Hoofdstuk 2

Beoordeling 5.5
Foto van C.
  • Samenvatting door C.
  • 3e klas vwo | 1800 woorden
  • 24 juni 2016
  • 4 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.5
  • 4 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Frans H2

VOCABULAIRE

Voca 1

 Frans Nederlands

1 à la pointe de  op de punt van

2 bordé(e) par  begrensd door

3 bilingue  tweetalig

4 la marée  het getij

5 nautique  water-

6 faire du char à voile  strandsurfen

7 accompagné de  vergezeld van

8 un nain  een dwerg

9 embarquer  aan boord gaan

10 l'enseignement  het onderwijs

11 l'interdiction  het verbod

12 la forêt  het bos

13 la côte  de kust

14 une île  een eiland

15 la chance  het geluk

16 se promener  wandelen

17 une pierre  een steen

Voca 2

 Frans Nederlands

1 réfléchir sur  nadenken over

2 le métier  het beroep

3 le magazine  het tijdschrift

4 le vendeur  de verkoper

5 entretemps  intussen

6 essentiellement  voornamelijk

7 sur place  ter plekke

8 emporter  meenemen

9 évidemment  uiteraard

10 goûter  proeven

11 divorcé  gescheiden

12 il y a trois ans  drie jaar geleden

13 se remarier  hertrouwen

14 l'année dernière  vorig jaar

15 drôle  grappig

16 certainement  zeker

17 boire  drinken

18 À tout à l'heure!  Tot zo!

Voca 3

 Frans Nederlands

1 le marin  de zeeman

2 un pêcheur  een visser

3 comme  aangezien

4 hésiter  aarzelen

5 tandis que  terwijl

6 pauvre  arm

7 la pêche  de visserij

8 une entreprise  een onderneming

9 se tromper de  zich vergissen in

10 mettre en œuvre  in het werk stellen

11 une matière première  een grondstof

12 un héritage  een erfenis

13 fidèle à  trouw aan

14 une association  een stichting

15 le but  het doel

16 procurer  krijgen

17 le dépliant  de folder

18 une enceinte  een omheining









Voca 4

 Frans Nederlands

1 le séjour linguistique  de taalreis

2 la famille d'accueil  het gastgezin

3 le mode de vie  de manier van leven

4 le saut  de sprong

5 partager  delen

6 quotidien  dagelijks

7 faire son lit  haar / zijn bed opmaken

8 mettre la table  de tafel dekken

9 améliorer  verbeteren

10 quinze jours  twee weken

11 aller chercher  ophalen

12 l'usage  het gebruik

13 accueillant  gastvrij

14 le progrès  de vooruitgang

15 entourer  omringen

16 se faire des amis  vrienden maken

Voca 5

 Frans Nederlands

1 porter plainte  een anklacht indienen

2 le voleur  de dief

3 voler  stelen

4 la description  de beschrijving

5 en cuir  van leer

6 bleu foncé  donkerblauw

7 se souvenir de  zich herinneren

8 le tissu  de stof

9 le zip  de rits

10 la réunion  de reünie

11 rigoler  lol hebben, grapjes maken

12 de tout et de rien  van alles en nog wat

13 le tournoi  het toernooi

14 environ  ongeveer

15 grave  erg, ernstig

16 le permis de conduire  het rijbewijs

17 bien sûr  natuurlijk

18 Zut!  Verdorie!



GRAMMATICA

ONREGELMATIGE WERKWOORDEN

De uitgangen van de futur zijn bij alle werkwoorden hetzelfde en bijna gelijk aan de présent van het werkwoord avoir. Bij onregelmatige werkwoorden is de stam vaak anders.

 

Het bijvoeglijke naamwoord

Speciale vormen

1 Bijvoeglijke naamwoorden die op een –e eindigen, veranderen niet als ze bij een vrouwelijk woord horen.

2 Bijvoeglijke naamwoorden die op een –s of een –x eindigen, veranderen niet bij een mannelijk woord in het meervoud.







Zie onderstaand schema:

Mannelijk Vrouwelijk Mannelijk meervoud Vrouwelijk meervoud Vertaling

Beau Belle Beaux Belles Mooi

Nouveau Nouvelle Nouveaux Nouvelles Nieuw

Bon Bonne Bons Bonnes Goed

Long Longue Longs Longues Lang

Vieux Vieille Vieux Vieilles Oud

Gros Grosse Gros Grosses Dik/groot

Blanc Blanche Blancs Blanches Wit

Cher Chère Chers Chères Duur/lieve

Premier Première Premiers Premières Eerste



Voorbeelden:

Un garçon triste Une fille triste Een verdrietige jongen Een verdrietig meisje

Un film français Des films français Een Franse film Franse films

Un homme heureux Des hommes heureux Een gelukkige man Gelukkige mannen

Sommige bijvoeglijke naamwoorden veranderen als: vóór een mannelijke ZN met een klinker of H enkelvoud begint.

Voorbeelden:

Vieux – vieil Un vieil homme Een oude man

Nouveau – nouvel Un nouvel élève Een nieuwe leerling

Beau – belle Un bel album Een mooi album

In het Frans staat het bijvoeglijk naamwoord meestal achter het zelfstandig naamwoord. Een paar bijvoeglijke naamwoorden staan vóór het zelfstandig naamwoord:

Beau (mooi), bon (goed), joli (mooi, leuk)

Haut (hoog), long (lang), petit (klein)

Jeune (jong), vieux (oud), grand (groot)

Gros (dik), mauvais (slecht), méchant (slecht, gemeen)

Nouveau (nieuw), autre (ander), large (breed)

+ Rangtelwoorden:

Premier (eerste), deuxième (tweede) enz.





Mannelijk Vrouwelijk Mannelijk meervoud Vrouwelijk meervoud

Andere letters E S Es

E --- S S

S E --- Es

X X  se --- X  ses





Voorbeeld 1 : Marc est (heureux).

Stap 1: Kijk naar de laatste letter van het BN  x

Stap 2: Kijk naar het eerste rijtje van de tabel  x

Stap 3: Kijk naar het ZN in de zin  Marc  m enk

Stap 4:  Kijk horizontaal in de tabel  niks  heureux



BIJWOORD

Een bijwoord is een woord dat iets zegt over:

Een werkwoord Il skie bien. Hij skiet goed.

Een bijvoeglijk naamwoord Un très bon skieur.  Een heel /erg goede skiër.

Een ander bijwoord Tu skies admirablement bien.  Je skiet fantastisch goed.

Het bijwoord zegt NOOIT iets over een zelfstandig naamwoord.

Als het bijvoeglijk naamwoord eindigt op een klinker, dan plak je er ‘ment’ achter. Als het eindigt op een medeklinker, dan moet je het eerst vrouwelijk maken. Als een bijvoeglijk naamwoord op ‘-ent’ eindigt, eindigt het bijwoord op ‘-emment’. Als een bijvoeglijk naamwoord op ‘-ant’ eindigt, eindigt het bijwoord op ‘-amment’.

Voorbeelden:

3 Snel  rapide  rapidement

4 Goed  bon  bien

5 Slecht  mauvais  mal

6 Voorzichtig  prudent  prudemment

7 Langzaam  lent  lentement

Bijvoeglijk naamwoord  Bijwoord 

Un garçon poli Een beleefde jongen Il salue poliment.  Hij groet beleefd.

Un scooter rapide Een snelle scooter On roule rapidement Men rijdt snel.

Une note suffisante Een voldoende cijfer Il travaille sufisamment.  Hij werkt voldoende.

Un conducteur prudent Een voorzichtige chauffeur Elle roule prudemment.  Zij rijdt voorzichtig.

Soms wordt voor het bijwoord een ander woord gebruikt als voor het bijvoeglijk naamwoord:

Un bon skieur Een goede skiër Il skie bien.  Hij skiet goed.

Un mauvais photographe Een slechte fotograaf Il photographie mal.  Hij fotografeert slecht.

Un meilleur jeu Een beter spel Elle joue mieux.  Zij speelt beter.



VOEGWOORDEN

Voegwoorden zijn woorden die zinnen verbinden. Belangrijke (voeg)woorden zijn:

Il fait froid, mais il fait du soleil.  Het is koud, maar de zon schijnt.

Le match est à Paris, où il habite.  De wedstrijd is in Parijs, waar hij woont.

Il fait froid et il pleut.  Het is koud en het regent.

Il est 8 heures, donc il part.  Het is 8 uur, dus vertrekt hij.

Elle dit qu’il pleut, or, il neige.  Zij zegt dat het regent, echter (welnu) het sneeuwt.

Il ne dit ni oui, ni non.  Hij zegt noch ja, noch nee.

Elle ne vient pas car elle est malade.  Zij komt niet want ze is ziek.

EXPRESSIONS

Je kunt mensen en dingen beschrijven:

Hij heeft lang / kort / krullend haar.  Il a les cheveux longs / courts / bouclés.

Hij heeft blond / bruin / rood haar.  Il a les cheveux blonds / marron / roux.

Zij heeft bruine / groene / blauwe / grijze ogen.  Elle a les yeux bruns, marron / verts / bleus / gris.

Hij is stevig / slank.  Il est costaud / svelte.

Zij is mager / dun / dik.  Elle est maigre / mince / grosse.

Hij is goed gehumeurd / verdrietig.  Il et de bonne humeur / triste.

Zij draagt een (zonne)bril.  Elle porte des lunettes (de soleil).

Hij is vrolijk. / Zij is vrolijk.  Il est joyeux. / Elle est joyeuse.

Marcel is mijn neef. / Anne is mijn nicht.  Marcel est mon cousin. / Anne est ma cousine.

Mijn ouders zijn uit elkaar.  Mes parents sont séparés.

Mijn ouders zijn gescheiden.  Mes parents ont divorcé / sont divorcés.

Mijn moeder is hertrouwd.  Ma mère (s’)est remariée.

Hij draagt een blauw jack met een capuchon.  Il porte un blouson bleu à capuche.

Hij draagt een blauwe jeans / spijkerbroek.  Il porte un jean bleu.

Het is een tas van rode stof.  C’est un sac en tissu rouge.

Zij draagt een zwarte rok / jurk.  Elle porte une jupe / une robe noire.

Je kunt zeggen wat je van dingen vindt:

Het was niet slecht; het ging wel.  Ce n’était pas mal.

Heb je zin om erheen te gaan? Tu as envie d’y aller ?

Nee, ik heb geen zin om erheen te gaan.  Non, je n’ai pas envie d’y aller.

We lachen er veel.  On y rigole beaucoup.

Het is jammer.  C’est dommage.

Dat maakt me niet uit. / Dat kan me niet schelen.  Ça m‘est égal. / Je m’en fiche.

Het is geweldig / zal geweldig zijn.  C’est formidable. / Ce sera formidable.

Het is vervelend / balen.  C’est embêtant.

Wat vervelend! Que c’est embêtant !




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door C.