Ook deze week is het nog 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


Filosofie Hoofdstuk 3; Kenleer en Wetenschapsfilosofie
- Kenleer / Kennisleer / Epistemologie: Het filosofische onderzoek naar “Wat is kennis?” en “Wat is weten?”
- Epistèmè: (ware) Kennis
Filosofen
Gettier
- Gaf tegenvoorbeelden tegen de rechtvaardige overtuiging. Dit hoefde volgens hem niet te bestaan als aan alle 5 de claims wordt voldaan.
- Een rechtvaardige overtuiging kan toevallig zijn. Je kunt denken dat je het over hetzelfde hebt, maar dit is toch niet het geval.
Parmenides
- Eerste rationalist uit de geschiedenis
- Iets wat niet is, kan niet gedacht worden. Wat niet gedacht kan worden is schijn. Alles staat stil.
Heraclitus
- Phanta rhei: Alles stroomt. Zintuigen kloppen (empirist)
Plato
- Rationalist, Ideeënleer
- Extreem realisme: begrippen vormen een onafhankelijke realiteit.
- Algemene: de idee / vorm / de oervorm
- Particuliere: Een deel van de idee, een stoel.
- De idee zorgt ervoor dat begripswoorden (boom, tafel, huis) een betekenis hebben.
- Ideeën zijn het voorwerp van echte kennis.
- Paideia / Opvoeding: Het opgroeien van een grotbewoner naar het herkennen van echte dingen. Het inzien hoe de wereld echt in elkaar zit. De graden van kennis die doorlopen worden:
o Vermoedens (doxa)
o Geloof
o Redelijk denken
o Inzicht (Epistèmè)
- Doxa: Een verzameling meningen en vermoedens (geen echte kennis, als je vast zit in de grot)
- Epistèmè: Echte kennis (kennis van dingen buiten de grot)
- Kennen is een vorm van herinneren, we herinneren ons de oervormen.
Socrates
- Scepsis: Hij vraagt aan mensen of het klopt wat zij weten. Hij is sceptisch over het weten en kennen van zichzelf en andere mensen. Hierdoor weet hij uiteindelijk dat hij niets weet.
Descartes
- Rationalist
- Methodische / Cartesiaanse twijfel: Twijfelen aan het bestaan, uitkomst cogito ergo sum
- Iets is waar als “Iets mij als helder en welonderscheiden voor de geest staat als wiskundige inzichten”
- Er zijn basisideeën die onze zintuigen ons ingegeven hebben namelijk “ding”, “waarheid”, “denken”, “bestaan”en “zelf”. Deze ideeën bestaan al in onze geest, daar hebben we geen zintuigelijke waarneming voor nodig.
- Bedriegerargument: Er zou iets kunnen zijn dat ons helemaal bedriegt. Dat ons alles wat wij waarnemen voorspiegelt. Deze wordt weerlegt door het godsbewijs. God zou ons nooit bedriegen.
- Er zijn twee soorten dingen:
o Res cogitans: Het ik is een denkend ding
o Res extensa: Uitgebreide dingen. Hierin herkennen wij aangeboren kennis zoals meetkundige dingen.
- Hij weerlegt de laatste twee argumenten tegen de correspondentietheorie
o De waarheid is niet gelegen in iets wat aan de realiteit spiegelt maar in het inzicht in de aspecten die met elkaar te vergelijken zijn (vorm, plaats, aantal…)
o Als iets je distincte et claire voor de geest staat bestaat het. Bedriegerargument.
Aristoteles
- Empirist
- Gematigd realisme: Algemene begrippen bestaan maar alleen in concrete substanties.
- Basisvermogens van de ziel
o Gewaarwording (aisthèsis)
o Denken (Noèsis)
- Vermogens om kennis op te doen
o Zintuiglijke ervaring
o Geheugen
o Verbeeldingskracht (phantasia)
o Ervaring (empeiria) / Ondervinding
o Denken
- technisch inzicht (technè): Een oordeel afleiden van vaak voorgekomen feiten. Bijvoorbeeld alle appels zijn zuur.
- wetenschap (epistèmè): Verder gaan dan het technisch inzicht. Ook afvragen waarom alle appels zuur zijn.
- Drie verschillende graden van kennis
o Zintuiglijke gewaarwordingen / Ervaring
o Technisch inzicht
o Wetenschap
- Wetenschappelijke verklaring
o Van het bijzondere naar het algemene; inductie
o Van het algemene naar het bijzondere; deductie
o Een teleologische opvatting van de wetenschap (verklaart alleen vanuit het doel)
- Opbouw wetenschap
o Beginselen van de bewijsvoering
- Postulaten; basisaannames van de wetenschap
- Axioma’s; Onbewijsbare premissen die geen bewijs nodig hebben. Evident; is zo duidelijk.
- Aanhanger van de correspondentietheorie.
- Kennis kan opgedeeld worden in twee delen
o Overtuigingen die rechtvaardiging nodig hebben
o Overtuigingen die geen rechtvaardiging nodig hebben (zelfevident))
Locke
- Empirist
- Soorten ervaringen:
o Innerlijke ervaring (Reflection)
o Uiterlijke ervaring (Sensation)
- Primaire eigenschappen (aantal, vorm)
- Secundaire eigenschappen (kleur, smaak)
- Als we geboren worden zijn we een tabula rasa (een onbeschreven blad/ wassen blok)
- Door ervaringen komen er indrukken in het tabula rasa. Dit zijn ideeën/ voorstellingen (perceptions)
- Hebben we de meeste prikkels begrepen dan gaan we naar ons zelf kijken. De Innerlijke ervaring.
- Er is een substantie (materïele substantie) die wij niet kunnen waarnemen maar die ervoor zorgt dat er een samenhang is tussen verschillende objecten en die er een geheel van maakt.
Berkeley
- Empirist
- We nemen dingen waar maar die kunnen ook alleen in ons hoofd bestaan. Er hoeft geen wereld te bestaan buiten onze geest. Als we niet denken bestaat er ook geen uitgebreidheid. Dan zou er alleen een wereld zijn met tweedimensionale licht- en kleurschakeringen. Esse est principi (zijn is waargenomen worden).
- Er bestaat geen substantie, want deze kan niet waargenomen worden. Alleen de eigenschappen kunnen dat maar.
- Alles wat je waarneemt heeft betrekking op jouw geest.
- Immaterialistisch
- Sense data: ideeën, dingen die zich onmiddellijk aan ons voordoen. Dingen die we waarnemen van buiten onszelf.
- Antwoord op het correspondentieprobleem: Idealisme / Extreme vorm van het mentalisme. Je moet niet zoeken naar een overeenstemming buiten het idealisme.
o Idealisme: Er zijn geen andere bouwstenen voor de kennis dan ideeën. We kennen niets dan ideeën en relaties tussen ideeën.
Hume
- Empirist
- Scepticus
- Veel filosofische termen slaan nergens op omdat ze niet afkomstig zijn uit waarneming. Dit zijn metafysische ficties.
o Causaliteit / Oorzakelijkheid
- Geen noodzakelijk verband tussen gebeurtenissen
- Wilsdaden: Is er wel een verband tussen iets dat ik wil, en iets wat ik doe?
Dit heeft geleid tot inductieproblemen. Iets wat in het verleden altijd gebeurd is hoeft niet opnieuw te gebeuren. Misschien valt de appel wel een keer omhoog.
- Hume’s fork; Oordelen (Uitspraken)
o Analytische oordelen: Relaties tussen ideeën. Onafhankelijk van ervaring (a priori)
o Synthetische oordelen: Uitspraken over feitelijke stand van zaken. Afhankelijk van de ervaring (a posteriori), dit kunnen ook indirecte ervaringsoordelen zijn.
- Synthetische oordelen zijn het hart van kennis, analytische oordelen voegen niks toe.
- Het zoeken naar het antwoord op de vraag wat is waarheid in de zin van een overeenstemming, is zinloos. Immers het bestaan van het ik, het kennende ik, of het bestaan van de buitenwereld is onzeker.
Kant
- geen rationalist, geen empirist
- Wiskundige oordelen zijn (niet in overeenstemming met hume) wel synthetische oordelen. Er bestaan dus synthetische oordelen a priori.
- Er zijn twee onafscheidelijke bronnen van kennis
o Zintuiglijke > zorgt voor de ruwe vorm van kennis
o Verstand (het vermogen om te oordelen) > verwerkt kennis die opgedaan is
Hierbij worden aanschouwingen gebruikt.
- We kunnen niks waarnemen zoals het is omdat er nog een aantal aanschouwingsvormen tussen zitten (ding fur uns > categorieën, ik-denk > ding an sich)
- Transcendentaalfilosofie: Een onderzoek naar de grenzen en de mogelijkheidsvoorwaarden a priori van ons kennen. Kant doet dus onderzoek naar hoe kennis die we hebben opgedaan bij ons binnen komt.
o Transcendentale esthetica: zintuiglijkheid en aanschouwingen tot voorwerp.
Wat hebben we nodig om iets waar te nemen? Volgens Kant is dit ruimte en tijd. Dit is a a priori.
o Transcendentale logica: onderwerp is het verstand en de begrippen die toegepast worden.
 Analytica: Probeert het verstandsvermogen te ontleden, kijkt niet meer naar de inhoud van begrippen!
 Analyse: Dit gaat over begrippen , en analyseert ze naar inhoud.
- Transcendentaal: Het overstijgen van beide soorten kennis. Dit kan niet weggedacht worden.
- Oordeelsvormen: Manieren waarop je kunt oordelen
o Oordelen die kwantitatieve verbanden leggen
o Oordelen die kwaliteiten aangeven
o Relationele oordelen
o Oordelen die de modaliteit (tegenstelling) betreffen
- Copernicaanse wending: Volgens Kant heeft hij een grote verandering te weeg gebracht. De verandering dat niet alle kennis zich richt naar de dingen maar dat de dingen zich richten naar de kennis.
- Grondbegrippen / Categorieën:
o Kwaliteit
o Kwantiteit
o Relatie
o Modaliteit
- Tegenargumenten tegen zijn idee van kennis:
o De begrippen van Ruimte & Tijd kloppen niet meer (Einstein heeft dit veranderd)
o Kant zegt niks over de culturele & historische invloed op het subject
o Er valt te weinig onder ervaring bij Kant (liefde, natuur, religie zijn ook ervaringen!)
o Kant benaderd de wereld te technisch. (???)
o Kant’s theorie laat geen ruimte voor de evolutie. Hierdoor kun je niet zeggen dat kennis voor iedereen gelijk is, misschien is de een wel verder geëvolueerd dan de ander!
Nietzsche
- Kennis en waarheid zijn menselijke uitvindingen
- Volgens Nietzsche heeft de mens de dingen onthouden die van pas zijn gekomen. Dit bestempelen ze als waarheid. Dit is pragmatisch .
- Perspectivisme: Volgens Nietzsche kent iedereen de wereld alleen maar vanuit zijn of haar eigen positie
Wittgenstein
- Waarheidsconditionele theorie van de betekenis: Er is een direct verband tussen de waarheid en de betekenis van de zin.
Frege
- Maakt een onderscheid tussen betekenis en referent
o Betekenis: De naam die je ergens aan geeft
o Referent: Datgene wat je ergens mee bedoeld.
Wiener Kreis (Weense kring)
- Filosofie en wetenschap hoort bij elkaar
- Opzetters van de wetenschapsfilosofie
- Logisch positivisme: Wetenschappelijke en filosofische vragen beantwoorden door empirisch onderzoek
- Wilden een wetenschappelijke taal ontwikkelen waarin alle wetenschappelijke kennis kon worden verwoord.
- Doel van de kring was het ontwikkelen van een eenheidswetenschap. Alles moest toegepast worden op het empirisme.
- Verificatiebeginsel: De betekenis van een uitspraak bestaat in de manier waarop hij kan worden geverifieerd.
o Tegenargumenten
Algemene uitspraken kunnen niet gemaakt worden
Jij-bak
Het verificatie beginsel is niet te verifiëren.
- Verifieerbaar: De manier waarop het waargemaakt kan worden door middel van waarneming of experiment.
- Als het niet uitmaakt voor de wereld of een uitspraak waar te maken is of niet dan is hij niet nuttig. Hij kan geschrapt worden.
- Reductionisme: Het verwijderen van uitspraken uit de taal die niet af te leiden zijn van het empirisme.
- Cognitieve betekenis: De betekenis van een uitspraak voor zover er kennis overgebracht wordt.
Tarski
- Heeft de correspondentie theorie herschreven, waardoor het leugenaar paradox nergens meer op sloeg. Zinnen kunnen volgens hem alleen waar zijn binnen een taal.
o Metataal: De taal waarin je iets zegt over de objecttaal, dus over een woord.
o Objecttaal: Een woord verwijst naar een object in de werkelijkheid
Peirce
- Pragmatische waarheidstheorie: Wil je weten wat een overtuiging, idee of begrip precies inhoud trek er een empirische consequentie uit, handel daarnaar en kijk wat het resultaat is. Kan dit niet, dan is het betekenisloos.
- Je gaat ergens helemaal vanuit totdat je begint te twijfelen (een signaal van de geest dat een handelingsgewoonte onjuist is) en er een nieuwe “vaste handeling” ontstaat.
James
- Pragmatische beginsel is net als het verificatiebeginsel een betekeniscriterium.
- Voor James ook een waarheidscriterium. Wat is waar is, is dat wat werkt.
Heidegger
- alètheia (waarheid) heeft een ruimere betekenis dan de manier waarop wij hem gebruiken. Het gaat niet alleen over het oordelen. Het betekend ook onverborgenheid (??).
- Zintuigelijke waarnemingen zijn altijd waar. Ze kunnen er wel of niet zijn, maar ze zijn waar. Ze zijn dus waar omdat ze niet onverborgen zijn!
- Logische waarheid (een oordeel is waar of niet waar) is dus maar een beperkte vorm van waarheid.
- Je kunt niet praten over waarheid als een criterium voor een gerechtvaardigde overtuiging.
Bacon
- Je moet argwaan hebben tegen feiten, die als waar worden aangenomen.
- Idolen: Wij kijken met vooroordelen (idolen dus), naar de natuur en daarom nemen we hem niet onbevooroordeeld waar, wat wel zou moeten!
o Idolen die voorvloeien uit de natuur van de mens. De neiging om te geloven wat we zien en om voor onze eigen ideeën bevestiging te zoeken.
o Idolen van de grot: Misvattingen die te maken hebben met opvoeding, aanleg en overtuigingen die met de paplepel zijn ingegoten.
o Idolen van de markt: Ideeën en opvattingen die ons worden ingegeven door andere mensen, de media en de taal.
o Idolen van het theater: Denkrichtingen in de filosofie die iedereen als waar aanneemt en niet over nadenkt.
Popper
- Waarnemingen worden bepaald door behoeften
- Positie tegenover de Wiener Kreis.
- Demarcatieprobleem: Is er een duidelijk criterium om pseudowetenschappen (Psychoanalyse en marxisme) te onderscheiden van echte wetenschappen?
- Dit is het falsificationisme: De wetenschappelijkheid van een theorie hangt af van de mogelijkheid haar te weerleggen. (zou weerlegd moet kunnen worden) Bevestigingen van een theorie zijn alleen waardevol als ze het gevolg zijn van riskante voorspellingen. Deze theorie omzeild het inductieprobleem (inductieve gevolgtrekking is niet geldig)
- Empirische cirkel:
o Empirische basis: singuliere waarnemingsuitspraken
o Empirische wetten: universele waarnemingsuitspraken
o Theorie
o Hypothesen
- Alle empirische feiten zijn theorie geladen.
- Kritisch rationalist; Probleem en oplossing gaan vooraf aan de waarneming en popper wil theorieën ook testen waarna ze verworpen kunnen worden (kritisch!)
Kuhn
- Wetenschappers zijn vooral bezig om feiten te verzamelen om een theorie passend te maken.
- Paradigmatheorie
- Paradigma: Een gemeenschappelijk referentiekader van een groep wetenschappers.
o Gemeenschappelijk taal (begrippenkader)
o Stelsel van aanvaarde wetten en theorieën.
- Falsificatiebeginsel werkt niet in de werkelijkheid er is geen enkele onderzoeker die gaat onderzoeken waarom zijn theorie NIET klopt.
- Anomalieën: Afwijkingen binnen het paradigma. Dingen die er niet in passen.
Feyerabend
- Waarnemingen worden bepaald door de sociaal-culturele achtergrond.
Quine
- Er is geen onderscheid tussen contingente en noodzakelijke waarheid. Noodzakelijke waarheden zijn namelijk gebaseerd op afspraken die gemaakt zijn over de betekenis van woorden. Zo’n uitspraak is dus waar als je met een uitspraak bedoeld wat er een woord betekend.
- Naturalist (Geen principieel onderscheid tussen filosofie en wetenschap)
- Reductionisme is niet goed omdat dan bijvoorbeeld etnische uitspraken niet gedaan mogen worden. Verder kun je elke wetenschappelijke uitspraak herschrijven tot iets wat uitsluitend empirische termen heeft.
- Schreef een betoog over analytische oordelen waarbij hij aantoont dat dit begrip niet goed is. Hij zegt dat het begrip synoniem niet bestaat (woorden hebben niet een juiste betekenis) en daarom klopt het begrip analytische oordelen (oordelen waarbij je dingen zegt die synoniem aan elkaar zijn) niet. Hiermee maakt hij het de logisch positivisten erg lastig.
- Een wetenschappelijk term krijgt betekenis tegen de achtergrond van onze ervaringen. Afzonderlijke verwijzingen in de taal zijn problematisch. Woorden hebben niet een juiste betekenis, maar krijgen hun betekenis tegen de achtergrond waarin ze gebruikt worden.
- Holisme: Een geheel is meer dan de som der delen.
- Betekenissen zeggen niet zo veel. Want waar verwijst (referent) het woord betekenis naar?
Chisholm
- Verdedigde de onder/bovenbouw theorie in de twintigste eeuw.
Dilthey
- Wetenschap bestaat uit de onderdelen beschrijven, verklaren en voorspellen.
- De geesteswetenschappen voorspellen niks. Ook vallen historische gebeurtenissen niet onder een wet, maar moeten ze begrepen worden door je in te leven. Object van de geesteswetenschappen is het innerlijke aspect. De manier waarop mensen iets beleven en zich uitdrukken. Geesteswetenschappen moeten dus een andere methoden hebben om ze te beoordelen.
- Alle waarnemingen bij elkaar vormen een samenhang die je kunt abstraheren naar of het fysische (natuurwetenschappen) of het psychische (de geesteswetenschappen) .
- De grondslag van de geesteswetenschappen kan niet liggen in a priori, omdat belevingen veranderen met de tijd. Hiervoor zijn de levenssamenhang en de historiciteit belangrijk.
- In de geesteswetenschap verklaar je dus niet maar begrijp je iets.
- Hermeneutiek: Iets uitleggen, vertalen
- Hermeneutische cirkel: Als je niet weet wat een zin betekend maar de rest van een tekst wel begrijpt, ga je de zin verklaren vanuit de tekst. Als je daarna begrijpt wat de zin betekend, veranderd dit ook de betekenis van de tekst in zijn geheel.
Gadamer
- Heeft de theorie van de hermeneutische cirkel uitgebreid en hierna is deze theorie erkenning verworven als een serieuze onderzoeksmethode.
Begrippen
- Verschillende soorten kennis
o Kennis van dingen of personen (directe bekendheid of vertrouwdheid)
o Kennis van feiten van dingen of personen (dit hoeft niet direct te zijn)
o Vaardigheid of kundigheid (dit speelt geen rol in de kenleer)
- Praktische / Operatieve kennis: De kennis die we dagelijks gebruiken in ons doen, zij is zo gewoon is dat we niet meer beseffen dat we deze kennis hebben.
- Kennisoordeel / Cognitieve uitspraak: Een uitspraak die begint met Ik weet dat… Dit zijn uitspraken die kennis overdragen. Ze geven informatie over een ding.
- Cognitief vermogen: Vermogens van de mens die een rol spelen in het vergaren van kennis.
- Verschillende manieren waarop je gebruik maakt van je kennis
o Ik weet wat p betekend (Kennis van betekenis) / Betekenisleer (semantiek)
o Ik kan p kennen (p kan inhoud zijn van een weten)
Een scepticus zou zeggen dat we niks kunnen weten of kennen.
o p is waar (waarheid)
o Ik twijfel niet aan p (zekerheid)
o Mijn overtuiging is gegrond (rechtvaardigheid)
Als alle 5 deze dingen kloppen dan is het een gerechtvaardigde overtuiging. Dan zouden we aanspraak moeten kunnen doen op deze kennis.
- Bronnen van kennis
o Waarneming
Uiterlijke waarneming / zintuiglijke waarneming
Introspectie / innerlijke waarneming
o Herinnering
o Intuïtie
o Redenering (bestaan uit oordelen)
- Kenvermogens
o Zintuigen / zintuiglijke waarneming > Empiristen
o Verstand / rede / vermogen tot introspectie > Rationalisten
- Brein in een vat: Dit is een variatie op het bedriegerargument uit de 20ste eeuw. Zouden wij weten of we in een vat zaten en alles voorgespiegeld krijgen? Hoe kun je hier zekerheid over krijgen?
- Je kunt niet kiezen uit de volgende antwoorden op de vraag “kloppen mijn waarnemingen?”
o Ik droom alles
o Bedriegerargument
o Brein in een vat
o Het is ongeveer zoals het is.
Het is daarom onderbepaald of ondergedetermineerd. Zo’n antwoord heet daarom een onderdetermeninatie-argument.
- Principe van geïmpliceerde kennis. Je kunt geen enkel argument aannemen omdat je niet kunt aantonen dat je een ervan niet bent. GK: (WSp ^ WS(p>q)) > WSq
- Pragmatisme (Waar is wat werkt)
- Oordeel: een verbinding die je maakt tussen een object en een eigenschap (subject).
o Enkelvoudige oordelen
o Bijzondere oordelen (sommige… zijn…)
o Algemene / Universele oordelen (Alle… zijn…)
Een oordeel kan bevestigend of ontkennend zijn. Dan krijg je dus:
o Algemeen bevestigend
o Algemeen ontkennend
o Bijzonder bevestigend
o Bijzonder ontkennend
- Universalia: Algemene begrippen
- Universaliënstrijd: De discussie of universalia bestaan
- Ockmans scheermes: Ockman vindt dat er helemaal geen realiteit zit in algemene begrippen. (Nominalisme). Volgens Ockman mag je niet te veel substanties onderkennen. Dit moet je zo klein mogelijk houden. Dus hoe eenvoudiger een verklaring hoe beter!
- Nominalisme: Algemene begrippen zijn producten van de menselijke geest.
- Waarheidscondities: De betekenis van een zin wordt bepaald door de voorwaarde waaronder de zin waar is.
- Analytische filosofie: Hierin vormt de waarheidsconditionele opvatting van de betekenis de basis. Hierin wordt onderzoek gedaan naar begrippen als kennis, betekenis, waarheid en rechtvaardigheid.
- Verschillende soorten waarheden
o Toevallige / contingente waarheden. Alle ervaringskennis, a posteriori kennis.
o Noodzakelijke waarheden. A priori kennis.
- Waarheidstheorieën:
o Correspondentietheorie: Iets komt overeen met de werkelijkheid. Veritas est adaequatio rei et intellectus.
Tegengesproken door;
• paradox van de leugenaar (van Epimenides)
• Hoe ziet die relatie er dan uit?
• Kan iets buiten ons bestaan? Klopt het realisme?
• Verder door:
o Realisme
o Idealisme
o Scepticisme
o Mentalisme: Taal verwijst naar ideeën en gedachten en niet naar de werkelijkheid.
o Coherentietheorie: Als een uitspraak hangt in een groot systeem van waarden uitspraken, in een samenhang. Hij is afgeleid uit een ware theorie.
Tegenspraak:
Pluraliteitsargument: Er kunnen meerdere dingen naast elkaar waarheid zijn. Hoe beter het systeem geordend is hoe minder je hier last van hebt.
o Pragmatische waarheidstheorie: Dat wat werkt is waar
- Het verschil tussen menen en weten is zekerheid. Zekerheid op basis van a priori kennis biedt garantie voor waarheid, andere zekerheden niet.
- Evident: Duidelijk, zonneklaar
- Overtuigingen kunnen gebaseerd zijn op:
o Waarneming
o Herinnering
o Intuïtie
o Logisch nadenken
- Fallibillisme: De opvatting dat de vierde claim voor een gerechtvaardigde overtuiging niet meegenomen moet worden omdat zekerheid feilbaar is. Verder zit zekerheid ook deels in de 5de claim.
- Foundationalism / Funderingsdenken: De wetenschap bestaat uit een onderbouw (kennis, feiten) en bovenbouw (afgeleide kennis).
- Gewaarwording: Iets komt op je netvlies, maar je verwerkt het niet.
- Waarnemen: Je wordt niet alleen iets gewaar maar je registreert het ook, en je past je eigen ideeën er op toe. Dit is dus een subjectieve ervaring. Je leert steeds meer waar te nemen, naarmate je meer kennis hebt.
- Omdat objectiviteit niet bestaat (alle waarnemingen zijn gekleurd door het subject) moeten feiten in de wetenschap intersubjectief zijn. Dit houdt in dat meerdere mensen hetzelfde kunnen testen, en dan tot dezelfde conclusie moeten kunnen komen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.