Jongens gezocht!
We zoeken nog een aantal examenkandidaten die (voor moneys) hun frustraties, verdriet, of blijdschap willen uiten na afloop van de examens. Solliciteer voor 3 maart als eindexamenvlogger!

Meedoen

Transactie, H1 t/m 7

Beoordeling 4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 526 woorden
  • 18 mei 2003
  • 14 keer beoordeeld
Cijfer 4
14 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij een maatschappelijke studie?

Misschien is een studie Sociologie of Antropologie dan wel iets voor jou! Bij beide opleidingen ga je aan de slag gaat met maatschappelijke vraagstukken. Wil jij erachter komen welke bachelor bij jou past? Kom in maart proefstuderen aan de VU.

Meer informatie
Economie, transactie, 5 Havo, hele boek.

Toegevoegde waarde = omzet – verbruikt kapitaal (inkoop)

Inkomen = productie

Nationaal inkomen = nationaal product = toegevoegde waarde bedrijven/overheid (ambtenarensalarissen)

Productiecapaciteit = totale beschikbaarheid/kwaliteit productiefactoren

Diepte-investering = arbeidsbesparende investering (kapitaalintensiteit vergroot)
Breedte-investering = evenveel arbeiders nodig

GVK= TVK

Q

Toename constante kosten: huurprijs, loonsveranderingen

TK = TVK + TCK

GTK = TK
Q

Opbrengt: TO = p x q

Winst: TW = TO – TK

Breakeven-punt: TO = TK (geen winst/verlies)

MO > MK: winst blijft stijgen
MO = MK: max. winst

Marktevenwicht: Qv = Qa = p – evenwichtsprijs
q - evenwichtsafzet

Marketingmix
Productbeleid
Promotiebeleid
Prijsbeleid
Plaatsbeleid

Invloed op marktmechanisme:
overheid, monopolie, kartel, marketingmix, consumentenacties

interventieprijs = vastgestelde prijs (zoals in landbouw)

reële arbeidskosten = arbeidskosten per eenheidproduct

WIG

Geld dat werkgever kwijt is
E 5.000
E 10.000
E 30.000
Sociale premies
Werkgever

Loonbelasting + bruto-loon
soc. premies
Werknemer

Netto-loon

Wig hoog: werknemer duur voor werkgever
netto minder over voor werknemer

overspannen arbeidsmarkt = vraag naar arbeid > aanbod

belastingverhoging -> toename particuliere vraag (bestrijdt conjuncturele werkloosheid)

product- en procesinnovatie: bestrijdt kwantitatieve werkloosheid

primair inkomen = verdiende inkomen
secundair inkomen = inkomstenoverdracht (zakgeld, sociale uitkeringen)

categoriale inkomensverdeling: looninkomen <-> overig inkomen


personele inkomensverdeling: Lorenz-curve

inkomensnivellering = verkleinen van inkomensverschillen
inkomensveschillen:
- schaarsteverschil
- productiviteitsverschil
- machtsverschil
- vermogensverschil
- inspanningsverschil
- verwervingsverschil

equivalentiebeginsel: % van laatst verdiende loon

omslagstelsel: huidige premiebetalers betalen nodige bedrag

solidariteitsbeginsel: iedereen gelijke uitkering

kapitaaldekkingsstelsel: fonds

waardevast = gekoppeld aan inflatie
welvaartsvast = gekoppeld aan gemiddelde loonstijging

i/a ratio

ontduiking = zwartwerken = illegaal
ontwijking = legaal
afwenteling = legaal

institutionele beleggers: pensioenfondsen, levensverzekeringsmaatschappijen


primaire banken = algemene banken = geldscheppend: beïnvloeden omvang geldhoeveelheid
(betaalrekeningen)

secundaire banken = specifieke banken

schaalvergroting
- concurrentie
- vraag naar grote leningen
- specialisme
- risicospreiding

CPI = samengesteld gewogen prijsindexcijfer
Partiële prijsindexcijfers
Samengesteld prijsindexcijfer

Wegingsfactor = (…% * 1..) + (…% * 1..) etc.

Indexcijfer reëel inkomen= nominaal inkomen
prijsindexcijfer * 100
Inflatie
bestedingsinflatie: overbesteding
kosteninflatie: kostenstijging (bv. Grondstoffen)
loonkosteninflatie: loon ↑ t.o.v. arbeidsproductiviteit
winstinflatie: winstverhoging -> stijging verschil verkoopprijs – kostprijs

bedrijfskosten + externe effecten = maatschappelijke kosten v.d. productie


taken van de overheid
- allocatiefunctie (collectieve, semi-collectieve, individuele goederen)
- stabilisatiefunctie
- verdelingsfunctie (inkomens)

merit-goederen: gestimuleerd, gesubsidiëerd
demeritgoederen: accijnzen etc.

vijfdoelstellingen v.d. overheid
1. evenwichtige arbeidsmarkt
2. evenwicht op betalingsbalans
3. evenwichtige groei
4. rechtvaardige inkomensverdeling
5. stabiel prijsniveau
(6.) vermindering financieringstekort
directe belastingen: loon, inkomsten, vermogens, vennootschap, kansspel, successierechten

indirecte belastingen: omzetbelasting – BTW, accijnzen, motorrijtuigen, invoerrechten

Ep = % Qv
% p

elastisch als: vraagverandering > prijsverandering

negatief extern effect = welvaartsverlies

positief extern effect = welvaartswinst

Warenwet
Colportagewet
Wet op Consumptief geldkrediet
Mededingingsbeleid
Prijsbeleid (als aanbodtekort -> te sterke prijsstijgingen)

Export/import quote = waarde export/import_
binnenlandse productie * 100

Laag : gesloten, Hoog : open

Handelsquote = importquote + exportquote

(uitgaven + aflossingen) – ontvangsten = begrotingstekort

begrotingstekort – aflossingen = financieringstekort

Staatsschuld stijgt met bedrag financieringstekort

Consumeren
schaars goed: meer behoefte, dan middelen om in behoefte te voorzien
welvaart: mate waarin je in behoefte kan voorzien

vraag consumptiegoed A hangt af van:
- prijs goed A

- prijs goed B, C, D etc. (substitueerbaar/concurrerend, complementaire goederen)
- inkomen
- voorkeur
- aantal vragers (collectieve vraag)

ceteris-paribus-voorwaarde = prijs omhoog -> vraag omlaag


internationale handel:
- goederen ruilen
- lagere productiekosten (specialisatie, kostenvoordeel)
- technische vooruitgang
- kostenverdeling

Betalingsbalans

1. lopende rekening
- goederenrekening (import, export)
- dienstenrekening (import, export)
- inkomensrekening (ontvangen, betaald)
- inkomensoverdrachtenrekening (bv. ontw. hulp, contributie EU)
2. vermogensoverdrachtenrekening (ontvangen, betaald)
- voor investeringen
3. financiële rekening (ontvangen, verstrekt kapitaal)
- kredietverlening, investeringen, beleggingen)

4. salderingsrekening
- saldo officiële reserves

Per saldo: geldinstroom in vergelijking met gelduitstroom

Saldo officiële reserves =
saldo lopende rek. – saldo vermogensoverdrachtenrek. – saldo financiële rek.

betalingsbalans:
- handelspositie
- internationale geldstromen

tarifaire maatregelen:
- invoerrechten
- subsidies voor exporterende bedrijven (betere concurrentiepositie)

non-tarfair
- invoerquota
- invoerverbod
- administratieve/papieren belemmeringen

negatieve gevolgen : handelsconflicten, prijsstijgingen, welvaartsdaling, mindere prestaties (minder prikkel)

spilkoers: wisselkoers per Eu-lland

voordelen euro:
- geen omwisseling -> minder kosten
- geen koersrisico meer voor bedrijven


Europese Monetaire Unie
- Deelname indien inflatie, kapitaalmarktrente, overheidstekort, overheidsschuld niet te hoog en wisselkoers minimaal 2 jaar niet door land zelf verlaagd.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.