisme. Zijn politiek draaide om gebiedsuitbreiding. Zo vielen ze in 1672 (het Rampjaar) de Republiek binnen. In 1678 werd een vrede gesloten, omdat hij er niet in lukte heel de Republiek te veroveren. De Republiek kreeg alle gebieden en rechten terug. Ook wou Lodewijk XIV maar één geloof in zijn rijk: het katholicisme. Hij herriep in 1685 het Edict van Nantes en de hugenoten kregen de keus: of zich bekeren tot het katholicisme of vertrekken. Een groot gedeelte vluchtte naar de Republiek. Frankrijk liep economische schade op en Lodewijk XIV verloor zijn macht.

In Engeland was de macht van koning beperkt door het parlement. Toen Jacobus II enigszins absolutistisch ging regeren, werd stadhouder Willem III (1672) uitgenodigd. Hij zette Jacobus II af en werd in 1688 koning van Engeland, Ierland en Schotland. Dit noemt men de Glorious Revolution. Hij moest wel de Bill of Rights tekenen waar hij het Parlement alle macht gaf.

 

Kenmerkend aspect 24: de bijzondere plaats in staatkundig opzicht en bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek

De macht van de Republiek lag bij de 7 Gewestelijke Staten. Zij stuurden elk een regent naar de Staten-Generaal voor overleg. In de Staten-Generaal golden 3 dingen:

  • Lastbrief
  • Ruggespraak
  • Eenparigheid van stemmen

De raadspensionaris was Johan van Oldenbarnevelt en de stadhouder was Maurits. Het Twaalfjarige Bestand (1609 – 1621), de wapenstilstand met Spanje, zou ervoor zorgen dat Maurits werkloos werd. Er ontstond een splitsing in de calvinistische kerk:

  • Rekkelijken (o.l.v. Arminius). Zij waren de gematigden uit de zeegewesten, hiertoe behoorde Van Oldenbarnevelt
  • Preciezen (o.l.v. Gomarus). Zij waren radicalen uit de landgewesten en vonden dat het calvinisme tot in de uiterste consequentie doorgevoerd moest worden in de gehele samenleving. Maurits sloot zich hierbij aan.

Maurits won deze strijd, waardoor in 1617 de Scherpe Resolutie kwam. Van Oldenbarnevelt stelde maatregelen op waardoor de militaire macht van Maurits nog meer beperkt werd: Hollandse steden namen voortaan zelf soldaten in dienst voor het handhaven van de openbare orde. Die soldaten hoefden zich alleen te verantwoorden tegen de lokale besturen. Maurits nam wraak en zorgde ervoor dat Van Oldenbarnevelt beschuldigd werd van samenzwering, gearresteerd werd en ter dood werd veroordeelt (1619). Maurits werd in 1621 opgevolgd door Frederik Hendrik, die een einde maakte aan het Twaalfjarig Bestand. Van 1650 – 1672 was het eerste Stadhouderloze Tijdperk: een stadhouder vond men niet meer nodig na de vrede van Münster. Van 1654 – 1660 was de Acte van Seclusie waar de Oranjes uitgesloten werden om stadhouder van Holland te worden.

Grote delen van Holland kwamen onder het niveau van de zeespiegel te liggen, waardoor boeren zich veel gaan specialiseren in de veeteelt. De 17e eeuw gaat de geschiedenis in als de Gouden Eeuw voor de Republiek. De Republiek werd welvarend door:

  • De moedernegotie: in 1585 werd door de Nederlanden de Westerschelde afgesloten, waardoor Amsterdam de belangrijkste havenstad werd (in plaats van Antwerpen). Amsterdam werd de stapelmarkt, waar het hout en graan uit het Oostzeegebied tijdelijk werd opgeslagen. De stapelfunctie was erg belangrijk, omdat de aanvoer van producten door stormen, misoogsten en oorlogen onregelmatig en onzeker kan zijn.
  • Ondernemerschap krijgt veel ruimte, omdat er geen feodale traditie in de landbouw heerst
  • De aanwezigheid van bruikbare waterwegen
  • Religieuze tolerantie levert de steden veel migranten op die de handel en nijverheid verder laten groeien.

 

Kenmerkend aspect 25: wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie

De Republiek ging een rol spelen in de opkomende wereldeconomie. In de Republiek ontstond hierdoor het handelskapitalisme: het investeren van een grote hoeveelheid geld om zo veel mogelijk handels winst te behalen. In 1594 werd besloten om een gezamenlijke handelsonderneming (compagnie) op te richten die zelf specerijen uit Indië zou gaan halen. Er kwamen veel concurrerende handelscompagnieën. In 1602 werd een samenwerkingsverband opgericht voor alle koopmannen uit Holland en Zeeland: de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie). De VOC kreeg van de Staten-Generaal het monopolie om handel te drijven meet Azië. Ook mochten de kooplieden van de VOC handelsovereenkomsten met inlandse vorsten, soldaten en bestuursambtenaren in dienst nemen, aan vreemde kusten forten bouwen en geweld gebruiken als de belangen van de VOC in gevaar kwamen. Er waren VOC-aandelen te koop, waardoor de Beurs van Amsterdam ontstond. In Engeland werd de East India Company opgericht. De groeiende welvaart van de Republiek maakte Frankrijk en Engeland jaloers. Engeland stelde in 1651 de Act of Navigation op, waarin stond dat in Britse havens alleen Britse handelsschepen mochten komen. In Frankrijk kwam het mercantilisme: weinig import door hoge invoerrechten, veel export door subsidies.

Naam

Verenigde Oostindische Compagnie (VOC)

West-Indische Compagnie (WIC)

Oprichtingsjaar

1602

1621

Monopolie

De handel ten oosten van Kaap de Goede Hoop

De handel tussen de kust van West-Afrika en Noord- en Zuid-Amerika

Doel/ belangrijkste producten

Specerijen, later ook textiel, thee en koffie

Kaapvaart (aanvallen en buitmaken van koopvaardijschepen van de vijand), slaven, goud, tabak en suiker

 

 

Kenmerkend aspect 26: de wetenschappelijke revolutie

In de 17e eeuw komt de Wetenschappelijke Revolutie op. Er ontstond een wetenschappelijke manier van denken: je kunt alleen kennis verwerven door uit te gaan van zintuigelijke waarnemingen en experimenten (gezegd door Francis Bacon, het empirisme). Tijdens de wetenschappelijke revolutie vinden ingrijpende veranderingen plaats in de inzichten op het gebied van de natuurkunde, wiskunde, sterrenkunde, scheikunde en biologie. De wetenschappers wilden aantonen hoe intelligent Gods schepping in elkaar zat. Galileo Galilei bewijst dankzij de telescoop dat de aarde echt om de zon draait, zoals Copernicus al had beweerd. Christiaan Huygens kwam met het slingeruurwerk en Antoni van Leeuwenhoek ontdekte de bacterie. Er werden in Frankrijk en Engeland wetenschappelijke genootschappen opgericht die konden rekenen op (financiële) steun, zoals The Royal Academy of London.

Tijd van pruiken en revoluties, 1700 – 1800

Kenmerkend aspect 27: rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat wordt toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen

Door de wetenschappelijke revolutie werd er over de maatschappelijke verhouding kritisch nagedacht. Filosofen gingen zich richten op nadenken met het gezonde verstand: het rationalisme. Zo keerde Voltaire zich tegen de religieuze onverdraagzaamheid. Hij vond dat geen enkel geloof zich boven het ander mag stellen. In de Verlichting ontstond het atheïsme (er is geen God) en het deïsme (God heeft de aarde geschapen en daarna verlaten). Jean-Jacques Rousseau (1712 – 1778) kwam op het sociale contract: alle macht is van het volk afkomstig en alle mensen zijn van nature gelijk. Naturalisme: de mens wordt slecht gemaakt door de omgeving. Ook kwam hij met de volkssoevereiniteit: de koning had zijn macht van het volk gekregen, niet van God. John Locke (1632 – 1704) zei dat iedereen voor de wet gelijk was, dus ook de koning. De Engelse staatsinrichting was het voorbeeld: alle standen betaalden belasting en de volksvertegenwoordiging mocht wetten maken en goedkeuren. Montesquieu (1689 – 1755) vond dat de macht verdeeld moest worden: trias politica:

  • Wetgevende macht lag bij het volk of de vertegenwoordigers van het volk
  • Uitvoerende macht lag bij de koning en zijn ministers
  • De rechterlijke macht moest onafhankelijk zijn

De verlichtingsideeën werden verspreid door boeken (Encyclopédie van Diderot), toneelstukken en salons.

 

Kenmerkend aspect 28: voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)

Door de Verlichting groeit de kritiek op het absolutisme. Het verlicht absolutisme kreeg nu vorm: alles voor, maar niets door het volk. Een goed voorbeeld hiervan was koning Frederik de Grote van Pruisen. Hij correspondeerde met wetenschappers en verlicht filosofen (vooral Voltaire) en probeerde het bestaan van zijn onderdanen draaglijker te maken. De gewone mensen waren echter te onwetend over staatszaken om daarover mee te beslissen. Ook heerste er verdraagzaamheid in zijn rijk. Franse hugenoten vluchtten dus ook naar Pruisen en brachten kennis van handel en nijverheid met zich mee. Dit gaf de economie een impuls. Frederik de Grote zorgde er ook voor dat de hongersnood verdween door moerassen droog te leggen en de aardappel te introduceren. In 1740 volgde de dochter van Karel VI hem op, in Oostenrijk. Europese vorsten eisten de Oostenrijkse troon op, waardoor de Oostenrijkse Successieoorlog (1740 – 1748) ontstond. Pruisen veroverde het Oostenrijkse Silezië om economisch voordeel te behalen. In de Zevenjarige Oorlog (1756 – 1763) versloeg Pruisen Oostenrijk opnieuw. 

 

Kenmerkend aspect 29: uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekolonies en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme

Begin 17e eeuw komen de eerste Engelse kolonisten aan bij de oostkust van Noord-Amerika en maken van Virginia de eerste Engelse kolonie van Amerika. Niet lang daarna volgen Duitsers, Zweden, Fransen en Nederlanders; ook zij stichten hier hun kolonies. Er ontstaan grote plantagekolonies, die luxeproducten (suiker, rum, cacao, katoen, goud en tabak) voor de moederlanden in Europa produceren en het werk laten doen door Afrikaanse slaven. De trans-Atlantische slavenhandel nam toe. De plantage-economie in Noord-Amerika belandde in een crisis, omdat de tabaksteelt de grond had uitgeput. In 1793 werd de cotton gin uitgevonden: een machine die katoenzaden machinaal uit de plukken katoen haalde. Door de groeiende textielindustrie in Engeland werd er overgegaan op katoenhandel. De slavenhandel was echter een kritisch punt. Het zuiden van Noord-Amerika was voor slavenhandel. Zo zei Hugo de Groot dat slavenhandel gunstig was voor de slaven, want slavernij redde krijgsgevangenen en misdadigers van de dood. In het noorden van Noord-Amerika waren ze tegen de slavernij. In de Verlichting kwamen de abolitionisten op, die voor het afschaffen van slavernij waren. Afschaffing van slavernij was een oorzaak van de Amerikaanse Burgeroorlog (1861 – 1865). President Lincoln (1809 – 1865) schafte in 1863 de slavernij af. In de Nederlandse gebieden duurt het tot 1863 voordat er een einde komt aan de slavernij.

 

Kenmerkend aspect 30: de democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap

Rijke burgers willen meer invloed op het bestuur en arme burgers willen een beter bestaan. Er breken een aantal democratische revoluties uit waarin hervormingen worden geëist.

  1. De Verenigde Staten nemen het initiatief door zich los te maken van de Engelse monarchie.

Om de ‘Franse en Indiaanse Oorlog’ (1754 – 1763) te bekostigen, stelde Engeland verschillende belastingen in voor de kolonisten in Amerika. De Engelse kolonisten kwamen toen met de leus: ‘no taxation without representation’ omdat zij niet vertegenwoordigt werden in het Parlement in Engeland. In 1773 was de Bosten Tea Party waarin de kolonisten zich verzetten tegen de wet dat zij alleen thee mochten kopen van de Britse Oost- Indische Compagnie. 4 juli 1776 werd de Onafhankelijkheidsverklaring aangenomen, geschreven door Thomas Jefferson. Engeland verzette zich hier tegen. Tijdens de Amerikaanse revolutie (1775 – 1783) versloeg opperbevelhebber George Washington de Engelse legers. In 1787 werd er door de 13 staten een grondwet opgesteld. De VS werd een federatie: een land met deelstaten en met een centraal bestuur. De macht werd ingedeeld volgens de trias politica:

  • Uitvoerende macht: president per 4 jaar
  • Wetgevende macht: Senaat en Huis van Afgevaardigden
  • Rechterlijke macht: Hooggerechtshof

Dit werd onderling gecontroleerd met het systeem van ‘checks and balances’

  1. Het Franse volk volgt door in 1789 in opstand te komen tegen koning Lodewijk XVI.

In Frankrijk betaalde nog steeds de 3e stand als enige belasting en Lodewijk XVI had meer geld nodig. Hij riep de Staten-Generaal bij elkaar. De 3e stand diende meteen een verzoekschrift, Cahiers de doléances, in met de eis dat alle standen belasting moesten betalen. Er werd echter gestemd per stand, wat nadelig was voor de 3e stand. Zij verlieten de Staten-Generaal en verzamelden zich op de kaatsbaan en zeiden niet weg te gaan tot er een grondwet was. Dit is het begin van de Franse Revolutie (1789). Ze bestormden de Bastille, het meest gehate symbool van het absolutisme. In 1791 kwam de wet Le Chapelier waarbij censuskiesrecht tot stand kwam. De radicale revolutionairen, de Jacobijnen, wilden de koning afzetten en van Frankrijk een Republiek maken. De Girondijnen, gematigde revolutionairen, wilden alleen de macht van koning nog verder inperken. Toen Lodewijk XVI vluchtte, werd hij opgepakt en in 1793 onder de guillotine gelegd. Er werd een volksleger opgericht dat streed voor het vaderland. Onder leiding van Robespierre kwam de periode van Terreur (1793 – 1794). In 1795 kwam er een nieuwe grondwet met beperkt kiesrecht en een nieuwe uitvoerende macht: het Directoire (vijfkoppig bestuur). In 1799 maakte Napoleon Bonaparte een einde aan de revolutionaire chaos. In 1804 riep hij zichzelf uit tot keizer Napoleon I. Met de Code Napoléon zorgde hij voor eenheid in de rechtspraak op basis van het gelijkheidsbeginsel. Na een nederlaag tegen de Russische tsaar (1812) nam Napoleon afstand van zijn troon in 1814.

  1. In Nederland maakt de Bataafse revolutie een einde aan de oligarchie van de regenten en de geld verspillende stadhouder Willem V.

In de Republiek was er crisis. Willem V werd gezien als veroorzaker van de problemen. In de pamflet ‘ Aan het volk van Nederland’ schrijft Joan Derk van der Capellen zijn kritiek over het huidige bestuur op. Hij werd de woordvoerder van de patriotten (antiprinsgezinden regenten en democraten). De machtsstrijd werd geëindigd door de legers van de Pruisische koning die zijn zus, de vrouw van Willem V, te hulp schoot. In 1795 vielen de volkslegers van Frankrijk de Republiek binnen en ontstond de Bataafse Republiek. Ze werden overheerst door de Fransen en waren dus niet onafhankelijk. Toen Napoleon aan de macht kwam, werd zijn broer Lodewijk Napoleon koning van het Koninkrijk Holland (1806).

Tijdens het Congres van Wenen (1815) werd Europa herverdeeld. De Restauratie begon: herstellen van het ancien régime.

 

 

 

 

Moderne tijd

 

Tijd van burgers en stoommachines, 1800 – 1900

 

Kenmerkend aspect 31: de industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legt voor een industriële samenleving

Gildes waren een gesloten systeem geworden. Hierdoor ontstond de huisnijverheid. Belangrijke voorwaarden die de Industriële Revolutie mogelijk maakten:

  • Er worden veel uitvindingen gedaan om de textielindustrie te stimuleren:
  • De schietspoel (1773) was een uitvinding van John Kay om sneller en breder te weven.
  • De Spinning Jenny (1764) was een uitvinding van James Hargreaves om sneller garen te produceren.
  • Het waterframe (1769) was een uitvinding van Richard Arkwright om sneller te produceren. De machine werd aangedreven door een waterrad.
  • De stoommachine werd verbetert door James Watt, om niet meer afhankelijk te zijn van water.
  • Ondernemers die voorheen de grondstoffen aan de thuiswerkers leverden, willen investeren en commercialiseren. Om deze investeringen terug te verdienen wilden ze de arbeiders zo veel mogelijk aan het werk hebben.
  • De bevolking groeit, dus er is voldoende aanbod van personeel. De groeiende bevolking ging zich vestigen in steden, waar de fabrieken zich bevonden (urbanisatie).

 

Voor de Industriële Revolutie

Na de Industriële Revolutie

Handwerk

Machinearbeid

Thuiswerk

Fabrieksarbeid

Nijverheid

Industrie

Kleinschalig

Grootschalig

Productie voor lokale markt

Productie voor internationale markt

Kolonialisme

Modern imperialisme

Agrarisch-urbane samenleving

Industriële samenleving

 

De behoefte van fabrikanten en handelaren aan snellere verbindingen zorgt met de komst van stoomschepen en stoomtreinen voor een transportrevolutie. Ook kwam er een groeiend behoefte aan grondstoffen en afzetgebieden. De belangrijkste energiebronnen waren steenkool, elektriciteit en aardolie.

 

Kenmerkend aspect  32: discussies over de ‘sociale kwestie’

Door de snelle groei van de steden en de bevolking is er woningnood. Er ontstaan krottenwijken, sociale spanningen en besmettelijke ziektes. De arbeidende klasse leeft en werkt onder erbarmelijke omstandigheden. Er zijn lange werkdagen, gevaarlijke en ongezonde werkomstandigheden, lage lonen en er is kinderarbeid. Er komen veel discussies over sociale kwestie. Liberalen hebben in de loop van de 19e eeuw in veel landen de politieke macht in handen. Zij geloven, geïnspireerd door Adam Smith, dat de economie en de samenleving het beste functioneren wanneer er een zo groot mogelijke vrijheid is. De overheid moet niet ingrijpen in de economie. In 1874 werd het Kinderwetje van Van Houten de eerste sociale wet in Nederland.

 

Kenmerkend aspect 33: de moderne vorm van imperialisme die verband houdt met de industrialisatie

Door de toenemende productie (later massaproductie) dalen de prijzen. Hierdoor neemt de consumptie toe, maar ook de behoefte aan grondstoffen en afzetgebieden. Het Modern Imperialisme komt op. Afrika en Azië worden door de Europese mogendheden veroverd. Europese regeringen probeerden, met hun (nieuwe koloniën):

  • De opbrengsten uit bestaande koloniën te verhogen
  • Hun koloniale imperium uit te breiden
  • Als nieuwkomers ook koloniën te veroveren.

Dit leidde tot politieke spanningen en soms koloniale oorlogen tussen de westerse landen. Nog een belangrijke reden voor het imperialisme was de zendings- en beschavingsdrang van het christelijke Europa en de Verenigde Staten. Sinds Charles Darwin in 1859 zijn boek publiceerde met daarin zijn evolutietheorie en de ‘survival of the fittest’, waren er sociaal-darwinisten die geconcludeerd hadden dat het blanke ras superieur was. Zij zagen het als hun plicht beschaving te brengen in Afrika en Azië.

 

Kenmerkend aspect 34: de opkomst van emancipatiebewegingen

Groepen die zich achtergesteld voelen komen vanaf de tweede helft van de 19e eeuw op voor gelijke rechten. Er ontstaan emancipatiebewegingen in Europa:

  • Arbeiders: zij gaan zich organiseren in vakverenigingen en later politieke partijen (ANWV)
  • Vrouwen: zij gaan zich organiseren in verenigingen die strijden voor kiesrecht voor vrouwen

In Nederland geeft koning Willem II, uit angst voor een revolutie, aan Thorbecke de opdracht een liberale grondwet te ontwerpen. In de grondwetswijziging van 1848 werd de macht van de koning ingeperkt en een einde gemaakt aan de overheersende invloed van de calvinisten. In 1870 kwam het feminisme op, een beweging die opkwam voor de rechten van de vrouw (Aletta Jacobs). Zij richtten zich op het verwerven van kiesrecht. De katholieken en protestanten (confessionelen) gingen zich inzetten voor speciaal onderwijs. Zij vonden dat hun kinderen onderwijs moesten krijgen dat uitging van hun specifieke christelijke leer: de Schoolstrijd.

 

Kenmerkend aspect 35: voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces

Na het Congres van Wenen (1815) gingen belangrijke vorsten en politiek leiders hun oude machtspositie herstellen. Het verlichte denken en de liberale ideeën van de Franse Revolutie worden hardhandig onderdrukt. In het Zuiden van de Nederlanden kwam verzet tegen de autoritaire regeerstijl van de koning, het gedwongen gebruik van het Nederlands en de achterstelling van de katholieken. In 1830 was dan ook de Belgische Opstand. Na veel verzet van koning Willem I, ontstond in 1839 België.

In 1848 komen liberale burgers in veel landen aan de macht. Er kwamen liberale grondwetten die zorgden voor meer vrijheid, verruiming van het kiesrecht (censuskiesrecht) en een einde maakte aan de standensamenleving. Er worden politieke partijen opgericht. In 1878 werd de eerste politieke partij opgericht door Abraham Kuyper: de Anti Revolutionaire Partij (ARP). De ARP zette zich in voor de schoolstrijd.

 

Kenmerkend aspect 36: de opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme

Na het Congres van Wenen (1815) werd de traditionele standenmaatschappij hersteld. Burgers komen in verzet met als gevolg de opkomst van nieuwe politiek-maatschappelijke stromingen:

  1. Opkomst van het liberalisme. Doel: een samenleving met een zo groot mogelijke individuele vrijheid op politiek, economisch, sociaal en cultureel gebied.
  2. Opkomst van het socialisme. Doel: een rechtvaardige samenleving met een zo groot mogelijke gelijkheid voor alle mensen op aarde. Karl Marx en Friedrich Engels legde de basis voor het socialisme. Marx voorspelde dat het proletariaat in opstand zou komen en dat deze klassenstrijd zou leidden tot een communistische heilstaat: geen heersers en alle productiemiddelen zijn gemeenschappelijk bezit. Er ontstond een tweedeling. Enerzijds de sociaaldemocraten die deze klasseloze samenleving wilden bereiken via de parlementaire weg. Anderzijds de communisten die de leer van Marx volgden. Domela Nieuwenhuis richtte de Sociaal Democratische Bond (SDB) op.
  3. Opkomst van het confessionalisme. Doel: een christelijke samenleving, waarin protestanten en katholieken zich, los van elkaar, zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen.

De Nederlandse samenleving wordt een verzuilde samenleving. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren de 4 politieke stromingen genoodzaakt samen te werken. Ze losten in deze tijd de Schoolstrijd en de kiesrechtkwestie op. In 1917 kwam het algemeen mannenkiesrecht. In 1918 werd er volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging gekozen, waardoor de confessionele partijen aan de macht kwamen. In 1889 komt de Arbeidswet tot stand.

 

Na de overwinning op Napoleon kwamen Duitse oorlogsvrijwilligers terug met de gedachte: Duitsland moet een eenheid worden, een staat. Er ontstonden Burschenschaften: studenten die in Middeleeuwse kledij het Duitse verleden verheerlijkten. Het nationalisme kwam samen met de Romantiek op. Zowel het nationalisme als de Romantiek haalde zijn inspiratie uit de geschiedenis en cultuur van hun eigen volk. Later kwam ook het politiek nationalisme op. In 1834 kwam er een Zollverein (douane-unie). In 1848 werd in Frankfurt een parlement gesticht. Er kwam echter geen Duitse eenheid tot stand, want de Pruisische koning weigerde de aangeboden keizerstitel. Hij vond dat alleen God hem deze titel kon geven. In 1862 trad Otto von Bismarck aan als minister-president. Hij was junker en had dus een militaire opvoeding genoten. Volgens hem was een oorlog met Oostenrijk en Frankrijk de enige manier om een Duits keizerrijk te kunnen vormen. In 1866 was de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog, die Pruisen won. Op 18 juli 1870 verklaarde Frankrijk Pruisen de oorlog: de Frans-Duitse Oorlog. Frankrijk verloor en moest Elzas-Lotharingen afstaan en schadevergoedingen betalen. De overwinning voor Duitsland bracht eensgezindheid met zich mee. Op 18 januari 1871 werd koning Wilhelm I van Pruisen in de Spiegelzaal in Versailles uitgeroepen tot keizer van Duitsland.

Tijd van de wereldoorlogen, 1900 – 1950

Kenmerkend aspect 37: de rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van massaorganisatie

Dankzij moderne communicatiemiddelen wordt de massa sneller en makkelijker geïnformeerd, alleen werd het door staatsvormen verschillend ingezet. Film, fotografie, pers en radio bereiken een groot publiek. Er ontstaan massaorganisatie als vakbonden, jeugdverenigingen en politieke partijen. De publieke opinie gaat ook een grotere rol spelen in de samenleving. Propaganda wordt een invloedrijk middel om de mening van het volk te sturen, vooral in totalitaire staten. Zo wordt in Rusland via onderwijs de jongste generatie een communistische leefwijze ingeprent.

 

Kenmerkend aspect 38: het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/nationaalsocialisme

Het ontstaan van totalitaire staten met totalitaire ideologieën:

  1. Rusland leed veel nederlagen in de oorlog en omdat veel boeren als soldaten dienden, kwam de voedselproductie stil te liggen. In februari 1917 werd de Februarirevolutie uitgeroepen (liberale regering aan de macht). Duitsland stuurde de Russische banneling Lenin terug Rusland in om een einde te maken aan de oorlog. Communisten (bolsjewieken, aanhangers van Lenin) grepen tijdens de Oktoberrevolutie in 1917 de macht in Rusland. Vanaf 1918 werd de bevolking geterroriseerd door de geheime dienst (Rode Terreur). In maart 1918 kwam de Vrede van Brest-Litovsk wat een einde maakte aan de oorlog en gebiedsverlies voor Rusland (Estland, Letland, Litouwen, Polen en Oekraïne afstaan). In 1921 wonnen de bolsjewieken de burgeroorlog en werd de Sovjet-Unie uitgeroepen. Lenin werd na zijn dood (1924) opgevolgd door Stalin. Hij verhevigde de terreur met als doel de industriële achterstand in te halen. Door collectivisatie kwam er een arbeidsoverschot en groeiden dus de steden. In de Vijfjarenplannen werden ambitieuze productiequota vastgesteld.
  2. Fascisten komen aan de macht in Italië
  3. In 1932 werd de NSDAP de grootste partij en kwamen dus in de regering. Twee jaar later hadden de nationaal-socialisten alle macht in handen: andere partijen werden verboden en onderwijs, rechtspraak, media en cultuur kwamen in dienst te staan van het nationaalsocialisme. Duitsland werd omgevormd tot een totalitaire staat met Adolf Hitler als leider. Het doel: het fascisme en nationaalsocialisme verspreiden door territoriale expansie.

Symbolen zij ook in het fascisme, het nationaalsocialisme en het communisme belangrijk. Voor het fascisme stond de fasces, een bundel roeden, symbool. Voor het nationaalsocialisme werd de swastika (hakenkruis) gebruikt en voor het communisme in de Sovjet-Unie staan de hamer en sikkel centraal. Alle drie ideologieën vestigen leiders in een totalitaire staat.

 

Algemene kenmerken totalitaire staat

Toepassing in de Sovjet-Unie

Toepassing in de Duitsland

Alle macht in handen van één groep/ partij met dezelfde ideologie (collectief is belangrijker dan het individu)

Macht in handen van de Communistische Partij

Macht in handen van de Nationaal Socialistische Duitse Arbeiders Partij (NSDAP)

Eén leider

Lenin en, na zijn dood, Stalin

De Führer, Adolf Hitler

Systeem van controle en terreur (geheime dienst)

KGB en gebruik van strafkampen

Gestapo en concentratiekampen

Censuur en geen vrijheid van meningsuiting

Gelijkschakeling van alle organisaties. Alleen Socialistisch-realistische kunst is toegestaan.

Censuur; afgedwongen gelijkschakeling en nazificering van de samenleving

Ideologie

Marxisme-Leninisme (communisme)

Nationaalsocialisme

Speciale aandacht voor de jeugd

Communistische jeugdbeweging

Hitlerjugend en Bund Deutscher Mädel

 

In Nederland werd in 1931 de NSB opgericht. Zij waren echter niet populair, omdat niemand buiten eigen zuil stemde. In de kolonie Nederlands-Indië werd in 1927 de nationalistische partij PNI opgericht, onder leiding van Soekarno. De PNI streef naar een zelfstandige staat.

 

Kenmerkend aspect 39: de crisis van het wereldkapitalisme

De Verenigde Staten was het voorbeeld voor het moderne leven. De Amerikaanse buitenlandse politiek was het isolationisme. Op politiek gebeid wou Amerika zich niet bemoeien met Europa. Handel drijven was echter geen probleem. In 1924 schoot de VS Duitsland financieel te hulp met het Dawes-plan. Zo kon Duitsland weer voldoen aan haar herstelbetalingen en daardoor konden Engeland en Frankrijk hun leningen aan de VS terugbetalen. In de VS was er sprake van constant economische groei. Consumeren werd een levensstijl. In 1929 was de beurskrach in Wall Street. Dit is het begin van de grote depressie. Er volgt een bankencrisis, vele ondernemingen gaan failliet en de werkloosheid groeit. De Amerikaanse vraag naar Europese producten neemt snel af en de VS stoppen de leningen aan de Europese landen. Hierdoor slaat de economische over naar Europa en de rest van de wereld. In 1933 wordt Roosevelt de president van de Verenigde Staten. Roosevelt kiest voor een actieve rol van de overheid in de economie. Vanaf 1928 werden de Vijfjarenplannen in gang gezet in de Sovjet-Unie.

 

Kenmerkend aspect 40: het voeren van twee wereldoorlogen

Belangrijkste oorzaken van de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918):

  • Militaire bondgenootschappen
  • ‘Weltpolitik’ van het Duitse keizerrijk
  • militarisme en nationalisme

De aanleiding was de moord op de troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije (1914). Kenmerken van de Eerste Wereldoorlog:

  • Massale legers
  • Industriële oorlog: de trein werd belangrijk
  • Vernietigende kanonnen en gifgas
  • Duikbotenoorlog

De Eerste Wereldoorlog kwam ten einde:

  • Rusland sluit na de Oktoberrevolutie de Vrede van Brest-Litovsk
  • De wapenstilstand werd getekend in een treinwagon in Compiègne
  • Vrede van Versailles

Deze Vrede van Versailles is één van de oorzaken voor de Tweede Wereldoorlog. Andere oorzaken:

  • Agressieve expansiepolitiek van bondgenoten: Duitsland, Italië en Japan (Driehoek)
  • Nationalisme en ideologische tegenstellingen

De geallieerden strijden, ondanks hun ideologische tegenstellingen, samen tegen de Driehoek. De aanleiding voor de Tweede Wereldoorlog was de aanval van Duitsland op Polen (september 1939). Kenmerken van de Tweede Wereldoorlog:

  • Gevechten op vele fronten in meerdere continenten
  • Tanks en vliegtuigen hebben een grote rol
  • Raketten en atoombommen

Er vielen meer burgerslachtoffers dan militairen door deze totale oorlog en bombardementen. Afloop van WOII:

  • Geallieerden eisen onvoorwaardelijke capitulatie van de landen van de Driehoek
  • In mei 1945 capituleert Duitsland (Italië capituleert in 1943)
  • In augustus 1945 capituleert Japan

Nationaalsocialisme en fascisme gaan ten onder. Er komt, door onderlinge verdeeldheid, geen gezamenlijk vredesverdrag zoals na de Eerste Wereldoorlog. Deze ideologische tegenstellingen zorgen voor de Koude Oorlog. Voorbeelden: oorlogseconomie, de rol van koloniën.

 

Kenmerkend aspect 41: racisme en discriminatie die leiden tot genocide, in het bijzonder op de joden

Racisme groeit eind 19e eeuw als een extreme vorm van verheerlijking van de eigen natie en het eigen volk. In de westerse landen heerst de overtuiging dat het eigen volk/ras superieur is. Hitler en aanhangers willen geloven dat binnen het blanke ras ‘het Arische ras’ (übermenschen) het meest begaafd zijn. Zodra Hitler en de nazi’s aan de macht (1933) komen, komen er antisemitische maatregelen (boekverbranding). In 1935 worden de Neuerberger wetten ingevoerd wat o.a. huwelijk tussen jood en niet-jood verbied. In 1938 vond de Reichskristallnacht plaats, waarbij joodse winkels en bedrijven geplunderd en verwoest werden en joden in Duitse concentratiekampen werden opgesloten. Ook in gebieden die Duitsland bezette voerde Hitler racistische en antisemitische maatregelen in:

  • Registratie van joden
  • Isolement: beperkende maatregelen voor joden en de invoering van de Jodenster
  • Concentratie: joden op één plek
  • Deportatie naar concentratiekampen en uiteindelijk vernietigingskampen

Op de Wannsee conferentie (1942) wordt de definitieve oplossing van het Jodenvraagstuk opgelost: Endlösung. Er wordt besloten over te gaan op genocide.

 

Kenmerkend aspect 42: de Duitse bezetting van Nederland

Op 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. Koningin Wilhelmina en haar regering vluchtten naar Londen. Zij sprak haar volk toe via de radio. De bezetting van Nederland gebeurde in 2 fases:

  1. Duitsers probeerden de Nederlanders met zachte hand te nazificeren. Er was weinig verzet. In 1941 was de Februaristaking waarbij Nederlanders in staking gingen als reactie op de Duitse razzia (hardhandig oppakken van joden) 
  2. De Nederlandse bevolking werd met harde hand onderdrukt. Er werden veel Nederlandse joden via kamp Westerbork naar vernietigingskampen gestuurd. De Nederlandse economie stond volledig in dienst van de Duitse oorlogsvoering.

In de loop van 1942 – 1943 groeide het verzet als gevolg van beperkende maatregelen als de avondklok, het verbod op politieke partijen, het verbod op radio’s, het distributiestelsel (goederen op bon) en het afvoeren van joden. In 1944 bevrijdden Geallieerden het zuiden van Nederland. Dit werd gevolgd door de hongerwinter (1944 – 1945). Op 5 mei 1945 werd Nederland bevrijd.

 

 

 

Kenmerkend aspect 43: verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering

In de Eerste Wereldoorlog was enorme schade aangericht, ook bij de burgerbevolking. In de Tweede Wereldoorlog werd dit nog veel omvangrijker. De schade werd veroorzaakt door de bombardementen, Duitse raketaanvallen en de inzet van massavernietigingswapens (de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki). De burgerbevolking werd op vele manieren bij de oorlogvoering betrokken:

  • De oorlogseconomie veroorzaakte veranderingen in het aanbod van producten en voedseltekorten
  • De oorlogseconomie vroeg extra grote arbeidsinspanningen
  • De bombardementen en raketaanvallen zorgden voor veel dood en verderf
  • Vele families kregen te maken met oorlogsslachtoffers
  • Mensen werden ingezet als dwangarbeiders
  • De overheersers waren wreed

Voorbeeld: distributiestelsel

 

Kenmerkend aspect 44: vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme

Na de overwinning van Japan in de Russische-Japanse oorlog leefde het nationalisme op. Deze nationalisten werden beïnvloed dor het communisme dat zich tegen het kolonialisme/imperialisme keerde en opkwam voor de armen in de samenleving. Ook de snelle overwinningen van Japan inspireerde hen. Na de capitulatie van Japan (augustus 1945) kwamen ontstonden er onafhankelijkheidsbewegingen in de koloniën die zich verzette tegen de terugkeer van de Westerse koloniale machten. De onafhankelijkheidsoorlogen in Azië hadden dekolonisatie als gevolg:

  • 1947: Onafhankelijkheid van India en Pakistan erkend door Groot-Brittannië, verzet georganiseerd door Mahatma Gandhi
  • 1949: Onafhankelijkheid van Indonesië erkend door Nederland
  • 1954: Tijdelijke terugtrekking van Frankrijk uit Vietnam tot de Vietnamese oorlog

Door de economische crisis en de Tweede Wereldoorlog verzwakte Europa. Onafhankelijkheidsbewegingen (nationalisme) in Nederlands-Indië, Brits-Indië (Pakistan, India) en Vietnam verzetten zich na de capitulatie van Japan met succes tegen de terugkeer van West-Europese koloniale machten. Er ontstaat dekolonisatie. Engeland kwam zelf tot het inzicht dat de tijd van het kolonialisme voorbij was. Zij trokken zich zonder geweld terug uit hun koloniën en gaven hen onderwijs. De SU en de VS besloten anti-koloniale bewegingen te steunen. Dit deden ze, zodat ze hun ideologie konden verspreiden, hun macht konden vergroten en het handelsgebied konden uitbreiden.

 

Indonesië

In 1945 werd door Soekarno en Hatta de Republik Indonesia uitgeroepen. Nederlandse troepen werden naar Indonesië gestuurd en kregen Java en Sumatra onder militaire controle. Vervolgens namen ze Soekarno gevangen. Er kwamen veel bloedige gevechten waar, dankzij de VS, een einde aan werd gemaakt in 1949. De VS koos namelijk de kant van de nationalisten en zette Nederland onder druk door te dreigen de Marshallhulp in te trekken. In 1949 erkende Nederland Republik Indonesia als onafhankelijke staat. Vanaf nu zagen de Indonesiërs en Nederlanders elkaar als vijanden. In 1962 werd de Nederlandse kolonie Nieuw-Guinea onder Indonesisch bestuur.

Tijd van televisie en computer, 1950 – heden

 

Kenmerkend aspect 45: de verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog

Na WOII nemen de spanningen tussen de SU en de VS toe. Er ontstaan twee ideologische blokken. Ze willen allebei vanuit hun eigen ideologie hun invloedssfeer uitbreiden. Er ontstaat wederzijds wantrouwen. Het wantrouwen is ontstaan door:

  • In 1919 ontstond de Komintern. Hun doel was de hele wereld communistisch te laten worden, wat het Westen als een bedreiging zag.
  • De SU vroeg om hulp van het Westen toen het aangevallen werd door Duitsland, maar kreeg dit pas veel later.
  • De SU sloot een niet-aanvalsverdrag met Duitsland en vielen samen Polen binnen.
  • De SU hielp de communistische partij in Polen aan de macht.
  • Botsende ideologieën

 

Communisme (SU)

Westers systeem

Sociale verhoudingen

Klasseloze samenleving

Gelaagde samenleving

Houding tegenover andere landen

Nastreven van een communistische wereld-

revolutie

Respecteren van andere regeringsvormen mits deze de eigen regeringsvorm niet bedreigen

Politieke stelsel

Communistische partijdictatuur

Parlementaire democratie

Staat versus individu

Totalitaire staat, collectief staat centraal.

Democratie, individu staat centraal.

Economie

Planeconomie: vijfjarenplan

Kapitalisme met vrij ondernemerschap

Waarden

Gelijkheid, solidariteit

Vrijheid, individuele vrijheid

 

 

 

 

 

 

 

 

Op de Conferentie van Jalta (februari 1945) kwamen Roosevelt, Churchill en Stalin bijeen om de voortzetting van de oorlog en de toekomst van Duitsland en Europa te bespreken. Op 8 mei viel het Duitse Rijk en eindigde WOII. Op de Conferentie van Potsdam (juli 1945) kwamen Truman, Attlee en Stalin ‘opnieuw’ bijeen om de toekomst van Duitsland te bepalen. De SU en VS kwamen fel tegenover elkaar te staan:

  • SU wou Duitsland militair zwak houden, hoge herstelbetaling invoeren en een regering toelaten die niet tegen de SU was.
  • Het westen wou een zelfvoorzienend Duitsland met een democratische regering en lage herstelbetalingen.

 

Er komen alleen tijdelijke besluiten tot stand. Dit waren de besluiten:

  • Zowel Duitsland als Berlijn werd verdeeld in 4 bezettingszones (SU, US, ENG & FR)
  • Oostenrijk werd losgekoppeld van Duitsland en verdeeld in 4 bezettingszones
  • Duitsland moest gebied aan Polen afstaan
  • Politiek op democratische grondslag
  • Nazisme uitroeien en oorlogsmisdadigers vervolgen
  • Duitsland volledig ontwapenen en oorlogsindustrie ontmantelen
  • Duitsland moest aan herstelbetalingen voldoen
  • Duitsland wordt een economische eenheid (dit werd alleen niet behaald)

 

Blokkade van West-Berlijn (1948 – 1949)

In juni ’48 werd de mark vervangen door de D-mark, waarbij de waarde gekoppeld werd aan de dollar. Het gevolg was de blokkade van West-Berlijn door de SU: alle wegen vanuit de westerse zones naar Berlijn werden afgesloten. Hierdoor ontstond de Amerikaanse luchtbrug: transportvliegtuigen voorzagen West-Berlijn van voldoende voorraden. In mei 1949 hief Stalin de blokkade op, met als gevolg:

  • Splitsing van Duitsland: in mei ’49 ontstond de Bondsrepubliek Duitsland (BRD) in het Westen en in oktober ’49 ontstond de Duitse Democratische Republiek (DDR) in het Oosten.
  • Oprichting van de Westerse NAVO in 1949. Het doel was gezamenlijke verdediging tegen buitenlandse aanvallen.
  • Oprichting van het Oosterse Warschaupact in 1955. Het doel was om het Oostblok, en met name het communisme, verdedigen tegenover het Westen.

Kenmerkend aspect 46: de dekolonisatie die een eind maakt aan de westerse hegemonie in de wereld

Algerije

Algerije was de belangrijkste kolonie van Frankrijk. Er woonden veel Fransen en andere nationaliteiten. Vanwege het opkomende nationalisme, kwam Algerije op tegen de overheersing. Dit leidde tot de oorlog tussen Frankrijk en Algerije (1954 – 1962). Pas toen Charles de Gaulle aan de macht kwam, werd het zelfbeschikkingsrecht van Algerije bespreekbaar. Na een hevige, bloedige strijd werd Algerije in 1962 onafhankelijk verklaard.

 

China

Van 1945 – 1949 was er in China een burgeroorlog tussen de nationalistische Chiang Kaisjek en de communistische Mao Zedong. De communisten wonnen en tegenstanders vluchtten naar Taiwan.

De communisten wonnen en Mao riep in 1949 de Volksrepubliek uit (gesteund door de SU). Chiang Kaisjek vluchtte naar Taiwan en stichtte daar de Republiek China (gesteund door de VS). In 1958 was de Grote Sprong Voorwaarts waarin het boerencommunisme werd verheerlijkt. Ook kondigde Mao Zedong de Permanente Revolutie aan, waarmee hij wou aangeven dat China een communistische heilstaat was, omdat de revolutie nooit zal stoppen. De Volksrepubliek kwam o.a. hierdoor in een internationaal isolement terecht. De SU brak met de Volksrepubliek China, omdat:

  • Mao Zedong nam afstand van de Sovjet-politiek van vreedzame co-existentie.
  • Er kwam onderlinge rivaliteit om het leiderschap van de internationale communistische beweging.
  • Ze wilden het communisme op verschillende wijzen in de praktijk brengen: de SU zagen de industriearbeiders als motor, China zagen de boeren als motor.

In 1966 kwam de culturele revolutie op in China. Mao Zedong riep jongeren op om zich te mobiliseren en de revolutie te gaan leiden. Zij moesten het communisme aan de mensen overbrengen. Mao liet het leger uiteindelijk ingrijpen. De Republiek China kreeg een zetel in de VN. Voor de VS was, ondanks de breuk, de Volksrepubliek China even gevaarlijk als de SU. De Amerikaanse containmentpolitiek breidde zich uit: Europa en Azië moesten nu beschermd worden tegen het communisme.

De dominotheorie (1954): als één land communistisch werd, zou een hele reeks landen als dominostenen voor het communisme ‘omvallen’: Indochina (Vietnam, Laos en Cambodja), Thailand, Birma, Maleisië en Indonesië. De VS en de SU gebruikte de volgende middelen om hun belangen in Zuid-Oost-Azië te behartigen:

  • Economische hulp geven (SU alleen aan China, Noord-Vietnam en Noord-Korea)
  • Steunen of oprichten van marionettenregeringen: regeringen die geen zelfstandig beleid konden voeren. Ze waren afhankelijk van de steun van grote mogendheden.
  • Militaire steun en eventueel militair ingrijpen.

 

Koreaanse oorlog (1950 – 1953)

Ook wel de ‘vergeten oorlog’. Korea was opgedeeld in Noord (door SU opgerichte communistische staat) en Zuid (dictatuur gesteund door de VS). In 1950 trok het Noord-Koreaanse leger de grens (38ste breedtegraad) over naar Zuid-Korea. De VN werd bij elkaar geroepen om Zuid-Korea te helpen. De SU kon haar vetorecht niet uitspreken, omdat ze de Veiligheidsraad had geboycot na een veto van de VS tegen de toelating van de Volksrepubliek China. Een VN-leger schoot Zuid-Korea te hulp. Het VN-leger wist de Noord-Koreanen te verdrijven tot de grens van China en Noord-Korea. China stuurde toen een leger om het VN-leger weer te verdrijven tot achter de 38ste breedtegraad. In 1953 werd een wapenstilstand bereikt. De gevolgen van de Koreaanse Oorlog:

  • Gevolgen voor Korea

Noord- en Zuid-Korea bleven gescheiden. Er vielen veel doden en de armoede steeg.

  • Gevolg voor de houding van het Westen

De vrees voor het communisme nam toe

  • Gevolgen voor de buitenlandse politiek van de VS

West-Duitsland kreeg toestemming om een leger op te richten. In Azië nam de VS anti-communistische maatregelen: meer steun aan Taiwan, meer steun aan de Fransen in Vietnam en in een vredesverdrag met Japan werd vastgelegd dat de VS luchtmachtbases in Japan behielden.

 

Vietnam

Vietnam werd in WOII bezet door Japan. Ho Tsji Minh richt dan een militaire organisatie op: de Vietminh, met als doel Vietnam te bevrijden van de Franse en Japanse bezetters. In 1945 riep hij Democratische Republiek Vietnam uit. De aanhangers van Ho Tsji Minh verzamelen zich in het noorden van Vietnam. Frankrijk wil hun kolonie terug en stuurde een leger naar Vietnam, benoemde een Vietnamese regering (voor Frankrijk) en zette een Zuid-Vietnamees leger op de been. In Dien Bien Phoe werd het Franse leger verslagen (mei 1954). De Fransen trokken zich terug. De toekomst van Vietnam werd besproken op een Conferentie in Genève. Hier kwamen de Akkoorden van Genève (juli 1954). 3 belangrijke bepalingen:

  1. De nieuwe grens van Vietnam: de 17de breedtegraad
  2. Zowel Noord als Zuid moesten neutraal zijn
  3. Binnen 2 jaar zouden democratische verkiezingen gehouden worden, om Vietnam te herenigen onder een zelf gekozen regering

Na 1954 werd Noord-Vietnam een communistische staat o.l.v. Ho Tsji Minh en Zuid-Vietnam werd autoritair geregeerd door de katholieke Ngo Dinh Diem. Hij werd gesteund door de VS. De democratische verkiezingen werden tegengehouden door de VS en de Zuid-Vietnamese regering, omdat ook zij verwachtten dat Ho Tsji Minh de verkiezingen zou winnen. Een verenigd Vietnam zou dus een communistische staat worden, waardoor de dominotheorie in werking zou worden gezet. In 1960 werd in Zuid-Vietnam een volksbevrijdingsleger opgericht, de Vietcong, gesteund door Noord-Vietnam. Zij bleken voor Zuid-Vietnam onverslaanbaar, omdat:

  • Zuid-Vietnam de toevoer van wapens voor de Vietcong niet kon tegenhouden
  • De dictatoriale Zuid-Vietnamese regering niet gesteund werd door de bevolking

 

President Johnson besloot dat een echte oorlog noodzakelijk werd: bombarderen en troepen-interventie. De weg tot het bombarderen en het sturen van grondtroepen werd voor president Johnson vrijgemaakt door 3 factoren:

  • Het Tonkin-incident (1964)

Noord-Vietnamese torpedo-aanvallen op marineschepen van de VS

  • De Tonkin-resolutie

De resolutie gaf president Johnson de bevoegdheid alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de agressie in Zuid-Oost-Azië tegen te houden.

  • De verkiezingsoverwinning van Johnson

Johnson had bij de presidentsverkiezingen een grote overwinning behaald en vertrouwde erop dat het Congres en het volk zijn maatregelen zouden goedkeuren.

 

De luchtmacht van de VS werd ingezet voor massale bombardementen ( Rolling Thunder 1965 – 1968) met als doel Noord-Vietnam zo te bombarderen dat het zijn steun aan Vietcong zou beëindigen. Grondlegers werden ingezet om de Vietcong en Noord-Vietnamese soldaten uit te schakelen. Het lukte de VS niet om deze oorlog te winnen, omdat men niet op kon tegen de guerrilla-tactiek van Noord-Vietnam en ze geen steun kregen van het volk. Op de televisie in de VS en in het Westen werden dagelijks heftige oorlogsbeelden getoond, wat voor massale protesten zorgden.

 

President Nixon (1968) wou de oorlog met een eervolle vrede beëindigen. Allereerst nam het versterkte Zuid-Vietnamese leger de strijd van de VS over. Om Noord-Vietnam tot onderhandelingen te dwingen, liet Nixon Noord-Vietnam en de aanvoerlijnen in Cambodja en Laos bombarderen. In 1972 bezocht Nixon Beijing en Moskou. Dit was het begin van de Amerikaanse driehoeksdiplomatie: om de Vietnamoorlog een eervol einde te geven, moesten zowel de SU als de Volksrepubliek China druk uitoefenen op de leiders van Noord-Vietnam om zich soepeler op te stellen bij de vredesonderhandelingen. Voor elke prestatie die Amerika leverde, werd een tegenprestatie verwacht (pingpongdiplomatie). De VS verbetert de relatie met de SU door wapenvermindering  en gunstige handelsvoorwaarden te bespreken. Als tegenprestatie voert de SU druk op Noord-Vietnam uit. De VS verbetert de relatie met China door de Volksrepubliek als wettige China te erkennen en hun een permanente zetel in de VN te geven. Ook Volksrepubliek China moest als tegenprestatie meer druk uitvoeren op Noord-Vietnam. In januari 1973 werden de Parijse Akkoorden ondertekend.

 

Gevolg:

  • In 1975 veroverde Noord-Vietnam Zuid-Vietnam en werd Vietnam één communistische staat.
  • De VS beschouwde niet langer ieder bewind als een geschikte bondgenoot tegen het communisme.

 

Afrika

Ook in Afrika is de Koude Oorlog merkbaar en proberen de VS en de SU hun invloed uit te breiden. Veel voormalige koloniën waren blij met hun onafhankelijkheid, maar kozen er toch voor om zich ‘aan te sluiten’ bij één van de machtsblokken. Ze kozen voor het machtsblok dat het beste bij hun land pasten qua ideologie, economie en godsdienst. De meeste Afrikaanse landen kozen voor het Westen. Er waren wel een aantal landen die zich bij de SU aansloten, maar uiteindelijk toch naar het Westen overliepen.

  • Ethiopië

In 1974 was Ethiopië een republiek, gesteund door de SU, maar er heerste een burgeroorlog en de SU verloor hun interesse. In 1991 werd de communistische regering afgezet.

  • Angola

In 1975 werd Angola na een lange strijd onafhankelijk. De belangrijkste bevrijdingsbewegingen zijn de linkse MPLA (gesteund door SU en Cuba) en de rechtse FNLA (gesteund door VS en Zuid-Afrika). Er breekt een burgeroorlog uit (1975 – 2002).

  • Mozambique

In 1975 werd Mozambique onafhankelijk en kreeg een communistische regering de macht. In 1994 kwamen er democratische verkiezingen en een meerpartijenstelsel.

  • Namibië

In 1966 was er gewapend verzet van de communistische bevrijdingsbeweging tegen hun overheersers Zuid-Afrika. De communisten hadden de macht tot 1990, toen werd Namibië ook een onafhankelijke staat met democratische verkiezingen.

Sinds 1948 was het regime van apartheid in Afrika (blank boven zwart). Verzet, onder leiding van Nelson Mandela, hiertegen werd bloedig neergeslagen

 

Kenmerkend aspect 47: de eenwording van Europa

In 1948 ontstond de Benelux: België, Nederland en Luxemburg starten een douane-unie. Ook was in 1948 de OEES opgericht om de Marshallgelden te verdelen. In 1951 werd de EGKS opgericht (FR, IT, Benelux en West-Duitsland). De deelnemende landen hebben geen eigen beheer meer over de ‘grondstoffen voor oorlog’. In 1957 werd de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom). De Euratom was opgericht om kernenergie vreedzaam te gebruiken en de EEG om een gemeenschappelijke markt in te voeren. In 1967 werden de EGKS, EEG en Euratom samengevoegd tot Europese Gemeenschap. Dit is economisch een succes en draagt bij aan een sterke economische groei in alle leden. Tussen 1973 en 1986 verdubbelde de EG naar 12 landen. In 1985 sluiten de EG het Schengenakkoord: vrij verkeer van personen en goederen tussen deze landen. Na de val van de Berlijnse muur werden de kansen voor uitbreiding van de Europese Gemeenschap groter. In 1992 werd bij het verdrag van Maastricht de EG de EU en streefde naar samenwerking en eenwording. De EU bevat nu 28 landen. De EU is een samenwerkingsverband van landen, die alleen op financieel, economisch en milieukundig gebied bevoegdheden hebben overgedragen aan Brussel.

Voor het Europees Parlement zijn weliswaar om de vijf jaar directe verkiezingen, maar in de praktijk heeft dit parlement weinig macht. In de EU bepaalt de Ministerraad het beleid, dat wordt voorbereid en uitgevoerd door de Europese Commissie.

 

Kenmerkend aspect 48: de toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw aanleiding geeft tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen

Vanaf 1949 – 1973 is de periode van economische groei in West-Europa. Door automatisering, rationalisatie, het werken in ploegendiensten en schaalvergroting in de landbouw en het bedrijfsleven stijgt de jaarlijkse productie in alle sectoren. Door de welvaartsgroei kon de overheid de Nederlanders een uitgebreid pakket aan sociale voorzieningen bieden: AOW, kinderbijslag, werkloosheidsuitkeringen en een regeling voor arbeidsongeschikten. Dit is de verzorgingsstaat. We kwamen langzaam aan terecht in een consumptiemaatschappij.

  • Politiek-economische veranderingen vanaf de jaren ’60:
  • De overheid groeit en gaat een grotere maatschappelijke rol spelen
  • Opbouw van de verzorgingsstaat en dus uitbreiding van de sociale wetgeving
  • Door verlenging van de leerplicht wordt het onderwijsniveau hoger
  • Sociaal-culturele veranderingen vanaf de jaren ’60:
  • Door de toenemende welvaart ontstaan er jongerenculturen en de protestgeneratie. Jongeren hebben minder respect voor ouders, leraren, politie en politici.
  • Tweede Feministische gold: jonge vrouwen willen gelijke kansen in de maatschappij op het gebied van werk, buitenshuis en loon.
  • Vrijere opvattingen over huwelijk en seksualiteit

 

Deze sociaal-culturele veranderingen leiden tot verdergaande democratisering, individualisering, deconfessionalisering, ontkerkelijking, ontzuiling en grotere arbeidsparticipatie van vrouwen.

 

Kenmerkend aspect 49: de ontwikkeling van pluriforme van multiculturele samenlevingen

Na de Tweede Wereldoorlog was de doorbraakgedachte: verzuiling doorbreken, maar na WOII keerde de verzuilde partijen weer gewoon terug:

PvdA (SDAP & VDB)

ARP

KVP                 1977 - CDA

CHU

CPN

VVD

Er kwamen voor het eerst Rooms-Rode coalities (PvdA, KVP). Van 1948 tot 1958 waren er brede basiskabinetten. De PvdA hadden hier toch voordeel mee, omdat zij de minister-president mochten leveren. De welvaart in Nederland ontstond door handel met Duitsland en de ontdekking van een gasveld. Door dekolonisatie komen veel inwoners uit voormalige koloniën naar Europa. In de jaren ’50 en ’60 was er ook sprake van een arbeidstekort, waardoor gezocht werd naar arbeidskrachten in andere landen. Deze gastarbeiders zouden naar enige tijd terugkeren naar het vaderland, maar er kwam juist gezinshereniging. Vanaf de jaren ’80 groeit het aantal mensen dat, op de vlucht voor oorlog en ellende, in Europa asiel aanvraagt. Door de grotere welvaart, de verzorgingsstaat, de verbeterde gezondheidszorg en de gestegen levensverwachting groeit de Europese bevolking enorm. De West-Europese staten veranderen in multiculturele samenlevingen. Het zijn pluriforme samenlevingen waarbinnen mensen met verschillende waarden, normen en leefstijlen samen leven en werken.

20.000 voor Christus

Ohalocultuur

10.000 voor Christus

Ontstaan van landbouw

3300 voor Christus

Ontstaan van spijkerschrift

2950 voor Christus

Egypte wordt één staat

1000 voor Christus

Jeruzalem wordt hoofdstaat van het joodse rijk

490 voor Christus

Eerste Perzische Oorlog

480 – 479 voor Christus

Tweede Perzische Oorlog

431 – 404 voor Christus

Peloponnesische Oorlog

264 – 241 voor Christus

Eerste Punische Oorlog

218 – 201 voor Christus

Tweede Punische Oorlog

31 voor Christus

Romeinen verslaan Cleopatra

30 voor Christus

Augustus wordt keizer

64

Brand in Rome

69 – 70

Bataafse opstand

211 – 284

Crisis in het Romeinse Rijk

284 – 305

Keizer Diocletianus

391

Theodosius maakt christendom staatsgodsdienst

476

Einde West-Romeinse Rijk

622

Mohammed vlucht naar Medina

632

Mohammed dood

690

Willibrord naar Friesland

721

Slag bij Poitiers

800

Karel de Grote wordt tot keizer gekroond

1054

Oosters Schisma

1096

Eerste kruistocht

1100 – 1122

Investituurstrijd

1122

Concordaat van Worms

1187

Saladin herovert Jeruzalem

1215

Magna Carta

1337 – 1453

Honderdjarige Oorlog

1464

Staten-Generaal ingesteld

1492

Einde Reconquista Islam in Spanje

1517

95 stellingen van Luther

1555

Vrede van Augsburg

1562

De Liga opgericht

1566

Beeldenstorm

1566

Smeekschrift ingediend

1567 – 1648

Tachtigjarige Oorlog

1572

Watergeuzen verslaan Spanjaarden in Den Briel

1576

Spaanse Furie

November 1576

Pacificatie van Gent

1579

Unie van Atrecht

1579

Unie van Utrecht

1580

Willem van Oranje in de ban

1581

Apologie

1584

Willem van Oranje dood

1585

Westerschelde afgesloten

1588

De Republiek uitgeroepen

1598

Edict van Nantes

1602

VOC opgericht

1609 – 1621

Twaalfjarig Bestand

1617

Scherpe Resolutie

1619

Van Oldenbarnevelt ter dood veroordeelt

1621

WIC opgericht

1650 – 1672

Eerste stadhouderloze tijdperk

1651

Acte van Navigatie

1654 – 1660

Acte van Seclusie

1660 – 1789

Ancien Régime

1672

Het Rampjaar

1685

Herroeping Edict van Nantes

1688

Glorious Revolution

1689

Bill of Rights

1740 – 1748

Oostenrijkse Successieoorlog

1754 – 1763

Franse en Indiaanse Oorlog

1756 – 1763

Zevenjarige Oorlog

1773

Boston Tea Party

1775 – 1783

Amerikaanse Revolutie

4 juli 1776

Onafhankelijkheidsverklaring

1787

Eerste grondwet in Amerika

1789

Begin Franse Revolutie

1791

Le Chapelier

1792

Proces van Burger Capet

1793

Lodewijk XVI onder de guillotine

1793 – 1794

Periode van Terreur

1795

Bataafse Republiek wordt uitgeroepen

1804

Napoleon roept zichzelf uit tot keizer

1806

Koninkrijk Holland

1814

Napoleon doet afstand van de troon

1815

Congres van Wenen

1815

Slag bij Waterloo

1822

Verdrag van Verona

1830

Belgische Opstand

1834

Zollverein

1839

Ontstaan van België

1848

Eerste grondwet van Nederland

1848

Frankfurtur Parlement ingesteld

1859

Theorie van Charles Darwin

1861 – 1865

Amerikaanse burgeroorlog

1862

Otto von Bismarck wordt minister-president

1863

Afschaffing slavernij

1866

Pruisisch-Oostenrijkse oorlog

1870 – 1914

Modern Imperialisme

1870 – 1871

Frans-Duitse Oorlog

1871

Wilhelm I werd keizer van Duitsland

1874

Kinderwetje van Van Houten

1878

Congres van Berlijn

1878

Eerste politieke partij: ARP

1882

Triple Alliantie

1884

Conferentie van Berlijn

1887

Caoutchouartikel

1889

Arbeidswet ingevoerd

1890

Wilhelm II wordt keizer, Bismarck wordt ontslagen

1898

De Vlootwet

1907

Triple Entente

Juni 1914

Frans Ferdinand vermoord

28 juli 1914

Begin van de Eerste Wereldoorlog

1916

Slag bij Verdun

Juli 1916

Slag aan de Somme

1917

Blokkade van Engeland, onbeperkte duikbotenoorlog

1917

Algemeen mannenkiesrecht

1917

Februarirevolutie

1917

Oktoberrevolutie

Maart 1918

Vrede van Brest-Litovsk

11 november 1918

Eind Eerste wereldoorlog

1918 – 1924

Inflatie

1919

Spartacusopstand

Juni 1919

Vrede van Versailles

1919

Algemeen vrouwenkiesrecht

1921

Sovjet-Unie uitgeroepen

1923

Putsch van Hitler

1924 – 1929

Schijnwelvaart, Dawesplan

1924

Lenin dood

1925

Pact van Locarno

1929 – 1934

Wereldcrisis

1929

Beurskrach van Amerika

1930

Brüning gaat met noodartikel regeren

November 1932

Hitler wordt Rijkskanselier

Februari 1933

Rijksdagbrand

Maart 1933

Vredesrede van Hitler, stapt uit de Volkenbond

April 1933

Gleichschaltung

Juli 1934

Nacht van de Lange Messen

1934

Niet-aanvalsverdrag Polen-Duitsland

1935

Saarland sluit zich bij Duitsland aan

1935

Herbewapening van Duitsland

1935

Neurenbergerwetten

1936

Hitler treedt het Rijnland binnen

1936

As Rome-Berlijn-Tokyo

1938

Reichskristalnacht

1938

Anschluss Oostenrijk

1938

Conferentie van München

1939

Garantieverdrag voor Polen

1939

Militair verbond Italië-Duitsland

1939

Molotov von Ribbentroppact

1 september 1939

Duitsland valt polen binnen

3 september 1939

Begin Tweede Wereldoorlog

Mei 1940

Duitsland valt Nederland binnen

Juli 1940

Slag om Engeland

1941

Februaristaking in Nederland

December 1941

Pearl-Harbor

1942

Wannsee Conferentie

Februari 1943

Duitse nederlaag bij Stalingrad

April 1943

Overgave van Italië

Juni 1944

D-Day

1944 – 1945

Hongerwinter in Nederland

1945

Hitler pleegt zelfmoord

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.