Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Le Subjonctif

Beoordeling 3.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1536 woorden
  • 10 augustus 2010
  • 17 keer beoordeeld
  • Cijfer 3.4
  • 17 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Le subjonctif
(Voor alle tabellen, zie bijlage!)
Oorsprong
De term ‘subjonctief’ komt van de Griekse filosofie. Plato was van oordeel dat men het menselijke lichaam in 2 kon verdelen: het hoofd en de rest. In het hoofd gebeurde al het denkwerk, in het hart vonden alle emoties plaats. In tegenstelling tot de romantiek, die door gevoelens wordt geregeerd, werd in deze tijd de rede als goede leider gezien. Het hoofd had dus de leiding, terwijl de ledematen (en het hart) ondergeschikt waren aan het hoofd. Wanneer we ‘onderwerpen’ letterlijk naar het Latijn vertalen, dan
krijgen we ‘sub – iacere’  subjonctif


Gebruik

Les verbes de DOP  Déclaration, Opinion et Perception (uitroep, opinie en waarneming)

Opinion
Denken    Penser
Geloven    Croire
Vinden    Trouver
Van oordeel zijn    Estimer / être d’avis
Vermoeden    Se douter
Veronderstellen    Supposer
Zich inbeelden    S’imaginer
De indruk hebben    Avoir l’impression
Begrijpen    Comprendre
Hopen    Espérer
Het schijnt me toe    Il me semble
Perception
Zien    Voire
Horen    Entendre
Ik geef er mij rekenschap van    Je me X rends compte
Ik ben er mij van bewust    Je X suis conscient

Bemerken    Apercevoir
(aan)voelen    Sentir
Vaststellen    Constater
Vernemen    Apprendre
Zich herinneren    Se rappeler
Déclaration
Zeggen    Dire
Verklaren    Déclarer
Bevestigen    Affirmer / confirmer
Erkennen    Reconnaître
Bekennen    Avouer
Toegeven    Admettre
Weten    Savoir
Beloven    Promettre
Wedden    Parier
Beweren    Prétendre
Zweren / vloeken    Jurer
Uitleggen    Expliquer
Verzekeren    Assurer
Verwittigen    Prévenir / avertir
Roepen    Crier
Doen opmerken    Faire remarquer
Telefoneren    Téléphoner
Aankondigen    Annoncer
Schrijven    Ecrire
Herhalen    Répéter

Une certitude ou une probabilité / vraisemblance (zekerheid of waarschijnlijkheid / kans)
Ik ben er zeker van    Je suis sur / certain
Ik ben ervan overtuigd    Je suis persuadé / convaincu
Ik twijfel er niet aan    Je ne doute pas
Het is zeker    Il est sur / certain
Het is waarschijnlijk    Il est vraisemblable / probable
Het is duidelijk    Il est clair
Het is waar, juist    Il est vrai
Het is evident, vanzelfsprekend    Il est évident
Het is een feit    C’est un fait
Het is niet te betwisten/ onbetwistbaar    Il est indiscutable / incontestable
Het is / valt niet te ontkennen    Il est indéniable
Het spreekt van zelf    Il va de soi
Men kan niet ontkennen     On ne peut pas nier
Er is geen twijfel    Il ne fait pas de doute
Het is niet twijfelachtig    Il n’est pas douteux
Het schijnt me toe    Il me semble
Het schijnt    Il paraît
Men moet toegeven    Il faut reconnaître

‘Cogito ergo sum’, ‘je pense donc je suis’, ‘ik denk dus ik ben’. Dit beroemde zinnetje komt van de filosoof René Descartes, één van de grondleggers van het 17e eeuwse rationalisme. We kunnen dit raar maar waar toepassen op deze Franse grammatica.
Wanneer we zeker zijn over iets, gebruiken we een indicatief, wanneer we onzeker zijn (twijfel) gebruiken we de ondergeschikte tijd, de subjonctief. Wanneer we voorgaande werkwoorden en uitdrukkingen in bevestigende positieve zin gebruiken, dan worden ze gevolgd door een indicatief, omdat ze dan zekerheid uitdrukken. Wanneer we ze echter gebruiken in negatieve of vragend zinnen, drukken we twijfel of onzekerheid uit, en dan gebruiken we een subjonctief.
Je pense qu’il a raison.                      Je ne pense pas qu’il ait raison.
Penses-tu qu’il ait raison ?
Waarschijnlijkheid is bij ons 50% zekerheid. Bij de Fransen niet, daar is het 99,9% zekerheid.
Il est probable qu’il neigera.
Het werkwoord ‘hopen’ klasseren we bij opinion, niet bij sentiment
Une possibilité, une nécessité, une volonté / un désir, un sentiment, une appréciation, un doute / une négation (mogelijkheid, noodzakelijkheid, wil/verlangen, gevoel, waardering/oordeel, twijfel, ontkenning)

Possibilité
Het is (on)mogelijk    Il est (im)possible
Het kan zijn    Il se peut
Het schijnt    Il semble
Het is niet uitgesloten    Il n’est pas exclu
Er is geen sprake van    Il est hors de question
Het gebeurt    Il arrive
Nécessité
Het moet, het is nodig    Il faut / il est nécessaire
Het is dringend    Il est urgent
Het is belangrijk    Il est important
Het is van weinig belang    Il est peu importe
Het is (hoog) tijd    Il est (grand) temps
Het is broodnodig    Il est indispensable
Het is beter    Il vaut mieux
Het is passend    Il convient / il est convenable
Volonté ou désir   
Ik wil    Je veux
Ik beveel    J’ordonne / je commande
Ik eis    J’exige
Ik verkies    Je préfère
Ik vraag    Je demande
Ik vermijd    J’évite
Ik weiger    Je refuse
Ik verhinder    J’empêche
Ik verlang    Je souhaite / je désire
Ik heb graag    J’aime (mieux)
Ik verbied    J’interdis / je défends
Ik keur goed    J’approuve
Ik sta toe    Je permets
Ik verdraag    Je tolère / je supporte
Ik vind het nodig, belangrijk…    Je X trouve nécessaire
Ik aanvaardt    J’accepte
Ik houd eraan    Je tiens à ce que
Ik zorg ervoor, ik zie erop toe dat    Je veille à ce que / je fais en sorte 
Waken, zorg dragen voor, wakker blijven    Veiller
Ik stem erin toe    Je consens à ce que
Toestaan, goedvinden, verlenen, verschaffen    Consentir
Ik verzet me ertegen    Je m’oppose à ce que
Zich verzetten tegen, ingaan tegen, staan tegenover    S’opposer
Ik verwacht    Je m’attends à ce que
Het is verkieselijk    Il est préférable
Het is wenselijk    Il est souhaitable
Sentiment
Het spijt me    Je regrette / je suis désolé
Ik betreur    Je déplore
Ik vrees    Je crains / je redoute
Ik ben bang    J’ai peur
Ik klaag    Je me plains
Ik ben beschaamd    J’ai honte / je suis honteux – gêné
Ik ben ontgoocheld    Je suis déçu
Ik ben ontroerd    Je suis ému
Ik ben tevreden    Je suis content / satisfait
Ik ben gelukkig    Je suis heureux
Ik ben dolblij    Je suis ravi
Ik ben in de wolken,verheugd    Je suis enchanté
Ik verheug me    Je me réjouis
Verheugen, blij maken    Réjouir
Zich verheugen (/ blij zijn dat)    Se réjouir (que + subj.)
Ik maak me ongerust    Je m’inquiète/ je suis inquiet
Het verwondert me    Je m’étonne
Ik ben erover verwonderd    Je suis étonné
Ik ben verrast    Je suis surpris
Ik ben verontwaardigd    Je m’indigne / je suis indigné
Ik ben fier    Je suis fier
Ik ben bedroefd    Je suis triste
Ik ben kwaad    Je suis fâché
Ik vind het spijtig    Je trouve dommage
Ik verfoei, haat    Je déteste
Ik waardeer    J’apprécie
Ik heb graag / liever    J’aime bien / mieux
Het is spijtig    Il est regrettable / dommage
Het is betreurenswaardig    Il est déplorable
Betreuren (dat)    Déplorer (que + subj.)
Het is beschamend / schandalig    Il est honteux / scandaleux
Het is te vrezen    Il est à craindre
Het is verbazingwekkend    Il est étonnant
Het is verrassend    Il est surprenant
Het is vreemd    Il est bizarre / étrange/ curieux
Wat een (on)geluk    Quelle (mal)chance

Appréciation

Het is ontoelaatbaar    Il est inadmissible
Het is onaanvaardbaar    Il est inacceptable
Het is nuttig / nutteloos    Il est utile / inutile
Het is interessant    Ils est intéressant
Het is beter dat    Il vaut mieux que
Het zou beter zijn dat    Il vaudrait mieux que
Het is goed    Il est bon
Het is slecht    Il est mauvais
Het is rechtvaardig    Il est juste
Het is normaal    Il est normal
Het is natuurlijk    Il est naturel
Het is opportuun / gepast / geschikt    Il est convenable / il convient
Het is verkeerd    Il est faut
Het is verschrikkelijk    Il est terrible
Het is prachtig    Il est magnifique / formidable
Het is ongelooflijk    Il est incroyable
Het volstaat    Il suffit
Het is gevaarlijk    Il est dangereux
Doute ou négation
Ik (be)twijfel    Je doute
Ik ben niet zeker    Je ne suis pas sûr / certain
Ik ontken    Je nie
Ik betwist / ik trek in twijfel    Je conteste
Het is onwaarschijnlijk    Il est improbable
Het is weinig waarschijnlijk    Il est peu probable
Het is twijfelachtig    Il est douteux
Het is betwistbaar    Il est contestable
Niets bewijst    Rien ne prouve
Niets laat toe te bevestigen    Rien ne permet d’affirmer
Het zou me verwonderen    Cela m’étonnerait
Het is niet zeker    Il n’est pas sur / certain

Exceptions

Ik hoop    J’espère
Nog een geluk    Encore heureux / heureusement
Volgens mij    Selon moi, à mon avis
 Suivi de l’indicatif
Seulement subjonctif après que
J’ignore
Je ne sais pas    pourquoi
si

quand
comment

Phrases indirectes   suivi de l’indicatif
Ik ben er niet zeker van dat het regent.
     Je X ne suis pas sûr qu’il pleuve.
Ik ben er niet zeker van.
     Je n’en suis pas sûr.
Pas d’  Y / EN dans une phrase avec subjonctif !


Expressions (des réponses faciles)            
Doute, (im)possibilité

Het is twijfelachtig    C’est douteux
Het is (helemaal)niet zeker    Ce n’est pas sûr / certain (du tout)
Ik ben er niet zeker van    Je n’en suis pas sûr / certain
Ik ben er niet van overtuigd    Je n’en suis pas convaincu / persuadé
Eventueel    Eventuellement
Het is {niet}  (on)mogelijk    Ce {n’} est {pas} (im)possible
Misschien (dat)    Peut – être (que + ind.)
Certitude, vraisemblance
Natuurlijk, vanzelfsprekend    Evidemment, bien entendu, bien sûr, naturellement, de tout évidence
Er is geen enkele twijfel    Il n’y a aucun doute
Het is zeker    C’est sûr
Het is vanzelfsprekend    C’est évident
Het is zeker    C’est certain
Ik ben ervan overtuigd    J’en suis convaincu / persuadé
Zeker, weliswaar    Certes, certainement
Zonder enige twijfel    Sans aucun doute
Inderdaad    En effet
Geheel, alleszins, inderdaad    Tout à fait
Het / dat is waarschijnlijk    C’est  vraisemblable / probable
Waarschijnlijk    Vraisemblablement
Zonder twijfel    Sans doute
Certaines conjonctions (voegwoorden)
Avec indicatif    Avec subjonctif
But (doel)    /    /    Opdat    Pour que
Afin que
Ervoor zorgen dat    Faire en sorte que
Om te voorkomen dat    Pour pas que
Cause, raison (oorzaak, reden)    Aangezien     Puisque    /    /
Want     Car       
Omdat    Parce que       
Conséquence (gevolg)    Zo … dat    Si … que    /    /
Zoveel … dat    Tant de … que       
Temps (tijd)    Terwijl     Pendant que    Voordat     Avant que
(juist) toen    Comme    Totdat     Jusqu’à ce que
Nadat, als eenmaal    Après que    (in afwachting) totdat    En attendant que
(van) zodra    Dès que       
Condition (voorwaarde)    Indien    Si    Op voorwaarde dat    À condition que
Tenzij    À moins que
Mits, als…maar    Pourvu que
Opposition (tegenstelling)    Toen, terwijl, zelfs wanneer    Alors que
/    /
Maar     Mais        
Echter    Cependant, pourtant       
Desondanks     Malgré        
Concession (toegeving)    /    /    Hoewel, ofschoon
Bien que
Quoique
(al)hoewel    Encore que
Manière (manier)    /    /    Zonder dat    Sans que
Zo … dat    De façon que
Peur (angst)    /    /    Uit vrees dat    De / par peur que
De crainte que

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.