De NPO is bezig met een nieuwe interactieve videoserie voor scholieren, over persoonlijke dilemma's. Om de serie zo herkenbaar mogelijk te maken, hebben ze jouw hulp nodig. Ben je tussen de 15-18 jaar en wil jij meedenken? Vul de vragenlijst in (5 a 10 minuutjes) en maak kans op een Bol.com bon van 10 euro.

 


Meedoen


Hoofdstuk 1

hoe te beginnen: enkele gereedschappen en strategieën

Filosofische vragen zijn irritante vragen. Alle volkomen normale/vanzelfsprekende dingen worden omgetoverd tot intrigerende puzzels.

Bijvoorbeeld: is mijn smaak wel van mij?

Of ze knagen aan de bodem van je bestaan en ondermijnen doorgaans vertrouwde zekerheden.

Bijvoorbeeld: waarom sta ik op als de wekker gaat?

Wat is filosofie? Wat is er zo lastig aan deze vraag?

  1. Weinig belangstelling voor, veel vinden het maar 'vaag gedoe' en 'tijdsverspilling'. Niemand gaat graag deze vooroordelen te lijf en verdedigd zich. Vooroordelen zijn hardnekkige tegenstanders.

  2. Filosofie is eerst en vooral een activiteit. Je kunt het vergelijken met een ontdekkingsreiziger, hij zal niet rusten eerder hij het doel van zijn expeditie heeft bereikt. Er zijn dan natuurlijk ook thuisblijvers, zij worden liever niet bestookt met lastige vragen en hebben vooroordelen.

Eisen van een filosoof:

  • Vragen kunnen stellen aan jezelf en aan andere.

  • Niet te snel tevreden zijn met je antwoorden.

  • Kwestie tot op de bodem willen uitzoeken, zelfs bij het vermoeden dat die onbereikbaar is.

  • Niet te veel last hebben van de dogmaticus in zichzelf.

Dogmaticus: je bent een dogmaticus als je blind geloof hecht aan opvattingen die je aanhangt, zonder nog te onderzoeken of ze waar zijn of niet.

De dogmaticus is van de juistheid van zijn mening zo heilig overtuigd, dat bij voorbaat bij iedere twijfel de hand afwijst.

Filosofische houding/attitude: iemand die met een open geest om zich heen kijkt, die bereid is om vragen te stellen en discussie over vastgeroeste overtuigingen en verworven zekerheden niet uit de weg gaat. Hij sluit zich niet op in de heilige huisjes van vertrouwde vanzelfsprekendheden. Hij is bereid om na te denken.

Een filosoof ben je niet als je als je het vak filosoof uitoefent, maar wanneer je je dogmaticus (voor even) aan de kant zet.

De weg naar je antwoord is belangrijker dan het antwoord zelf. Er is maar zelden een antwoord goed, het gaat des te meer om de argumenten.

 

Strategie

Uitleg

Brainstormen/vrije associatie

Je gedachten de vrije uitloop laten en kijken wat je bij dit onderwerp te binnen schiet.

Veronderstellingen

Stellingen die verborgen zitten in uitspraken en waarvan je zelf ongemerkt aanneemt dat ze juist zijn.

Voorbeeld: je ziet op het bord dat de trein naar Maastricht om 16.35 uur vertrekt. Je stapt in de trein, een veronderstelling die je kunt maken is dus dat je er vanuit gaat dat de trein in Maastricht stopt en niet in Groningen.

Intuïtie

Je hebt vaak al een idee in welke richting je het antwoord zoeken moet. Het kan ook zijn dat je intuïtie het fout is, maar als je niet dogmatisch gaat zijn, kom je achter je fout.

Betekenis van het woord filosofie (volgens Van Dale):

  1. wijsgerig stelsel

  2. levensbeschouwing, wereldbeschouwing

  3. studie die de algemene beginselen van een bepaalde tak van kennis.

Het woord filosofie komt uit het Grieks. Het Griekse woord is philosophos.

Slaafse mensen streven van nature naar roem en rijkdom, terwijl filosofen verlangen naar waarheid.

 

Een belangrijk verschil tussen filosofie en andere wetenschappen: bij filosofie gaat het om een speciaal soort kennis die je niet zomaar kun vergaren of bezitten, zoals feitenkennis.

Voldoende voorwaarde: een eigenschap/kenmerk die zekerheid geeft over wat iets is.

Noodzakelijke voorwaarde: eigenschap/kenmerk die iets moet hebben om te kunnen zijn wat het is.

Te ruime definitie: er valt meer onder je omschrijving dan onder het begrip.

Te krappe definitie: niet alles wat onder het begrip valt wordt door je omschrijving gedekt.

Sluitende definitie: ze bakt precies datgene af wat onder het begrip valt, de exacte omvang – niet meer niet minder.

Stipulatievee definitie: een precieze afspraak, kan nooit te ruim of te krap zijn.

Een priemgetal is een getal dat uitsluitend deelbaar is door zichzelf en door 1.
 

  • Priemgetal is soortbegrip, het begrip dat gedefinieerd wordt (definiendum).

  • Getal is genusbegrip, het begrip is algemener dan het soortbegrip.

  • Uitsluitend deelbaar door zichzelf en 1 is het specifiek verschil, het geeft aan waarvan het soortbegrip verschilt van alle anders soortbegrippen die onder het genusbegrip vallen.

Genusbegrip en soortbegrip zijn de definiets.

Soort-verschil-definitie: definities bestaat uit het genusbegrip en het specifiek verschil.

Voordeel van ordenen: overzichtelijk, je gaat meer zien dan dat je deed.

Nadeel van ordenen: sommige aspecten worden duidelijk, maar je gaat ook aspecten vergeten omdat je er niet op let of ze niet eens ziet.

Essentialisme: de essentie van iets.

 

Soort betekenis

Uitleg

Gebruiksbetekenis

De betekenis die woorden en zinnen hebben in het alledaagse taalgebruik en die in betekeniswoordenboeken worden beschreven.

Etymologische betekenis

De betekenis die we ontdekken als we naar de herkomst van woorden vraagt.

Emotionele betekenis

De betekenis die uiting geeft aan de houding die de spreker of schrijver inneemt ten opzicht van datgene wat hij benoemt of beschrijft.

Stipulatieve betekenis

De betekenis die bij de uitvoering van een term heel precies wordt afgesproken, zodat er geen misverstanden over kunnen ontstaan.

Hoofdstuk 2

geschiedenis in vogelvlucht

 

kenmerkend voor de filosofische verwondering: het plotseling besef van vreemdheid. Zelfs het allergewoonste ineens ongewoon wordt en je aandacht eist.

Autoriteitsargument: omdat ik het zeg.

Cirkelargument: omdat het eenmaal zo is.

In het hart van de polis was de agora, de markt. Hier kwamen veel bij elkaar om te handelen en te discussiëren/debatteren. Zo ontstond het zelf denken en was dit de vruchtbare bodem van de filosofie.

Om ingrijpende gebeurtenissen te kunnen verklaren waren er mythes. Alles werd verklaard aan de hand van Goden. Zo was er oorlog, omdat de Goden ruzie hadden.

Er ontstond twijfel aan deze verhalen. Filosofen probeerden erachter te komen wat waar was en niet.

Mythologie: een geheel van losse verhalen over het leven van Goden.

Deelgebied

Vragen

Logica en retorica (redeneren en overtuigen)

Wat is denken? Wanneer is een redenering geldig? Welke middelen kun je gebruiken als je iemand wilt overtuigen? Wat zijn drogredenen?

Metafysica (zijn)

Wat is werkelijkheid? Wat is het verband tussen 'de' werkelijkheid en ons denken? Wat is het verband tussen taal en werkelijkheid?

Kenleer en wetenschapsfilosofie (kennen en weten)

Wat is echte kennis? Wanneer kun je zeggen dat je echt iets weet? Wat is waarheid? Wat is wetenschap? Wanneer is kennis wetenschappelijk?

Esthetica en kunstfilosofie (scheppen en oordelen)

Wat is schoonheid? Wat is een esthetische ervaring? Kun je zeggen dat iets mooi of lelijk is (m.a.w kun je daarover algemene uitspraken doen) of is dat slechts een kwestie van smaak?

Ethiek (handelen)

Wanneer kun je een handeling goed noemen? Wat is goed? Hebben mensen een vrije wil of worden ze bepaald door zaken waarover ze geen macht hebben?

Sociale en politieke filosofie (samenleven)

Wat is rechtvaardig? Waarom zou je je onderwerpen aan wetten? Wat is macht? Wanneer is macht legitiem?

Cultuurfilosofie (waarderen)

Wat is cultuur? Wat is de verhouding tussen natuur en cultuur? Kun je culturen met elkaar vergelijken? Hoe staat het met onze huidige cultuur?

Filosofische antropologie (mens zijn)

Wat maakt mensen tot mensen? Waarin onderscheiden ze zich van (andere) dieren?

 

Waarom ontstond de westerse filosofie 250 jaar geleden in Griekenland?

  • Barbaren, alles wat niet Grieks was.

  • Polis-Agora (plein waar politiek centraal staat)

  • Mythos-Logos, verschuiving van Mythos (goden) naar Logos (zelf denken)

  • democratie, Athene goed voorbeeld.

Fysica: hoe zit de wereld in elkaar?

Ethica: wat doen wij hier eigelijk:

logica: hoe weet je nu of je de goede conclusies trekt?

Contrair: niet allebei waar, maar wel allebei onwaar.

Contradictoir: niet allebei waar, maar ook niet allebei onwaar.

Filosoof

Uitleg

Thales van Milete

Werd gezien als de eerste filosoof, omdat hij op een ander manier ging denken.

'als ik om mij heen kijk, zie ik voortdurend verandering, er veranderd de hele tijd iets, maar als er verandering is, dan moet er ook iets zijn dat veranderd.

Bijvoorbeeld: melk uit een koe, van gras naar melk. Dan moet er toch een basisstof zijn?

 

Archè: water.

Anaximander

De oerstof is niet water. De gedachte van een oerstof is wel juist.

 

Archè: onbepaalde.

Anaximenes

Archè is goed bedacht, maar niet water en ook niet het onbepaalde.

 

Archè: lucht (verdikking en verdunning, dan worden het andere stoffen)

Pythagoras (ca. 560-490 v. Chr)

Bedacht het woord philosophos.

Wiskundig denken is bij hem begonnen.

 

Archè: getallen, alles is met getallen te beschrijven.

Bijvoorbeeld: hoe groot en hoe zwaar.

Parmenides

Rationalist (logische nadenken) doorgaan met processen door redeneren komt hij aan het antwoord.

Er kan geen verandering zijn.

  • Alles wat er is zijn. Er is niets dat er iets niet is niet-zijn. Alles bestaat voordurend, alles is er.

  • Processen kunnen niet beweging is onmogelijk. Overal zit iets.

     

Zeno (leerling van Parmenides)

Zelfde opvatting als Parmenides, alleen laat hij het zien.

  1. Paradox 1. schildpad en Achilles houden een hardloopwedstrijd. Schildpad krijgt voorsprong. Conclusie: Achilles kan de schildpad nooit inhalen.

  2. Paradox 2. stel je loopt naar de deur. Je moet eerst de eerste helft overbruggen voor je aan de tweede helft kan beginnen. Conclusie: je kunt nooit aan de eerste helft beginnen, je komt nooit van je plaats.

Heraclitus (ca. 530-470 v. Chr)

Gebruikte voor het eerst het woord philosophos.

 

Empirisme: kennis uit waarneming.

Rationalisme: door nadenken krijg je kennis.

Ontkent wat Parmenides en Zeno zeiden. Beweging is mogelijk, Panta Rhei.

 

Arche: vuur, bedoeld kijk naar de vier elementen. Volgens hem is vuur constant aan het veranderen.

In werkelijkheid is een proces van opbouw en afbraak, niet uit dingen.

Je kunt niet 2 maal dezelfde rivier oversteken.

Democritus (atomist)

Je moet een bouwsteen hebben. Alles bestaat uit deeltjes, ondeelbaar.

Empledocles

Er zijn meer oerstoffen, de 4 elementen.

 

Iets nieuws, de wereld en jezelf beschrijven

 

liefde en haat: ontstaan en vergaan.

Sofisten

We kunnen niets zeker weten.

Socrates (469-399 v. Chr.) (ethica)

'ik weet dat ik niets weet'.

Richtte zich op de mens, wat ze doen en laten. Voerde discussies met mensen, en bleef doorvragen net zo lang dat ze gingen twijfelen over hun eigen antwoorden. Zelf wist hij de antwoorden ook niet.

Plato (427-347 v Chr.)

Stelde dat 'verlangen om te leren' en 'verlangen naar wijsheid', een en hetzelfde zijn.

'Geen van de goden is filosoof of verlangt erna wijs te worden, ze zijn het immers al'.

Aristoteles (logica)

Leerling van Plato.

Foute redenering = cirkelredenering.

Bijvoorbeeld: god bestaat, want het staat in de bijbel, omdat dat wat in de bijbel staat gods woord is.

Ludwig Wittgenstein (1889-1951)

'denk niet, maar kijk'.

'we zien een gecompliceerd web van gelijkenissen, die elkaar overlappen en kruisen. Gelijkenissen in het groot en in het klein'.

Bijvoorbeeld: spel, er zijn verschillende soorten spelen, OS, maar ook bordspelen en kaartspelen. De ene heeft overlappingen met de andere, maar ook verschillen.

Bijvoorbeeld: familie Janssen, de familie Janssen heeft flaporen, dat betekend dus dat iedereen met flaporen familie Janssen is, en een familielid zonder flaporen dus geen familie Janssen is.

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

Thanks, dankzij deze samenvatting heb ik mooi een 8,3

4 jaar geleden

Antwoorden

Charelle

Charelle

mooi!

4 jaar geleden

gast

gast