Hoofdstuk 1

Beoordeling 6.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 2e klas havo | 519 woorden
  • 14 maart 2005
  • 210 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.4
  • 210 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Frans
Hoofdstuk 1
Être-huis
Arriver-aankomen-arrivé
Entrer-binnenkomen-entré
Rentrer-thuiskomen-rentré
Venir-komen-venu
Naître-geboren worden-né
Mourir-sterven-mort
Monter-naar boven gaan-monté
Descendre-naar beneden gaan- descendré
Tomber-vallen-tombé
Rester-blijven-resté
Retourner-terugkeren-retouné
Partir-vertrekken-parti
Sortir-uitgaan-sorti
Aller-gaan-allé
Deze woorden worden vervoegd met être!!
Passé composé
Je hebt twee hulpwerkwoorden => hebben (avoir) en zijn (être).

Man. Ev. => /
Vr. Ev. => e
Man. Mv. => s
Vr. Mv. => es
Achter de passé composé !!
Regelmatige ww :
-ir-partir-i-parti
-re-vendre-u-vendu
-er-aller-é-allé
Onregelmatige ww :
Faire-fait
Predre-pris
Être-été
Avior-eu
De klok
8 uur : Il est huit heures
5 over 8: Il est huit heures cinq
10 over 8: Il est huit heures dix
Kwart over 8: Il est huit heures et quart
10 voor half 9: Il est huit heures vingt
5 voor half 9: Il est huit heures vingt-cinq
Half 9: Il est huit heures et demie
5 over half 9: Il est neuf heures moins vingt-cinq

10 over half 9: Il est neuf heures moins vingt
Kwart voor 9: Il est neuf heures moins le quart
10 voor 9: Il est neuf heures moins dix
5 voor 9: Il est neuf heures moins cinq
9 uur: Il est neuf heures
12 uur: ’s middags = midi
’s avonds = minuit
Half 1: ’s middags = midi est demi
’s avonds = minuit et demi
Middag: après-midi
’s Middags: de l’après-midi
Maandag middag: lundi après-midi
Matin = du matin
Soir = du soir
Après-midi = de l’après-midi
Pharses clé
Où est-ce que te es allé? = Waar ben je naartoe gegaan?
Je suis allé en France. = Ik ben naar Frankrijk gegaan.
Je suis resté à la maison. = Ik ben thuis gebleven.
Qu’est-ce que tu as fait? = Wat heb je gedaan?
J’ai fait du vélo. = Ik heb gefietst.
Tu as passé de bonnes vacances? = Heb je een leuke vakantie gehad?
Oui, formidable! = Ja, geweldig!
Avoir
J’ai = Ik heb
Tu as = Jij hebt
Il/elle/on a = Hij/zij/men heeft
Nous avons = Wij hebben
Vous avez = Jullie hebben
Ils/elles ont = Zij hebben
Être
Je suis = Ik ben
Tu es = Jij bent
Il/elle/on est = Hij/zij/men is
Nous sommes = Wij zijn
Vous êtes = Jullie zijn
Ils/elles sont = Zij zijn
Woordjes
* Le retour = De terugkeer
La rentrée scolaire = de eerste schooldag
* Heureux = gelukkig, blij
Bronzé = bruinverbrand
En pleine forme = in topvorm
La mobylette = de bromfiets
Belle = mooi
* Il fait beau = het is mooi weer
* L’ambiance = de sfeer
* La cour = het schoolplein
* La mer = De zee
* L’eau = het water
Imaginer = zich indenken
Il y avait = er was, er waren
* La pluie = de regen
* Grave = erg, ernstig
* Rester = blijven
Recevoir = ontvangen
* La promenade = de wandeling
* La ville = de stad
Le spectacle = de voorstelling
* Nager = zwemmen
Frais, fraîche = fris, koel, vers
* Le soleil = de zon
Deviner = raden
* Traverser = oversteken
* Le bateau = de boot
La nouvelle = het nieuwtje
* Le nom = de naam
* Le prénom = de voornaam
La nationalité = de nationaliteit
* La profession = het beroep
Le commerçant = de winkelier
Le conducteur = de bestuurder
* Le stylo = de vulpen
* La gomme = de vlakgum
* Le cahier = het schrift
* Le classeur = de multomap
* L’ordinateur = de computer
* Le crayon = het potlood
* Le cheval (les chevaux) = het paard
* L’agenda = de agenda
* La voiture = de auto
* La clé = de sleutel
* Monter = instappen, naar boven gaan
* Entrer = naar binnen gaan
* Rentrer = thuiskomen
* Rêver = dromen
* Rencontrer = ontmoeten
La plongée = het duiken
La randonnée = de tocht
La montagne = de bergen, het gebergte
Le site = de plek, de ligging
La campagne = het platteland
La chose = het ding
Accessible = toegankelijk
L’horaire = de dienstregeling
L’aller et retour = het retourtje
Le car = de bus
Woorden met * Fa/Ne Ne/Fa

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

Retouner moet Retourner zijn

11 jaar geleden

G.

G.

de helft is fout !!!!!!!!!

6 jaar geleden