Hoofdstuk 2

Beoordeling 7.5
Foto van C.
  • Samenvatting door C.
  • 3e klas vwo | 877 woorden
  • 24 juni 2016
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.5
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

Engels H2




Lesson 6









Engels




Nederlands








1




to swear / swore / sworn




zweren / zweerde / gezworen






2




bear




beer






3




to remind




doen denken aan






4




bar




café, kroeg






5




barman




barkeeper






6




to laugh off




weglachen






7




to share




delen






8




worries




zorgen






9




to depress




depressief maken






10




to involve




betrekken bij






11




pale




bleek






12




to feel / felt / felt




voelen / voelde / gevoeld






13




unwell




niet in orde






14




to sympathize




sympathiseren, begrip tonen






15




round here




hier






16




columnist




columnist






17




agony aunt




vrouw die lezersvragen beantwoordt






18




case




geval






19




sympathy




medeleven






20




convinced




overtuigd






21




leather




leer






22




wallet




portemonnee






23




cash




contant geld






24




racket




racket






25




valuables




kostbaarheden






26




choir practice




koorrepetitie






27




pocket




zak






28




(a pair of) trousers




broek






29




changing room




kleedkamer






30




lunchtime




tussen de middag, etenstijd






31




suspicious




verdacht






32




cleaner




schoonmaker






33




caretaker




conciërge






34




to fix




repareren






35




broken




kapot






36




radiator




radiator






37




thief




dief






38




counselling




goede raad






39




tracksuit




trainingspak






40




to distract




afleiden








Lesson 7









Engels




Nederlands








1




to manage




erin slagen om






2




a couple of




een paar






3




the other day




onlangs, kort geleden






4




to rush




rennen, vliegen






5




to be bored




zich vervelen






6




sign




teken






7




generous




gul, royaal






8




to afford




zich permitteren






9




bill




rekening






10




contract




abonnement






11




deal




overeenkomst






12




to lose / lost / lost




verliezen / verloor / verloren, kwijt raken / raakte kwijt / kwijt geraakt






13




drawer




la






14




MP3 player




MP3-speler






15




to search




zoeken






16




locker




kluisje






17




bench




bank






18




as soon as




zodra






19




missing




zoek, weg






20




lost property




gevonden voorwerpen






21




trainers




sportschoenen






22




to turn




draaien, omkeren






23




upside down




ondersteboven






24




phone card




telefoonkaart






25




to report




melden, aangeven






26




notice




mededeling, briefje






27




central heating




centrale verwarming






28




pipe




buis






29




to fall / fell / fallen




vallen / viel / gevallen






30




fingerprint




vingerafdruk






31




series




serie






32




to reach




erbij kunnen, bereiken






33




dusty




stoffig






34




gone




weg, zoek






35




straight




recht, rechtstreeks






36




thanks




dank






37




crutch




kruk






38




pay-as-you-go




prepaid






39




theft




diefstal








Lesson 8









Engels




Nederlands








1




to launch




lanceren, starten






2




to bother




dwarszitten






3




amount




hoeveelheid






4




constantly




voortdurend, steeds






5




mood




humeur, stemming






6




in particular




vooral, in het bijzonder






7




to end up




eindigen, terecht komen






8




to wipe




afvegen, afnemen






9




checkout




kassa






10




exact




letterlijk






11




chest




borst, borstkas






12




scooter




scooter






13




everywhere




overal






14




suddenly




plotseling






15




to get rid of




wegdoen, lozen






16




behaviour




gedrag






17




to worry




zorgen baren






18




factory




fabriek






19




to close down




dichtgaan






20




to roll in money




bulken van het geld






21




tricky




lastig






22




proof




bewijs






23




owner




eigenaar






24




embarrassed




in verlegenheid, gegeneerd






25




grateful




dankbaar






26




gay




homoseksueel, vrolijk






27




to reckon




denken






28




term




term






29




share




deel






30




rant




scheldpartij, tirade






31




to be disloyal




iemand afvallen






32




insult




belediging








Grammatica




Present simple (tegenwoordige tijd)















Vorm:



In de present simple krijgt het werkwoord een –s na he, she of it.



Gebruik:



Je gebruikt de present simple als iets vaak, regelmatige, altijd gebeurt. Meestal staat er een woord als always, usually, often in de zin.




Bij vragen en ontkenningen gebruik je do / does en don’t / doesn’t.



Past simple (verleden tijd)















Vorm:



Bij regelmatige werkwoorden eindigt de past simple op –ed.



Onregelmatige werkwoorden hebben een eigen vorm voor de past simple.



In vragende en ontkennende zinnen gebruik je did of didn’t + hele werkwoord.



Gebruik:



Je gebruikt de past simple als iets in het verleden gebeurd is en het is wel belangrijk wanneer. Vaak staat er een tijdsbepaling in de zin.




Present perfect (voltooid tegenwoordige tijd)















Vorm:



Have of has + voltooid deelwoord.



Gebruik:




  1. Wanneer iets is gebeurd en het is niet belangrijk wanneer.

  2. Wanneer iets in het verleden begonnen is en het gaat nu nog door. Er staat vaak een bepaling in de zin die met for of since begint.






Present simple ßà present perfect




  • Je gebruikt de present simple als iets vaak, regelmatig, altijd gebeurt. Meestal staat er een woord als always, usually, often in de zin.

  • Je gebruikt de present perfect (onder andere) wanneer iets in het verleden begonnen is en het gaat nu nog door. Er staat vaak een bepaling in de zin die met for of since begint.



Past simple ßà present perfect




  • Je gebruikt de past simple wanneer je wilt zeggen wanneer iets gebeurde. Meestal staat er een tijdsbepaling in de zin.

  • Je gebruikt de present perfect (onder andere) wanneer iets is gebeurd en het is niet belangrijk wanneer.



Present, past and future































Present simple:



Altijd, nooit, regelmatig



Present continuous:



Nu bezig / aan de gang



Past simple:



Toen gebeurd



Past continuous:



Toen bezig / aan de gang



Present perfect:



Is gebeurd; niet belangrijk wanneer toen begonnen, nu nog steeds zo.



Future:



Zal vast wel gebeuren.




Modale hulpwerkwoorden



Must / must not / may / might / can / could / would / should + hele werkwoord







































Must      



Wel moeten (logische conclusive)



Moet(en) (verplicht)



Must not (mustn’t)



Mag niet / mogen niet



May



‘misschien’, mag / mogen



Might



(heel) misschien



Can / can’t



(niet) kunnen (in staat zijn)



(niet) mogen (toestemming)



Could / couldn’t



(niet) kunnen (in staat zijn)



Zou (niet) mogen (toestemming)



Zou (niet) kunnen (mogelijkheid)



Would / wouldn’t



Zou(den)



Zou(den) niet



Should / shouldn’t



Zou(den) eigenlijk moeten



Zou(den) eigenlijk niet moeten












Betrekkelijke voornaamwoorden (who / whose / which / that / Ø)

































Who:



Personen



Whose:



Personen en dingen (‘wiens’, ‘waarvan’)



Which:



Dingen



That:



Vaak kun je who of which vervangen door that.



Maar na een komma gebruik je meestal wel who of which:



Ø:



Je mag who, which, that weglaten als het géén onderwerp is.



Maar je mag who, which of that niet weglaten als het wél onderwerp is.





REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door C.