Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Grammar in use unit 26 t/m 37

Beoordeling 5.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1043 woorden
  • 23 juli 2010
  • 17 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.1
  • 17 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!


Engels grammatica aantekeningen

Unit 26 can, could, (be) able to
• Can: gebruik je om aan te geven dat iets mogelijk is, of toegestaan is, of dat iemand iets kan doen
Can+heel werkwoord
Ontkenning: cannot (can’t)
• Could: verleden tijd van can. Gebruik je vooral bij zintuiglijke waarneming (smell, hear, taste, feel..). Ook nog remember en understand.:  om te zeggen dat iemand over het algemeen iets kon of mocht.
• (be) able to: iemand kan iets doen (can is meer gebruikelijk)
Maar: can heeft maar 2 vormen (can, could). Soms moet je dus wel be able to gebruiken, bijvoorbeeld bij een woord als: recently recently+ be able to
He might be able to come tomorrow.
Er is nog een verschil tussen could en was able to.
Could: gebruik je in algemene situaties
Was able to: specifieke situaties
Unit 27 could do, could have done
• Could:  is niet alleen de verleden tijd van can, je gebruikt het ook om te praten over een mogelijke bezigheid nu of in de toekomst (vooral om een suggestie te doen).
We could go to the cinema
: ook om aan te geven dat iets niet realistisch is.
I am so hungry, I could eat an entire cow.
: iets is nu of in de toekomst mogelijk.
That could be true: waarin het dan dezelfde betekenis heeft als may/might.
• Could have (+3e rijtje onregelmatige ww): voor iets dat realistisch was.
It could have happend: het had kunnen gebeuren, maar is niet gebeurd.


Unit 28 must, can’t
• Must: je gelooft dat iets zeker is
He got a car for his birthday. His parents must be rich.
• Can’t:  om aan te geven dat je denkt dat iets niet kan/ niet mogelijk is.
You can’t be hungry now, you have just eaten!
VT: must have en can’t have + 3e rijtje


Unit 29 may, might
• Om aan te geven dat iets mogelijk is/dat er een mogelijkheid bestaat
Als het gevolgd wordt door een vorm van to be: +ing
In alle andere gevallen + heel werkwoord
VT: may have/ might have + 3e rijtje
Als het gevolgd wordt door been: +ing
Could = may/might
Maar: may not/ might not kan niet vervangen worden door could not, want als je zegt could not dan geef je aan dat het niet moglijk is. May en might geeft twijfel aan,
Unit 30 may, might 2
• Voor eventuele plannen in de toekomst.
I may go to London this summer.
It might rain later
• Meestal kun je zowel may als might gebruiken.
1 uitzondering: als de situatie niet echt is (unreal)
If I were you, I might go to Brazil.
• May/might + ww+ing:  is ook mogelijk
At 8:30 I might be studying for my test.
• May/might as well:  we kunnen het maar beter doen, want er is geen ander (beter) alternatief. Ik zie niet in waarom ik het niet zou doen.
I have nothing else to do. I might as well clean my room.
Unit 31 have to, must
• Je moet iest doen
I have to go/I must go =hetzelfde
• Om je eigen mening te geven. Je zegt wat jij denkt dat gedaan moet worden.
Have to: wat je verplicht bent te doen (hiebij geef je dus geen mening)
I have to go to school every day.
Must: bij geschreven regels en instructies.
Als je het hebt over het verleden, gebruik je geen must.
I had to be home at ten o’clock.
Must not                                                            Have to
Het is belangrijk dat je iets niet doet:                Je hoeft het niet te doen,                                                                                               maar als je wilt, kan het wel
You must not be late                                         You don’t have to be there
 
You must not tell him
Must: je moet iets doen
Must not: het is belangrijk dat je het niet doet
Need not: het hoeft niet, maar het kan wel
You needn’t come tonight if you don’t want to.
Need not have (needn’t have):
Ik deed iets, maar nu weet ik dat het eigelijk niet nodig was geweest.
Everything was OK. I needn’t have worried
I tought it was going to rain. I brought an umbrella, but it turned out I needn’t have brought one.
Didn’t need to:
Het hoeft niet (en op dat moment wist ik dat ook)
I didn’t need to get up early.
Je kunt hier didn’t need to vervangen met didn’t have to
Unit 33 should 1
• Om advies te geven of om je eigen mening te geven
• Vaak gebruikt met “I (don’t) think”
• Should not: je zou het niet moeten doen
Should is niet zo sterk als must/ have to
- het zou goed zijn als je het deed
• Als iets niet klopt of iets is niet wat je verwachtte
• Als je verwacht dat iets gaat gebeuren
Should have done:
Je hebt iets niet gedaan, maar je had het wel moeten doen
Should not have done: tegenovergestelde
Unit 34 should 2
Should gebruik je met een aantal werkwoorden:
• Demand, insist, propose, recommend, suggest
• It’s vital/ important/ necessary/ essential
They insisted we should apologize.
They insisted we apologise (subjunctive).
Onthoud:
Na 'suggest' geen 'to':
What do you suggest we do?
What do you suggest we should do?
Should ook na:
Strange, odd, typical etc. (zie blz. 68 c)


Unit 35 had better, it’s time
Had better:
• Je kunt het maar beter doen
• Betekenis gaat altijd over de tegenwoordige tijd/ toekomst
• Na had better (not) volgt het hele ww
Had better/ should
Had better: alleen voor specifieke situaties
als er gevolgen zitten aan iets wel of niet doen
should: voor alle situaties
It’s time:
• Je had iets al moeten doen (meestal om te bekritiseren/ klagen)
• It’s about time (om je beklaag/ kritiek nog sterker te uiten)
Unit 36 would
• Als je iets voorstelt.
It would be nice if I won the lottery
• Would have + 3e rijtje
Als je je iets voorstelt in het verleden
It would have been nice if he had helped
Would en if gaan vaak samen
• Would not do something: iemand weigerde iets te doen
If I would go to the cinema every Thursday:  would dus ook om aan te geven dat je in het verleden iets vaker deed (in dit geval heft would dan dezelfde betekenis als used to)
Unit 37 can, could, would
Can/ could:  om iemand te vragen iets te doen
Do you think you could close the window?
Do you mind closing the window
Would: om iets aan te bieden
Would you like something to drink?
Geen 'I want', maar 'I would like':  nette manier om aan te geven dat je iets wilt.
 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

super handig!!! op geen enkele site vind je het zo goed uitgelegd 1 voor 1. echt super ook al zit ik in de 2e nog handig.

6 jaar geleden