Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Unit 4

Beoordeling 0
Foto van Romek
  • Samenvatting door Romek
  • 2e klas vmbo | 844 woorden
  • 18 maart 2016
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Woordjes 1.










































































English



Dutch





Dutch



English



Depend



Afhangen van



Eigenlijk



Actually



Suburb



Buitenwijk



Absoluut



Definitely



Government



Overheid



Eend



Duck



Support



Steunen



Ei



Egg



Donate



Geven, doneren



Geld inzamelen



Raise money



Patient



Geduldig



Inkomen



Income



Tidy



Opruimen



Verdienen



Earn



Perform



Optreden



Beschrijven



Describe



Musician



Muzikant



Grap



Joke



Gig



Optreden



Gitaar



guitar






Woordjes 2.









































































English



Dutch





Dutch



English



Shame



Jammer



Telefoon



Phone



Charity



Liefdadigheid



Bereik



Signal



Urgent



Dringend



Oma, grootmoeder



Grandma, grandmother



Hold the line



Aan de lijn blijven



Ophangen



Hang up



Enquiries



Vragen



Overgaan



Ring



Necessary



Noodzakelijk, nodig



Kiezen (telefoonnummer)



Dial



Area code



Kengetal, netnummer



Herkennen



Recognice



Payment



Betaling



Bereiken



Reach



Current



Huidig



Achterlaten



Leave



Cancel



annuleren








Grammatica.



2.1 Korte vragen: isn’t it? / aren’t you? Enzovoorts.



In het Nederlands zeg je vaak ‘toch? / of wel? / nietwaar? / of niet?´ aan het einde van de zin als je verwacht dat iemand iets terug zegt. In het Engels herhaal je in dat soort zinnen het eerste werkwoord uit de zin + I / you / he / she / it / we / you / they.



Er staat altijd not (of n’t) in het eerste stuk van de zin of in de korte vraag:



You are Jack, aren’t you?                                        Jij bent Jack, toch?



Fay is your sister, isn’t she?                                   Fay is jouw zus, of niet?



We aren’t late, are we?                                          We zijn niet laat, of wel?



They aren’t happy, are they?                                Ze zijn niet blij, he?





Als je in het eerste deel van de zin geen not (of never) gebruikt, gebruik je in de korte vraag wel not. Als je in het eerste deel van de zin wel not (of never) gebruikt, gebruik je in de korte vraag geen not.



We are late, aren’t we?                                                         We zijn laat, of niet?



We aren’t late, are we?                                                         Wij zijn niet laat, of wel?





Ook have / has kun je gebruiken in de korte vragen aan het einde van de zin:



She has got a dog, hasn’t she?                              Zij heeft een hond, of niet?



They have got a flat, haven’t they?                      Zij hebben een flat, of niet?





Als er twee werkwoorden in een zin staan, gebruik je het eerste werkwoord opnieuw:



I can ride a bike, can’t I?                                         Ik kan fietsen, he?



He must work, mustn’t he?                                   Hij moet werken, nietwaar?



They will go to New York, won’t they?                Zij gaan naar New York, toch?



He doesn’t like swimming, does he?                    Hij houd niet van zwemmen, of wel?



REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Romek