Samenvatting filosofie se1

Hoofdstuk 1 wijsgerige antropologie

De mens is tegelijkertijd subject (onderzoeker) en object (dat wat onderzocht moet worden) van het onderzoek in de wijsgierige antropologie. We zitten immers vast aan ons eigen ‘menszijn’.

Volgens Aristoteles1 hebben mensen naast het vermogen van de planten om te leven (het vegetatieve) en van dieren om te voelen (het sensitieve), als bijzonder/onderscheidend kenmerk het denken (het intellectuele): ‘een dier dat kan denken’ (animal rationale). Hij gaat uit van het monisme: éen substantie, lichaam en geest niet gescheiden. Ook gaat hij ervan uit dat we moeten proberen gevoel en verstand met elkaar in evenwicht brengen.

De vraag of alleen mensen kunnen denken en/of bewust zijn van zichzelf is nog steeds actueel. Volgens sommige filosofen is het feit dat mensen zich behalve van hun bestaan, ook bewust zijn van hun de eindigheid van hun bestaan doorslaggevend. Dat ze weten dat ze zullen sterven, maakt dat ze hun leven van een afstandje kunnen beschouwen.

Plato1 gaat uit van het dualisme: scheiding van geest (onsterfelijke ziel) en (sterfelijk) lichaam. De ziel bestaat uit drie delen: de rede (het denken), het gemoed (het gevoel, of de wil) en de begeerte (het streven naar lichamelijk genot). Hij zegt dat we zo l=moeten leven dat de rede de leiding heeft over de ziel en dat de begeerte zoveel mogelijk in toom wordt gehouden.

De wijsgerige antropologie is in het begin van de 20ste eeuw als aparte tak in de filosofie ontstaan. Als het uitgangspunt heeft het de biologie; opvatting van de mens als een bepaalde diersoort, niet in de eerste plaats een redelijk wezen.

Friedrich Nietzche1 is een belangrijke voorloper met zijn beeld van de mens als redelijk wezen en het ‘ziekmakend’ noemen van de rede. Zijn opvattingen omvatte:

Net zoals alle andere levende wezens is de mens niets meer dan ‘wil tot macht’, gericht op heersen en overleven.

De mens moet vanuit de natuur begrepen worden en niet als de kroon op Gods schepping.

De mens is het ‘nog niet vastgestelde dier’

Mensen zijn slecht uitgeruste dieren; ze missen een warme vacht, snelheid en kracht en moeten het daarom met hun intellectuele capaciteiten compenseren.

Geïnspireerd op Nietzsche wordt de mens in de Duitse wijsgierige antropologie een wezen met een gebrek genoemd; Mangelwesen

Dus mens is dus geen puur redelijk wezen

Hij verklaarde God dood en de mens ‘Meester en vormgever van zichzelf’.Mensen moeten zichzelf uitvinden, hun eigen leven vormgeven, in tegenstelling tot dieren, wiens leven volgens een vast stramien verloopt.

Dit maakt ze op zekere hoogte vrij, maar een ingewikkeld soort, die zeker niet allen geluk oplevert.

Volgens Helmuth Plessner1, een van de grondleggers van de wijsgerige antropologie, is de mens ‘van nature kunstmatig’. De mens geeft zijn eigen leven vorm, en ook zijn omgeving. Ondanks dat de mens net zo goed uit een lichaam bestaat dat moet eten en sterfelijk is, is de mens ook een cultuurwezen naast een natuurwezen (zoals dieren), omdat de mens afstand kan nemen van natuurlijke behoefte (bijvoorbeeld eten uitstellen of kiezen hoe hij eet als hij honger heeft). Via cultuur proberen mensen ‘zin’ te geven aan het leven (wat in de natuur niet aanwezig is) en zichzelf leren kennen/via zijn eigen producten leren hoe het is om mens te zijn.

De mens maakt de cultuur en de cultuur maakt de mens. Enculturatie: onze (waarde)oordelen worden voor een groot deel bepaald door de cultuur waarin we zijn opgegroeid.

Hoe de mens over zichzelf denkt, is veranderbaar, bijvoorbeeld door wetenschappelijke inzichten.

Volgens Sigmund Freud1 heeft het mensbeeld, en daarmee de eigendunk van de mens, drie zware slagen te verduren gekregen:

Copernicus stelde in 1514 een nieuw model van het heelal voor, waarbij de zon in het middelpunt stond en de planeten daaromheen bewegen. Zo werd de aarde/de mens plotseling uit het middelpunt van de schepping gehaald.

In 1859 had Charles Darwin een evolutietheorie over het toevallig ontstaan van soorten door natuurlijke selectie (survival of the fittest). Dit beïnvloedde het idee van de mens als evenbeeld van God en de plaats als heerser/ het (recht om zich) boven plaatsen over de dieren en planten. De mens was namelijk net zo toevallig ontstaan en het had dezelfde afkomst als die van dieren (mens evolutionair dichtbij aap).

De laatste schreef hij toe aan zichzelf. Hij beweerde dat de mens niet alleen als dier werd beschouwd, maar ook gedegradeerd tot een ziek dier dat therapie nodig heeft.

In plaats van de gebruikelijke behandeling (dwangbuizen, elektroshocks, etc), introduceerde hij de revolutionaire psycho-analyse therapie: gesprekstherapie gericht op het herbeleven trauma’s uit de kinderkindertijd. Van veel van onze belangrijke drijfveren zijn namelijk onbewust en hiermee kunnen deze naar boven worden gehaald.

Freud deelt de menselijke geest in drieën:

Ich: de persoonlijkheid, die in belangrijke mate wordt bepaald door het Es

Es; het dierlijke/ de (seksuele) driften

Über-Ich; een soort geweten dat opgebouwd wordt door de opvoeding. Het controleert of er geen verboden of verdrongen gedachten in het bewustzijn komen, maar als je slaapt, sluimert het Über-Ich, zodat die gedachten of verlangens vermomd toch voorkomen in je dromen. Deze kunnen ons veel vertellen over onbewuste drijfveren en daarom is de droomduiding een belangrijk deel van zijn therapie.

Volgens Freuds mensbeeld wordt de mens voor een groot gedeelte bepaald door seksuele driften, waardoor het lichamelijke dus een veel belangrijke rol speelt dan bij Plato of Descartes, waarbij de mens vooral als een redelijk wezen wordt opgevat.

Hoe de mens over zichzelf denkt, hangt naast wetenschappelijke en religieuze opvattingen, samen met culturele en historische veranderingen.

Aangezien de hoofdvraag van de wijsgerige antropologie ‘wat is de mens?’ gesteld wordt door de mens zelfs, is het tegelijkertijd ook de vraag naar wie we zelf zijn. We komen dan meteen een probleem tegen: we eten dat de cellen waar ons lichaam uit bestaan verschillende keren vervangen worden tijdens ons leven, in materieel opzicht is er dus niet veel over gebleven van toen we een kind waren, maar toch hebben we het gevoel dat er iets is dat hetzelfde. Is er zoiets als een ‘kern’ waaruit onze persoonlijkheid bestaat? Zijn we nog steeds wel dezelfde persoon als toen we kind waren?

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen

John Locke1 ging uit van tabula rasa (onbeschreven blad): geen aangeboren karakter en ideeën, door wat je meemaakt word je wie je bent.

Doordat je ervaringen (/gebeurtenissen) over je levensloop heen door ons geheugen (/herinnering) bij je houdt en aaneenrijgt tot een samenhangend verhaal, blijf je wie je was/ heb je een idee van het ‘zelf’. Dit maakt je tot een uniek individu, want niemand anders heeft precies dezelfde levensgeschiedenis als jij. Maar betekent dit dat als je je geheugen verliest, je ook je ‘zelf’ verliest, is er dan niets meer over van de mens die ze daarvoor waren? We zijn toch geneigd te denk dat er los daarvan nog iets anders is dat een persoon zijn identiteit bepaalt.

Volgens David Hume1 is er niets buiten onze ervaringen: we zijn niets meer dan een verzameling van ervaringen en herinneringen, een kern ontbreekt. Wat je ook probeert, je ‘zelf’, de ‘eigenaar’ van deze gevoelens en ervaringen, kun je nooit vinden.

Veel hedendaagse filosofen hebben de postmoderne opvatting (dat er niet één waarheid is over de mens, maar talloze verschillende opvattingen naast elkaar) dat we begrip van onszelf krijgen door een verhaal over onszelf te vertellen: ons karakter is niet een gegeven, maar een constructie. Dus door verhalen te vertellen (boeken, films, etc) kunnen we proberen te begrijpen wat het betekent om een mens te zijn.

De middeleeuwse Thomas van Aquino1 staat bekend als verzoener van Aristoteles’ filosofie met het christendom. Het mensbeeld dat het vermogen om te denken de essentie is van de mens neemt hij voor een groot deel over, maar dit vermogen wordt door God ingegeven. De mens heeft zijn lichaam in bruikleen zolang hij op aarde is en daarom moet hij dit en de rest van de schepping, de dieren en de planten met waardigheid behandelen: ‘rentmeesterschap’ over de natuur.

Volgens Plato2 is er wel een onveranderlijke kern: de menselijke ziel. Deze bestaat uit drie delen:

De rede (het gouden deel)

Het gemoed (het zilveren deel)

De begeerte (het bronzen deel)

Plato vergelijkt de ziel met een menner en twee paarden. Het ene paard is lomp en zwart (de lichamelijke begeerte), het andere paard is rank en wit (moed en geeskracht). De menner leidt dit tweespan langs de hemel, tussen de aarde en de Ideeënwereld in. De menner staat symbool voor de rede en heeft de leiding, maar kan het zwarte paard nauwelijks in bedwang houden. Deze probeert het tweespan naar de aarde te trekken. Het witte paard wil naar boven, weg van de aarde en terug naar de volmaakte Ideeënwereld.

De ziel komt oorspronkelijk uit de Ideeënwereld en heeft daarom alle kennis van de Ideeën in zich, eenmaal afgedaald naar arde wordt de ziel gevangengehouden door het lichaam, die door zijn behoeften de ziel afleidt van de ware kennis. Plato noemt het lichaam dan ook ‘de kerker van de ziel’. Het lichaam staat voor het dierlijke van de mens, waartoe je je niet moet verlagen.

Plato gaat uit van twee werelden:

De onstoffelijke wereld van de ziel en de zuivere ideeën

De aarde, materiële wereld van het lichaam.

Dit is een dualistisch uitgangspunt: er zijn twee substanties, twee soorten ‘stof’ die radicaal gescheiden zijn. Hiertegenover staat het monisme: alles bestaat uit één en dezelfde stof. Aristotelis heeft een monistische opvatting: lichaam en ziel kunnen niet los van elkaar bestaan, net zoals dat dingen uit vorm en materie bestaan, bestaan mensen uit lichaam en geest.

De meeste westerse mensen gaan ervan uit dat ze een lichaam hebben en niet zijn. Dit veronderstelt dat mensen hun ‘zelf’, hun identiteit, los van het lichaam beschouwen.

Het cartesiaans dualisme komt van Descartes1: het lichaam en geest als twee strikt/absoluut gescheiden substanties. De wereld van de materie en de wereld van de geest zijn totaal verschillend. Volgens hem is het lichaam stoffelijk (gemaakt van materie) en neemt dit ruimte in (res extensa). De geest neemt geen ruimte in en is onstoffelijk (res cogitans).

Hij kan zich moeilijk voorstellen hoe de twee werelden invloed op elkaar kunnen uitoefenen, maar dat brengt een groot probleem (denken > bewegen). Hij komt tot de conclusie dat een klein orgaantje in de hersenen, de pijnappelklier, de plaats moet zijn waar de wonderlijke wisselwerking plaatsvindt.

Dieren zijn volgens Descartes domme machines: ze hebben alleen deel aan de uitgebreidheid (de materie) en niet aan de geestelijke wereld, en daarom kun je dieren ook nabouwen en mensen niet (ze voelen ook geen pijn).

Volgens Julien Offray de la Mettrie1 is het probleem dat Descartes had met de verbinding tussen lichaam en geest, een schijnprobleem. Alleen gezonde mensen kunnen denken dat het verschillende dingen zijn, als je ziek bent merk je dat ze elkaar zo beïnvloeden dat ze niet los kunnen zijn. Er is maar een substantie, de materie. De mens is een ingewikkelde machine, ons denken en voelen zijn bepaalde toestanden van de hersenen waarin zich allerlei fysische en chemische processen afspelen die scheikundig te verklaren zijn: materialisme. De onstoffelijke wereld (van Descartes) is weer tot materie te herleiden en het gedrag van mensen door mechanische en biologische wetten (materialisme is dus een vorm van monisme (alleen materie)).

De deterministische visie is een doorvoering hiervan: als alles wat wij denken en doen wordt bepaald door stofjes en processen waar wij zelf geen invloed op hebben, is onze vrije wil een illusie.

De filosofie van Benedictus de Spinoza1 is ook een soort monisme, er is maar één substantie: ‘God’, ‘Natuur’ of ‘het Ene’. God is oneindig en buiten God kan niets bestaan of begrepen worden. Het denken en het lichamelijke zijn beide verschijningsvormen van God; twee aspecten van dezelfde substantie. De menselijke vrijheid bestaat uit het inzicht dat alles noodzakelijk is zoals het door God bepaald is. Juist door ons neer te leggen bij ons lot, zijn we vrij.

Een metafoor van twee klokken die altijd precies gelijklopen die het dualisme en monisme uitleggen:

Descartes (dualisme): de klokken (een lichamelijke en een geestelijke) zijn met elkaar verbonden door ene mechanische wisselwerking (in het lichaam: door de pijnappelklier) en daarom altijd gelijklopen.

Spinoza (monisme): er is slechts één klok (één substantie) waarvan we twee wijzerplaten zien, die verbonden zij met hetzelfde mechaniek.

Dezelfde kloof tussen lichaam en geest bij het cartesiaans dualisme is ook tussen de binnenwereld (van de geest, die onzichtbaar is, want ons bewustzijn is alleen voor onszelf toegankelijk) en buitenwereld (hier bevindt het lichaam, tussen alle andere dingen).

Het probleem van de relatie tussen onze ideeën en de wereld buiten ons komt ook terug bij Immanuel Kant1. De wereld an sich kunnen wij niet kennen, we kunnen niet loskomen van onze manier van waarnemen en alleen de wereld op onze eigen manier kennen.

Husserl1 is de grondlegger van de fenomenologische methode. Dit is en benaderingswijze voor het bovenstaande probleem. Hij maakte in navolging van Kant onderscheid tussen de manier waarop wij de dingen ervaren (de fenomenen) en hoe de dingen los van onze ervaring zijn. We kunnen niet weten hoe de dingen los van onze ervaring zijn, dus dat kunnen we daarom beter (tijdelijk) buiten beschouwing laten en ons focussen op onze ervaringen. Zo kunnen we onze gedachten en gevoelens scheikundige processen in onze hersenen noemen, maar dit zegt niets over hoe onze ervaring hiervan is. Onze waarneming is niet minder goed dan de wetenschappelijk vertaling van die waarneming in stofjes, trillingen of elektrische impulsen, het is alleen een ander perspectief op de wereld. Bovendien veroorzaken die stofjes misschien de gedachten, maar je kunt moeilijk beweren dat ze hetzelfde zijn, je kan namelijk niet een stukje hersenen aanwijzen dat bijvoorbeeld je eerste schooldag is.

Volgens Husserl meten we ons het bewustzijn niet voorstellen als een afgesloten kamer vol gedachten in ons hoofd, alleen door de activiteit van het ervaren van dingen in de wereld bestaan het bewustzijn. Intentionaliteit: het bewustzijn is altijd op iets anders gericht dan op zichzelf.

Plessners2 methode is ook fenomenologisch: hij bekijkt op welke manier dingen, planten, dieren en mensen zich verhouden tot hun omgeving.

Levenloze dingen zoals stenen kunnen de relatie tot hun omgeving niet zelf vormgeven

Bij een plant is er is geen ‘zelf’ dat de relatie met de omgeving stuurt/vormgeeft, er is maar een soort reactie mogelijk om dit te doen; de blaadjes gaan open als het licht wordt en weer dicht als het donker wordt.

Dieren vormen wel een zelfstandig element in de omgeving, het koppelt wat het doet/ het contact terug naar een ‘centrum’ (een soort centraal zenuwstelsel, maar niet helemaal). Door dit centrisch kan een dier handelen, verschuilen als doel een prooi te vangen en tot actie overgaan als die dichterbij komt.

De mens is naast centrisch ook excentrisch; de mens is een lichaam en heeft tegelijkertijd een lichaam. Zijn verschil met een dier is dat hij weet dat hij het centrum van zijn activiteiten is. Tweede terugkoppelingsmogelijkheid: behalve naar het centrum, koppelt de mens ook terug op de terugkoppeling zelf. Excentrische houding tot zijn omgeving = mensen kunnen als buitenstaander naar zichzelf kijken en zijn zich bewust van zichzelf (last hebben van vervelend gevoel/pijn en beseffen dat het pijn heeft; pijn lijden).De verhouding tussen centrisch en excentrisch zorgt dat mensen afstand heeft tot zichzelf en niet samenvalt met zijn omgeving, omdat mensen niet samenvallen met hun lichaam en omgeving voelen ze zich nooit helemaal thuis in de natuur en meten ze hun eigen leven en omgeving zelf vormgeven. Dit is de verklaring van het ontstaan van cultuur. Hierom noemt Plessner de mens ‘van nature kunstmatig’.

De mens is allereerst een biologisch levens wezen. Het lichaam is het uitgangspunt (andersom als cartesiaans dualisme!). De menselijke natuur is dus dubbelzinnig, maar niet gespleten zoals bij Descartes. Lichaam en geest horen bij elkaar, net als Aristotelis benadrukte: als twee kanten van dezelfde medaille.

Maurice Merleau-Ponty1 neemt net als Plessner het lichaam als uitgangspunt in plaats van het denken, zet zich dus daarmee af tegen het cartesiaanse dualisme en hanteert de fenomenologische methode:

De relatie tussen mensen en hun wereld noemt hij ‘het uitstaan naar de wereld’.

Mensen staan niet tegenover de wereld en hun eigen lichaam (zoals bij Descartes), maar zijn in de wereld.

Ze zijn hun lichaam, ipv hebben.

‘Decentreren van het subject’ = de wereld is niet daarbuiten, maar omvat de mens

Bij Descartes is het menselijk denken het middelpunt van de wereld, terwijl bij Merleau-Ponty het lichaam centraal staat en er niet een ‘ik’ is wat daarbuiten of boven staat.

Door het lichaam nemen we een plaats in in de wereld; het lichaam bepaalt hoe we de wereld waarnemen (klein; ander standpunt, ziek/moe; wereld verschijnt andere manier dan gezond/fit). Omdat we zo gewend zijn aan ons lichaam, merken we niet meer hoe het onze waarneming en ons denken beïnvloedt (puntje neus). Eerst is er het lichaam, dan het denken (tegenovergestelde cartesiaanse mensbeeld met menselijk denken centraal).

Volgens Hilary Putnam1 verhoudt de menselijke geest zich op dezelfde manier tot de hersenen als de software (programma’s) tot de hardware (de chips). Dus, als de geest niets meer is als een ingewikkelde machine, kunnen we die dan niet na maken? Is het principieel mogelijk om een computer te maken die kan denken? Alan Turing1 dacht van wel. In 1950 voorspelde hij dat aan het eind van de twintigste eeuw de publieke opinie zo veranderd zou zijn, dat het heel normaal zou zijn om over denkende machines te spreken. Maar dat moest het wel duidelijk zijn wat we daarmee bedoelen, zijn experiment als antwoord op deze vraag (later de ‘Turing-test’) = in de ene kamer zitten een man en een vrouw, in de ander een ondervragen die doormiddel van vragen te stellen via een telexverbinding, erachter moet komen wie de man is en wie de vrouw. Als een machine de rol overneemt van beide ondervraagden, zal de ondervrager dan doorhebben dat het een computer is? De computer moet zo overtuigend antwoorden, dat de ondervrager dit niet doorheeft. Volgens Turing zou het binnen vijftig jaar lukken om een computer te programmeren waarbij de ondervrager niet binnen vijf minuten zal doorhebben dat het geen mens is waar hij mee communiceert.

John Searle1 bedacht in 1990 een nieuw denkexperiment in reactie op de Turing-test. Volgens hem lijkt het alleen maar alsof de computers kunnen denken. Experiment: We zijn in een kamer vol met Chinese tekens waarvan we geen idee hebben wat ze betekenen. Net als bij de Turing-test is de test in de vorm van een vraag-antwoord spel. Je krijgt vragen in de vorm van bundeltjes tekens, en moet antwoorden door bundeltjes tekens in de juiste volgorde weer terug te geven. Je krijgt een handboek in je eigen taal om de Chinese tekens in verband te brengen met andere Chinese tekens, zodat je de juiste tekens achter elkaar zet, terwijl je geen idee hebt wat de vraag is en wat je hebt geantwoord. Toch is de Turing-test dan voldaan: de antwoorden zijn niet te onderscheiden van de antwoorden van een Chinese spreker. Searles punt is dus dat computers niet anders doen dan de regels volgen die zijn geprogrammeerd, zonder dat de computer enig idee heeft van betekenis. Dat is volgens Searle niet genoeg om te veronderstellen dat een computer kan denken of ergens begrip van heeft.

Daniel Dennett1 met ideeën over de mogelijkheid van het maken van een menselijk robot in een interview en de vraag daarbij, heeft zo’n robot vrijheid?

Determinisme = de mens wordt bepaald door iets waar hij geen invloed op heeft en is dus niet vrij. Volgens Freud wordt de mens bepaald door driften en volgens Darwin door erfelijke factoren.

Een bekende discussiekwestie op dit gebied is nature-nurture = worden we bepaald door onze genen of door onze opvoeding en omgeving?

Bijvoorbeeld Locke hangt de tabula rasa theorie aan = alleen de ervaring en dus de omgeving maakt ons tot wat we zijn. In onze tijd met de opgedane kennis over genetica is dit idee niet meer houdbaar.

Structuralisme = onze toevallige plaats in deze structuur van de maatschappij (directe omgeving + waar bevinden in grotere geheel van maatschappij) is bepalend voor wie wij worden.

Naast het sociale milieu waar je opgroeit, zijn de regeling van verkeer en onze taal ook voorbeelden van structuur. Verkeer: verkeersregels beperken en geven het verkeer vorm, zodat niet iedereen op elkaar inrijdt. Taal: mogelijkheid om op een bepaalde manier te denken en communiceren. Onze grammatica deelt de wereld in in dingen en eigenschappen, waardoor we met elkaar kunnen praten, beperkt worden in wat we zeggen en bepaald soort denken worden opgelegd.

Existentialisme = gaat uit van de menselijke ervaring van het bestaan; het bijzondere van het mens-zijn is juist dat we niet gedetermineerd zijn, maar vrij.

De bekendste vertegenwoordiger hiervan, Jean Paul Sartre1 maakt onderscheid:

Het zijn van de natuur, en soi (op zich): de natuur valt met zichzelf samen en is zich niet bewust van zichzelf

Dieren kunnen wel op hun omgeving reageren (dat kunnen zelfs dingen zoals de thermostaat van de verwarming), maar deze reactie heeft voor hen geen betekenis.

Alleen mensen zijn pour soi (voor zich): mensen zijn bewust van hun bestaan.

Daarom hebben menen weet van geschiedenis en de cultuur waarin ze leven

Mensen geven hun leven betekenis, in tegenstelling tot dieren

Net als Nietzsche gaat Sartre ervan uit dat de menselijke natuur niet vastligt.

‘Existentie gaat vooraf aan essentie’. Het menselijk bestaat betekent: keuzes maken. Onze essentie ligt niet vast: we hebben geen aangeboren karakter, doel, plan of kern en geen God die ons op een bepaald manier heeft gevormd. Bijvoorbeeld een koolmeesje kan daarentegen niet of nauwelijks afwijken van het gedrag dat zo keurig in de vogelgids beschreven wordt. De mens heeft een vrijheid die hij niet kan ontlopen, omdat een mens zich zijn van zijn onbepaaldheid bewust is (en daarom ook van de angst, zorg, verveling en zinloosheid van het bestaan) en daarom zijn leven zelf invulling en betekenis moet geven. Sartre zegt daarom dat de mens ‘veroordeeld’ is tot vrijheid. Volgens het existentialisme hebben mensen altijd een keuze en daarom alle verantwoordelijkheid voor hun eigen leven. Als je toch je verantwoordelijkheid, en zo ook je vrijheid, probeert te ontlopen (bijvoorbeeld zeggen dat je er niet aan kan doen dat je bent zoals je bent), ben je niet trouw aan je menszijn.

Volgens Simone Beauvoir1 wordt je niet als vrouw geboren, maar tot vrouw gemaakt. Zij ging (ook) uit van het existentialisme en het feminisme = de biologische verschillen zijn geen rechtvaardiging voor sociale, culturele of economische verschillen. (Volgens het gelijkheidsdenken van het feminisme) Je wordt door de maatschappij tot man of vrouw gemaakt, de verschillen zijn niet natuurlijk, maar worden gecreëerd. Bijvoorbeeld door andere opvoeding of verwachtingen. Van oudsher worden vrouwen geassocieerd met gevoel en natuur en mannen met rationeel denken en zelfbeheersing.

Luce Irigaray1 gaat uit van een andere stroming binnen het feminisme die zich richt op seksuele differentie = uitgaan van de verschillen tussen man en vrouw. De beleveniswereld van een vrouw is anders dan die van een man en vrouwen moeten daarm niet hetzelfde proberen te worden als mannen, maar juist onafhankelijk daarvan een eigen identiteit ontwikkelen. Ze noemt de symbolische orde van de taal fallocentrisch = het gaat uit van de man. Haar ideaal is een cultuur waarin het mannelijke en het vrouwelijke naast elkaar kunnen bestaan, zonder aan traditionele rolpatronen en taalconstructies vast te zitten.

De stoïcijnen gingen ervan uit dat emoties de innerlijke rust en het denken vestoren. Ideaal is de apatheia = een houding van rust waarin je je lot aanvaardt en alles accepteert zoals het komt: niet de gebeurtenissen, die je niet in de hand hebt, bepalen dan hoe het met je gaat, maar jouw reactie daarop. Je lot is al bepaal, maar het feit dat je kunt kiezen of je het lot accepteert of ertegen verzet, maakt je vrij.

Ook volgens Spinoza2 ligt onze vrijheid in de aanvaarding van datgene wat noodzakelijk is. In zijn werk Ethica (1677) beschrijft hij een soort mechaniek van de hartstochten. Net zoals alle andere dingen zijn emoties onderworpen aan natuurwetten en als we inzicht hebben in hoe emoties bij onszelf en anderen werken, kunnen we beter handelen en lijden we minder (bijvoorbeeld bedenken iemand die je beledigt niet vrij is in gedrag).

Spinoza onderscheidt drie fundamentele emoties:

De begeerte: de drift tot zelfbehoud

De vreugde: hier komt liefde uit voort ‘vergezeld van het idee van een uiterlijke oorzaak’. De hoogste vorm van liefde is voor God, die gelijk staat aan pure kennis.

Het verdriet

Aristotelis2 noemde emoties ‘passies’. Ze vormen het passieve deel van de ziel en staan tegenover het actieve, redelijke deel van de ziel. Plato zag de rede als belangrijkste deel van de ziel, maar Aristotelis’ ideaal is een evenwicht tussen gevoel en verstand. Emoties kunnen ons helpen te bepalen wat we waardevol vinden en geven ons daarom nuttige informatie. Bijvoorbeeld als je ergens ontzettend kwaad van wordt, heeft dat misschien met een gevoel van onrechtvaardigheid te maken, en is het zinvol om te bedenken waar dat vandaan komt.

Volgens William James1 hebben we de verkeerde volgorde in ons hoofd bij het optreden van een emotionele reactie (eerst emotie dan lichamelijke reactie). Volgens hem is eerst de lichamelijke reactie en daaruit het besef van de emotie. Dus zonder de lichamelijke reactie, is er geen emotie. Net zoals dat als je alle lichamelijke kenmerken weghalen bij een emotie zoals woede, blijft er niets van de woede over. Het voordeel hierbij is dat we ons lichaam kunnen controleren en zo ook de emotie kunnen bedwingen of een emotie kunnen oproepen door de lichamelijke kenmerken uit te voeren (bijvoorbeeld lachtherapie).

Volgens de fenomenologische benadering van Sartre zijn emoties een manier om de werkelijkheid te ontvluchten, door de beleving van de werkelijkheid te veranderen. Zo kun je bijvoorbeeld door flauwvallen (angst) de werkelijkheid en daarmee datgene waar je bang voor bent, tijdelijk uitschakelen. Ook huilen in een situatie waarin je je machteloos voelt, geeft je een excuus om niets te hoeven doen. Dus zelfs emoties zijn het gevolg van keuze, ook al is deze keuze niet helemaal bewust. Het is een manipulatie van de werkelijkheid en niet iets wat je overkomt en waarop je helemaal geen invloed hebt.

(Tegenwoordig lijkt het ideaal van de maakbare samenleving omgeruild te zijn voor het ideaal van een maakbaar persoonlijk leven. Volgens Simone Beauvoir is het onmogelijk om in je eentje vrij te zijn, je bent pas vrij in een vrije wereld, waarin alle anderen ook vrij zijn.)

+ 2 artikelen

Hoofdstuk 2 ethiek

1.Het goede leven

In de ethiek gaat het om de vraag wat iemand tot een ‘goed mens’ maakt, in tegenstelling tot een ‘slecht mens’.

Hannah Arendt1 bereikte een groot publiek met haar beschrijving van het proces tegen Eichmann, die als ambtenaar meewerkte aan de joden-deportatie: Het ontbrak hem aan verantwoordelijkheidsgevoel vanwege zijn verweer dat hij alleen maar orders had uitgevoerd. Zij noemde dit de banaliteit van het kwaad.

Stanley Milgram1 deed een experiment waarbij mensen werden opgedragen via een microfoon vragen te stellen aan iemand in een afgesloten hokje, en deze steeds zwaardere stroomschokken toe te dienen als hij het verkeerde antwoord gaf. Hieruit blijkt dat de meeste mensen niet zelf beter zouden handelen als (bovenstaande) ambtenaar Eichmann, want driekwart ging door tot maximaal voltage (wat leidt tot dood).

Het woord ethiek is afgeleid van ‘ethos’, wat ‘gewoonte’ betekent. Het bestudeert de moraal = het geheel van waarden en normen in een bepaalde cultuur, en is bepalend voor de manier waarop mannen en vrouwen met elkaar omgaan, hoe kinderen worden opgevoed, welke feesten er zijn en welke regels er gelden in het openbare leven. Morele regels achten we belangrijk en hebben voorrang boven andere regels. Morele oordelen hebben daarmee een sterke waardering en doen een beroep op je gevoel.

Er komen drie belangrijke ethische theorieën aan bod:

De deugdethiek

Het utilitarisme

De plichtethiek

Waarden = geven aan wat mensen belangrijk vinden, ze vormen de kern van de moraal en worden meestal positief geformuleerd (als een ideaal).

Morele waarden = hebben betrekking op het samenleven met anderen. Bijvoorbeeld rechtvaardigheid, eerlijkheiden respect.

Niet-morele waarden = bijvoorbeeld schoonheid.

Normen worden afgeleid uit waarden en zijn meestal negatief geformuleerd (je mag niet…). Bijvoorbeeld waarde: respect voor iemands eigendom. Norm: stelen mag niet.

Waarden worden onderverdeeld:

Intrinsieke waarde: een waarde die op zichzelf waardevol is en niet om iets anders nagestreefd wordt. Bijvoorbeeld geluk.

Instrumentele waarden: een waarde die niet een doel is op zichzelf, maar als een instrument om tot een intrinsieke waarde te komen. Bijvoorbeeld rijkdom als middel om geluk te bereiken.

Een feit is een beschrijving van een stand van zaken en je kan opzoeken of het klopt of niet.

Over een waardering kan worden getwist: er is niet een goed antwoord.

Volgens David Hume2 is het principieel anders om te beschrijven (descriptief) hoe iets is, dan om te zeggen hoe iets zou moeten zijn (prescriptief). Hij noemt dit de is/ought fallacy = de drogreden van zijn en behoren.

Voorbeeld: vrouwen moeten het huishouden doen en voor de kinderen zorgen (norm), omdat zij kinderen kunnen baren (feit). Dit is een naturalistische drogreden = uit hoe het in de natuur is, wordt afgeleid hoe het (in de cultuur) zou moeten zijn.

Bij Plato3 is ‘het Goede’ een onveranderlijk Idee uit de Ideeënwereld. Het aardse en het lichamelijke (bijvoorbeeld het overdadig streven naar eten) houden de mens volgens Plato af van het streven naar dit goede, dat alleen door de rede bereikt kan worden. De belangrijkste deugden zijn wijsheid, moed en matigheid, die samen resulteren in rechtvaardigheid. Net als zijn leraar Socrates gaat Plato ervan uit dat het goede verbonden is met inzicht. Als je weet wat het goede is, zal je er volgens hem ook naar handelen.

2.Het geluk, de plicht en de deugd

Volgens Aristoteles3 is een goed mens iemand die optimaal functioneert, een mens die letterlijk deugt. Het goede, geslaagde leven valt bij Aristoteles samen met het gelukkige leven. Geluk is niet hetzelfde als genot. Het woord dat Aristoteles gebruikt is eudaimonia = het volmaakte leven, waarin de mens zijn mogelijkheden zoveel mogelijk verwerkelijkt. De ethiek van Aristoteles wordt de deugdethiek genoemd. Deugden zijn volgens deze opvattingen houdingen die je aanzetten om het goede te doen, zoals eerlijkheid, matigheid en barmhartigheid.

Voor (kerkvader) Thomas van Aquino2 is het geloof de bron van het goede. De kardinale deugden verstandigheid, rechtvaardigheid, moed en matigheid worden door hem aangevuld met de christelijke deugden hoop, geloof en liefde. De hulp van God is volgens Thomas onmisbaar om over jezelf heen te reiken en rechtvaardig te kunnen handelen zonder dat dit in je eigen belang is. De mens moet behalve voor zijn medemens ook goed voor de natuur zorgen die hij van God in bruikleen heeft gekregen (rentmeesterschap).

Benedictus de Spinoza3 heeft een boek geschreven met de titel Ethica. Ieder hoofdstuk bestaat uit definities, stellingen, bewijzen en conclusies. God is het uitgangspunt van zijn ethiek. God legt geen morele wetten op. Wat goed is, wordt bepaald door wat het zelfbehoud van de mens bevordert. Een mens die zijn eigenbelang nastreeft (maar dan wel een eigenbelang op de langere termijn, dus geen kortstondig genot), is volgens Spinoza een deugdzaam mens. Hiervoor hoeft hij niet door God beloond te worden: de beloning van de deugd is de deugd zelf.

Het uitgangspunt van Epicurus1 was: datgene wat geluk of plezier oplevert is goed, en dat wat pijn of lijden veroorzaakt is slecht. Hedonisme = in ons leven het plezier nastreven de pijn vermijden. Tegenwoordig wordt er vaak een andere betekenis aan gegeven = het streven naar een leven vol genot en met veel uitspattingen. Dat bedoelde Epicurus niet, zijn doel was om innerlijke rust te vinden, niet om overmatig te consumeren. Volgens hem moeten we de deugd van de ataraxia nastreven = een houding tegenover de buitenwereld van volkomen rust en zorgeloosheid. Je moet lichamelijke pijn, geestelijke onrust en verwarring vermijden. Beroemde uitspraak: ‘Als ik er ben, is de dood er niet en als de dood er is, ben ik er niet’. Door zo te denken kun je veel lijden vermijden, aangezien de angst voor de dood het plezier in het leven ernstig kan vergallen.

Het hedonisme ligt ten grondslag aan het utilitarisme, een van de drie hoofdstromingen in de ethiek. Uitgangspunt = het streven naar zoveel mogelijk geluk. Dit is onderdeel van de gevolgenethiek, waarbij handelingen beoordeeld worden op de gevolgen ervan, en niet bijvoorbeeld op de intentie. Een handeling is simpelweg goed als deze geluk oplevert en slecht als die ellende veroorzaakt.

Jeremy Bentham1 stelde de hoofdregel op voor het utilitarisme, de hedonistische calculus = een handeling is goed als deze zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen oplevert. Bentham hanteerde een democratisch principe: ieder individu is even veel waard. Het verschil met het hedonisme is dus, dat het daar gaat om het geluk of plezier van het individu. Om het grootste geluk voor de grootst mogelijke groep mensen te bereiken, moet het individu/de minderheid zich soms opofferen voor het geluk van de meerderheid. Bijvoorbeeld bij het verdelen van een taart, levert iedereen een even groot stuk taart geven niet altijd het meeste geluk op. Sommige mensen houden meer of minder van taart.

Kritiek1 op de hedonistische calculus is het voorbeeld van Sam (principieel probleem). Sam is een wat onnozele, ongeliefde jongen met weinig vrienden. Zijn tante ligt in het ziekenhuis en hij gaat op bezoek. Tegelijkertijd komen drie zwaargewonde, geliefde voetballers binnen die organen nodig hebben. Een arts die handelt volgens de hedonistische cirkel stelt voor Sam te ontvoeren en zijn organen te gebruiken voor de voetballers, dat brengt het meeste geluk op voor de meeste mensen. Echter zijn de andere artsen, die de eed van Hippocrates hebben gezworen, het oneens: het overlijden van drie patiënten is nog altijd beter dan een onschuldige vermoorden. De hedonistische calculus lijkt hier tot een uitkomst te leiden die de meeste mensen als moreel slecht zouden zien, dus geformuleerd in termen van waarden wordt hier geen rechtgedaan aan de intrinsieke waarde van de mens.

Praktische problemen2 aan de hedonistische calculus is hoe stel je de hoeveelheid geluk vast die een handeling oplevert? Kun je dat wel in cijfers uitdrukken? Is het ene soort geluk wel te vergelijken met het andere?

John Stuart Mill1 richtte op zijn zeventiende de ‘Utilitaristische Vereniging’ op en was het eens met Bentham dat een handeling moreel goed is als deze zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen oplevert. Echter vreesde hij wel dat met alleen de hedonistische calculus al leidraad voor het beoordelen van een handeling, dat de cultuur in gevaar zou komen3. Als mensen namelijk alleen maar kiezen voor de maximalisering van geluk en genot en als vastgehouden wordt aan het democratisch principe, zal van ‘hogere’ cultuuruitingen niet veel overblijven, omdat de meerderheid zou kiezen voor ‘lager vermaak’. Daarom voegde hij toe: bij het bepalen van het nut van de handeling moet niet alleen rekening worden gehouden met de kwantiteit (de hoeveelheid) geluk, maar ook met de kwaliteit van geluk. Zelfontplooiing en intellectuele ontwikkeling zijn meer waar dan de lagere genoegens zoals lust en luiheid. Door de mogelijkheden die mensen hebben, zijn ze in stat tot hogere verlangens en hebben mensen een bepaalde waardigheid, waar ze bij het beoordelen van een handeling rekening mee moeten houden. Mensen moeten zich niet verlagen tot dieren. ‘Beter een ontevreden mens, dan een tevreden zwijn’.

Mill heeft geprobeerde de nadelen van de kwantitatieve benadering bij het utilisme te ondervangen door te wijzen op de kwaliteit van geluk en van menselijke waardigheid. Kritiek1 daarop kan zijn dat Mill er een elitaire theorie op na houdt: waarom zouden we aan de ene vorm van geluk meer waarde moeten hechten dan aan de andere/is het ene inderdaad waardevoller dan het ander? Later nuanceert Mill dat het echte geluk bestaat uit een combinatie van intellectueel geluk en ongecompliceerd genot. Uitgangspunt = anderen mogen niet geschaad worden, pas door in harmonie met anderen te leven, kun je het geluk bereiken.

Een andere manier om de problemen van het utilisme van Bentham te ondervangen, is onderscheid te maken tussen handelingsutilisme en regelutilisme:

Benthams utilitarisme (handelingsutilisme) = een persoon moet een specifieke handeling uitvoeren die zo veel mogelijk geluk voor zo veel mogelijk mensen voortbrengt.

Regelutilisme = kijkt naar langere termijn gevolgen van een handeling en stelt dat je moet kiezen voor de regel die, algemeen nagevolgd, tot zoveel mogelijk geluk zou leiden.

Oplossing van probleem van Sam, omdat de regel dat het leven van onschuldige mensen opgeofferd mag worden als daarmee het leven van anderen gered wordt, brengt op de langere termijn niet meer geluk voort (niemand zou dan meer naar het ziekenhuis durven of artsen vertrouwen).

Toch blijft er principiële kritiek4 mogelijk op het utilitarisme: een handeling is volgens het utilitarisme alleen maar goed of slecht door de gevolgen die het heeft. Aka het doel heiligt de middelen. Maar dat kan nog steeds ingaan tegen ons gevoel van wat rechtvaardig is, want gat het er niet eerder om of je goede bedoelingen hebt?

Een praktisch probleem5 blijft ook bestaan: is het wel mogelijk van tevoren goed in te schatten wat de gevolgen van je handeling zullen zijn?

De plichtethiek gaat uit van de morele plicht van waaruit een handeling gedaan wordt. Dus hier wordt bepaald of de handeling goed genoemd kan worden en niet de gevolgen. Waar het utilitarisme ervan uitgaat dat menselijke handelingen worden bepaald door verlangens, gaat de plichtethiek van Immanuel Kant ervan uit dat mensen ten diepste rationele wezens zijn: de moraal is gefundeerd in het verstand. Om te bepalen of een handeling goed is, heeft Kant de categorische imperatief opgesteld = een universele morele wet (voor iedereen, overal, in elke tijd). Deze formuleert hij op verschillende manieren:

Eerste formulering = ‘Handel alleen volgens die stelregel waarvan je redelijkerwijs zou kunnen willen dat het een algemene wet wordt’. Als je handeling is gebaseerd op een regel die verwijst naar iets (bijvoorbeeld belofte) dat niet zou bestaan als iedereen die regel hanteerde, is het geen goede handeling. (Als niemand hun belofte zou nakomen zou je zouden beloftes niet meer bestaan).

Tweede formulering = ‘Je moet een mens altijd als doel op zich behandelen en nooit alleen als middel’. De waardigheid van de mens komt volgens Kant voort uit de rede en de autonomie (zelfbestuur) van de mens. In tegenstelling tot het utilitarisme, waar het individu opgeofferd kan worden voor het geluk van het geheel, heeft de mens hier altijd een intrinsieke waarde en mogen mensen nooit als alleen instrument behandeld worden. Je mag wel voordeel behalen uit menselijke betrekkingen (gebeurd voortdurend, bijvoorbeeld bakker of vrienden), waardoor je ze voor een deel gebruikt als middel om iets te bereiken. Zolang de menselijke waardigheid wordt gewaarborgd.

Het is niet een wet die van bovenaf wordt opgelegd, het morele zit er juist in dat wij als rationele en autonome wezens onszelf deze wet opleggen (wil als bron). In Fundering voor de metafysica van de zeden (1785) schrijft Kant: ‘Nergens er wereld, of zelfs daarbuiten is iets denkbaar dat onvoorwaardelijk als goed kan worden beschouwd, behalve een goede wil. Intellectuele talenten zoals verstand, humor en oordeelsvermogen zijn ongetwijfeld in veel opzichten goed maar deze natuurgaven kunnen ook uiterst kwaadaardig en schadelijk worden, wanneer de wil dier er gebruik van maakt, niet goed is.’

Kritiek op plichtethiek:

Kants theorie is te absoluut en houdt daardoor te weinig rekening met omstandigheden. Volgens Kant kan je bijvoorbeeld niet redelijkerwijs willen dat liegen een algemene regel wordt, maar in sommige omstandigheden lijkt dit toch beter (moordenaar). Dit gaat om de morele intuïtie: als je mag kiezen tussen het redden van een leven en het volgen van de regel, doen de meesten liever het eerste.

Volgens Kant is en handeling moreel als deze uit plicht wordt gedaan. Hierbij lijkt het gevoel een ondergeschikte rol te spelen (‘kille’ opvatting moraal). Sluit dit wel aan bij ons gevoel van wat een morele handeling is? Zo doen we veel goede daden niet alleen vanuit een puur redelijke overweging. En is het wel wenselijk dat we alleen uit rede en plicht handelen? Gebruik van emoties bij handelen kan als een morele kwaliteit worden gezien.

De laatste jaren is er weer veel belangstelling voor de deugdethiek. De traditionele plichts- en gevolgenethiek draaien om de vraag ‘Wat moet ik doen?’ en de nadelen van deze regelgeleide opvattingen zijn vooral dat ze weinig recht doen aan het individu en aan de omstandigheden waarin het individu zich bevindt. De categorische imperatief en de hedonistische calculus pretenderen universeel geldig te zijn, maar komen in verschillende gevallen niet overeen met onze morele intuïtie.

De ethische vraag van de deugdethiek is ‘Hoe moet ik leven?’. Waarbij het niet zozeer om het formuleren van regels en die toepassen op handelingen gaat, maar om het aanleren van een goede levenshouding.

Aristoteles ziet de mens als ‘politiek dier’, een sociaal wezen dat zich alleen kan ontwikkelen met andere mensen om hem heen. Het doel is het bereiken van eudaimonia, het goede, volmaakte leven waarin de mens zijn talenten en mogelijkheden verwerkelijkt. Dit is voor iedereen anders (andere aard en aanleg). Dit hangt samen met zijn teleologische visie = alles in de natuur heeft een doel en streeft ernaar zo volmaakt mogelijk te worden. De deugd is een houding die ons in staat stelt om juist te handelen (is ook in belang van gemeenschap). Aristoteles legt de nadruk op denken (rede) en het genieten van het leven (geluk), als je de gulden middenweg vindt ben je een deugdelijk mens.

Aristoteles onderscheidt:

Het praktische verstand (phronèsis): vooral in belang in de deugdethiek, omdat daarmee het juiste midden gevonden moet worden.

Voorbeeld: een boogschutter die goed moet kunnen mikken en rekening moet houden met de wind en de afstand en het soort pijl en boog dat hij gebruikt.

Het theoretische verstand (sophia)

De deugden liggen steeds tussen twee extremen in en moeten voortdurend worden getraind, zodat het een gewoonte wordt om het goede te doen en dat steeds minder moeite kost. Een goede opvoeding is hierbij essentieel, want je moet leren in te zien wat het goede is (: wat het juiste midden is).

Het goede en het gelukkige leven valt samen, in tegenstelling tot de plichtethiek en het utilitarisme, waarbij het goede doen van je plicht niet tot geluk hoeft te leiden (-van de grootste groep). De motivatie om goed te handelen wordt daardoor duidelijker.

Kritiek op deugdethiek:

Een stuk minder duidelijk dan de plicht- en gevolgenethiek. Het formuleert geen algemene regels waaraan je je met houden en geeft geen antwoord op de vraag wat je in welke situatie precies moet doen.

De bruikbaarheid kan worden bekritiseerd, omdat wij in heel andere omstandigheden leven dan Aristoteles. We leven niet meer in een overzichtelijke omgeving van de stadstaat (polis), maar in een ingewikkelde samenleving met verschillende culturen en opvattingen.

Voorstanders zien dit als reden waarom het nu nog belangrijker is: juist bij het maken van lastige keuzes kan het belang dat de deugdethiek hecht aan goede voorbeelden je helpen te bepalen wat voor jou nastrevenswaardig is en welke houding bij je past.

Het heeft een optimistisch, en volgens sommigen naïef mensbeeld aan de grondslag. Volgens Aristoteles willen mensen niet liever dan goed en deugdelijk zijn, maar in de praktijk komen we vaak voorbeelden tegen van mensen die zich misdragen en helemaal niet lijken te beschikken over zo’n innerlijke motivatie om een deugdelijk mens te willen zijn.

Aristoteles (net als Plato) verklaart dit door onwetendheid. Uitgangspunt = de mens die het goede kent, zal vanzelf het goede doen. Willens en wetens kwaad doen is onmogelijk volgens de deugdethiek.

3.Waarden en rechten

Waarden vormen een belangrijke basis voor de ethiek. Volgens sommige filosfen ligt het fundament van onze waarden in de natuur, maar dat kan verschillend worden opgevat:

Bij Aristoteles liggen deugden in het verlengde van onze natuurlijke capaciteiten. De natuur is een ordelijk systeem, gericht op een doel.

Bij Kant is de menselijke redelijkheid (verstand) een voorwaarde voor moreel handelen, maar is de natuur zelf onredelijk. Natuurlijke verlangens leiden daarom tot niet goed handelen.

Bij Nietzsche is de natuur niet goed of slecht en maken de deugden die Aristoteles belangrijk vindt, ons juist tam en zwak. Het goed is het krachtige, vitale leven waarin de Wil tot Macht tot uitdrukking komt.

In de jaren zeventig verdedigde de Amerikaanse etholoog E.O. Wilson de sociobiologische opvatting dat menselijk gedrag genetisch bepaald is en net als andere levensvormen gebaseerd is op het recht van de sterkste (natuurlijke selectie volgens de evolutietheorie van Darwin). Hij rechtvaardige de dominantie van mannen over vrouwen en van westerse over niet-westerse mensen vanuit de biologie, en dit was volgens tegenstand een naturalistische drogreden.

De Nederlandse etholoog Frans de Waal is ervan overtuigd dat moraal een biologische eigenschap is van de mens en dat ook sommige dieren die aanleg hebben.

Anderen beargumenteren dat moraal juist iets typisch menselijks is, een onderdeel van cultuur. De natuur zou amoreel zijn: niet goed of slecht. Gedrag wordt bepaald door biologisch instinct en is gericht op overleven. Wij kunnen daar als mensen bepaalde waarden aan toekennen en bepaalde gevoelens bij hebben, de natuur zelf lijkt er onverschillig onder.

Volgens Hume vormen de morele gevoelens, zoals inlevingsvermogen, de motivatie van onze moraal.

Een van de discussiepunten in de ethiek gaat over of er universele waarden zijn, ook als de ene cultuur hele andere consequenties (norm) aan deze waarden verbindt dan andere.

Etnocentrisme = het beoordelen van andere culturen gebaseerd op het eigen waardesysteem. Bijvoorbeeld superioriteitsgevoel van de westerse cultuur in de tijd van het kolonialisme en het zien als nobele daad van cultuuroplegging.

Cultuurrelativisme = het is niet mogelijk andere culturen objectief te beoordelen, je kijk op een andere culturen wordt altijd bepaald door je eigen cultuur (kan je nooit helemaal los van komen). Dus etnocentrisme is onvermijdelijk, culturen zijn onvergelijkbaar en daarom kun je niet stellen dat de ene beter is dan de andere. Hierdoor zou je ook niet te veel mogen bemoeien of ingrijpen in andere culturen, ook al vindt je normen of waarden daar onrechtvaardig of onmenselijk.

Het uitgangspunt van algemene geldigheid (universalisme) van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is principieel in strijd met het cultuurrelativisme en kan regels bevatten die typisch westers zijn en dus helemaal niet universeel geldig.

Morele problemen worden vaak geformuleerd in termen van rechten en recht zijn meestal gefundeerd op waarden. Zo is abortus een moeilijke afweging tussen de waarden autonomie en het recht op leven. Vanaf wanneer beschouwen we het klompje cellen als een mens (en heeft het dus rechten)? Tegenstanders wijzen erop dat zelfs een hele jonge foetus al pijn zou kunnen kennen. Peter Singer gebruikt hetzelfde argument voor het toekennen van rechten aan dieren. Als een wezen kan lijden, hebben wij de plicht daar rekening mee te houden. Als we dit alleen doen voor onze eigen soort, maken we ons schuldig aan discriminatie, in dit geval ‘speciesisme’. Volgens hem is het opheffen van discriminatie van dieren de volgende stap in de ontwikkeling na slavernij en gelijke rechten aan vrouwen.

Als waarden zoals redelijkheid en autonomie als belangrijkste waarden worden beschouwd, zoals bij Kant, ligt het voor de hand om alleen mensen rechten toe te kennen. Het toekennen van rechten aan dieren en/of de hele natuur, wijst op een andere houding ten aanzien van de natuur en de plaats van de mens daarin (bezit van grond?).

In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd de houding van de mens tegenover de natuur een belangrijk thema in een nieuw discipline van de filosofie: de milieufilosofie. Volgens de eerste milieufilosofen was het kapitalistische systeem constant gericht op het maken van winst door uitbreiding en groei, de oorzaak van de uitbuiting van de natuur. De kritiek richtte zich op de gehele moderniteit en met name het eenzijdige rationeel denken en de scheiding tussen lichaam en geest zouden een vervreemding teweegbrengen tussen mens en natuur.

Drie houdingen worden onderscheiden:

De overheersing van de natuur door de mens. Aan de natuur wordt geen intrinsieke waarde toegekend, de natuur wordt gebruikt als hulpbron (instrument) voor menselijke doeleinden.

Het rentmeesterschap over de natuur. In de Bijbelse betekenis beheert de mens de natuur namens God. De afhankelijkheid van de natuur wordt onderkent en daarom moeten de grenzen van de natuur, met kijk op beheer in toekomstige generaties, in acht worden genomen.

De eenheid met de natuur. De verschillen tussen mens en natuur bestaan hier niet, de natuur heeft een intrinsieke waarde en dient met respect te worden behandeld.

Natuuropvattingen die een intrinsieke waarde aan de natuur toekennen worden ecocentrisch genoemd. Daartegenover staat het antropocentrisme = de mens staat centraal en wordt opgevat als de enige bron van waarden. De natuur ontleent haar waarde alleen aan menselijke belangen.

Of dieren rechten hebben hangt dus af van de visie op de natuur.

4.Individualisme

In de drie hoofdstromingen van de ethiek staat het individu centraal, alhoewel verschillend:

Deugdethiek: persoonlijke ontwikkeling van het individu, die door goed te leven zijn talenten maximaal kan ontplooien.

Plichtethiek = autonomie van het individu, dat alleen een moreel handelend persoon kan zijn als hij zichzelf bestuurt.

Utilitarisme = het handelende individu als uitgangspunt, dat moet inzien dat het in zijn eigen belang is om zijn persoonlijke streven naar geluk aan te passen aan het algemeen belang van de grootste groep.

Het begrip individu, en dus de centraal-heid ervan, heeft verschillende betekenissen in culturen. In Japan ontbreek het begrip ‘zelf’, met als invloed de boeddhistische achtergrond. Volgens de Japanse filosofie is er niet zoiets als en ziel of een geest die maakt dat een individu uniek is, maar word je gevormd door de relaties die je met anderen hebt. Dit fundamenteel andere uitgangspunt maakt dat hier ook geheel andere waarden worden geacht dan in de westerse cultuur.

De Verlichting was een belangrijke periode voor de ontwikkeling van waarden als individualiteit, vrijheid en zelfontplooiing. De nadruk lag op de rede, in plaats van het geloof. Dit is samengevat in Kants motto voor de Verlichting = ‘Sapere aude’; ‘Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen’. Door de nadruk die op de rede werd gelegd, kreeg de religie een andere functie in de samenleving, wat zorgde voor grote gevolgen bij de christelijke waarden. De waarden als saamhorigheid, traditie en afhankelijkheid (volgens Nietzsche waarden van het slavenmoraal) werden vervangen door autonomie, ontwikkeling, privacy, onafhankelijkheid, originaliteit en authenticiteit.
Nietzsches devies werd ‘Wees meester en vormgever van jezelf’, dus niet meelopen met ‘domme massa’. Zelfontplooiing is niet iets zachtaardigs dat je makkelijk kunt leren, het gaat om de harde ‘Wille zur Macht’ en deze levensdrift maakt iedereen eenling.

Volgens de Canadese filosoof Charles Taylor1 heeft het individualisme het moderne idee van authenticiteit (echtheid, eerlijkheid en jezelf zijn) verkeerd opgevat. Wanneer er geen gedeelde waarden zijn krijg je egocentrisme en relativisme. Iedereen gaat dan zijn eigen gang en elke opvatting is evenveel waard. Dat leidt tot onverschilligheid en losraken van maatschappelijke verbanden. Volgens hem is sociale gebondenheid juist essentieel voor de ontwikkeling van het individu.

Vroeg lag de bron van onze waarden buiten onszelf, met name door de rol van religie in het dagelijks leven. Tegenwoordig zoeken we naar de bron van waarden in onszelf. In Taylors boek De malaise van de moderniteit stelt hij dat veel van wat we waardevol vinden juist allen kan bestaan in relatie met andere mensen. Alleen op basis van waarden die door de samenleving worden aangereikt, kun je bepalen wat voor jou persoonlijk waardevol is.

Volgens de media gaan we achteruit met onze cultuur, zoals toenemende criminaliteit, agressie tegen hulpverleners en het verliezen van respect voor leraren en politie. Als verklaring wordt het individualisme vaak gebruikt, en vooral de jaren 60 en 70 moeten het bezuren; hier lag de nadruk op de bevrijding van knellende tradities en het breken van oude patronen. Maar bijvoorbeeld gelijke rechten, legalisatie van euthanasie en abortus en het homohuwelijk wordt door velen geprezen. We leven nu eenmaal in een cultuur waarin er niet een gedeelde opvatting is over ‘het goede leven’, maar een enorme diversiteit aan meningen.

Logica

De simpelste beweringen zijn mededelende zinnen. Deze worden proposities genoemd, zoals de zin ‘het regent’. Door verschillende zinnen kan dezelfde propositie/gedachte-inhoud tot uitdrukking worden gebracht (il pleut). Of deze propositie waar is, hangt af van de omstandigheden. Waarheidswaarde = het waar of onwaar zijn van iets. Waarheid is niet hetzelfde als geldigheid; dat een redenering geldig is, betekent dat dat de conclusie logisch volgt uit de premissen. De vorm van de redenring klopt, wat de garantie geeft dat als de premissen waar zijn, de conclusie ook waar is. Maar als de premissen niet waar zijn, dan hoeft de conclusie ook niet waar te zijn.

Voorbeeld van geldige redenering:

Premisse 1: Als het herfst is, vallen de bladeren.

Premisse 2: Het is herfst.

Conclusie: De bladeren vallen.

Dit is een modus ponens, die als vorm heeft:

Als p, dan q

P

Q

Een andere geldige redeneervorm is de modus tollens:

Als p, dan q

Niet q

Niet p

Voorbeeld:

Als het regent, is het volle maan

Het is geen volle maan

Het regent niet

Bovenstaande redenering is wel geldig, maar niet waar.

Voorbeeld van een redenering die niet geldig is:

Als het regent, is de straat nat

De straat is nat

Het regent

De conclusie volgt namelijk niet logisch uit de premissen, deze ongeldige redeneervorm wordt de bevestiging van de consequens genoemd.

Syllogistiek

Er zijn verschillende soorten logica. Elke logica is toegespitst op een bepaald soort redeneringen. Binnen de syllogistiek kun je alleen verwijzen naar algemene termen. Aristoteles is de grondlegger van deze oudste logische theorie. Een logische redenering hierbinnen heet een syllogisme.

Syllogismen hebben altijd een bepaalde vorm:

Premisse 1 (ofwel vooronderstelling 1)

Premisse 2 (ofwel vooronderstelling 2)

Conclusie

Voorbeeld:

Premisse 1: Iedere filosoof is een mens

Premisse 2: Iedere logicus is een filosoof

Premisse 2: Iedere logicus is een filosoof

Conclusie: iedere logicus is een mens

Symbolische weergave:

FaM

LaF

LaM

Je kunt binnen de syllogistiek de volgende vier soorten proposities onderscheiden:

A-vorm (SaP): Iedere S is een P

E-vorm (SeP): Geen S is een P

I-vorm (SiP): Ten minste een S is een P

O-vorm (SoP): Ten minste een S is geen P

Elke propositie heeft een subject (S) en een predikaat (P).

Datgene wat in een syllogisme in beide premissen voorkomt (de ene keer als subject, de ander als predikaat) noemen we de middenterm en die geven we aan met een M.

Om syllogistiek te gebruiken om te zien of een redenering geldig is moet je op zoek gaan naar een tegenvoorbeeld. Stel:

MaP

MiS

SoP

Als je nu voor de premissen woorden kunt invullen, op zo’n manier dat beide premissen waar zijn, en de conclusie is onwaar, dan heb je aangetoond dt de redenering ongeldig is.

In dit voorbeeld kun je voor M mens invullen, voor P sterfelijk wezen en voor S scholier. Je krijgt dan twee ware premissen, maar een onware conclusie:

Ieder mens is een sterfelijk wezen

Ten minste een mens is een scholier

Ten minste een scholier is geen sterfelijk wezen

Drogredeneringen

Drogredeneringen zijn veelgebruikte redeneringen die lijkten te kloppen, maar ongeldig zijn.

Op de man spelen (argumentum ad hominem) = aanval op de persoon. Het doel van dit soort beweringen is niet het standpunt van de tegenstander weerleggen, maar hem zelf uit te schakelen. Dat wordt ‘op de man spelen, in plaats van de bal’ benoemd.

Voorbeeld: ‘Wat weet een huisvrouw zoals jij nou van politiek?’

Onjuiste oorzaak-gevolg relatie (post hoc ergo propter hoc) = daarna dus daardoor. Er wordt een causaal (oorzaak-gevolg) verband gesuggereerd dat niet terecht is. Dat het ene na het andere gebeurt, wil niet zeggen dat het ene de oorzaak is van het andere.

Voorbeeld: ‘Sinds het gat in de ozonlaag zijn de Nederlandse zomers een stuk beter’.

Stroman = verdraaien van de woorden van de tegenpartij. De toehoorder verdraait het standpunt van de spreker, zodat hij het er niet meer mee eens kan zijn.

Voorbeeld: ‘Dus jij vindt dat alle buitenlanders dieven zijn?’ (Als er werd beweerd dat de criminaliteit onder allochtonen hoger ligt dan onder autochtonen.)

Cirkelredenering = iets is waar omdat het waar is. Er wordt geen argument gegeven, aangenomen wordt datgene wat bewezen moet worden.

Voorbeeld: ‘Harry Mulisch is zo’n goede schrijver, omdat hij zo goed schrijft’.

Overhaaste generalisatie = ongeoorloofd veralgemeniseren. Met generaliseren hoeft niets mis te zijn. ‘Alle bejaarden kunnen op onze roze strippenkaart reizen’, is bijvoorbeeld een geoorloofde generalisering. Een generalisering is niet geoorloofd als er uit te weinig waarnemingen conclusies worden getrokken, of als er van niet-betrouwbare waarnemingen wordt uitgegaan.

Voorbeeld: ‘Belgen zijn dom’.

Vals dilemma = ten onrechte de ander dwingen tot een keus tussen twee dingen. Je dwingt de ander een keus te maken, tussen dingen, terwijl er best meerdere alternatieven kunnen zijn. Je stelt het dus ten onrechte zwart-wit voor.

Voorbeeld: ‘Als je niet voor mij bent, ben je tegen mij’.

Hellend vlak = van kwaad tot erger. Het is niet met zekerheid te zeggen dat het een tot het ander zal leiden en meestal worden de gevolgen sterk overdreven om de redenering kracht bij de zetten.

Voorbeeld: ‘Je mag geen flesje water mee in de klas, want als we daaraan beginnen is binnen mum van tijd iedereen aan het drinken en eten en wort het hier een grote bende.’

En jij zelf dan! (Ti quoque variant van ad hominem) = “Jijbak”: de ander verwijten zelf schuldig te zijn aan datgene waar hij tegen is. Het gaat om de inhoud van de argumentatie die de ander geeft, niet om zijn eigen gedrag.

Voorbeeld: ‘Jij hebt zelf ook een auto, een wasdroger en een afwasmachine, dus je moet eens ophouden met al dat gezeur over het milieu en de klimaatverandering’.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Peer

Peer

Tof dankjewel!

7 maanden geleden

Antwoorden

gast

gast