ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis

1.1

1.1.1 Standpunten en argumenten

De positie of houding die je inneemt ten opzichte van een bewering of oordeel heet een standpunt: het kan instemmend zijn of afwijzend. Een argument is een reden voor je instemming of afwijzing, een bewering die je aanvoert ter ondersteuning van je standpunt. Zodra we redenen aanvoeren voor onze standpunten zijn we aan het redeneren. Redeneringen bestaan uit een (aantal) argument(en) en een conclusie. Een redenering waarin stappen zijn weggelaten wordt een verkorte redenering genoemd, de stappen (beweringen) die zijn weggelaten zijn dan de verzwegen argumenten. Het verzwegen argument legt het verband tussen argument en conclusie.

1.1.2 De retorische situatie

Bij het model van de retorische situatie staat een aantal elementen centraal. Wil een spreker een publiek van een bepaald standpunt overtuigen, dan moet hij de volgende drie punten meenemen in zijn toespraak:

1. Dialecta - het onderwerp. Het doel van de retorische communicatie is het publiek te overtuigen, daarom is het onderwerp per definitie iets waarover verschil van mening mogelijk is. Dialectisch gezien is de retorische communicatie een ‘gesprek’ over het onderwerp.

2. Logica - het betoog. De redenering van de spreker moet kloppen (geldig zijn), oftewel, de argumenten moeten de conclusie inderdaad rechtvaardigen. In de logica gaat het vooral om de verhouding tussen de argumenten en de conclusie, niet om het verband tussen het betoog en de zaak. Het gaat om de opbouw van het betoog zelf, los van de kwaliteit van de argumenten.

3. Retorica - het publiek. De retorica van een spreker is de overtuigingskracht van een argumentatie. Een spreker kan een publiek overtuigen door middel van retorische middelen, verbaal (woordkeus, drogredenen) en non-verbaal (uitstraling, gebaren, enz.).

1.2

1.2.1 Logisch denken

De mens is een zoion logon echon, een levend wezen dat logos heeft. De traditionele logica is de leer van het denken, in de zin van redeneren. Het Griekse woord logos had echter een ruime betekenis. Bij Heraclitus is logos een sleutelwoord en betekent zoveel als ‘de verzameling van alle tegenstellingen’. Bij Plato’s opvatting van logos vallen het denken en redeneren niet samen. Het ware denken is voor Plato niet gelegen in het redeneren, maar in het inzicht in de Ideeën. Dat inzicht is een hogere vorm van denken dan die van het redenerende verstand en alleen door dit inzicht kan een mens bijvoorbeeld onderscheid maken tussen goed en kwaad. Zoion logon echon is in het Latijn vertaald met animal rationale, redelijk levend wezen. Als denken een wezensbepaling is van het mens-zijn, en logica de leer van het denken, dan zou de logica ook moeten bijdragen aan het antwoord op onze vraag wat mensen tot mensen maakt.

1.2.2 Geschiedenis

Verschillende filosofen hebben een rol gespeeld voor de logica.

1. Aristoteles. Aristoteles wordt de vader van de logica genoemd, omdat hij als eerste de regels en kenmerken van het correcte redeneren op schrift stelde. In zijn boek Organon beschrijft hij de verschillende ingrediënten van beweringen en redeneringen en analyseert hij de structuur van correcte en ondeugdelijke redeneringen.

2. Leibniz. Leibniz zocht naar een remedie waarmee je de problemen waarmee logica te kampen had eens en voor altijd de wereld uit kon helpen. Hij droomde van een soort universele kunsttaal die alle dubbelzinnigheden en vaagheden van de omgangstaal zou vermijden (characteristica universalis). Met behulp van die taal moesten redeneringen net zo doorzichtig worden als wiskundige berekeningen. Als deze kunsttaal was gevonden, moest vervolgens een vertaalsleutel worden gemaakt (woordenboek met aan de ene kant de woorden uit de natuurlijke taal en aan de andere kant symbolen uit de kunsttaal). Daarnaast was een set van rekenregels nodig waarmee correct geredeneerd kon worden. Zo kon je de beweringen uit een redenering vertalen van de natuurlijke taal naar de kunsttaal en met behulp van de rekenregels nagaan of de redenering klopte, zonder te hoeven ingaan op de betekenis van de uitdrukkingen in de natuurlijke taal.

3. Frege. Onder aanvoering van Frege heeft de logica een enorme vlucht genomen. De moderne logica maakt inderdaad gebruik van kunsttalen, zogeheten formele talen, die geschikt bleken om begrippen nader te onderzoeken.

Leibniz’ droom blijkt te utopisch: een van de onopgeloste kernproblemen zit in de vertaalsleutel tussen de natuurlijke en de formele taal. Begrippen uit de natuurlijke taal bezitten vaak niet de scherpte die nodig is voor een vertaling in een formele taal, en als je de rekenregels op de onbevredigende vertalingen loslaat, hebben de resultaten maar een beperkte goedheid.

1.2.3 Aspecten van een redenering

In de logica noemt men de argumenten premissen. Een redenering is dus een reeks van beweringen die onderling verbonden zijn, doordat een van de beweringen (namelijk de conclusie) uit de andere (de premissen) volgt. In een redeneerschema staan de premissen boven en de conclusie onder de horizontale streep.

De geldigheid van een redenering staat los van de vraag of de afzonderlijke beweringen waar zijn, het zegt uitsluitend iets over het verband tussen de beweringen onderling.

Bij de modus ponens is één van de premissen een implicatie (als p, dan q); de tweede premisse stelt dat het antecedens (dat wil zeggen p: datgene wat na ‘als’ volgt) het geval is; uit deze twee premissen volgt dwingend dat ook het consequens (dat wil zeggen q) het geval is.

Bij de modus tollens geldt: het consequens (dan…) van een implicatie (als, dan-bewering) wordt ontkend, dus kan het antecedens (als…) niet waar zijn.

Toch worden er veel fouten gemaakt, bijvoorbeeld door foutieve omkering: uit het antecedens volgt het consequens, maar niet andersom. Onware conclusies kunnen het gevolg zijn van onware premissen en denkfouten.

Logische kunsttalen bestaan uit een combinatie van letters (variabelen), tekens (constanten) en hulptekens. Bij logische constanten kun je denken aan tekens voor voegwoorden. Abstraheren is het wegkijken van de betekenis van de zinnen waaruit een redenering bestaat en ze vervangen door betekenisloze letters (hoofdletters voor woorden of termen, kleine letters voor hele zinnen), waardoor de betekenis onzichtbaar wordt en de structuur naar voren komt. Zo is het makkelijker de geldigheid van een redenering te achterhalen.

Het syllogisme is een vorm van deductief redeneren, een redeneervorm waarbij, uitgaande van de waarheid van de premissen, de conclusie noodzakelijkerwijs waar is, en bestaat uit: twee premissen waar tussen een verband bestaat, zó, dat ze samen tot een derde uitspraak leiden (de conclusie). Als in beide premissen eenzelfde term voorkomt is dat de middenterm. De ene premisse verbindt het onderwerp van de conclusie met de middenterm, de tweede premisse verbindt het gezegde met de middenterm. De eerste algemene premisse wordt de maior van de redenering genoemd, de tweede premisse (minor) zegt iets over bijzondere gevallen waarop de algemene premisse van toepassing zou moeten zijn.

Als je hele zinnen vertaalt in letters (variabelen) spreek je van propositielogica. Vervang je alleen de termen, dan spreek je van predicatenlogica.

 

1.2.4 Propositielogica

Een propositie is een basiszin die uit één enkelvoudige bewering bestaat en waar is óf onwaar. De variabelen staan voor proposities en de constanten drukken een verband uit tussen die proposities.

Een vertaling van een redenering in de propositielogica gaat als volgt:

Stap 1: Vertaal eerst de basiszinnen uit de redenering in propositieletters, welke letters welke zinnen vervangen geef je aan met een zogenoemde vertaalsleutel.

Stap 2: Kijk welke verbanden er binnen de premissen tussen de proposities worden gelegd: ‘niet’, ‘en’, ‘of’, ‘als…, dan…’. Dit zijn constanten of connectieven.

Stap 3: De vertaling van een redenering gaat bijvoorbeeld zo:

p -> q

p

------------

q

In een waarheidstafel vul je de waarheidswaarden in van de afzonderlijke beweringen: ‘0’ als de propositie onwaar is en ‘1’ als hij waar is.

Er zijn waarheidstafels voor implicaties (‘als…, dan…’), negaties (‘niet’), conjuncties (‘en’), disjuncties (‘of’) en exclusieve disjuncties (‘óf…, óf…’).

Een tautologie is een redenering die altijd waar is, bijvoorbeeld: ((p -> q) ^ p) -> q. Een formule waarvan de waarheidswaarde wisselt noemen we een contingentie, bijvoorbeeld: ‘niet’ r -> ‘niet’ p. Een contradictie is altijd onwaar: (p^q) ^ ‘niet’ p.

1.3

1.3.1 Overtuigend spreken

Al zijn je argumenten nog zo sterkt en al klopt je redenering als een bus, je betoog kan nog steeds zijn doel missen: namelijk te overtuigen. Bewijskracht tegenover overtuigingskracht, dat is het verschil tussen logica en retorica, tussen een onweerlegbaar bewijs en een onweerstaanbaar betoog.

Mede onder invloed van de sofisten is de retorica in de loop der tijd in een kwaad daglicht komen te staan (het synoniem voor drogredenen is sofismen). Wie de technieken van de redenaar doorzag en beheerste, kon deze ook als trucs misbruiken. Zo diende de retorica, volgens haar critici, eerder het gelijk krijgen dan het gelijk hebben.

1.3.2 De taken van de redenaar

Officia oratoris betekent de taken van de redenaar. De klassieke retorica onderscheidde vijf fasen in de voorbereiding (dit vormt nog steeds de basis van elke presentatie):

1. Inventio of vinding. Verzameling van de meest overtuigende argumenten, citaten, etc.

2. Dipositio of ordening. Het gevonden materiaal wordt vervolgens geordend tot een logisch geheel. Voorbeeld: gerechtelijk pleidooi:

a. Exordium (inleiding)

b. Narratio (verhaal of weergave van de feiten)

c. Propositio (hoofdstelling van het betoog) en Partitio (indeling van de bewijsvoering.

d. Argumentatio (werkelijke betoog) en Digresso (uitweiding)

e. Peroratio (slotbetoog)

3. Elocutio of verwoording. Hier wordt het betoog uitgeschreven.

4. Memoria, oftewel: uit je hoofd leren.

5. Actio of pronuntiatio. De voorbereiding van de werkelijke presentatie.

1.3.3 Drogredenen

Een drogreden wordt vaak beschreven als een redenering die geldig lijkt, maar het niet is, of een bedrieglijke redenering (‘drog’ komt van ‘bedrog’). De meest voorkomende drogredenen kunnen worden ingedeeld in vier categorieën:

1. Drogredenen door misleidend taalgebruik

  • Dubbelzinnigheden en woordspelingen. ‘Ik pas in mijn jas, mijn jas past in mijn tas, dus ik pas in mijn tas.’ Als een meerzinnigheid wordt gebruikt in een argumentatie kan dat misleidend zijn.
  • Emotioneel taalgebruik. Emotioneel taalgebruik in een betoog kan op een misleidende manier de emoties van het publiek bespelen en zo bijdragen tot de overtuigingskracht van de spreker.
  • Strikvraag/drogreden van de meervoudige vraag. Een strikvraag is een slimme manier om iemand een aantal vragen tegelijk te stellen, in de hoop hem ongemerkt antwoorden te ontfutselen op vragen die hij misschien liever ontwijkt, of hem ongemerkt standpunten te laten innemen die hij niet heeft. Je stelt slechts één vraag, maar in die ene vraag zitten andere vragen verborgen.

2. Misleidende beweringen

  • Overhaaste generalisaties. Inductief redeneren is een vorm van generaliseren. Het verband tussen de premissen en de conclusie is hooguit waarschijnlijk, het kan immers zijn dat alle premissen waar zijn, terwijl de conclusie (achteraf) toch onwaar blijkt. Wat eerst een aannemelijke conclusie leek op grond van een groot aantal afzonderlijke waarneming (inductieve generalisatie dus), blijkt achteraf een overhaaste generalisatie.
  • Post hoc ergo propter hoc: erna, dus erdoor. ‘Sinds ik deze vitamines slik voel ik me stukken beter.’ Als twee gebeurtenissen elkaar altijd opvolgen, dan nemen we aan dat de eerste gebeurtenis een oorzaak is van de tweede, maar we zien geen oorzakelijk verband. Deze fout wordt vaak gemaakt wanneer genezing volgt na een therapie waarvan niet bewezen is of deze effect heeft.

3. Misleidend redeneren

  • Petitio principii: cirkelredenering. Een cirkelredenering is een bedrieglijke redenering, omdat wat een redenering lijkt het in feite niet is. In een cirkelredenering wordt het standpunt verdedigd met (elementen uit) het standpunt zelf. Als een argument een standpunt eenvoudigweg herhaalt, zij het in andere bewoordingen, dan is er in feite geen sprake van een argument. Een cirkelredenering is wel altijd geldig: p -> p.
  • Non sequitur: ‘Dat volgt er niet uit’. Non sequitur is de drogreden van de foutieve gevolgtrekking. De drogreden schuilt in het gebrek aan logische samenhang, waar deze wel wordt gesuggereerd. Het gesuggereerde verband zet je publiek op het verkeerde been.
  • Foutieve omkeringen. Uit het antecedens volgt het consequens, het omgekeerde geldt niet: uit het consequens volgt niet het antecedens.
  • Foutieve analogieën: appels met peren vergelijken. Een analogieredenering is een redenering die op grond van overeenkomsten tussen de zaken A en B concludeert dat een eigenschap die aan A toekomt ook aan B toekomt. Net als in het geval van de inductieve redenering volgt bij een analogieredenering de conclusie niet dwingend uit de premissen. In dit geval is, als de premissen waar zijn, de conclusie hooguit mogelijk.

3. Misleidend redeneren

  • Petitio principii: cirkelredenering. Een cirkelredenering is een bedrieglijke redenering, omdat wat een redenering lijkt het in feite niet is. In een cirkelredenering wordt het standpunt verdedigd met (elementen uit) het standpunt zelf. Als een argument een standpunt eenvoudigweg herhaalt, zij het in andere bewoordingen, dan is er in feite geen sprake van een argument. Een cirkelredenering is wel altijd geldig: p -> p.
  • Non sequitur: ‘Dat volgt er niet uit’. Non sequitur is de drogreden van de foutieve gevolgtrekking. De drogreden schuilt in het gebrek aan logische samenhang, waar deze wel wordt gesuggereerd. Het gesuggereerde verband zet je publiek op het verkeerde been.
  • Foutieve omkeringen. Uit het antecedens volgt het consequens, het omgekeerde geldt niet: uit het consequens volgt niet het antecedens.
  • Foutieve analogieën: appels met peren vergelijken. Een analogieredenering is een redenering die op grond van overeenkomsten tussen de zaken A en B concludeert dat een eigenschap die aan A toekomt ook aan B toekomt. Net als in het geval van de inductieve redenering volgt bij een analogieredenering de conclusie niet dwingend uit de premissen. In dit geval is, als de premissen waar zijn, de conclusie hooguit mogelijk.

4. Valse retoriek

  • Stroman: het verdraaien of overdrijven van iemands standpunt. Een man van stro is gemakkelijk omver te werpen, net zoals een verdraait of overdreven standpunt makkelijker aan te vechten is dan het standpunt dat werkelijk was ingenomen.
  • Argumentum ad hominem: op de man spelen. Als iemand een ad hominem-argument gebruikt, brengt hij de opponent in verlegenheid door voorvallen te vertellen die de opponent als dom, onbetrouwbaar, enz. afschilderen (zoals bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen). Een variant op het ad hominem-argument is de jijbak (‘Waarom doodt u onschuldige beesten?’ ‘Waarom eet jij vlees van onschuldige beesten?’). Als je je persoonlijk aangevallen voelt is het zelden verstandig om in de verdediging te gaan.
  • Argumentum ad populum: het bespelen van je publiek. Emotioneel taalgebruik is vaak een vorm van het ad populum-argument. Het is een drogreden omdat er in feite niet voor het standpunt wordt geargumenteerd, maar alleen wordt ingespeeld op gevoelens en vooroordelen van het publiek. Wie tijdens bijeenkomsten de emoties van het publiek effectief weet te bespelen, zal het publiek gemakkelijker op zijn hand krijgen.
  • Argumentum ad verecundiam: het autoriteitsargument. ‘Omdat ik het zeg!’ Het verdedigen van een standpunt door al dan niet terecht een beroep te doen op een gezaghebbende persoon of instantie. Het beroep op autoriteit wordt pas een drogreden, wanneer de aangehaalde persoon of instantie niet deskundig is in de kwestie waarover de discussie gaat, of als zijn of haar woorden verdraaid worden weergegeven, of als die deskundige zelf niet over argumenten beschik maar gewoon iets gelooft.
  • Ontduiken/verschuiven van de bewijslast. ‘Geloof je me niet? Leg jij dan maar eens uit hoe het zit!’ Hier neemt iemand een standpunt is en weigert vervolgens dat standpunt te verdedigen, waardoor hij de bewijslast bij de opponent in de schoenen schuift.
  • Ad baculum-argument: dreigen, intimideren, manipuleren. ‘Als je nu niet doet wat ik zeg, dan zwaait er wat!’ Een variant op het ad baculum-argument is emotionele chantage, bijvoorbeeld het aanpraten van schuldgevoel.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.