6.2 + 6.3 + heel hoofdstuk 7 Tijd van Pruiken en Revoluties + Tijd van Regenten en Vorsten

Beoordeling 5.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 2208 woorden
  • 6 juli 2014
  • 4 keer beoordeeld
Cijfer 5.4
4 keer beoordeeld

De Gouden Eeuw

Kenmerkend aspect: De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek

Hoe wordt de Republiek bestuurd?

  • Decentraal bestuur, geen koning à macht is verspreid (graafschappen, vroedschappen, Gewestelijke staten, raadspensionaris, stadhouder en Staten-Generaal)

Economie in de Republiek

Opbloei van de economie:

  • handel (zeevaart)
  • nijverheid
  • landbouw

Centrum van de handel is Amsterdam à rijkste stad van Europa à prachtige gebouwen

Sociale verhoudingen in de Republiek

Relatief hoge welvaart:

  • lage werkloosheid à veel werk
  • goed stelsel: armenzorg à door kerk en regenten

Cultuur in de Republiek

Culturele bloei:

  • Schilderkunst à veel opdrachten door hoge welvaart
  • Literatuur
  • Wetenschap
  • Godsdienst à gewetensvrijheid à niemand wordt vervolgd, maar niet ieder geloof heeft dezelfde rechten. Calvinisme is de dominante stroming.

Absolute macht

Kenmerkend aspect: Het streven van vorsten naar absolute macht

Vanaf middeleeuwen streven Franse vorsten naar centralisatie

Lodewijk XIV (1638 – 1715)

  • 1643 5 jarige leeftijd koning van Frankrijk omdat zijn vader sterft à zijn moeder regeert namens hem
  • 1661 zelf regeren à wordt machtigste vorst in Europa

Voor zijn regering was er veel onrust:

  • godsdiensttwisten (protestanten – katholieken)
  • opstand van de adel

à hij wilde een einde maken aan de onrust

‘l’etat, c’est moi’ de staat dat ben ik à absolutisme = een staatsvorm waarbij de koning alle macht heeft en alleen aan god verantwoording hoeft af te leggen.

Waarom luisterden iedereen naar hem?

Droit divin = goddelijke recht om als absoluut vorst te regeren. God had hem aangewezen à ga je tegen de koning in, ga je tegen God in.

Hoe kreeg dat vorm in Frankrijk?

Politiek

  • minder afhankelijk van de adel (rust bewaren) à ambtenaren aan te stellen en die hielden toezicht en voerden het bestuur
  • het leger werd omgevormd tot een beroepsleger à grootste leger van Europa
  • Adel werd verplicht om een gedeelte van het jaar in Versailles te blijven (om adel tevreden te houden)

Economie

  • Mercantilisme = economisch stelsel dat de bestaansmiddelen van het eigen land wilt versterken door de export van eindproducten te bevorderen en de import te bemoeilijken à meer Franse producten, minder buitenlandse

Cultureel

  • Lodewijk was katholiek à herroeping van het Edict van Nantes à einde godsdienstvrijheid voor de protestanten, alleen katholiek geloof is toegestaan
  • Investeren in kunst en wetenschap à oprichting van koninklijke academies

De wetenschappelijke revolutie

Kenmerkend aspect: De wetenschappelijke revolutie

Wetenschap = opdoen van kennis/theorie op basis van experimenten, waarneming en gebruik van verstand.

à basis gelegd door de Grieken – Romeinen.

Tot 17e eeuw veel belemmeringen voor de wetenschap:

  • Vertrouwen in auctorritas (Grieken en Romeinen hebben het bij het rechte einde)
  • Behoudende visie van de kerk à opgepakt als je iets publiceerde wat in strijd was met het geloof

16e eeuw:

Humanisme gaf de eerste aanzet voor de wetenschappelijke revolutie à kritische denkhouding en nieuwsgierigheid/belangstelling voor alles.

17e eeuw: een systematische beoefening à afspraken hoe iedere moderne wetenschap zijn experimenten moet beoefenen:

  • observatie à zelf ging onderzoeken
  • empirie à zelf experimenteren
  • logica à logisch nadenken

Wetenschappelijke revolutie gestimuleerd door:

  • instrumenten (bijv. de microscoop)
  • tijdschriften à communicatie nam toe
  • academies à mensen gestimuleerd om met elkaar ontdekkingen te doen

De verlichting

Kenmerkend aspect: Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek en sociale verhoudingen

Rationalisme à vertrouwen op de rede/verstand als je iets wilt onderzoeken, dus vertrouwen hebben in jezelf en zelf dingen onderzoeken

Wetenschappelijke revolutie is de aanloop voor de verlichting

à kritische denkhouding en systematische manier van onderzoek zorgde voor vele nieuwe ontdekkingen à veel zaken blijken te voldoen aan natuurwetten
Hoe gaat dat denken:

  • observatie
  • empirie (experimenten uitvoeren)
  • logica (verstand gebruiken)

à deze manier van denken is niet alleen voor de natuur te gebruiken maar voor alles à de verlichting = stroming van geleerden die meende dat alles met behulp van het verstand kan worden verklaard. Dat zou bij bijdragen aan de vooruitgang van de samenleving.

3 belangrijke kenmerken van de verlichting:

  • grote vertrouwen in rationeel denken, dus ons verstand
  • de wetenschappelijke manier van onderzoek kan gebruikt worden voor alle terreinen van de samenleving
  • door die twee kenmerken is grote maatschappelijke vooruitgang mogelijk

Voorbeelden van verlicht denken:

Religie

Voltaire:

  • voor tolerantie en godsdienstvrijheid (tegen godsdienstige vervolging)
  • twijfelde aan het belang van geestelijkheid à kritiek op de katholieke kerk. Is de geestelijkheid echt nodig om dichter bij God te komen (hij gelooft dus wel in God)
  • Deïsme: God heeft de wereld gemaakt, maar hij heeft er geen invloed op.

Politiek

Voltaire:

  • (verlichte) absolute vorst is nodig om het domme volk te regeren à zouden ze namelijk nooit zelf kunnen doen

Rousseau:

  • volkssoevereiniteit = alle macht ligt bij het volk
  • sociaal contract = afspraken die gelden voor de hele bevolking à individuele rechten opgeven aan de overheid (bijv. zelfbescherming vervangen door leger en politie)

Lo >sociaal contract

  • overheid moet de natuurlijke rechten (bijv. recht op eigen bezittingen, vrijheid etc.) van de burgers beschermen

Montesquieu:

  • triaspolitica à scheiding van de machten voorkomt machtsmisbruik

Sociale verhoudingen

Rousseau:

  • tegen standenmaatschappij van het ancien regime à mensen zijn van nare gelijkwaardig aan elkaar.

Economie

Smith:

  • zoveel mogelijk vrijheid in de economie à vrijhandel en weinig bemoeienis van de overheid

Verlichte ideeën werden verspreid via:

  • schreven brieven naar andere verlichters à discussieerden met elkaar
  • schreven boeken à de encyclopedie à alle kennis van de verlichting werd gebundeld in die encyclopedie
  • salonbijeenkomsten à rijke mensen die mensen uitnodigen om te discussiëren (elitair iets, de gewone burgers wisten hier dus niks van)

Verlicht absolutisme

Kenmerkend aspect: Voortbestaan van het Ancien Regime met pogingen het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)

Verlicht absolutisme = regeringsvorm waarbij de vorst probeert om met verlichte ideeën zijn bestuur te verbeteren , maar wel alle macht blijft houden

Voorbeeld:

Frederik de Grote (Pruissen) à ‘alles voor het volk, niets door het volk’ à wilt beste voor het volk, maar hij beslist het

Maatregelen Frederik de Grote:

  • Cultureel: godsdienstige verdraagzaamheid à geen godsdienst vervolgingen
  • Sociaal: armen krijgen het goed: introductie aardappel als volksvoedsel (goedkoop)
  • Economie: droogleggen moerassen voor nieuwe landbouwgrond

à besloot hij zelf, het bestuur had hier geen inspraak op.

Andere voorbeelden van verlichte vorsten (verlichte despoten):

  • Catherina de Grote (tsarina in Rusland)
  • Jozef II (Oostenrijk)

Standensamenleving bleef bestaan:

  1. geestelijkheid
  2. adel
  3. boeren en burgers

Vooral rechten bij 1e en 2e stand. Boeren en burgers konden hier weinig over zeggen à sociale mobiliteit niet mogelijk (je kan niet van stand wisselen)

Net zoals in Frankrijk: Ancien regime = oude orde vóór Franse Revolutie (1789)

Slavernij en abolitionisme

Kenmerkend aspect: Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van abolitionisme

16e eeuw: Spanje verovert grote koloniën in Amerika

à landbouw (katoen, tabak, koffie)

à mijnbouw (goud)

17e eeuw: Engeland, Frankrijk en de Republiek nemen deel aan de wereldeconomie.

Spaanse mijnen raken uitgeput à landbouw belangrijker

à opkomst plantagekoloniën = overzees Europees gebiedsdeel met grote landbouwbedrijven.

Vaak werden hier slaven tewerk gesteld: eerst indianen, maar steeds meer zwarte Afrikanen gebruikt à zorgt voor trans-Atlantische slavenhandel à handel van zwarte slaven van Afrika naar Amerika

Driehoeks handel

Begint in Europa (Engeland, Frankrijk etc.)

Handelaren varen met wapens, textiel ijzer etc. naar de westkust van Afrika. Daar ruilen ze die spullen tegen slaven en nemen die mee naar Amerika à veel onderweg overleden door slechte omstandigheden op de boot. Op de plantages was het ook niet beter: lange dagen, zwaar werk en strenge straffen.

De producten van die plantages werden dan weer naar Europa gebracht om verkocht te worden.

18e eeuw: Opkomst protesten tegen slavenhandel à de verlichting (Voltaire + Montesquieu) tegen ongelijkheid à beweging Abolitionisme = streven naar afschaffing van de slavernij en de slavenhandel

Dit werd ook mogelijk uiteindelijk en landen schaften de slavernij af.

Democratische revoluties

Kenmerkend aspect: De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap

Democratische revolutie = verandering in het bestuur van een land, waardoor het volk meer macht krijgt ten koste van de macht van de koning. Deze verandering wordt vastgelegd in een grondwet.

à bevolking wilt meer macht à krijgt het à een grondwet vastgesteld waarin de verdeling van macht is in vastgesteld

Grondwet = wet waarin staat hoe een land geregeerd wordt en wat de rechten en plichten van de burgers zijn à belangrijkste wet van een land.

Staatsburgerschap = iemand die burgerrechten in een staat heeft.

Grondrechten = vrijheidsrechten die burgers beschermen tegen oneerlijke behandeling door de overheid of door andere burgers.

De democratische revoluties vonden plaats eind 18e eeuw onder invloed van de verlichting.

Amerikaanse revolutie (1775-1783)

à Gaat over de 13 Engelse kolonies aan de westkust. De kolonies zijn eerst wel tevreden à ze hebben veel vrijheid in het bestuur.

Maar dan wilt George III absolute macht en heeft hij oorlog met Frankrijk:

à Franse kolonies zitten tussen die 13 Engelse kolonies

à nieuwe hoge belastingen om de oorlog te betalen

De 13 kolonies zijn niet tevreden à ‘No taxation without representation’ à geen belasting betalen als ze niet worden vertegenwoordigt in het Engelse bestuur.

1773: Boston Tea Party: ontevreden is zo hoog dat ze de lading van Engelse schepen in de haven van Boston in water gegooid worden door Amerikaanse opstandelingen. Dit was het startsein van de Amerikaanse revolutie.

1775: eerste veldslag

1776: onafhankelijkheidsverklaring: de 13 kolonies verklaren zichzelf onafhankelijk. In die onafhankelijkheidsverklaring staat in dat mensen bepaalde rechten hebben à Lo >Stadhouder Willem V steeds meer als vorst gaat gedragen

  • Welvaart in de Republiek nam af en ze gaven de stadhouder de schuld daarvan

à bestuur moest volgens hen gemoderniseerd worden anders zou het alleen maar slechter gaan met de Republiek.

1781: Pamflet ‘Aan het volk van Nederland’ verspreidt door hele Republiek. Dit is de eerste keer dat de patriotten iets laten horen. Belangrijke persoon hierin was Johan Derk van der Capellen tot den pol à wilde modernisering van bestuur op basis van verlichte ideeën. Hiermee kregen ze een strijd met de prinsgezinden (mensen die achter de stadhouder staan).

1784 – 1787: burgeroorlog à gewonnen door stadhouder + prinsgezinden. Patriotten moeten vluchten à gaan naar Frankrijk.

1795: komen patriotten terug met Frans leger + verjagen stadhouder à vlucht naar Engeland en de Bataafse Republiek wordt gesticht.

1798: grondwet à Rousseau ‘algemeen kiesrecht voor mannen’
                        à Montesqieu ‘triaspolitica’

Het blijft rommelig in de Republiek + Franse invloed wordt groter.

1806: Napoleon neemt Bataafse Republiek in à zijn broer Lodewijk wordt koning van het nieuwe koninkrijk Holland

Franse revolutie (1789 – 1799)

Einde 18e eeuw derde stand heel ontevreden door:

Oplopende staatsschuld (oorlogen + dure hofhouding koning) à Frankrijk failliet à door hoe belastingen te innen krijgt Frankrijk weer inkomsten à alleen de derde stand betaalt de belastingen. Daarnaast is er ook een misoogst in 1787 en 1788 à grote hongersnood.

à Lodewijk XVI wilt dan weer inkomsten en wilt belastingen weer verhogen, maar hij weet dat dit niet kan door de recente gebeurtenissen. Hij krijgt adviezen om ook de eerste en tweede stand mee te laten betalen, maar de vertegenwoordigers van de eerste en tweede stand hielden dat tegen. Ze hebben dat via de rechters afgedwongen, want dat hoorde nou eenmaal bij hun voorrechten.

Hoe kreeg Lodewijk XVI dan alsnog inkomen?

In 1789 roept hij de Staten-Generaal bij elkaar met vertegenwoordigers van de eerste, tweede en derde stand, maar de derde stand zou nooit hierin winnen met hun inspraak à stappen eruit en stichten in 1789 de Nationale Vergadering op à ze gingen niet uitelkaar voordat er een grondwet was. Dit gebeurde in Parijs en de bevolking van Parijs stond ook achter hun à Bestorming van de Bastille – 14 juli 1789 à beginpunt van de Franse revolutie.

Nationale Vergadering reageert hierop met een verklaring van de rechten en plichten van de mensen en burgers à gebaseerd op verlichtingsideeën:

  • Rousseau: alle mensen gelijkwaardig, standen van Ancien Regime afgeschaft
  • Locke: bescherming van de natuurlijke rechten à iedereen heeft rechten ongeacht arm en rijk

Koning moet wel naar die vergadering luisteren omdat zij een grote invloed hebben op het volk.

1791: invoering grondwet à veel macht weggepakt van de koning, alleen nog de uitvoerende macht. Daarnaast ook meer inspraak bestuur voor gewone volk. à verlichtingsideeën: Rousseau (cencuskiesrecht) + Montesquieu (triaspolitica)

Het blijft onrustig in Frankrijk.

Radicale revolutionaren vinden dat de grondwet en de opstand niet ver genoeg was gegaan à grijpen de macht en alle tegenstanders brengen ze om met de guillotine

à 1793 – 1784: periode van de terreur

Leider van de radicalen komt uiteindelijk ook onder de guillotine à rust hersteld in Frankrijk.

1795: nieuwe grondwet à minder democratisch dan de eerste grondwet, maar zorgt voor rust en stabiliteit in Frankrijk.

Nog steeds chaos doordat andere landen met nog wel vorsten, Frankrijk terug willen zoals eerst.

1799: Napoleon neemt de macht in handen door middel van een staatsgreep à gaat feitelijk regeren als een dictator, van de democratie komt er niet veel terecht. Veel Fransen vinden het prima, omdat hij voor rust zorgt + laat veel verlichte ideeën voortbestaan à moderniseert het bestuur wel.

Hij probeert dan de rest van Europa te veroveren à krijgt veel tegenstanders

1815: Napoleon definitief verslagen bij Waterloo

Einde democratische revoluties en grote politieke veranderingen in Europa.

Oude orde wordt hersteld door vorsten.

REACTIES

J.

J.

Heb je dit van JortGeschiedenis? Het komt me namelijk heel bekend voor en er staat verder niet echt iets nieuws in ;)

8 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.