Ook deze week is het nog 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


Economie Risico en rendement

Hoofdstuk 1

1.1
Onzekere situatie: situatie waarbij de uitkomst niet vaststaat. Iedere uitkomst van een onzekere situatie heeft financiële gevolgen.
Risico: verwachte schade.

Risico= kans op schade x schade
risico’s kunnen ook verschillen terwijl de kans op een gebeurtenis hetzelfde is. Als een risico verkeerd wordt ingeschat, worden er verkeerde keuzes gemaakt.  Door meer informatie kan er een betere inschatting worden gemaakt van de verwachte schade en dus van het risico.

1.2
Vrijwillige risico: risico dat bewust wordt genomen.
Onvrijwillige risico: risico dat niet kan worden vermeden. Het enige dat je kan doen is het risico te verminderen, maar zal nooit helemaal verdwijnen.

1.3
Risicoaversie: afkerigheid van risico.

Verwachte opbrengst: kans op een gebeurtenis maal de opbrengst als gevolg van die gebeurtenis.
verwachte opbrengst= gemiddelde opbrengst- gemiddelde kosten
verwachte schade: kans op een gebeurtenis maal de schade als gevolg van die gebeurtenis

Iemand die risicoavers is kiest het zekere voor het onzekere; bij twee onzekere situaties met dezelfde verwachte opbrengst kiest een risicoavers persoon voor de situatie met het laagste risico.

 

Hoofdstuk 2 Verzekeren

2.1
Onvrijwillige risico> verzekeren: spreiden van risico’s

Totale risico: optelsom van de individuele risico’s binnen een groep mensen
Totaal risico= verwachte schade van een gehele groep
                     = kans op schade x schade x aantal mensen

Premie: prijs van een verzekering
Premie= waarde van het risico

Een risicoavers persoon zal zich altijd verzekeren, want de verwachte kosten van wel en niet verzekeren zijn gelijk.

2.2
Verzekeraar: aanbieder van verzekeringen (verzekeringsmaatschappijen)
Verzekering: contract tussen de aanbieder, de verzekeraar, en de verzekeringsnemer: vrager van verzekeringen met daarin de voorwaarden van de risicospreiding

Een verzekeringsmaatschappij biedt bij een verzekering een polis aan met bijbehorende premie.
TO= premie x aantal verzekeringsnemers
 

TK= verwachte schade per verzekeringsnemer x aantal verzekeringsnemers
    = risico verzekeringsnemer x aantal verzekeringspremies
TO ≥ TK
premie x aantal verzekeringsnemers ≥ risico verzekeringsnemer x aantal verzekeringsnemers

2.3
Een verzekeraar kent alleen de gemiddelde kans op schade. Maar deze kans zegt niet zoveel over een individueel persoon.
Informatieasymmetrie: situatie waarbij verschillende spelers over verschillende informatie beschikken
omdat risico’s verschillen tussen verzekeringsnemers, zal een verzekeraar winst maken op de ene verzekeringsnemer en verlies op een andere verzekeringsnemer> risicospreiding: samenvoegen van individuele risico’s binnen een groep mensen.
Averechtste selectie: verschijnsel waarbij mensen met een groot risico zich wel verzekeren en mensen met een klein risico dat niet doen
Moral hazard: de neiging van mensen om zich roekelozer te gaan gedragen als ze verzekerd zijn.

Vanwege averechtste selectie sluiten vooral mensen met een hoog risico een verzekerring af. Het gemiddelde risico waarmee de verzekeraar rekening hield, is daardoor te laag.

2.4
Manieren om averechtste selectie en moral hazard te verminderen:

·       Verminderen informatieachterstand

·       Premiedifferentiatie: situatie waarbij verschillende groepen een verschillende premie betalen voor het verzekerden van dezelfde schade. De hoogte van de premie is afhankelijk van het individuele risico.
Perfecte premiedifferentiatie: situatie waarbij iedereen een premie betaalt die gebaseerd is op het individuele risico. Maar een verzekeraar kan geen inschatting maken van het risico van ieder individu. Hij kijkt naar het gemiddelde risico van verschillende groepen

·       Bonus- malussysteem: verzekeringssysteem waarbij goed gedrag wordt beloond en slecht gedrag wordt bestraft.

·       Eigen risico: deel van een schade dat een verzekeringsnemer zelf moet vergoeden

Gevolgen invoeren eigen risico:

·       Premie omlaag

·       Moral hazard verminderd.

Door verzekerden zelf hun eigen risico te laten kiezen lost een verzekeraar ook een deel van het probleem averechtste selectie op.

2.5
Volksverzekering: door de overheid aan iedereen opgelegde verzekering. De overheid dwingt solidariteit af van mensen met een laag risico voor mensen met een hoog risico.

 

Hoofdstuk 3 Risico en rendement

3.1
Handelen in risico’s gebeurd in de praktijk op de kapitaalmarkt: markt waarbij gehandeld wordt in effecten: rechten met een financiële waarde, zoals aandelen, bedrijfsobligatie en staatsobligatie. De belangrijkste effecten zijn: aandelen, bedrijfsobligaties en staatsobligaties.

Aandeel: eigendomsbewijs van een gedeelte van de onderneming die het aandeel heeft uitgegeven. Het heeft onbeperkte looptijd zolang de onderneming niet failliet gaat. Mede- eigenaar van de onderneming.

Bedrijfsobligatie: schuldbewijs van een bedrijfslening. Als de schuld is afgelost, houdt de obligatie op te bestaan.
Staatsobligatie: schuldbewijs van een overheidslening. Het geeft aan op welk termijn de overheid de schuld aflost en welk rentepercentage ze betaalt.

Koers: prijs van een effect

3.2
Belegger: investeerder in effecten. Aandelen geven recht op dividend en obligaties keren rente uit.
Verwachte rendement: verwachte opbrengst als percentage van de investering

Verwachte rendement= verwachte investeringsopbrengst x 100%
                                                                investering

Aandelenemissie: uitgifte van nieuwe aandelen. Bij effecten hoort een risico. om het rendement van aandelen te bepalen kijkt de belegger naar het dividend van het afgelopen jaar. De rente op staatsobligaties is een risicoloos alternatief voor de andere effecten. De kans op schade bij bedrijfsobligaties is kleiner dan bij aandelen. Er wordt pas winst gemaakt als alle kosten zijn afgerekend, inclusief rentebetalingen op bedrijfsobligaties. Beleggers willen gecompenseerd worden voor het risico dat zij nemen. Dat gebeurd in de vorm van een hoger verwacht rendement.
Risicopremie: compensatie van het investeringsrisico in de vorm van een hoger verwacht rendement

3.3
De vaste rente die een bank geeft is een alternatief met weinig risico voor investeringen in effecten. De hoogte rente beïnvloedt de effectenkoersen:

·       Directe beïnvloeding: als de rente daalt, stijgt de waarden van aandelen

Indirecte beïnvloeding: als de rente stijgt, wordt geld lenen duurder. Bij een stijgende rente investeren ondernemingen minder.

Als de rente stijgt, daalt de waarde van een bestaande bedrijfsobligatie. Want die obligatie keert een vaste rente uit: de lagere ‘oude’ rente.

3.4
Als van een aandeel het risico daalt bij een gelijkblijvend verwacht rendement, zal de koers stijgen. Informatie beïnvloedt de inschatting van het risico en daarmee de koers van effecten. Koersgevoelige informatie: informatie die de koers van een effect beïnvloedt. Deze kennis kunnen ze misbruiken door de aandelen tegen een lage koers te kopen van beleggers die uitgaan van een hoog risico. Deze manier van informatie gebruiken is verboden: handelen met voorkennis: misbruik van informatieasymmetrie bij effectenhandel. Als bekend wordt dat een belegger gehandeld heeft met voorkennis, krijgt hij straf.

Hoofdstuk 4 ondernemen is risico’s nemen

4.1
Ondernemingsrisico: de kans dat een investering verlies geeft maal de omvang van het verlies. Een onderneming kan kiezen of een investering met vreemd of eigen vermogen word gefinancierd. De keuze zal afhangen van de vraag welke financieringsvorm het goedkoopst is. De risico die een bank heeft door het uitlenen van geld wordt gecompenseerd door een risicopremie. Op deze manier verhoogt de bank haar verwachte rendement op de lening.
de rente die de bank vraagt is lager als het risico van de lening kleiner is. Het risico is lager ais de bank een onderpand: roerend of onroerend goed dat bij het verstrekken van een lening als zekerheid wordt gegeven, heeft.

Met het uitgeven van aandelen verkoopt de onderneming een deel van de onderneming aan de aandeelhouders. Met een aandelenemissie heeft het bedrijf ook geen rentekosten.

4.2
Bedrijfsvorm: juridische vorm van een onderneming. De bedrijfsvorm heeft vier kenmerken:

·       Rrechtsvorm: juridische status van een onderneming:
- Natuurlijke persoon: mens van vlees en bloed met rechten en plichten

- Rechtspersoon: juridische constructie waarbij een organisatie kan optreden als persoon in het rechtsverkeer

·       Aantal eigenaren

·       Inbreng eigen vermogen

·       Aansprakelijkheid voor schulden

Bedrijsvorm

rechtsvorm

Eigenaren

Eigen vermogen

Aansprakelijkheid voor schulden

Eenmanszaak

Natuurlijk persoon

Eén

Geheel door de eigenaar ingebracht

de eigenaar

Vennootschap onder firma

Natuurlijk persoon

Ten minste twee

Geheel door de eigenaren ingebracht

De eigenaren

Besloten vennootschap

Rechtspersoon

ten minste één, vennoten genoemd

Geheel door de vennoten ingebracht

De bv

Naamloze vennootschap

Rechtspersoon

Meerder, aandeelhouders genoemd

Geheel door de aandeelhouders ingebracht

De nv

Eenmanszaak: onderneming met een natuurlijk persoon als eigenaar die met zijn hele vermogen aansprakelijk is voor alle verplichtingen van de onderneming
Zelfstandige zonder personeel: eenmanszaak die naast de eigenaar geen medewerkers in dienst heeft
Vennootschap onder firma: onderneming met ten minste twee natuurlijke personen als eigenaar die gezamenlijk met hun hele vermogen aansprakelijk zijn voor alle verplichtingen van de onderneming
Besloten vennootschap: onderneming met rechtspersoonlijkheid waarvan het eigen vermogen is ingebracht door de vennoten.

Naamloze vennootschap: onderneming met rechtspersoonlijkheid waarvan het eigen vermogen is ingebracht door de aandeelhouders

Het ondernemingsrisico beïnvloedt de keuze van de bedrijfsvorm.

4.3
Het dagelijks bestuur is in handen van de raad van bestuur. De voorzitter van de raad van bestuur is de feitelijke leidinggevende van de onderneming: CEO.

De raad van bestuur moet handelen in het belang van de aandeelhouders.

Principaal- agentrelatie: relatie waarbij een speler (de agent) handelt in opdracht van een andere speler (de principaal). Bij het leiden van de onderneming moet de agent de doelstelling van de principaal dienen. Informatieasymmetrie speelt hierbij een belangrijke rol. Door de informatieasymmetrie is het voor een principaal moeilijk te bepalen of een agent wel handelt in zijn belang. Door averechtse selectie kan een principaal de verkeerde agent kiezen.
Benchmark: studie waarbij prestaties van zijn agent vergelijkt met de gemiddelde prestaties van andere agenten
Second opinion: door een principaal gevraagde mening van een agent over de prestaties van zijn agent
Prikkelcontract: overeenkomst tussen principaal en agent waardoor beiden dezelfde doelstelling hebben. Op deze manier hebben aandeelhouders en bestuurders dezelfde doelstellingen een wordt onnodige verspilling van bedrijfstegoeden tegengegaan.

4.4
Verzelfstandiging: naar de markt brengen van een overheidsdienst waarbij alle aandelen in bezit van de overheid blijven. Als een overheidsdienst verzelfstandigd wordt, ontstaat een principaal- agentrelatie. Met het opstellen van prikkelcontracten kan de overheid proberen om het probleem van haar informatieachterstand op te lossen.
Privatisering: naar de markt brengen van een overheidsdienst waarbij alle aandelen worden verkocht.

De keuze van verzelfstandiging of privatisering hangt vooral af van de marktvorm waarbinnen de monopolie de nieuw op te richten onderneming zal opereren.


 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.