Hoofdstuk 2.1 en 2.2

Beoordeling 4.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 6791 woorden
  • 22 juni 2016
  • 3 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.8
  • 3 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Hoofdstuk 2: Zijn



2.1 Inleiding



2.1.1 Wie ben ik



Als je verdriet hebt, zal je niet snel zeggen dat je lichaam verdriet heeft. Ik heb verdriet, blijkbaar is dat ‘ik’ iets anders dan mijn lichaam. Het is de persoon die bijvoorbeeld plezier voelt, niet het lichaam. Je kan je schuldig ergens voor voelen of schuldig worden verklaard, maar weer gaat het dan niet om iets wat je lichaam heeft gedaan, maar om iets dat jij op je geweten hebt. Als iemand je slaat, zal je zeggen dat jij geslagen bent, niet je lichaam. Ook als iemand zegt dat hij van je houdt, dan ga je er vanuit dat hij niet alleen van je lichaam houdt, maar ook van wie jij bent. De realiteit van een lichaam, wat een lichaam nou precies is, zullen weinigen een moeilijke vraag vinden: het is stoffelijk, materieel en je kan het aanraken. Maar hoe beschrijf je de realiteit van de ‘ik’? Dit is een stuk moeilijker, het is een van de vragen van de metafysica.



Zodra je aanvaard dat je lichaam van de persoon te onderscheiden is, maar dat je wel bestaat, aanvaard je de vooronderstelling dat de werkelijkheid niet samenvalt mat materiële dingen. Je zegt dus dat er ook immateriële dingen bestaan. De metafysica is de tak van de filosofie die dingen omtrent de werkelijkheid, het bestaan en het ‘zijn’ onderzoekt. Aan de vraag of er immateriële dingen bestaan kleeft een lastig probleem: onze empirisch ingestelde wetenschap erkent immers alleen het bestaan van dingen die langs empirische wegen zijn aan te tonen, uitspraken dat personen bestaan, dat mijn ‘ik’ en dat mijn bewustzijn bestaat, zijn wetenschappelijk niet gemakkelijk te verantwoorden. Daartoe zouden we empirisch bewijs moeten zien te krijgen, terwijl ons verstand deze uitspraken aanvaardt. Wetenschappers zullen zeggen dat wat de persoon maakt uiteindelijk pure materiële basis heeft en dat heeft materie. De ziekte van Alzheimer toont het verband aan tussen hersenen en persoon: maar het feit dat er verband is, zelfs indien we de persoonlijkheid volledig zouden kunnen herleiden tot het brein, neemt niet weg dat personen bestaan.



Lichamen bestaan, maar dit bestaan is makkelijker aan te tonen dan dat van personen, verdriet en pijn. Toch zeggen we ook van de laatsten dat ze bestaan, maar die duidelijkheid is er niet altijd. Dit blijkt ook uit de onenigheid over de vraag of God bestaat. Sommigen geloven in ufo’s en geesten, anderen ontkennen het bestaan van de ziel of zelfs bewustheid. Zoals filosofen willen weten wat precies een persoon of het bewustzijn is, zo trachten de metafysici inzicht te krijgen in dit ultieme gemeenschappelijke: wat zeggen we precies als we zeggen dat iets ‘is’?



De filosofie verwondert zich niet over een bepaald iets, maar over al wat is, namelijk dat het er is, dat er iets is en niet niets. Dit heet in de filosofie ‘dat wat is’ of wel: het zijnde. Het thema van de metafysica is ‘al het zijnde’. Het gaat de metafysicus niet om een gebied van de werkelijkheid, maar om heel de werkelijkheid: het zijnde in het geheel. De bijzondere belangstelling van de metafysicus gaat uit naar de vraag wat het betekent als we zeggen dat iets is, wat we bedoelen met zijn of de werkelijkheid. De metafysicus wil niet zozeer alles weten over het bijzondere, maar iets bijzonders over al wat is, namelijk wat dat inhoudt: zijn. Een ander woord voor metafysica is ontologie, ontos=zijnde en logos=leer van.





2.1.2 Metafysica als ontologie



Kwesties als die van de werkelijkheid van een persoon of die van het verschil tussen binnen- en buitenwereld horen tot de metafysica, maar zijn beperkter of specifieker dan de ontologische vraag zoals we die hierboven schetsten. Want de vraag wat ‘zijn’ inhoudt, heeft niet betrekking op een bepaald zijnde, maar op al het zijnde: het zijnde als zijnde. De vraag van de ontologie in strikte zin betreft: het zijnde als zodanig. Pas als je antwoord hebt op de vraag wat het betekent als we zeggen dat iets is, kan je meer in het bijzonder gaan onderzoeken. Volgens Aristoteles is er maar één wetenschap die over de kwestie van het zijnde als zijnde gaat, na Aristoteles kreeg deze wetenschap de naam metafysica. Kwesties die gaan over het bestaan van een god of geest zijn metafysische kwesties, maar niet in strikte zin: ze gaan over het bestaan van een specifiek zijnde. Een beslissing over een dergelijke kwestie is altijd gebaseerd op een bepaalde opvatting van ‘zijn’. Deze opvattingen wilde Aristoteles onderzoeken, want je mag als filosoof niet zomaar aannemen dat een zijnsopvatting een grondig onderzoek doorstaat. We moeten eerst weten wat we verstaan onder zijn, om te bepalen of iets specifieks bestaat. De ontologie zou vooraf moeten gaan aan wetenschappelijke uitspraken over het bestaan van iets, want hieraan ligt een ontologie ten grondslag. Metafysica is de discipline die dergelijke vooronderstelde ontologieën kritisch onderzoekt. Descartes meende dat als zo’n onderzoek ontbreekt, wetenschappelijke existentie-uitspraken in de lucht hangen, omdat een stevig fundament ontbreekt.



Er zijn toch veel filosofen die beweren dat de vraag van de algemene ontologie zinloos is, zij beperken zich liever tot specifiek ontologische kwesties. Voor een algemene ontologie moet elk oordeel over specifieke kwesties worden opgeschort tot we de algemene vraag hebben beantwoord. De critici menen dat ervaring en gezond verstand ons leren dat er iets bestaat en niet niets. Het is onzinnig om ons oordeel daarover op te schorten, dat gaat tegen onze intuïtie, tegen ons verstand en ervaring in. Een algemene ontologie is volgens hen een onzinnige overbodige bezigheid, veel te abstract en pure tijdverspilling.

Deze afwijzing betekent dat de algemene vraag als vloerkleed verdwijnt, terwijl er toch stilzwijgend en onkritisch een ontologische theorie wordt voorondersteld. Wetenschappers houden zich niet bezig met de ontologie onder hun uitspraken. In de praktijk van alledag is een vooronderstelde ontologie praktisch noodzakelijk.



Het begrip ontologie is geen gemakkelijk begrip, er worden ook nog een verschillende betekenissen gebruikt, maar we beperken ons tot 2 betekenissen:



1. In de eerste betekenis is ontologie die tak van de filosofie die de concepten ‘bestaan’, ‘zijn’, ‘werkelijkheid’ en dergelijke onderzoekt, en kwesties die hiermee verbonden zijn. Ontologie in algemene zin is het onderzoek van ‘zijn’ als zodanig.



2. In de tweede betekenis is ontologie de filosofische discipline die problemen onderzoekt die verband houden met het bestaan van specifieke entiteiten (zijnden, Latijn). Dit noemen we de toegepaste ontologie, vergelijk het onderscheid tussen ethiek en toegepaste ethiek: de ethiek stelt ethische kwesties van algemene aard aan de orde, terwijl de toegepaste ethiek ingaat op concrete morele dilemma’s. De toegepaste ontologie bestaat er vaak in door streng te redeneren het bestaan of niet bestaan te bewijzen.



De twee betekenissen lopen in elkaar over, omdat een algemene ontologie niet mogelijk is zonder dat het ook over concrete zijnden gaat. De concrete ontologie is ook niet mogelijk zonder een algemene ontologie te veronderstellen. Veel ontologieën zijn bij nader inzien toegepaste ontologieën.



De metafysica draagt de filosofie, een wijd verbreide opvatting over de metafysica luidt daarom dat zij het hart of de kern vormt van de filosofie. Als ik beweer dat ik de enige ben met innerlijke ervaringen, maar dat anderen die ook hebben, zou iemand kunnen vragen hoe ik dit weet. Hier zie je het verband tussen metafysica en kenleer. Als je beweert dat sommigen dingen niet mogen, dan geloof je dat er universele normen bestaan, maar hoe weet je dat die bestaan? Het antwoord op deze vraag is op zijn beurt van invloed op onze ideeën over ethiek en sociale filosofie. Deze samenhang tussen verschillende gebieden van de filosofie zie je het duidelijkst terug bij Plato. Veel kwesties vielen vroeger onder de metafysica, maar vallen nu onder de filosofische antropologie, de kenleer of de ethiek. In dit hoofdstuk beperken we ons tot de metafysica in engere zin: de ontologie.





2.1.3 Zijn en schijn



De vraag over ‘al het zijnde’ hoedt de vraag in waarom er iets is en niet niets. Die vraag werd in de 17e eeuw onder woorden gebracht door Leibniz, het is de vraag naar een verklaring, een grond. De vraag was niet eerder gesteld, maar de filosofie heeft altijd een tendens gehad om te vragen naar zo’n soort laatst verklarende instantie.



Bij de Vroeggriekse natuurfilosofen vinden we die tendens terug in hun zoektocht naar het archè, het beginsel of beginsel van al wat is: waaruit is het ontstaan en waaruit bestaat het in werkelijkheid? Aniximander noemt het archè het onbegrensde, volgens Democritus vormen atomen het beginsel. Het archè is het begin en beginsel en is eerder en werkelijker dan alles wat eruit voortkomt, dachten de Grieken. Eigenlijk redeneren we nu nog zo, want we voeren veel van ons gedrag terug op een weloverwogen wilsbesluit, maar als blijkt dat ons gedrag rechtstreeks te herleiden is tot chemische reacties in de hersenen, is dat wilsbesluit niks anders dan chemie. Zo redeneren wetenschappers, die zich met dit soort onderzoek bezig houden. Een gangbare opvatting luidt: werkelijk is dat wat door technische apparatuur objectief te registreren valt, alle andere verschijnselen moeten hiertoe te herleiden zijn. Men zal ook gebruik maken van een subjectieve ervaring, droomverslagen bij hersenonderzoeken, maar in zoverre dat er ook tegelijkertijd iets objectiefs te meten valt. Men neemt subjectieve ervaringen wel serieus, maar gebruikt ze alleen om met meetbare gegevens te vergelijken. De zoektocht naar het ware zijn, de grond van ‘heel de werkelijkheid’, gaat terug naar de Griekse zoektocht naar de archè. Middeleeuwse filosofen vonden de laatste grond in een schepper-god, zodat deze het centrale thema vormt van de scholastieke denkers.



Metafysica is het kritische onderzoek van zijnsopvattingen en van de manier waarop dergelijke opvattingen ons denken over de werkelijkheid beheersen, en niet alleen ons denken. Een zijnsopvatting bepaalt daarbij welke zaken we tot de inventaris van de werkelijkheid toelaten, wat we zijnd willen laten gelden, en wat niet. Dit heeft uiteindelijk gevolgen voor ons handelen. De metafysicus stuit onvermijdelijk op de vraag: wat is er eigenlijk? Als we aannemen wat ‘zijn’ een begrip is met een bepaalde omvang en inhoud, dan kunnen we zeggen dat sommige dingen er onder vallen en andere niet. We maken een onderscheid tussen zijn en schijn, maar hoe zit het met deze verhouding? We kunnen nooit alles opsommen, maar het komt erop aan het principe van de inventaris te kennen. Dit principe fungeert als criterium voor wat we al of niet tot de inventaris van het zijnde rekenen, we willen de inventaris van de werkelijkheid niet onnodig uitbreiden, dus we zullen niet meer dingen als werkelijk aannemen dan noodzakelijk is.



Ondanks het onderscheid tussen zijn en schijn zeggen we ook van de verschijnselen dat ze zijn, er ontstaat tegenspraak in het zijnsbegrip. Plato loste het probleem op door verschillende gradaties van ‘zijn’ te onderscheiden: het verschijnsel (Grieks: phainomenon) heeft als het ware minder ‘zijn’ dan de werkelijkheid zelf, die zich achter het verschijnsel verbergt. Hoe verder een verschijnsel weg is van de werkelijke grond, hoe minder ‘zijnd’ het is. Deze gedachte van een soort hiërarchie binnen het zijnde heeft lang doorgewerkt in de traditie van de metafysica.



In de 19e eeuw komt het onderscheid tussen schijn en zijn onder vuur te liggen, vanaf toen werd het gebruik om elke zijnsopvating en alle ontologie die uitgaat van dit onderscheid metafysica te noemen. De kritiek op dit onderscheid tussen zijn en schijn en de vereenzelviging van metafysica met tot onderscheid, groeide uit tot een scherpe antimetafysische tendens in de 20e eeuw. Antimetafysisch wil dan dus zeggen dat men zich afkeert van een bepaald soort metafysica.







2.2 In hogere sferen: Plato (ca 427-347 v. Chr)



2.2.1 Plato’s metafysica



Plato is een metafysicus bij uitstek, als het gaat om metafysica die zijnsopvattingen onderzoekt. Plato gebruikt zelf het woord metafysica niet, maar hij wordt toch gezien als de grootste metafysicus uit de geschiedenis. Een van de bekendste verhalen van Plato is de grotmythe, hierin levert Plato een kritiek op al te gemakkelijk aanvaarde opvattingen van de werkelijkheid. Vooral op onze neiging om dingen die we ervaren, gelijk voor waar aan te nemen. Deze kritiek mondt uit in een originele uitleg van een zijnsopvatting die hij wel verdedigbaar acht: de Ideeënleer.



Hoe kan het dat we in vele verschillende dingen hetzelfde zien, zonder dat we ditzelfde ooit hebben waargenomen? We hebben nooit ‘de boom’ gezien, terwijl we in sparren, beuken en wilgen toch iets gemeenschappelijks zien. Hoe kan het dat één enkele term toepasbaar is op zoveel particuliere dingen. Hierop kan je antwoorden dat je het hebt geleerd, dat je ouders je deze dingen hebben bijgebracht en je hebben verteld wat er bij bepaalde begrippen hoort. Je bent in staat door verschillen heen te kijken en vanaf een bepaald moment dat je datgene wat je ziet, hoort of op een andere manier waarneemt, als dit of dat, als vogel of als rood herkennen. Terwijl je ouders nooit ‘de vogel’ of ‘de boom’ hebben aangewezen. Je bent zelf in staat op een gegeven moment het voorwerp van je waarneming en dus ook dingen die je nooit eerder zag op iets algemeens te betrekken en het als dit of dat te herkennen en te benoemen. Dingen die je waarneemt zijn onderling net iets anders, maar bovendien is veel daarvan zelf ook voortdurend in verandering (groeien van een kind, maar het blijft dezelfde persoon). Alles wat we waarnemen is steeds anders en vele gelijknamige dingen lijken onderling nauwelijks op elkaar, de verschillen kunnen enorm zijn en toch is er iets waardoor we het steeds bij dezelfde naam weten te benoemen. Het moet iets zijn dat anders is dan al die dingen die er naar vernoemd zijn, maar hoe is het dan wat is dit onveranderlijke, dat we steeds zijn wanneer we iets herkennen? Is er iets in de veelheid dat altijd hetzelfde blijft?



Deze vragen doen Plato besluiten dat er iets moet zijn waar alle algemene termen naar verwijzen, dit iets noemt hij ‘de Idee’ of ‘Vorm’ (oervorm). We weten zoveel van de Idee: dat het ene is in het vele, het gemeenschappelijke in het verschillende, het gelijkblijvende in het veranderlijke, het onvergankelijke in het tijdelijke en het wezenlijke in het vluchtige. Onder filosofen: het algemene in het particuliere. Plato gaat in zijn bepaling van de Idee nog een stap verder: de idee bed, zegt hij, is datgene wat de tijd trotseert, wat tijdloos en niet aan verandering onderhevig is. Elk bed is door iemand of een fabriek gemaakt, wordt in gebruik genomen, tot het doorzakt. De idee bed is niet gemaakt en slijt niet, maar blijft wat het was. Het bed moet er altijd al zijn geweest, nog voor het eerste bed was uitgevonden, want de idee is het bed waarvan alle zichtbare en tastbare bedden variaties op zijn. Dit model noemt Plato ook wel het bed ‘zelf’: alle tastbare bedden waarop je kunt liggen zijn immers door de beddenmaker naar dit model gevormd, en zijn afspiegelingen van deze oervorm. Er moet, net als met alle beelden, een origineel zijn. Het bed waarop je slaapt lijkt op de idee bed, maar is toch niet het origineel zelf.





2.2.2 De mythe van de grot



Door de idee als het model te beschouwen waarnaar alle tastbare dingen zijn gemodelleerd komt Plato ertoe de Idee ‘echter, werkelijker’ te noemen dan alles wat ernaar vernoemd of gemaakt is. In de mythe van de grot stelt Plato de wereld van Ideeën voor als een zelfstandige werkelijkheid die model staat voor de werkelijkheid zoals we die onmiddellijk ervaren, deze voorstelling leidde ertoe dat men is gaan spreken van een tweewereldenleer.



Als Plato in een dialoog bij de kern aankomt, aldus het echt lastig werd, vertelde hij liever een verhaal dan dat hij een abstract betoog hield. Die verhalen vertellen geen geiten, maar proberen inzicht te geven in een ingewikkelde samenhang door middel van een concreet beeld, een vergelijking. Door middel van een verhaal kan je je iets voorstellen, dat zonder verhaal moeilijker uit te leggen is. Je moet het verhaal niet letterlijk nemen, maar Plato probeert met een mythe iets anders te verhelderen. Een dergelijke mythe noemt men ook wel een allegorie (anders spreken). Zo’n functie vervult Plato’s verhaal van de mythe van de grot. De grotmythe is een van de invloedrijkste teksten uit de geschiedenis van de filosofie. Er is geen filosoof die hem niet kent en ook vele niet-filosofen hebben zijn werk gelezen.



De mythe van de grot stat in de Politeia, over de rechtvaardigheid, letterlijk vertaald: De staat. In deze dialoog bespreekt Plato onder meer dat in een samenleving die we rechtvaardig mogen noemen de leiding zou moeten toekomen aan degenen die kennis hebben van de Ideeën. De grotmythe is onderdeel van een betoog, waarin Plato uitlegt hoe de opleiding of opvoeding tot wijs bestuurder van zo’n rechtvaardige staat zou moeten verlopen, maar het verhaal stijgt uit boven dit thema en is uitgegroeid tot een van de beroemdste verhalen over de menselijke natuur, over haar mogelijkheden en vooral over haar beperkingen. Het is een gesprek tussen Socrates en Glauco, waarschijnlijk een oudere broer van Plato. In deze dialoog heeft Socrates de leiding, zoals in de meeste dialogen van Plato. Socrates vertelt de mythe aan Glauco, hij reageert steeds met retorische vragen die bevestigend zijn. (Lees bladzijde 104-105)





2.2.3 De Idee als grond en oorzaak



De weg van de grotbewoner naar boven, naar de werkelijke wereld, stelt de beweging voor van de menselijke ziel naar kennis van de Ideeën. Het is een beweging naar de echte werkelijkheid, naar dat wat voorwerp is van echte kennis. In Plato’s beschrijving is het een beweging van het bijzondere naar het algemene, weg van het lichamelijke, zintuiglijke en zichtervaringen, naar de eenheid van de Ideeën, weg van het lichamelijke, zintuiglijke en zichtbare naar het onzichtbare, dat alleen kenbaar is voor de geest. De wereld van Ideeën is voor Plato de ware werkelijkheid, die ten grondslag ligt aan de wereld van onze onmiddellijke ervaringen. Deze ware werkelijkheid, de wereld van Ideeën, is de grond en oorzaak van de ervaringswereld, die er een soort afbeelding/schaduw van is. Het begrip oorzaak van Plato moet je niet verwarren met onze betekenis van het woord oorzaak, wij denken aan een causale relatie tussen twee dingen (feiten), die in dezelfde wereld thuis horen. De oorzakelijke relatie die Plato bedoelt, is een relatie tussen de zaken die tot twee radicaal verschillende werelden behoren, namelijk een zichtbare en een onzichtbare. Naar Plato’s voorstelling van zaken moet ons begrip van oorzakelijkheid helemaal worden gesitueerd in de schaduwwereld van de grotbewoners, dat wil zeggen in onze zintuiglijke ervaringswereld. Causaliteit is een principe van de ervaringswereld. Maar hoe is de Idee dan een oorzaak, al is het niet op de ons vertrouwde manier? Plato leert ons dat we daarover niet meer dan de Idee orde en eenheid brengt in de ander onoverzichtelijke waarnemingswereld. De Idee is oorzaak in die zin dat hij betekenis verleent aan onze waarnemingen.



De Ideeën overstijgen de ervaringswereld, ze zijn tanscedent. De relatie tussen de Idee en datgene dat naar de Idee is gemodelleerd beschrijft Plato als een deelhebben: iets, bijvoorbeeld een bed, is wat het is, omdat het deelheeft aan de Idee bed. Hoe hij dit deelhebben aan zag  is onduidelijk, en dit is juist het punt waarop zijn leerling Aristoteles later kritiek heeft. Het probleem dat Aristoteles met de Ideeënwereld had, wordt duidelijk wanneer we preciezer bekijken wat het feit dat de verschijnselen ‘lijken op’ het model zou kunnen betekenen. Je hebt een maatstaf nodig om dingen te kunnen vergelijken. Met betrekking tot op elkaar lijken van zintuiglijke dingen is volgens Plato de Idee, maar hoe zit het dan met op elkaar lijken van zintuigelijke dingen enerzijds en de Idee anderzijds? Heb je dan niet weer een derde maatstaf nodig, een soort Idee van een Idee? Hoe zit het met de relatie tussen de Idee en die maatstaf? Moeten we die ook weer begrijpen in termen van lijken op? Moeten we dan niet tot in het oneindige weer nieuwe Ideeën veronderstellen? Deze redenering tegen de Ideeënwereld lijkt te berusten op eenzelfde misverstand als de verwarring over het oorzakelijke karakter van de Ideeën: de transcendentale ideeën zijn van een andere aard dan de zichtbare waarnemingswereld. Lijken op kan niet worden opgevat als lijken op in de waarnemingswereld, maar hoe dan wel? Om ons dat inzicht te geven doet Plato via de mythe een roep op een intuïtief inzicht.



In alle deelgebieden van de filosofie, dus in alle hoofdstukken van dit boek, levert Plato een bijdrage. De Ideeënleer geeft steeds de leidraad. Voor de taalfilosofie de betekenisleer, voor de kenleer een uitleg over het verschil tussen zintuiglijke en Ideeënkennis en voor de ethiek en de sociale filosofie een deugdenleer. Voor de metafysica een opvatting over het ware ‘zijn’, voor de antropologie een opvatting van de verhouding tussen lichaam, geest en ziel. Voor de esthetica heeft de Ideeënleer negatieve gevolgen, Plato vindt kunst niet meer dan een afbeelding van afbeeldingen. Plato had maar een soort kunst voor ogen, kunst als nabootsing van de werkelijkheid, als weergave van wat je met de zintuigen waarneemt. Die opvatting van kunst vinden velen intussen te beperkt en kunstenaars leggen Plato’s oordeel dan ook naast zich neer.



Het onderstaande schema geeft een overzicht van de manier waarop de Ideeënleer, zoals gepresenteerd in de grotmythe, doorwerkt in drie gebieden van de filosofie: metafysica, kenleer en de antropologie:











































































Grotmythe



Metafysica



Kenleer



Antropologie



Voorbeeld


 

De zon wereld buiten de grot



Het Goede overige Ideeën



Inzicht, zuivere rede





De Idee cirkel, de cirkel zelf


 

De schaduwen van de dingen buiten de grot, weerspiegelingen in het water



Wiskundige objecten



Redelijk nadenken à verstand



Bepaling, definitie van cirkel: datgene waarvan de uiterste punten zich overal op gelijke afstand van het middelpunt bevinden


 

Geest


 


 

Ziel (psychè)


 

De beelden die boven de muur uitsteken, geluiden



Natuur, alles wat er vanzelf is, organismen



Vervaardigde dingen, alles wat door de mens is gemaakt



Geloof



De figuur van de cirkel, bijvoorbeeld getekend, uitgesneden enzovoort, bijvoorbeeld een ronde tafel


 


 

Schaduwen op de wand, echo’s



Verschijnselen



Vermoeden, gissing, raden à zintuigen



De ronde tafel zoals die voor het oog verschijnt


 

Lichaam


 


 

afbeeldingen



kunst



drogbeelden




 


2.2.4 Plato – een dualist?



Het kan zijn dat je een bepaalde leidraad steeds in je leven terugkeert in alles wat je denkt of doet. Als je er van overtuigd bent dat je je leven het best kan inrichten zoals Boeddha verkondigde, wordt je boeddhist. Filosofen die het gedachtegoed van Plato tot het hunne maken, heten platonisten. Er zijn veel –ismen, die soms een vlag hebben die hun opvatting afspiegelt. Bij het monisme staat het Griekse woord monos op de vlag, dat alleen betekent. Monisten menen dat de hele werkelijkheid uiteindelijk te begrijpen is vanuit één grondbeginsel. Parmenides was als een van de eerste filosofen een monist, omdat hij zou hebben beweerd dat alle veranderingen en variatie maar schijn is binnen een werkelijkheid die hij als onveranderlijk, één en ondeelbaar denkt.

Dualisme komt van het Latijnse ‘dua’ dat twee betekent. Een dualist meent dat er een tweedeling is die niet tot een eenheid te herleiden valt. Je bent een dualist op meerdere gebieden van de filosofie. Metafysisch dualist, dan geloof je dat er twee werelden bestaan, een zintuigelijk waarneembaar en de ander geestelijk. Dan ben je ook al snel een kentheoretisch dualist: je onderscheidt twee kenvermogens, waarvan het ene, de zintuigelijke waarneming, uitsluitend toegang heeft tot die geestelijke wereld. In het verlengde van het kentheoretisch dualisme ligt het antropologisch dualisme: de overtuiging dat er een tweedeling is van lichaam tegenover geest, van hersenprocessen tegenover bewustzijn.



Het ligt voor de hand om Plato een dualist te noemen, vele tekstpassages geven daartoe aanleiding. Als we de grotmythe letterlijk nemen gaat Plato uit van twee werelden: een zintuigelijke wereld en de Ideeënwereld: een wereld van schijn en een wereld van zijn. Het metafysische dualisme zou vervolgens nauw verbonden zijn met antropologisch dualisme en een kentheoretisch dualisme. Echter is de grotmythe een mythe en moeten we die niet letterlijk nemen. Dat is niet het enige bezwaar tegen Plato als dualist, het is zelfs de vraag of die opvatting niet het belangrijkste vergeet. Wil Plato ons niet juist overtuigen van de onlosmakelijke verbondenheid van schaduwen en Ideeën, van lichaam en geest, en van zintuigen en verstand? Een dualistische interpretatie beneemt ons niet het zicht op de motieven die Plato had voor het ontwerp van zijn Ideeënleer en daarmee op de samenhang tussen wat in een dualistische benadering uiteenvalt. Het erosbegrip benadrukt die samenhang, laten we Plato recht doen en de voors en tegens bij de verschillende vormen onder de loep nemen.



Plato onderscheidt een materiële, zintuigelijke, waarneembare wereld, voorgesteld als een wereld van schaduwen, een wereld die, strikt genomen, alleen voor het denken toegankelijk is: het rijk van de Ideeën. Onderscheiden is niet hetzelfde als scheiden. Als we de mythe letterlijk nemen, kunnen we schaduwen niet los zien van Ideeën. Je kan wel zeggen dat een grotbewoner in zijn naïviteit geen enkel besef heeft van wat zich achter hem afspeelt (de beelden boven het muurtje, het vuur), laat staan van de wereld buiten de grot. Hij zit opgesloten in de schaduwwereld, hij weet niet wat de schaduwen zijn, maar dat verandert niets aan het feit dat het schaduwen zijn die, als schaduwen, verwijzen naar datgene waarvan het schaduwen zijn: de Ideeën. Dat is een argument, een ander argument tegen zijn dualisme geeft de paragraaf 2.2.1. zoals de grotbewoner in de schaduwen toch iets ziet van de dingen buiten, al hebben ze van die dingen zelf nauwelijks weet, zo word je, telkens wanneer je iets waarneemt en het ‘als iets’ herkent, bijvoorbeeld een vogel, door je waarneming aan de Ideeën herinnerd. Je pendelt niet van het ene betekenisloze naar het andere, de Idee: je bent niet op het ene moment in de waarnemingswereld en het andere moment in de Ideeënwereld. Je zintuigen registreren iets dat je geest als de Idee herkent, zelfs als je niet in staat bent om een volledige en verantwoorde omschrijving te geven van wat een vogel precies is. Dit is een argument tegen het kentheoretisch dualisme: de opvatting dat je zintuigen en je geest in twee totaal verschillende werelden verkeren.



Soortgelijke argumenten kun je inbrengen tegen de interpretatie van Plato als antropologisch dualist, tegen de opvatting dat hij een scheiding geeft tussen lichaam en ziel, of tussen lichaam en geest, hij ziet de ziel als een gevleugeld tweespan, met de geest als menner en twee paarden, moed en begeerte. De mythe verhaalt dat de ziel die zijn vleugels verliest afdaalt in de materiële wereld, om zich te verbinden met de materie tot een eenheid die ‘levend wezen’ wordt genoemd. Voor dit levende wezen heeft de ziel de functie van levensbeginsel: doordat het materiële bezield raakt, wordt het levend en is het in staat tot groei, ontwikkeling, evolutie, afbraak, sterven en vergaan. Het vleugelverlies heeft daarmee ook een positieve betekenis, zonder ziel, zonder bezieling van het materiële, is er immers geen leven. Het lichaam is dus altijd een bezield lichaam, een lichaam zonder ziel is een gestorven lichaam, en zelfs dat zou er niet zijn zonder ooit bezield te zijn geweest. Je kan het lichaam onmogelijk scheiden van de ziel.

De mythe van de ziel geeft een tweede afwijzing om de dualistische interpretatie niet klakkeloos te volgen. In de voorstelling van dat vermogen dat we meestal toeschrijven aan het lichaam: de begeerte. Dit is voor Plato één van de vermogens van de ziel, voorgesteld als een onwillig, tegenstribbelend paard. Dit vermogen bindt ons aan het lichaam, aan materiële, aardse zaken. Kan je begeerte voorstellen zonder lichaam? Als de begeerte een vermogen is van de ziel en er geen begeerte is zonder lichaam, dan is de ziel niet los te denken van het lichaam zonder beide geweld aan te doen.



Volgens Plato is er een permanente strijd tussen lichaam en ziel: er is de neiging om onszelf aan lichamelijke genietingen over te geven, maar ook is er iets in ons dat zich tegen de slavendienst aan het lichaam verzet (de geest). Plato gaat zo ver, dat hij het lichaam beschrijft als gevangenis, een kerker voor de ziel. Het enige dat ons kan bevrijden, is de dood. De grotmythe wordt ook wel uitgelegd als een beeld van deze gekluisterde ziel. Rede en begeerte zijn in een voortdurende strijd, maar je kan ze niet scheiden, zonder Plato’s opvatting over de ziel los te laten. De ziel houdt als het ware het midden tussen lichaam en geest, door ze bij elkaar te houden, vormt de ziel het verbindingspunt tussen de zintuigelijke wereld en de Ideeënwereld. Als de ziel niet in het behalen van dit evenwicht slaagt, raakt ze blind voor wat in het leven echt belangrijk is. De ziel kan louter begerig zijn, volkomen gefixeerd raken op het lichaam en daardoor al het andere vergeten. Het lichaam bevordert dit vergeten. Wanneer eros het verlangen van de ziel naar de Ideeën wekt, wanneer de rede dit verlangen volgt en de begeerte beteugelt, betekent dat zelfs voor Plato niet dat het lichaam helemaal wordt afgezworen.





2.2.5 De onsterfelijke ziel



Het vermogen van mensen om iets te herkennen, getuigt ervan dat we intuïtief kennis hebben van de Ideeën. Volgens Plato is het kennen van Ideeën een bijzonder soort herinneren. Als je iets ervaart, reik je voorbij datgene wat je zintuigen direct kunnen registreren: volgens Plato reik je in feite terug. Datgene wat je zintuigen registeren herinnert ja aan iets wat je al wist, dit herinneren van Ideeën noemt hij anamnese, anamnsese wordt vervolgens radicaal onderscheiden van mnèmè, het zich herinneren van dingen die je eerder in je leven hebt meegemaakt. Deze gewone herinnering put uit het geheugen, hier zitten echter niet de Ideeën zelf, maar ervaringen van feiten en gebeurtenissen uit het verleden, die deelhebben aan de Ideeën, net als feiten en gebeurtenissen. Anamnese, het ophalen van Ideeën grijpt nog verder terug dan de mnèmè, het oproepen van feiten en gebeurtenissen uit het verleden. Als je herinnert in de zin van anemnese kom je tot inzicht en kennis: het geheugen is slechts een bron van meningen en vermoedens. De grotbewoner prent zich de schaduwen in  en legt relaties tussen oorzaak en gevolg. Zolang hij vastzit legt hij alleen verband tussen eerdere en latere schaduwen, de echte oorzaak van de schimmen, namelijk de werkelijke wereld buiten de grot, ontgaat hen.

Zoals ware kennis kennis van de Ideeën is en niet feitenkennis, zo is ware herinnering niet het oprakelen van een feit uit het verleden, maar een oproepen of opwekken van de Ideeën. Zoals dat muziek, die je de eerste keer hoort, iets in je oproept. Ze ‘herinnert’ je, zou Plato zeggen, ze doet je denken aan de Idee ‘mooi’. De eerste herinnering is nog passief, als je verder na gaat denken over waarom muziek speciaal is, wordt je herinnering (anamnese) geactiveerd.



Het wonderlijke feit dat mensen in staat zijn de wereld waar ze in leven te begrijpen (overstap van zintuigelijke ervaring naar de eenheid van de Ideeën) is het motief voor Plato’s Ideeënleer. We kunnen Ideeën die onze begrippen vormen niet rechtstreeks aan de ervaring ontlenen, dit pleit volgend Plato voor het bestaan van een herinneringsvermogen in de zin van anamnese. Direct verbonden met deze gedachte is Plato’s opvatting over de onsterfelijkheid van de ziel. De idee van de onsterfelijke ziel was voor de Grieken vreemd, Plato heeft het idee waarschijnlijk in zijn jonge jaren tijdens een van zijn vele omzwervingen opgedaan. Onsterfelijkheid associëren wij met werken en daden van beroemdheden, maar Plato dacht niet alleen aan de ziel van beroemdheden, maar aan de menselijke ziel die na een leven gewijd aan filosofie mag hopen op een terugkeer naar de wereld van de Ideeën. Het lichaam is sterfelijk, maar, onze ziel moet onsterfelijk zijn.



De ziel vormt tijdens het leven met het levende lichaam een eenheid, de dood maakt een einde aan deze onverbrekelijke band. Het lichaam gaat aan deze scheiding ten grond, maar de ziel overleeft haar. In de Phaedo zegt Plato dat de dood niets anders is dan de scheiding van de ziel uit het lichaam, dood zijn bestaat erin ‘dat enerzijds het lichaam, gescheiden van de ziel, apart op zichzelf alleen bestaat’. Terwijl het lichaam tot stof vergaat, gaat de ziel weg en sterft niet mee, hij verlaat het dode lichaam om ergens anders een nieuwe soort bestaan voort te zetten, wachtend op een nieuw levenslot. Zo lijkt het alsof de ziel toch een onafhankelijk bestaan heeft, vrij van het lichaam waar het slechts tijdelijk in ‘woont’, dit zou een ijzersterk argument zijn om Plato onder de dualisten te scharen. Het is dus een idee dat meer aan de verbeeldingskracht dan aan directe ervaring ontsproot is. Meestal zijn ze bedoeld als een antwoord op een dringende vraag, het gaat dus om een soort denkmogelijkheid. Een filosofie begrijpen houdt in dat je de vragen moet achterhalen die achter al die merkwaardige hersenspinsels schuilgaan, pas als je die hebt achterhaald en ingezien hebt dat er een probleem is, kan je beoordelen of de antwoorden hout snijden. Dan kunnen we aangeven wat onbevredigend is en eventueel verbeteringen of andere denkmogelijkheden voorstellen die de bezwaren ondervangen. Om een antwoord goed te kunnen beoordelen, moeten we eerst de vraag opsporen die erachter zit. Dus: Wat bracht Plato ertoe de ziel onsterfelijk te noemen? Op welke vraag moest de ‘onsterfelijkheid van de ziel’ antwoord geven? Voor welk probleem moest deze gedachte uitkomst bieden?



Plato had een aantal vragen waarop zijns inziens de aanname van een onsterfelijke ziel het meest logische antwoord bood, vragen die direct samenhangen met zijn Ideeënleer. Zijn gedachtegang:




  • Rechtvaardigheid op zichzelf, schoonheid zelf, etc, valt nooit met de zintuigen waar te nemen. We nemen handelingen waar die deze gedachtes in ons oproepen. We hebben weet van zaken die we als zodanig nooit kunnen waarnemen. Hoe kan dat, hoe komen we aan die kennis?

  • Kennis is herkennen, hoe zien we gelijkenis in zo veel dingen zonder dat we ‘het gelijke zelf’ ooit hebben gezien? Alles wat we kunnen waarnemen verschilt van elkaar, maar ook van dit gelijke zelf. Al die verschillende, op elkaar gelijkende dingen, brengen ons niettemin steeds op die Idee die we erin herkennen. Hoe komen we aan die Idee?

  • Herkennen is een soort van zich-weer-te-binnen-brengen, maar hoe kunnen we ons iets ‘weer te binnen brengen’ wat we nooit eerder hebben ervaren of waargenomen?

  • Dat kan niet, zo lijkt. Feit is dat we dergelijke ‘onmogelijke’ herinneringen hebben. We kunnen dit probleem anders oplossen dan door aan te nemen dat dergelijke herinneringen kennis oproepen die we nog eerder, voor dit leven, voor onze geboorte hebben opgedaan, volgens Plato gaat dit zo: ‘Voordat we begonnen te zien, te horen, of anderszins waar te nemen, hebben we noodzakelijk ergens de kennis moeten opdoen van wat het Gelijke-zelf is: hoe zouden we anders de gelijke dingen die we door onze zinnen kennen, op dit Gelijke-zelf kunnen betrekken?



Plato trekt zijn redenering dor naar het leren, waartoe alleen mensen in staat zijn. Nogmaals: iets herkennen betekent dat je twee zaken op elkaar betrekt, het eerste neem je waar, het tweede niet, dat breng je zelf mee. We moeten de kennis van alle Ideeën al voor onze geboorte hebben opgedaan, want het tijdens dit leven verwerven is onmogelijk. Het alternatief dat kennis is aangeboren, is volgens Plato onzinnig. Waarom zou een kind dan zo veel moeten leren? Kennis die de ziel op de een of andere manier voor de geboorte heeft opgedaan, is veeleer door diezelfde geboorte weggezonken. Wat een mens doet en wanneer en zolang hij leert is die weggezonken kennis, die zo eigen is aan mensen, weer wekken, weer opnieuw binnen te brengen (anamnese).

Nu komt de belangrijkste stap in de redenering: als leren een zich herinneren is van kennis die we voor de geboorte hebben verworven, dan moet de ziel al voor de geboorte bestaan. Deze pre-existentie brengt Plato ertoe ook een voortbestaan na dit leven aan te nemen, en ten slotte aan de ziel onsterfelijkheid toe te kennen. Het zou te ver voren om dit bewijs tot in detail na te lopen, de kern is dat het staat of valt met de werkelijkheid van de Ideeën. Pre-existentie, voortbestaan na de dood, en ten slotte onsterfelijkheid van de ziel, volgen voor Plato noodzakelijk uit de leer van de Ideeën, uit zijn overtuiging dat er iets moet bestaan als goedheid zelf, schoonheid zelf enzovoorts. Alleen als deze Ideeën bestaan en als mensen daarvan kennis meedragen valt te begrijpen dat mensen in staat zijn de wereld om hen heen als een betekenisvolle wereld te ervaren, zonder dat alles is ook de aanname van een onsterfelijke ziel onnodig.



Met de hypothese van de onsterfelijke ziel besluiten we de discussie over het dualisme van Plato, het uitgangspunt is dat er een strenge scheiding is tussen ziel en lichaam of tussen lichaam en geest, tussen een materiële-lichamelijke-zintuigelijke wereld enerzijds en een geestelijke wereld anderzijds, is kenmerkend voor een tendens die tot in de twintigste eeuw in de filosofie opduikt: dit platonisme heeft eeuwenlang invloed uitgeoefend op de Westerse cultuur via de christelijke interpretatie ervan. Een dualistische interpretatie van Plato kan het zicht benemen op de vragen en problemen waarop hij antwoord zocht en waaraan zijn filosofie haar betekenis ontleent, dit is het risico van interpretaties. Interpretaties zijn belangrijk, omdat ze nieuwe lezers ingangen kunnen verschaffen in lastige teksten, maar je moet blijven bedenken dat het een interpretatie is. Het beste is als die ertoe aanzet terug te grijpen op de oorspronkelijke teksten.





2.2.6 Plato’s geheime leer



We moeten nog omzichtiger zijn met teksten van Plato’s hand dan met interpretaties, want Plato had nogal wat twijfel bij het ‘zwakke werktuig dat taal is’. In een van zijn brieven zegt hij zelfs dat hij zijn eigenlijke filosofie nooit op schrift heeft gesteld. Plato beschouwde zichzelf als een ernstige man, dus heeft hij geen dingen op schrift gesteld waar hij zich aan hechtte. Deze en andere passages hebben voorzichtige interpreten aanleiding gegeven te spreken van Plato’s geheime leer. Als datgene wat hij wilde zeggen niet op schrift is gesteld, wordt het belangrijker één aspect van al zijn geschriften te benadrukken dat zich in feite tegen elke ‘leer’, tegen elk ‘isme’ verzet: de weg is belangrijker dan het doel.





Plato’s dialogen reiken een methode voor de aanpak van filosofische problemen, de naam van deze methode is dialectiek en wordt nog gebruikt voor socratische gesprekken. Het was namelijk Socrates van wie Plato zijn methode heeft afgekeken. De Socratische/Platoonse dialectiek gaat als volgt: uitgangspunt is een uitspraak over een onderwerp naar aanleiding van een vraag, die uitspraak wordt nader onderzocht door de vooronderstellingen er uit te halen en te kijken of deze verdedigbaar zijn. Terwijl je onderzoekt dringt het onderwerp steeds meer tot je door, er komen nieuwe facetten aan het licht. Vaak wordt de eerste vraag herzien of verworpen. De dialectiek is zo een hulpmiddel om onjuiste opvattingen uit te bannen en een onderwerp te verhelderen. Daarom wordt het methode genoemd, naar het Griekse woord methodos – weg, vernoemd. Het is de weg die je dichter bij de waarheid kan brengen, maar of je de waarheid ooit bereikt is de vraag, Plato ontkent dit. Alleen goden kunnen de waarheid hebben, maar alle verheldering is meegenomen. Je bereikt die verheldering enkel door op weg te gaan en onderweg te blijven.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.