Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

CE-stof 2006: Deugelijk leven: een inleiding in de deugdethiek - Paul van Tongeren

Beoordeling 8.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 7837 woorden
  • 23 maart 2007
  • 57 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.2
  • 57 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Deugdelijk leven: een inleiding in de deugdethiek – Paul van Tongeren

Inleiding

Deugdethiek is gericht op problemen in het gewone leven, op waarden en op voorbeelden. Deugdethiek helpt ons de echte virtuositeit (de kunst van het voortreffelijk leven, de kwaliteit die nodig is om een bepaalde praktijk op excellente manier uit te oefenen) zoveel mogelijk te benaderen. Die virtuositeit heet deugd, waarover een lange traditie van ethische theorieën bestaat. Vroeger werd deugd geassocieerd met ‘de brave Hendrik’, sinds Max Scheler (1913) is er weer belangstelling voor de deugd. Door de burgerlijke 18e eeuw minachtte men de deugd, maar volgens hem was dat onterecht. In onze tijd kwam deugdethiek op als reactie op de verplichtende regels in de samenleving en door de herontdekking van de deugdethiek door filosofen.

HOOFDSTUK 1

§1 De plaats van de ethiek binnen de filosofie

Het is van belang te beseffen dat ethiek een filosofische wetenschap is want:

1. De filosoof wordt afgerekend op zijn denken en zijn argumenten daarvoor, niet op zijn handelen. Zijn uitspraken over ethiek moet je ook op zijn denken beoordelen.
2. Ethiek is in twee opzichten praktische filosofie: met betrekking tot haar object (ethiek denkt na over de praxis: het menselijk handelen) en met betrekking tot haar doel (het gaat in het nadenken over de praxis om de handeling zélf, de ethiek heeft als doel het handelen zo goed mogelijk te laten zijn). De ethiek denkt na over de moraal (hoe het handelen moet zijn). Ze is dus een normatieve discipline.
3. Ethiek is altijd verwant met andere vormen van filosofie, zoals antropologie en sociale filosofie. Kant vatte de filosofie samen in de vragen ‘wat kan ik weten?’ (epistemologie), ‘wat mag ik hopen?’ (godsdienstfilosofie) en ‘wat moet ik doen?’ (ethiek). Deze drie vragen zijn volgens hem allemaal specificaties van één centrale vraag: ‘wat is de mens?’. Filosofie kan dus niet zonder epistemologie of godsdienst.

§2 De plaats van deugdethiek binnen de ethiek/welke vraag stelt de deugdethiek?

Deugdethiek kun je zien als een bepaalde benadering in de ethiek. In verschillende ethische theorieën wordt erover gesproken. De ene theorie geeft er meer aandacht aan dan de andere, afhankelijk van hoe men de ethische vraag (hoe moet ik handelen?) interpreteert.

Verschillende benaderingen in de ethiek kun je als volgt onderscheiden:
- Hoe beantwoordt men de ethische vraag? Is handelen een doel (teleologisch) of een moeten (deontologisch)?
- Waardoor de kwaliteit van handelen vastgesteld? Door de consequentie van de handeling (consequentialisme) of de intentie oftewel de bedoeling van handeling (gezindheidsethiek)?

- Naar welk aspect van handelen gaat de meeste aandacht uit? Moreel en emotioneel (theory of moral sentiments) of rationeel (Diskurs-Ethik)?
- Welk aspect van moraal staat centraal? Is de waarde of de deugd belangrijker?

Filosofie bestaat uit vragen stellen. Daarbij zijn er twee verschillende soorten ethische vragen:
1. Wat moet ik doen? Het gaat dan om regels en normen. Wat mag je wel en niet doen, wat heb je gedaan en wat kun je doen?
2. Hoe moet ik leven? Het gaat niet om handelingen, maar om het leven als geheel. Hier staan eerder idealen centraal dan regels. Hoe geef je (samen)leven het beste vorm en vanuit welke houding handel je? In die houding zitten ook andere aspecten van het menselijk leven als stemmingen, emoties, gewoontes en karakter.
De deugdethiek als benadering binnen de ethiek past het beste bij de tweede manier van vragen. Op vragen van de eerste soort kan ze niet rechtstreeks antwoorden. De deugdethiek richt zich dus in tegenstelling tot andere ethieken op de persoon en zijn omgeving, in plaats van op handelingen en intenties.

§3 Over de praxis

Ethiek richt zich vooral op het handelen van het individu. Omdat we deugdethiek eerder beschouwen als ‘hoe moet ik leven’, spreken we van praxis en niet van handelen.
Poièsis is handelen dat je kunt opvatten als maken. Timmeren, schrijven, het doel van de activiteit ligt buiten de activiteit zelf. Praxis heeft zijn doel binnen de handeling liggen. Het gaat dan bijvoorbeeld om voetbal spelen: de activiteit zelf is al een doel op zich, door te spelen geniet je van het spel. De praxis, het voetbalspel, heeft regels die intern zijn aan de praktijk: zonder regels geen voetbalspel. Niet alleen wat je doet, maar ook hoe je het doet en hoe je ervaart, aanvoelt en reageert op wat er gebeurd is, is onderdeel van de praxis.

§4 Over de morele praxis

1. Poièsis en praxis zijn met elkaar verweven. De meeste handelingen hebben beide aspecten. Timmeren heeft niet alleen de tafel als doel, maar is ook een activiteit die je op zekere manier met meer of minder plezier kunt uitoefenen. Ook vereist poièsis praxis en omgekeerd. Je kunt niet voetballen zonder dat je schoenen hebt gekocht en het baantje dat je daarvoor hebt neem je omdat het je aantrekt.
2 Het leven als geheel is een praxis die alle andere activiteiten omvat. Het doel ervan bestaat niet in iets wat aan de activiteit leven uitwendig is, dan zou je kunnen ophouden met leven als je je doel bereikt hebt. Het doel van leven bestaat in de realisering of voltrekking van dat leven op een bepaalde (goede) manier. De regels van leven zijn afhankelijk van wat een gemeenschap, cultuur en tijd als menselijk leven ziet.
Een activiteit is moreel (goed of slecht) wanneer en voorzover die deel uitmaakt van de omvattende praxis van het leven, zich voegt naar of ingaat tegen de daarbij behorende regels en bijdraagt of afbreuk doet aan de realisering van het daarbij behorende doel. Dit betekent niet dat we alleen hele levens kunnen beoordelen, maar we beoordelen activiteiten alleen dán wanneer zo’n activiteit deel uitmaakt van het leven als geheel.
3 Moreel is niet per se als sociaal op te vatten: het gaat in de praxis niet alleen om het effect van je handeling op anderen. Dat wil niet zeggen dat het in de deugdethiek alleen om het eigen leven gaat, want:
a) Het eigen leven is niet los te maken van dat van anderen. Jouw leven is niet geslaagd als dat van mensen om je heen niet goed gaat.
b) De deugd is een excellente en optimale uitoefening van de praxis van het leven. Binnen het leven heb je activiteiten die alleen met anderen uit te oefenen zijn, bijvoorbeeld werken, feesten, teamsport, etc.
c) Met ‘het eigen leven’ wordt niet per se het leven van het individu bedoeld. Zo mogen we daar nu over denken, maar in een andere cultuur/gemeenschap/tijd kan dat anders ingevuld worden.

HOOFDSTUK 2

Waarom kiezen we deugdethiek als vorm van ethiek?

§1: Normen en waarden en deugden

Normen en waarden zijn met elkaar verbonden, maar twee aparte dingen. Normen zijn objectief en zijn regels. Normen zijn negatief: ze verbieden. Ze markeren een ondergrens waar je niet beneden mag vallen. Normen dagen uit tot overtredingen.
Waarden zijn daarentegen positief: ze formuleren een maximum. Daardoor motiveren ze degenen die zich door een waarde aangesproken voelen. Waarden zijn subjectief.
De deugd verbindt normen en waarden met elkaar en zorgt voor een combinatie van de twee tegenovergestelde begrippen.

Deugdethiek zegt niet alleen hoe je moet leven, maar geeft ook aan hoe je dat goede leven kunt bereiken. Normen kun je opleggen, maar niet iedereen houdt zich aan die regels. Waarden kun je formuleren, maar niet iedereen zal er naar streven.

De functie van de deugd als verbindende middel tussen norm en waarde verklaren de toegenomen populariteit van de deugdethiek. In veel beroepen wordt en werd geprobeerd morele problemen via normen te regelen, maar bijvoorbeeld een goede dokter moet niet alleen aan de regels voldoen, maar ook betrokken bij zijn patiënten zijn, eerlijk zijn, rechtvaardig zijn, etcetera. Normethiek voldoet dus niet en daarom wordt de deugd populair.

§2: Pluralisme en relativisme

Een kenmerk van onze tijd is het pluralisme: de opvatting dat er veel verschillende morele opvattingen bestaan. Moraal wordt steeds individueler. We hebben zelf vrijheid om te kiezen voor een bepaalde moraal. Die vrijheid is niet alleen een recht, maar ook een plicht: je moet altijd kiezen.

De deugdethiek kan bij dit pluralisme helpen bij het maken van de juiste keuzes. Elke ethiek doet dat, maar bij de deugdethiek blijf je dichter bij jezelf en je verlangens, en is veel concreter omdat het uitgaat van kwaliteiten van activiteiten, modellen en voorbeelden. We kennen allemaal mensen die een voorbeeldige kwaliteit hebben waaraan we onszelf zouden willen spiegelen of voorbeelden waaraan we ons juist niet zouden willen spiegelen.

Hierdoor weert de deugdethiek de vier gevaren van pluralisme af:
1. Relativisme: dat we door de vrijheid denken dat het niet uitmaakt wat we doen
2. Decisionisme: dat we gaan denken dat het goede door de keuze zelf bepaald wordt
3. Subjectivisme: dat we morele kwaliteiten opvatten als subjectieve voorkeuren waar niet over te twisten valt
4. Emotivisme: dat we morele oordelen zien als pure expressies van emoties die niets te maken hebben met datgene waarover geoordeeld wordt.

Morele oordelen zijn gebonden aan de gemeenschap waarbinnen je leeft. De deugdethiek erkent dat en is daarom een particularistische ethiek en minder een universalistische ethiek.

§3: Morele motivatie

Het probleem van het pluralisme is dat er veel verschillende morele opvattingen bestaan. Hoe kunnen we dan morele regels formuleren die bepalen hoe verschillende groepen zich tegenover elkaar moeten gedragen? Het antwoord van de moderne ethieken is: neem afstand van dat wat jou onderscheidt van de ander, en formuleer vervolgens als regel wat in het belang van iedereen is, of althans van de meesten (utilisme) of wat zonder tegenspraak voor iedereen kan gelden (kantianisme).

Waarom zouden we ons eigenlijk met een deugdethiek bezig moeten houden en moeten we moreel zijn? Volgens het utilisme is moreel zijn het beste voor iedereen, maar waarom moet je doen wat voor iedereen het beste is? Volgens het kantianisme omdat moreel zijn redelijk is, maar waarom moet je redelijk zijn en je geweten volgen? Volgens de deugdethiek is de morele praktijk bij uitstek het eigen leven, en dat staat niet naast alle andere praktijken, maar omvat al die andere praktijken juist. De deugd is dus datgene waardoor we dat wat we zijn optimaal kunnen zijn. We kiezen wat we zijn en zijn dus wat we willen zijn, en hoe zou iemand dat ooit niet kunnen willen?

De deugdethiek motiveert dus omdat het in dienst van onze verlangens staat. Ze geeft daarbij ook aandacht aan emoties: volgens de deugdethiek zijn die niet slecht, maar moeten emoties bewerkt en gevormd worden zodat ze geoptimaliseerd worden.

Deugdethiek kan helpen bij de vraag ‘hoe moet ik kiezen?’. Regels doen dat niet, want als een regel dwingt tot een keuze die tegen je zin is, zal je je nauwelijks gemotiveerd voelen om die regel te volgen. Ten tweede zul je meestal geen tijd hebben om aan de hand van een regel uit te zoeken wat in de gegeven situatie gedaan moet worden. De deugdethiek probeert mensen zo te vormen dat ze vanzelf het goede willen. Wil je vanzelf het goede, dan doe je automatisch goed; dit is zo bij bijvoorbeeld vriendschap, liefde en rechtvaardigheid.

HOOFDSTUK 3: GRONDLIJNEN VAN EEN DEUGDETHIEK

De deugd is datgene wat een menselijk (samen)leven goed maakt. Menselijk leven wordt als praxis opgevat, dus goed is beantwoordend aan het doel dat intern aan die praxis is. Wat is het doel van het menselijk leven en hoe kunnen we dat doel door middel van de deugd het beste bereiken?

§1 Een teleologisch begrip van menselijk leven

De doelen waarnaar we streven zijn allemaal met elkaar verbonden. Uiteindelijk leidt elk doel tot één hoogste en laatste doel: de praxis van het leven als geheel. De praxis van het leven als geheel zou bijvoorbeeld geluk kunnen zijn, want als je erin slaagt om je doel te bereiken ben je gelukkig.

Deze manier om het menselijk leven te begrijpen is de teleologische methode. De mens volgt in zijn ontwikkeling het doel waarop hij is gericht. Bij die gerichtheid hoort een geschiktheid. Een stofzuiger is gemaakt om stof op te zuigen, en zit daarom zo in elkaar dat hij daarvoor geschikt is. In de natuur is alles op een doel gericht. Er blijven wel misvormingen en verstoringen (bijvoorbeeld een overstromende rivier), maar dat blijven uitzonderingen.

Gerichtheid en geschiktheid kun je op twee manieren gebruiken. Als je het doel van iets kent, kun je begrijpen hoe het ding in elkaar zit. Maar je kunt ook het doel ontdekken uit de aard van het ding en hoe het in elkaar zit. Om te weten wat het doel is van het menselijk leven kijkt men dus naar de menselijke aard. Ook zijn doel zal zijn waartoe hij het meest geschikt is.

Allemaal stellen de filosofen vast dat de mens een soort van dier is. De mens onderscheidt zich van dieren door zijn verstand. Bij Plato is de rede het voornaamste en datgene waardoor al het andere moet worden geordend. Nietzsche ziet de rede als ziekmakende kracht, omdat de dierlijke natuur veelzinnig is en de rede ons in één patroon fixeert. Voor Nietzsche ligt het doel daarom meer in een wijze van leven die zich vrij maakt van de rede. Aristoteles denkt dat zowel het animale als het rationele nodig zijn om het doel van mens te verwezenlijken. Het lichaam en de verlangens moeten worden geoefend, maar dat kan alleen gebeuren met medewerking van het verstand. Als dat gebeurt zul je gelukkig zijn. Aristoteles geeft in zijn ethiek een grote rol aan de verlangens en emoties van de mens.

§2 Een ethiek van zelfverwerkelijking en van de levenskunst

Deugdethiek is een ethiek van zelfverwerkelijking. De deugd is dat wat het menselijk leven goed maakt, en een menselijk leven is goed als je je doel bereikt, dus de deugd is dat waarmee je je doel bereikt. Geluk is gelukt-zijn. Een deugdzaam mens is een mens die gelukt is en beantwoordt aan datgene waarvoor hij is bedoeld. De ethiek van zelfverwerkelijking is ook altijd de ethiek van de levenskunst: een goed mens verstaat de kunst om goed te leven.

Bij Kant gehoorzaamt de mens absoluut aan de rede, waardoor de mens doet waarvoor hij bestaat. Maar gehoorzaamheid aan de plicht is niet hetzelfde als geluk. Er is volgens hem een eeuwig leven nodig zodat deugdzame mensen ook gelukkig zullen zijn.
De deugdethiek daarentegen wil niet alleen dat de mens het goede doet, maar ook dat hij zich er goed bij voelt.

§2.1 Essentialisme? Bestaat er wel een hoogste doel?

Het essentialisme is de opvatting dat alles in de natuur, dus ook de mens en het menselijk leven, objectief een eigen doel heeft dat daaraan wezenlijk (essentieel) vastzit. Onze huidige doelen zijn eerder subjectief. Het doel van bijvoorbeeld een tafel zit niet in de tafel, maar degene die de tafel maakt of koopt en gebruikt. In de natuur zit geen doel opgesloten.
De bedoeling van het menselijk leven is echter soms in conflict met onze eigen subjectieve bedoelingen.

Het doel van het menselijk leven is geen objectief gegeven. Het doel is door mensen herkend, geïnterpreteerd en bedoeld. Bovendien bestaat er een pluralisme van doelen, afhankelijk van cultuur en tijd.

Dit hoeft echter niet tegen de teleologische benadering te spreken, want Aristoteles erkent dat er verschillende opvattingen van het laatste doel zijn. Iedereen noemt het geluk, maar men bedoelt daar heel verschillende dingen mee.

Volgens MacIntyre verwijzen we naar hetzelfde doel als mensen verschillende opvattingen hebben of verschillende interpretaties geven van een doel. Dat doel is alleen nog onbekend. Het gezochte doel verbindt alle doelen van alle mensen. Het gaat dus om verschillende interpretaties van het einddoel.

Je kunt niet worden wat je wilt, want in wat je bent zit een doel, dat je moet realiseren. Dat doel moet je ontdekken en kun je niet zelf bepalen, want dan zou je je nooit kunnen vergissen.

§2.2 Optimisme? Hoe zit het met het kwaad?

Het tweede probleem is het optimisme. De deugdethiek is een ethiek in het verlengde van het verlangen. Het goede dat we moeten doen is precies dat wat we eigenlijk ook willen. Maar het menselijk handelen is vaak helemaal niet zo mooi, daarom is er ook een ehtiek nodig. Aristoteles ziet falen als een vergissing. Falen is geen moreel kwaad, maar een onvolmaaktheid of een misvorming. In de christelijke traditie is het kwaad de uiting van een verlangen dat tegengesteld is aan het verlangen naar het goede. Hierbij is er dualisme: óf God (het goede) óf de duivel (het slechte). Zo’n zelfde tweedeling bestaat er tussen lichaam en geest, natuur en rede, verschillende krachten in de wil en egoïsme versus altruïsme.

Bij het ontstaan van de deugdethiek vertrouwde men de natuur, die gezien werd als een goede en mooie orde en moraal was de optimale verwerkelijking van al het goede dat gegeven was. Toch heeft de deugdethiek het overleefd, maar het kan niet meer bekeken worden alsof slecht puur een vergissing is.

§3 Individu en gemeenschap

Ethiek gaat over menselijk handelen, dat op verschillende niveaus kan worden bekeken: macro-niveau (‘Wat zijn rechtvaardige instituties en aan welke voorwaarden moeten die voldoen?’), meso-niveau (‘Hoe gaan we om met corruptie binnen de eigen organisatie?’) en micro-niveau (‘Hoe verhoudt het individu zich tot zichzelf en zijn eigen leven, anderen en het samenleven?’). Macro-niveau gaat over structuren en instituties, meso-niveau over institutioneel handelen en micro-niveau over individueel handelen.

§3.1 Het individu staat centraal, maar niet los van de gemeenschap

De deugdethiek is primair gericht op het individu. Deugden zijn geoptimaliseerde vormen van handelen en voelen van individuen. Deugdethiek richt zich daarbij minder op de algemene regels voor de samenleving. Toch is er niet zo’n scherp verschil tussen individu en samenleving. Om deugdelijk te zijn zul je de algemene regels moeten weten, en als degenen voor wie de regels gelden niet deugdzaam zijn is hun gedrag ook niet goed.

Ook doet de deugdethiek altijd een beroep op de heersende morele overtuigingen binnen een bepaalde gemeenschap. Wat de meeste mensen deugdzaam vinden, wordt als deugd gezien. Aristoteles wordt hierom bekritiseerd: zijn deugdethiek zou alleen goed noemen wat de heersende opvatting binnen de gemeenschap was. Toch is dat niet zo, want Aristoteles’ deugden wijken af en toe veel af van de politieke denkbeelden in Athene uit zijn tijd. Een echte deugd zal echter in een gemeenschap als een deugd worden herkend en geprezen. Daarom is een deugdethiek ook de ethiek van een gemeenschap of cultuur.

§3.2 Het verschil tussen Aristoteles en ons

De drie verschillen tussen Aristoteles’ beeld en ons beeld:

1) Er is voor Aristoteles geen onderscheid tussen privaat en publiek. Het ideaal van een gelukt leven is voor Aristoteles een sociaal ideaal dat door de hele gemeenschap wordt gedeeld. Nu is er wel verschil tussen privaat (de morele idealen omtrent een geslaagd leven, de brede moraal) en publiek (regels die zorgen dat individuen elkaar niet dwars zitten, de smalle moraal).
2) De meeste deugden die worden beschreven betreffen het sociale leven. Je kunt niet gelukkig zijn als het niet goed gaat met degenen met wie je een politieke gemeenschap vormt. Onze huidige politieke gemeenschap is veel groter.
3) Je moet je eigen boontjes kunnen doppen, maar je bent als individu ook afhankelijk van de politieke gemeenschap. Het niveau van de politieke gemeenschap is daarbij zowel het minimum als maximum.

In de huidige samenleving leven we in meerdere gemeenschappen tegelijk en zijn die gemeenschappen veranderlijk. De autoriteit van een gemeenschap wordt een afgeleide van een individuele keuze. Daarom moet er nu onderscheid tussen privaat en publiek zijn, want er blijft een verschil tussen persoonlijk en algemeen belang.

Dit betekent voor onze huidige deugdethiek dat:
1) Deugdethiek niet meer vastzit aan een gemeenschap, maar nog wel universele deugden formuleert. De interpretatie van deugden kan wel verschillen per plaats en tijd.
2) Moderne individuen zijn nog steeds lid van gemeenschappen, want je kunt je alleen tot op zekere hoogte losmaken van je verbanden. Dat kan bijvoorbeeld niet bij familie of geboorteland. Ook is de global village in de plaats gekomen van de politieke gemeenschap.
3) Onze opvattingen over deugdzaamheid zijn gebonden aan tijd en plaats.

HOOFDSTUK 4: DE DEUGD

§1 Algemeen en specifiek

Deugd is de kwaliteit die je in staat stelt de levenspraxis op excellente wijze uit te oefenen of om jezelf optimaal te verwerkelijken. Dit gebeurt op verschillende manieren, afhankelijk van rol of natuurlijke kwaliteit. Bij deugd gaat het echter om je menselijke kwaliteit, die algemeen is en voor elk mens geldt, maar ook specifiek omdat niet van iedereen hetzelfde kan worden verwacht omdat mensen verschillend zijn. Mensen verwerkelijken zich in verschillende situaties. Om deugdzaam te zijn hebben we meerdere kwaliteiten nodig.
Deugd is de naam voor de kwaliteit die de mens nodig heeft om zich in alle rollen optimaal te kunnen verwerkelijken. Deze algemene definitie van de deugd wordt niet gegeven door Aristoteles. Aristoteles onderscheidt twee soorten deugden: de karakterdeugd en de intellectuele deugd (de excellente verwerkelijking van de verschillende intellectuele vermogens van de mens).

§2 Houding, handeling en gevoel

De deugd is een houding en wordt gevormd door de natuur, jezelf en anderen. Deugd is een houding die voortkomt uit gemaakte keuzes en zorgt dat je de juiste keuze maakt, namelijk het kiezen voor het midden, dat je met je verstand kunt vinden. De houding komt voort uit oefening, opvoeding of vorming. De oefening waardoor houding wordt gevormd is geen conditionering, maar een keuze: je kiest voor de handeling. Bij de deugdethiek gaat het niet alleen om het verbeteren van de handeling, maar ook om de vorming van het gevoel.

§3 Het midden

We moeten ons vormen naar de deugd. De deugd zit in het midden en kan men achterhalen door naar de extremen te kijken. Problemen bij het vaststellen van het midden zijn het feit dat er geen minimum of maximum is en dat de juiste maat mede afhankelijk van de omstandigheden is.

§4 Houding en voorbeeld

In de deugdethiek gaat het om voorbeeldigheid van een houding en niet om of men iets wel of niet mag doen. De juiste handeling is die die wordt gesteld door de juiste houding. Omdat het moeilijk is het midden te vinden, is het ook moeilijk de juiste houding te vinden.

Het midden is in de gegeven situatie datgene dat de verstandige als zodanig aan zal wijzen. Volgens de deugdethiek kennen we al voorbeelden van het goede leven. Door naar die voorbeelden te kijken kun je komen tot een voorbeeldige houding.

§5 Verstandigheid

Een goed mens is een verstandig mens. Deugd is niet alleen een kwestie van weten, maar je moet ook in staat zijn te doen wat er moet worden gedaan. Volgens Aristoteles zijn de karakterdeugden houdingen waarin verlangens en emoties hun gepaste vorm hebben gekregen. Daarnaast bestaan er intellectuele deugden, perfecte verwerkelijkingen van ons vermogen om na te denken. Deze twee kunnen niet los van elkaar bestaan. We proberen met ons verstand twee dingen: de werkelijkheid te begrijpen (gericht op contemplatie: genieten van het inzicht omwille van zichzelf, ookwel prudentieel genoemd) en ons eigen handelen en dat van anderen te sturen (perfectie van deze vorm van verstandigheid noemt Aristoteles phronèsis: morele verstandigheid).

Een verstandig mens heeft kennis van zijn doel en zijn middelen. Het doel weten alleen is niet genoeg, je moet het ook met je middelen kunnen bereiken. De intellectuele deugd is dus niet genoeg, want vorming van het doel is een karakterdeugd.

HOOFDSTUK 5: DE DEUGDEN

De deugdethiek is bij uitstek een concrete ethiek. Je beschrijft eerst goede wijzen van handelen, dan maak je patronen die je deugden noemt en dan volgt daaruit begrip van wat een deugd is.

§1 Twee manieren om eigentijdse deugden te formuleren: Aristoteles als voorbeeld

Je moet van het concrete naar het abstracte gaan. Vanuit voorbeelden formuleer je deugden.

Aristoteles maakte onderscheid tussen a) intellectuele deugden (wijsheid (sophia) of theoretisch verstand en verstandigheid (phronèsis) of praktisch verstand) en b) karakterdeugden.

Verder bespreekt hij de volgende deugden en de daarbijbehorende extremen:
-moed (roekeloosheid en lafheid)
-matigheid (overmatige bevrediging en ongevoeligheid)
-vrijgevigheid (spilzucht en gierigheid)
-grootsheid (gepronk en krenterigheid)
-ambitie (eerzucht en gebrek daaraan)
-bedaardheid (opvliegendheid en gelatenheid)
-vriendelijkheid (vleierij en norsheid)
-geestigheid (lolbroekerij en humorloosheid)
-schaamte (verlegenheid en schaamteloosheid)
-verontwaardiging (afgunst en leedvermaak)

§2 Kardinale deugden: Plato en Thomas van Aquino

Plato formuleerde de vier kardinale deugden: moed/dapperheid, matigheid/bezonnenheid, verstandigheid en rechtvaardigheid.

Matigheid is het aanbrengen van de juiste maat in de bevrediging van je behoeften en verlangens (vooral die naar eten, drinken en seks).

Rechtvaardigheid is de meest gecompliceerde deugd. Ze heeft niet alleen betrekking op de houding van de mens, maar ook op de orde binnen de samenleving. Ze kan betekenen ‘volgens de wet’, maar ook ‘dat wat gelijkheid realiseert’. Ze kan in het tweede geval distributief (verdeling naar verdienste, dus een relatieve gelijkheid, wie meer waard is moet meer krijgen) en correctief/commutatief (vergoeding van schade, de geleden schade moet precies worden vergoed) zijn.

§2.1 Een ordelijk geheel

Dat wat goed is beantwoordt aan de vier kardinale deugden, zowel bij de mens als bij de staat. Volgens Plato zijn de structuur van de samenleving en de psychische structuur van de mens hetzelfde. De mens heeft een verstand (hoofd), een gemoed (hart) en begeerte (buik). De staat heeft leidinggevenden, soldaten die voor veiligheid zorgen en werkers die voor levensonderhoud zorgen. Rechtvaardigheid is de overkoepelende deugd: de wijze waarop deze onderdelen geordend zijn en blijven.

§2.2 Een samenvatting van alles

Thomas van Aquino heeft deze vier deugden ook gebruikt om de anderen te organiseren. Je kunt volgens hem dingen op drie manieren verdelen: naar noodzakelijke bestanddelen, naar soort en naar uitwerkingen.

Zo kun je matigheid verdelen in de bestanddelen schroom en eergevoel. Soort is onthouding, nuchterheid, kuisheid en maagdelijkheid. Uitwerkingen zijn zelfbeheersing, mildheid, zachtmoedigheid en bescheidenheid.

Moed verdeel je in de bestanddelen: vertrouwen, grootmoedigheid, geduld en uithoudingsvermogen. Soorten: het komen tot moedig handelen en het volhouden van moedig handelen. Uitwerkingen: afhankelijk van de hoeveelheid tegenstand.

Rechtvaardigheid verdeel je in de bestanddelen vermijden kwaad en doen van het goede. Soort distributief en commutatief (vrijwillig en onvrijwillig). Uitwerkingen: eerbied, toewijding, gehoorzaamheid, dankbaarheid, vriendelijkheid, billijkheid.

Verstandigheid verdeel je in de bestanddelen ervaring, inzicht, vindingrijkheid, vooruitziendheid, behoedzaamheid. Soort: in eigen en familiezaken, in militaire en politieke kwesties. Uitwerkingen: welberadenheid, oordeelsvermogen en inzicht

Je hebt verder nog de deugden zachtmoedigheid, humor, vriendschap, nederigheid, eenvoud, beleefdheid, trouw, edelmoedigheid, tolerantie, reinheid, compassie en barmhartigheid.

§3 Deugden van de wil

Naast intellectuele deugden (onderricht en oefening) en karakterdeugden (opvoeding en aard) bestaat er nog een derde categorie naast denken en streven: het willen. Dit is rationeler dan voelen, maar kiest toch uit mogelijkheden in plaats van ze alleen te beschouwen en is daarmee ook geen denken. In de Griekse ethiek had willen niet echt een vaste plek en is vaak intellectueel: goed doen kon je leren en je zou niets anders willen.

§3.1 De ontdekking van de wil: Augustinus

Volgens Augustinus weet je hoe je moet leven, maar je doet het niet. Denken botst dus met voelen en dat komt door de wil. Als christen zag hij dat als oorzaak voor de zonde. Het kwaad is dus geen vergissing, maar een product van de wil. De wil kan dus kwaad zijn, maar ook goed. Goede wil is het enige dat echt goed kan zijn, intellectuele deugden kunnen namelijk ook in dienst van het kwade gebruikt worden. De kern van de deugd ligt dus in de wil. Volgens Augustinus ben je voor een goede wil afhankelijk van God.

§3.2 De theologale deugden: Thomas van Aquino

Hoe maak je je wil tot een goede wil? Niet door verstand of emoties, want de wil gaat tegen het verstand in en voor goede emoties is een goede wil nodig. Volgens Thomas van Aquino is de deugd is van zichzelf gericht op het goede, maar heeft hij hulp van buitenaf nodig om van het goede voor zichzelf over te stappen naar het goede voor anderen en naar het goed dat boven mensen uitgaat. Door de wet stap je over naar het goede van anderen; dit heet rechtvaardigheid. Je stapt over naar het algemene, overstijgende goede door God.

Volgens Comte is liefde de belangrijkste deugd. Hij beschrijft de liefde in drie delen:
a) eros of erotiek - het verlangen naar wat je mist
b) philia - de wederkerige gemeenschappelijkheid of vriendschap
c) agapè, de belangenloze liefde, onnuttig en irrationeel, zoals naastenliefde en vergeving.

§3.3 De autonome wil: René Descartes (en Immanuel Kant)

Descartes beschreef hoe we ons moeten verhouden tot onze passies. Passies zijn gevoelens die in ons worden veroorzaakt zonder dat we daar meester over zijn. We kunnen wél het oordeel dat in die passies zit zo correct mogelijk maken en we kunnen zorgen dat we ons er niet door laten meeslepen. Een voorbeeld: jaloezie veronderstelt dat de ander meer succes heeft en dat dat nastrevenswaardig is. Je kunt dat met intellectuele deugden toetsen en corrigeren en vervolgens beslissen of je ook (daar ligt volgens Descartes de kern van de deugd) wilt streven. Hij leidt hieruit af dat de centrale deugd générosité is: jezelf zien als een wezen bekwaam om te kiezen en vastbesloten dat vermogen goed te gebruiken. Vanuit de générosité leidt Descartes onder andere de deugden nederigheid, hoffelijkheid, beminnelijkheid, dienstvaardigheid en zelfbeheersing af.

§4 Deugd en plicht: Immanuel Kant

Bij Kant draait het niet om de deugd, maar om de plicht.

§4.1 De plicht contra deugd

Kant achtte het onmogelijk dat er iets ‘zomaar’ goed zou zijn behalve de goede wil. Hij heeft vier kritiekpunten op Aristoteles:

1) ‘De deugd is de manier om gelukkig te worden.’ Niet iedereen is geïnteresseerd in geluk, dus het gaat niet om geluk. Bovendien wordt ondeugd ook vaak beloond en kan die dus ook leiden tot geluk.
2) ‘De deugd is de kwaliteit waarom iemand wordt geprezen.’ Waardering van iemands kwaliteit is niet noodzakelijk. Geprezen kwaliteiten zijn niet per se deugdzaam.
3) ‘Deugd is een kwaliteit die ontstaat door oefening/vorming van natuurlijke vermogens.’ Groeien in je deugdzaamheid is onmogelijk. Het gaat erom dat je je plicht doet, niet in hoeverre. Je bent deugdzaam of je bent het niet.
4) ‘De ethiek van de deugd is een ethiek die het verlengde is van het menselijke verlangen.’ Je plicht doen betekent niet automatisch dat je je verlangens volgt.

Volgens Kant begint morele plicht met ons geweten: we moeten iets doen. Deze verplichting is niet afhankelijk van veranderlijke omstandigheden in jezelf of buiten je. Ten tweede is dat wat je moet doen is niet onmogelijk, want je moet iets doen wat binnen je macht ligt, want alleen dat is mogelijk. Ook kan je niet worden verplicht je te vormen naar je omgeving, wabt dat moet alleen als je omgeving het bij het rechte eind heeft. Ook je natuurlijke verlangens kunnen je niet de inhoud van je plicht tonen, want de plicht omschrijft juist hoe je met die verlangens om moet gaan. Waartoe verplicht je plicht je dan?

§4.2 De deugd van de plicht

Je hebt alleen je wil in je macht. De plicht schrijft dus voor hoe je moet willen. Je kunt kiezen óf je iets nastreeft. Daarbij is geen inhoudelijke omschrijving te geven voor wat je moet kiezen, want dan zou je die plicht ook daadwerkelijk moeten vervullen, en dat kan niet van je worden geëist, want dat ligt niet in je macht. Bovendien maakt een inhoudelijke omschrijving niet duidelijk waarom je die plicht zou moeten vervullen.

Er is wel een richtlijn voor hoe je moet kiezen. Dat wordt niet buiten jezelf bepaald, want als je je laat leiden door iets anders kies je niet zelf. Je kiest dus zelf, en moet daarbij afzien van wat je aantrekt of afstoot en op een rationele manier kiezen. Dat houdt in dat je zo kiest als elk ander redelijk wezen ook zou kiezen. Redelijkheid is immers voor iedereen gelijk. Zo is deugd datgene in de wil dat zal kiezen voor de plicht.

§5 Natuurlijke deugd

De plicht staat tegenover de natuur en wordt nooit natuurlijk. De natuur is ook een relatief begrip: hij is veranderlijk, zowel in tijd als in plaats. Daarom is de plichtethiek begrijpelijk, want hij is universeel en er is dus geen gevaar voor relativisme (natuur betekent iedere keer en overal iets anders), conformisme (wanneer je een bepaalde culturele of historische gedaante als de enig mogelijke beschouwt) of naturalisme (de natuur zegt iets over hoe het moet zijn).

§5.1 Wat van nature toegejuicht wordt door een goede en welopgevoede natuur: David Hume

Bij Hume zijn natuur en moraal wel verbonden. Volgens hem heeft de mens van nature sympathie en kan hij daarom anderen beoordelen op ‘goede’ karaktertrekken. Daarom noemen we die karaktertrekken deugden. Het is die kwaliteit die aangenaam is voor, of waarmee wordt ingestemd door iedereen die haar waarneemt of zich voorstelt.

Niet overal wordt de menselijke natuur op dezelfde wijze gecultiveerd. Daarom onderscheidt Hume natuurlijke deugden (weldadigheid, welwillendheid, vrijgevigheid, vriendelijkheid, dankbaarheid) en artificiële deugden (rechtvaardigheid). Bij artificiële deugden is opvoeding bepalend. De juiste opvoeding leidt tot juiste deugden en als iedereen ‘goed’ wordt opgevoed zijn bepaalde deugden (rechtvaardigheid) niet meer nodig.

§5.2 Niet deugd, maar degelijkheid: Friedrich Nietzsche

Nietzsche plaatst de deugd buiten de moraal. Hij vindt dat de deugd van de mens een kuddedier maakt en hem onttrekt aan zijn natuur. Als de mens dus terug moet naar zijn natuur, geldt dat ook voor de moraal. Volgens Nietzsche is de natuur van zichzelf een moreel goede orde. We moeten dus naar onze aard leven om deugdelijk te leven.

§5.3 Deugd in renaissancestijl: Niccolò Machiavelli

Deugd (virtù) betekent oorspronkelijk perfectie, voortreffelijkheid. Aanvankelijk is dat niet strijdig met de morele betekenis, maar door emancipatie van de mens en natuurkundige ontdekkingen groeit de betekenis van het begrip uit elkaar. Het Italiaanse virtù kan dus betekenen: 1. morele deugd en 2. kracht of effectiviteit van handelen. De vorst moet in bezit zijn van beide vormen om het volk de eerste vorm op te leggen.

HOOFDSTUK 6: ENKELE MEER OF MINDER GEBRUIKELIJKE DEUGDEN

§1 De deugd van de matigheid en de zorg voor het milieu

In ethische discussies wordt gepleit voor een andere, meer verantwoordelijke omgang met het milieu. Daar zijn een aantal argumenten voor, die ook problemen oproepen.

1. De natuur is niet alleen gebruiksmateriaal; ze is ook een intrinsieke waarde. Haar waarde is niet afhankelijk van de vraag of ze al dan niet op waarde wordt geschat. Ze eist van ons dat ze op waarde wordt geschat, omdat we niet om haar waarde heen kunnen.
Ten tweede is haar waarde is niet afhankelijk van wat je ermee kunt doen (brandstof, voedsel, ontspanning) maar staat op zichzelf los van alle nuttigheid. Hierdoor heeft de natuur ook rechten. Je kunt ook spreken over het respect dat je aan de natuur verschuldigd bent.

Probleem: op basis waarvan heeft de natuur recht? Rechten zijn óf door de mens verleend óf oorspronkelijk. De eerste soort is afhankelijk van de wil van de mens en kan dus beëindigd worden, dus zou de natuur aanspraak moeten maken op de tweede soort. De mens heeft zulke rechten omdat hij een redelijk wezen is. Rechten zijn namelijk redelijk en redelijkheid kan alleen op redelijkheid gebaseerd kan worden. De natuur is niet redelijk en kan haar rechten dus ook niet claimen, maar de mens moet ze aan haar verlenen.

2. We hebben verantwoordelijkheid tegenover toekomstige generaties. Hierbij staat niet de natuur maar de mens centraal. De natuur is er volgens deze opvatting voor de mens, maar dat betekent niet dat het moreel neutraal is hoe ze behandeld wordt. De bijbel spreekt dan over rentmeesterschap en verantwoordelijkheid tegenover de schepper. Iedereen heeft evenveel recht op natuur, we moeten er rechtvaardig mee omgaan.

Probleem: Waarom zouden we iets geven om de toekomstige generatie? Als we het utilisme navolgen moeten we doen wat nuttig is om zo geluk te bereiken. Maar in dit geval ligt dat nut buiten de grenzen van het individu en dus zal ook ons geluk niet bereikt worden. Waarom zou ik trouwens iets doen als iedereen om mij heen ook streeft naar eigen geluk?

3. De mens moet de maat van de natuur volgen omdat dat de juiste maat is voor menselijk leven. Het gaat dan niet om de waarde van de natuur of de solidariteitsplicht van de mens maar om de gelijkheid van de natuur aan het menselijke leven. Natuur en mens kun je niet meer tegenover elkaar stellen, als de mens tot volledige zelfontplooiing komt, geldt dit ook voor de natuur.

Probleem: Waarom zou de natuur een maat hebben? Door middel van techniek kan de mens de maat van de natuur vergroten. Deze visie gaat nog steeds uit van de tegenstelling tussen mens en natuur, terwijl punt 3 juist streeft naar eenheid tussen beiden. De mens is dan zelf natuur en zoekt naar zijn grenzen.

Hoe benader je deugdethisch gezien het milieuvraagstuk? De deugdethiek plaatst de mens en zijn welzijn centraal, niet de natuur. Maar omdat de mens deel uitmaakt van die natuur zal die toch betrokken moeten worden bij zijn zelfverwerkelijking. Het gaat dus om natuur en rede. De mens/de natuur ontwikkelt zich, hij moet tot bloei komen, slagen, gelukkig zijn. De vraag waarom deugd ‘moet’ is in dit geval niet meer van belang, omdat het een natuurlijk iets is. De verwerkelijking van de mens houdt dan ook verantwoordelijke omgang met het milieu in a) omdat dat onderdeel is van de natuur en dus de mens en b) omdat bij de bepaling wat voor je eigen natuur het beste is, ook rekening zal moeten worden gehouden met je omgeving.

Deugd komt voort uit natuurlijk verlangen. Dwang kan niet tot volledige zelfverwerkelijking leiden. Wanneer is een verlangen goed? De deugdethiek verwijst hier naar voorbeeldfiguren: eerst word je in je opvoeding met dwang opgelegd hoe te handelen, vervolgens vergelijk je jezelf met voorbeeldfiguren en tenslotte leer je jezelf hoe het moet. Aristoteles stelt dat de deugd altijd in het midden ligt van twee extremen, maar deze regel is niet altijd toepasbaar, want je moet steeds weer de extremen bepalen.

De deugd matigheid is van waarde bij het milieuprobleem. Dit is een van de kardinale deugden, waarschijnlijk omdat ze voor elke deugd bepalend is. Aristoteles beperkt in eerste instantie het gebied van de matigheid tot dat van de begeerte. Ook is matigheid het midden tussen een teveel en een te weinig. Er hoort een juiste maat van lijden bij het missen van genoegens.

Als je dus de deugd van de matigheid juist toepast (naar het gegeven voorbeeld) zul je daarvan opbloeien. Wat is dus het midden tussen genot en pijn als we kijken naar ons omgaan met de natuur, met brandstoffen en dieren? Weegt zelfstandigheid wegens autobezit zwaarder dan de zeldzame planten in de straat? En is dat voor elke situatie hetzelfde? Als we dus het milieuvraagstuk willen benaderen op deugdethische wijze, moeten we dat doen vanuit onze eigen verlangens, vooral degenen die gevoelig zijn voor mateloosheid, bijvoorbeeld hebzucht en heerszucht. Als je werkt aan de mateloosheid van je verlangens, zul je ook minder vraag hebben naar producten/diensten die de natuur schade toebrengen.

Van Aquino ziet schroom (de vrees voor een slechte daad) als ondersteunende deugd van matigheid en dus als belangrijk voor je houding tegenover de natuur. Dit geldt ook voor eervolheid, die voorkomt uit matigheid. Ook onthouding is een deugd die de matigheid ondersteunt, mits ze niet voor eigen roem en met een opgewekt gemoed gebeurt. Nuchterheid, kuisheid en maagdelijkheid zijn van minder belang, mildheid, zachtmoedigheid en bescheidenheid zijn wel weer erg goed. Je moet de juiste houding innemen tegen je tegenstanders en weten wanneer je de juiste maat in omgang met bijvoorbeeld bodemschatten houdt. Je kunt alleen dan werkelijk maatvol omgaan met de natuur als je op je hele leven matigheid toepast, waarbij je niet teveel genot maar ook niet te weinig moet hebben.

§2 Tolerantie als deugd

Om van tolerantie (verdraagzaamheid) te kunnen spreken, is onderscheid tussen een dominante groep en andere groepen vereist. Er moet dus sprake zijn van pluralisme. De grens tussen de groepen kan op vele manieren getrokken worden.

Probleem: als de samenleving gelijke rechten toekent aan mannen en vrouwen, hoe kun je dan spreken van het tolereren van vrouwen? Er is immers geen gerechtvaardigd onderscheid meer. Als je zegt dat je zwarten tolereert, maak je je in feite schuldig aan discriminatie en racisme. Je kunt dus alleen tolereren als je iemand gerechtvaardigd kunt onderscheiden van anderen. Maar als iemand in dit geval niet tolereert, is hij niet schuldig aan wangedrag, hij maakt dan eenvoudigweg geen onderscheid.

Qua religie is tolerantie niet zonder meer gegarandeerd. Iedereen is overtuigd van de juistheid van zijn levenswijze voor hem; je zegt niet snel dat deze ook voor anderen de juiste levenswijze is. We zijn ons bovendien bewust van het feit dat we, geboren en getogen in een andere tijd/cultuur/gemeenschap overtuigd zouden zijn van de levenswijze die we nu bijna afkeuren. Zijn we daarom pluralistisch en tolerant? Ben je intolerant als je vasthoudt aan de juistheid van je eigen overtuiging? Maar als elk verschil tussen levenswijze afhankelijk is van toevallige voorwaarden als tijd/cultuur/gemeenschap, waarom mogen we dan tolerant zijn? Er is dan sprake van onrechtvaardig onderscheid! Is een tolerante persoon dan iemand die tóch zijn leefwijze boven die van een ander plaatst? Zijn we er niet stiekem van overtuigd dat onze verdraagzaamheid de superioriteit van onze leefwijze aantoont? Maar als er geen waarheid is, is deze ook niet waar. Als tolerantie dan nep is, en we ontdekken dat, worden we onverschillig. Wat kan het ons schelen dat er mensen zijn die anders leven? Het is toch allemaal toeval. Maar ook onverschilligheid is dan nep, omdat ze neerkijkt op hen die wél verschil maken (en voelt zich dus superieur). Als we dat ontdekken gaan we over op cynisme, we erkennen onze eigen oneerlijkheid.

Toch is deugdethiek geen keuze tussen fanatisme en cynisme. De echte betekenis van tolerare (Lat.) is namelijk dragen, verduren of uithouden. Het uithouden met ofwel de overtuiging die je afkeurt, ofwel de twijfel aan je eigen overtuiging. Want de echte tolerant is iemand die zijn eigen leefwijze niet als superieur wil zien, maar erkent dat er meer overtuigingen kunnen zijn. Het is de eigenschap te kunnen twijfelen aan het eigen gelijk. Tolerantie hangt dus samen met geduld en uithoudingsvermogen. Er is ook moed voor nodig. Er is dus binnen tolerantie geen sprake meer van onverschilligheid, maar van maximale interesse. Je moet een last op je durven nemen.

§3 Vriendschap als deugd

Er bestaan verschillende soorten vriendschap. Vriendschap heeft drie kenmerken:

1) Vriendschap is wederkerig: vrienden houden van elkaar, vriendschap is geen eenrichtingsverkeer.
2) Welgezindheid; vrienden wensen elkaar het goede toe. Indirect wens je dan ook het goede voor jezelf, want omdat je het goede voor je vriend wilt en vriendschap wederkerig is, wil jij via je vriend ook het goede voor jezelf.
3) Bewustzijn; je moet je bewust zijn van de vriendschap.

Vriendschap is dus elkaar het goede toewensen en dat van elkaar weten (definitie van Aristoteles). Er zijn drie soorten vriendschap die niet los van elkaar staan: vriendschap omwille van:

1) Het nuttige; vriendschap vanwege het nut van de vriend
2) Het aangename; vriendschap omdat je van elkaar geniet
3) Het goede; vriendschap omdat de vriend moreel een goed mens is

De laatste soort van vriendschap is de hoogste, vanwege drie argumenten:

1) Meer of minder garanties voor welgezindheid en wederkerigheid; in een relatie om het goede is men elkaar sowieso welgezind en is de vriendschap wederkerig, want je vriend is een goed mens
2) Duurzaamheid; het nut van een vriend kan verdwijnen, evenals het genot, maar de morele kwaliteit blijft altijd
3) Deugd; vriendschap is volgens Aristoteles het midden tussen egoïsme en altruïsme. Wanneer je van iemand houdt om wat hij voor jezelf oplevert ben je te egoÏstisch, wanneer je van iemand houdt zonder aan jezelf te denken of zonder ook door de ander geliefd te worden ben je te altruïstisch.

Toch mogen vriendschap omwille van het nut en het aangename wel vormen van vriendschap heten, en als het om vriendschap gaat, dan betreft het een lagere vorm van vriendschap. Elk wezen is gericht op zelfverwerkelijking. Daarbij streeft men naar steeds iets hogers. Bij vriendschap is dit ook zo, want vriendschap omwille van het nut kan uitgroeien tot vriendschap om het goede etc. Lagere vriendschappen zijn dus niet slecht.

§4 Is vergeving een deugd?

Vergeving komt niet voor bij de aristotelische deugden of kardinale deugden en is geen echte deugd, maar eerder een midden tussen ondeugden.

a) Vergeving is het midden tussen wrok die niet verdwijnt en oppervlakkigheid zonder geheugen. Vergeten is verkeerd, maar niet vergeven ook.
b) Vergeving is het midden tussen teveel en te weinig geven, te vroeg en te laat geven, tussen geven en nemen. Je moet niet te laat en niet te lichtvaardig kwijtschelden.
c) Vergeving het midden tussen norm en waarde. Straffen moeten rechtvaardig zijn en na het uitzitten van de straf moet er vergeving optreden. Vanuit de waarde moet er verzoening komen: de situatie waarin het onrecht is weggenomen en de gemeenschap is hersteld.

Probleem bij vergeving als deugd: vergeving gebeurt vaak niet vrijwillig en deugden komen voort uit verlangens. Deugdethiek is een ordening van passies en is in eerste instantie descriptief (omschrijvend). Daarnaast zijn de beschrijvingen ook normatief (regelstellend) en pedagogisch.

Vergeving lijkt pas mogelijk als het kwaad ongedaan is gemaakt of als het kwaad radicaal is losgemaakt van de dader, bijvoorbeeld door de drie gangbare voorwaarden voor vergeving: erkenning, berouw en boetedoening. Vergeving lijkt een paradox: vergeving is ofwel niet mogelijk (als de band met het kwaad, de schuld, blijft bestaan) of er is geen vergeving (als de band verbroken is en de schuld is afgelost, want verdiende vergeving is geen vergeving omdat vergeving iets gratuits (ongegronds, ongefundeerds) is). Vergeving onder voorwaarde is niet mogelijk.

Verzoening kan ook tot stand worden gebracht door tijd en afstand. Bij vergeving als deugd zoeken we naar iets dat actief wordt gedaan, maar vergeving moet ook passief worden ondergaan. Schaamte (de defensieve reactie op een indringer of een moment van gezamenlijkheid) kan leiden tot verzoening.

Schaamte is een defensieve reactie op een meer of minder terecht gekoesterd beeld dat iemand van zichzelf heeft: ookwel verhullende schaamte. Er hoeft hiervoor niet per se schuld te zijn, je kunt je bijvoorbeeld ook schamen voor de blik van de ander voor wie men schuldig kan lijken. Schaamte verschilt van schroom. Met schroom beschermt iemand niet zoeer zichzelf, maar juist het andere dat hij daartoe met eerbied en terughoudendheid benadert. Ten derde is er ook onthullende schaamte, waarbij de daadwerkelijke schuld wordt erkend en opgenomen. Schaamte overkomt je hier (passief), waarna je de schuld erkent (actief).

Om vergeving mogelijk te maken, moet de dader zijn daad veroordelen en moet de dader iets met zijn daad te maken hebben. Bij de schaamte hoort de erkenning dat ik degene ben die de daad heeft verricht, en dat die daad toont wie ik ben en wie ik niet wil zijn. Schaamte is een voorwaarde voor vergeving.

Het grootste probleem omtrent vergeving is dat ze voorwaarden kent, maar niet onder voorwaarden gegeven kan worden. Vergeving is ongefundeerd, maar vooronderstelt wel berouw. Dader en slachtoffer moeten elkaar erkennen en aanvaarden, anders is er geen vergeving mogelijk. Schaamte moet hierbij intersubjectief zijn: schenken en ontvangen van vergeving zijn intersubjectieve daden, omdat ze mogelijk worden gemaakt door de intersubjectieve activiteit/passiviteit van de onthullende schaamte. Vergeving slaagt alleen als het tussen mensen gebeurt, niet als iemand het doet.

Als vergeving een deugd kan worden genoemd, is het een deugd die iets van ons eist wat we op eigen kracht niet kunnen realiseren, zoals bij de theologale deugden van Thomas van Aquino (geloof, hoop, liefde).

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.