Ook deze week is het nog 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


Paragraaf 1: Produceren, hoe werkt dat?

roductie

  • Produceren: Het maken van goederen en/of leveren van diensten
  • Goederen:  Tastbare producten. Je kunt ze zien en aanraken. Bv. een spijkerbroek of een brood
  • Diensten: zijn niet tastbaar, maar ze moeten wel geproduceerd worden. Zo knipt een kapper je haar en maak je gebruik van een vliegtuig als je op vakantie gaat
  • Apple: is een producent. Het bedrijf maakt zowel goederen als diensten. De meeste productie vindt plaats in bedrijven en ondernemingen. Apple is een voorbeeld van een onderneming, want Apple wil winst maken. Maar Apple is ook een voorbeeld van een bedrijf.
  • Bedrijf: een organisatie die goederen of diensten voortbrengt en daarmee voorziet in een maatschappelijke behoefte. Bv. Mobiele telefoons, of een autogarage die je auto repareert
  • Thuisproductie: ook thuis vind productie plaats, bv een appeltaart bakken of een kamer schilderen.

  

Productiefactoren:

  1. Arbeid:  Dit zijn de mensen die ingeschakeld zijn bij de productie
  2. Grondstoffen: Hierbij moet je denken aan een stuk grond, water, lucht, zonne-energie, kortom alles wat de natuur te bieden heeft.
  3. Kapitaal: Het kapitaal bestaat uit kapitaalgoederen en geld wat een bedrijf tot zijn beschikking heeft. Kapitaalgoederen zijn middelen zoals gebouwen, machines, gereedschappen en transportmiddelen waarmee binnen het bedrijf kan worden geproduceerd. Ook voorraden en aanwezige grondstoffen in een bedrijf horen bij de kapitaalgoederen. Als je thuis een printer hebt staan om voor jezelf af en toe wat uit te printen, is het geen kapitaalgoed maar consumptiegoed. Want jij bent geen bedrijf, je hoeft er niets aan te verdienen.

Soorten productie:

  • Productie in ruime zin:  Dit is álle productie. Bv. De taart die een kok in een restaurant bakt én de taart die je moeder thuis bakt. Want zowel de kok als je moeder maken een product: een taart
  • Productie van een dienst: is bv. Toezicht houden

Je moeder houdt als vrijwilligster toezicht op de leerlingen tijdens sportdag en de politie houdt toezicht in het winkelcentrum

 

Productie in ruime zin kun je opdelen in:

  • Productie in enge zin of formele productie: Producten van goederen en diensten in bedrijven of door de overheid. Voor deze goederen en diensten moet worden betaald. Nu telt de taart van de kok wel mee, maar de taart van je moeder niet. Want het restaurant is een bij de overheid bekend bedrijf, waar de klanten voord ie taart moeten betalen.
  • Informele productie: Hieronder valt het vrijwilligerswerk van je moeder en het huishoudelijke werk  van de taart. Want als je die taart verkoopt, is dat ook  informele productie. Het is niet bij de overheid bekend. Je noemt dit zwart werk.

Kapitaal-of arbeidsintensief

  • Kapitaalintensief: In veel bedrijven wordt bij de productie steeds meer gebruik gemaakt van kapitaalgoederen, zoals machines, computernetwerken en transportmiddelen. We noemen de productie waarbij veel kapitaalgoederen gebruikt worden kapitaalintensief.

Voorbeeld: Een boer met een akkerbouwbedrijf en machines gebruikt om voor productie te kunnen zorgen.

  • Arbeidsintensief: Er zijn ook bedrijven waar veel met de hand wordt gedaan en dus in verhouding veel arbeiders en weinig machines nodig zijn. Dit noem je arbeidsintensief. Voorbeelden zijn: kledingindustrie, een boekenschrijver of een leraar.

Paragraaf 2: De bedrijfskolom van goederen en diensten.

  • De bedrijfskolom

De bedrijfskolom: is de weg die een product aflegt van producent naar consument.  Het begint bij de oerproducent [de 1e producent] en eindigt bij de consument. Tussen elke fase [schakel] in de bedrijfskolom vindt verkoop van een [tussen] product plaats. Bv. De boeren produceren pinda’s. Deze kunnen ook ongepeld in zakken verkocht worden. Ze zijn dan klaar voor consumptie. In dat geval noemen we de pinda’s een eindproduct. Maar de pinda’s kunnen ook verder verwerkt worden. De fabriek maakt er pindakaas van. In dat geval noemen we de pinda’s een halffabricaat, het is nog niet helemaal af. De fabrikant moet het nog verder bewerken. Dan worden de pindakaaspotjes  getransporteerd naar de groothandel. Vandaaruit gaat het naar de supermarkten en/of andere verkooppunten. De detaillist [winkelier]

In een bedrijfskolom staan dus:

  • Grondstoffen
  • Halffabricaten
  • Eindproducten

Toegevoegde waarde

  • Toegevoegde waarde:  De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product – de ingekochte goederen en diensten om het product te maken
  • Diensten van derden: Dat zijn diensten die door andere bedrijven worden verricht. Bv. transport en bewaking. Diensten van derden maken géén deel uit van de productiekolom, maar ze voegen wel waarde toe. Een goed voorbeeld is het vervoer van goederen. Nederland is een belangrijk transportland. En daaraan wordt veel geld verdiend.

Ook de winkelier is producent: hij zorgt ervoor dat de klanten dicht bij hun huis pindakaas kunnen kopen en kunnen kiezen uit verschillende soorten pindakaas. De consumenten zijn de uiteindelijke gebruikers. Zij voegen geen waarde toe. Daarom zijn zij ook geen onderdeel van de bedrijfskolom

Binnenlands product

  • Wanneer we de toegevoegde waarde van alle bedrijven die in Nederland gevestigd zijn bij elkaar optellen, weten we de waarde van de binnenlandse productie door bedrijven. Er wordt ook geproduceerd door de overheid. Omdat de overheid geen ‘verkoopwaarde’[prijs] kan bepalen, kunnen we de productiewaarde niet meten zoals bij de bedrijven. De toegevoegde waarde van de overheid stellen we op het totaal van de ambtenarensalarissen. Het totaal van de toegevoegde waarde van bedrijven en overheid noemen we het bruto binnenlands product. [bbp]

Handel

  • Handel: Het kopen van goederen om ze met winst te verkopen. Handelaren horen thuis in de bedrijfskolom omdat ze goederen kopen en verkopen. Opkopers kopen bij boeren bv. de pinda’s voor een zo laag mogelijke prijs op, om ze vervolgens door te verkopen aan een volgende handelaar of aan de pindakaasfabriek. Maar ook de potjes die uit de fabriek komen worden weer verhandeld. Deze komen, al dan niet via de groothandel, terecht bij de winkelier, die ze uiteindelijk doorverkoopt aan de consument.
  • Handel heeft diverse functies: Door de handel
  • Komen goederen bij de consumenten
  • Kunnen we het hele jaar alle goederen kopen
  • Kunnen we kiezen uit een groot aantal producten.

Paragraaf 3Werken, wie doet dat?

  • Arbeid en beroep
  • Beroepsbevolking: Mensen die tussen 15 en 65 jaar oud zijn en voor minstens 12 uur per week betaalde arbeid doen of willen doen, horen bij de beroepsbevolking. Voor de meeste beroepen moet je een opleiding volgen. Als je vrijwilliger bent bij bv. een dierenopvang is dit vrijwilligerswerk en dit is net zoals huishoudelijke werk onbetaalde arbeid.
  • Geregistreerd werk: Bijna alle mensen die betaalde arbeid verrichten doen geregistreerd werk. Bedrijven geven aan de overheid door dat iemand werkt. Over het verdiende loon moet de werknemer belasting en sociale premies betalen. Er zijn mensen die hun betaalde arbeid niet laten registreren, dat noemen we zwart werk. Bv. huishoudelijk werk voor anderen [huizen schoonmaken] wordt vaak “zwart” verricht. Omdat zwart werk niet geregistreerd is, is de werkelijke productie in ons land groter dan de overheid denkt
  • Arbeidsmotieven: Dit betekent dat mensen om verschillende redenen werken, bv.
  • geld verdienen
  • sociale contacten
  • nuttig zijn
  • status
  • macht
  • plezier in het werk
  • zelfontplooiing
  • financieel onafhankelijk zijn

Werken in de sectoren

  1. Primaire sector: Hierbij haalt men de producten uit de natuur. Bv. landbouw, visserij en mijnbouw. Consumenten beschikken dankzij deze sector over de producten die de natuur biedt. Binnen het mbo kun je kiezen voor verschillende opleidingen waarmee je een beroep kunt uitkiezen in de primaire sector. Voorbeelden hiervan zijn:

Tuinbouwer, een paardenfokkerij beginnen,  bloemist. Met opleidingen in de agrarische sector kan dit allemaal

  1. Secundaire sector: Dit is de industrie en de bouw. Producten van de primaire sector zin vaak nog niet geschikt om te gebruiken. Denk maar aan suikerbieten en ijzererts. De secundaire sector bewerkt grondstoffen uit de primaire sector tot halffabricaten en/of eindproducten. Het mbo biedt voor een beroep binnen deze sector veel verschillende opleidingen. Voorbeelden zijn: in de sector techniek, zoals een opleiding voor metselaar, opzichter in de bouw, werktuigbouwkunde, installatietechniek en voertuigtechniek.
  2. Tertiaire sector: Dit is de commerciële dienstverlening. Hier verricht men diensten om winst te maken, bv. winkels, banken, handel en vervoer. Vooral binnen de sector economie van het mbo vind je veel opleidingen die bij de tertiaire sector passen. Wil je een eigen winkel beginnen of filiaalbeheerder worden? Of ga je liever in de horeca werken? Of bij een bank als commercieel medewerker of directiesecretaresse. Ook boekhouder worden valt hieronder, het kan allemaal.
  3. Quartaire sector: Dit is de niet-commerciële dienstverlening. Het gaat niet om winst te maken, maar om nuttige diensten te verrichten. Bv. werken in een ziekenhuis, brandweer en politie. Op mbo-niveau zijn er een groot aantal opleidingen in de [gezondheids]zorg. Je kunt ook kiezen voor uniformberoepen bij het leger en de politie.

Banen in soorten en maten

  • Voltijdbaan: Dan werk je zo’n 38 uur per week
  • Deeltijdbaan: Dat is een baan voor minder dan 38 uur per week

Voor geschoolde arbeid heb je een opleiding nodig. Wil je bv. administratief medewerker worden, dan moet je een mbo-opleiding volgen. En dan ben je nog niet klaar. Telkens veranderen de eisen die aan je werk gesteld worden. Je moet je dan laten bijscholen. Soms is het nodig dat je je laat omscholen, omdat het beroep wat je wilt uitoefenen niet meer bestaat of omdat er al teveel mensen zijn die dit beroep uitoefenen. Er is ook ongeschoolde arbeid, bv. koekjes inpakken. Hiervoor heb je geen opleiding nodig.

Laag, hoog of ongeschoold

  1. 7% van het aantal banen in Nederland is ongeschoold werk. Dit percentage is al jaren gelijk. Het aandeel van het hooggeschoold werk stijgt. Het aandeel laaggeschoold werk daalt [vmbo en mbo niveau 1]
  2. Het laaggeschoold werk verschuift van de industrie naar de dienstensector. Dit werk stelt eisen aan hoe je op een goede manier met mensen omgaat. Mensen die dat goed kunnen hebben over het algemeen doorgeleerd.
  3. Het aandeel van ongeschoolden in de bevolking is de laatste 10 jaar gedaald van 14% naar 9%. Het aantal laaggeschoolden is al jaren ongeveer 25%. Het mbo heeft een aandeel van rond de 40%

 

 

  • In loondienst of voor jezelf beginnen
  • In loondienst: Als je in loondienst werkt heb je een vast contract , waarin ook staat vermeld hoeveel uur je werkt.
  • Flexwerker: Dan werk je met een tijdelijk arbeidscontract of met een contract waarbij niets afgesproken wordt over het aantal uren dat je voor dat bedrijf gaat werken. Bv een oproepkracht voor een bedrijf als ze je nodig hebben of je werkt bv. voor een uitzendbureau.
  • Zzp ‘er: Zelfstandigen zonder personeel. [Deze behoren ook tot de groep flexwerkers] Je ontvangt geen loon. Je inkomen bestaat uit winst van de ondernemning. Bv. In de bouw, kleine winkeliers, huisarts, acteurs en tekstschrijvers. De meeste zzp ‘ers beginnen een eenmanszaak. Dit is een onderneming met één eigenaar, die volledig aansprakelijk is voor alle schulden van de onderneming. Om een onderneming te kunnen starten moet je je laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel

Paragraaf 4: Zelf aan de slag

 

  • Arbeidsverdeling

Er zijn verschillende typen werk, dat zijn functies. Er zijn 2 soorten functies:

  1. Leidinggevende functies: Leidinggevenden organiseren het werk en geven leiding aan de uitvoerenden. In de supermarkt zijn dat de filiaalmanager en de afdelingschef.
  2. Uitvoerende functies: Uitvoerenden doen het werk waarvoor de organisatie bedoeld is. Je verricht dan werk dat door anderen is opgedragen

Arbeidsverdeling heeft ook nadelen. Als je al het werk verdeeld moet je steeds hetzelfde doen. Zo zijn er fabrieken waar de mensen de hele dag niks anders doen dan bv van koperen draadjes spoeltjes maken. Dit kan ertoe leiden dat mensen steeds minder betrokken raken bij hun werk. Werknemers weten soms niet hoe het eindproduct er uiteindelijk uitziet en vervreemden van hun werk.                   

 

  • Arbeidsorganisatie

Een organisatieschema: Hoe groter een bedrijf of instelling, des te meer functies [beroepen] en afdelingen je kunt onderscheiden. Alle verschillende functies kun je in een schema zetten. Je noemt dat een organisatieschema. Bovenin het schema staan de leidinggevende functies. Onderin het schema staan de mensen met een uitvoerende functie. De lijnen geven aan hoe de opdrachten verlopen in een organisatie. De afdeling administratie houdt zich bezig met het verzamelen en registreren van bedrijfsgegevens voor de boekhouding.

De afdeling systeembeheer houd zich bezig met het op elkaar afstemmen van computers.

De afdelingen administratie, personeel en systeembeheer zijn er om de directie te ondersteunen. Dit zijn voorbeelden van een staffunctie. Zij ondersteunen het productieproces.

 

  • Gelijkheid op de arbeidsmarkt

Met de invoering van de Wet gelijke behandeling is wettelijk geregeld dat mannen en vrouwen voor hetzelfde werk dezelfde beloning krigen. Ook zegt deze wet dat vrouwen bij een sollicitatie dezelfde kansen moeten hebben als mannen. Deze wet heeft ook betrekking op gelijkheid, ongeacht je ras, seksuele voorkeur, levensovertuiging, geloof en nationaliteit. Er zijn ook groepen die niet zomaar mogen werken, bv. Asielzoekers

Om te mogen werken, moet het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) een tewerkstellingsvergunning afgeven. Zo’n vergunning wordt pas verstrekt wanneer de asielaanvraag minstens zes maanden in behandeling is. Het eerste halfjaar kan een asielzoeker dus sowieso niet werken.

 

Voordelen als asielzoekers betaalde arbeid verrichten:

 ze integreren sneller, ze hebben inkomen, en ze leren de nederlandse taal

Nadelen: Vaak geen opleiding gehad, dus omscholing nodig

Verdringen Nederlanders van de werkplek. Ook culturele verschillen kunnen een nadeel zijn.

 

  • Emancipatie en integratie

Het aantal vrouwen met een betaalde baan is in de afgelopen 40 jaar sterk gestegen. Redenen hiervoor zijn onder andere het gestegen opleidingsniveau van vrouwen, het later en/of minder kinderen krijgen en de wens om zelf geld te verdienen. In Nederland is er op het gebied van arbeid nog geen sprake van volledige emancipatie. Er bestaan nog veel typisch mannen- en vrouwenberoepen. In topfuncties zijn vrouwen nog steeds ver in de minderheid. Daarnaast werken veel vrouwen in deeltijd.

Bij de allochtone beroepsbevolking is de integratie een probleem.

De integratie [inpassing] in de Nederlandse beroepsbevolking verloopt moeizaam. In een aantal beroepsgroepen vind je naar verhouding nog erg weinig allochtonen. Ook is het werkeloosheidspercentage onder de allochtonen hoger dan bij autochtonen. Een lagere opleiding en culturele verschillen spelen hierbij een belangrijke rol. Daarnaast is er volgens onderzoekers sprake van discriminatie van allochtonen bij het sollicitatiegesprek. Daardoor maken zij minder kans op een baan.

Paragraaf 5: Hoe zorg je voor je personeel?

  • De arbeidsovereenkomst
  • Individuele arbeidsovereenkomst: Hierin staan de afspraken tussen een werkgever en een werknemer.
  • Collectieve arbeidsovereenkomst [cao]: In een cao zijn afspraken opgenomen die gelden voor alle werknemers in een groot bedrijf of in een hele bedrijfstak. In Nederland bestaan zo’n 900 cao’s
  • Werkgeversorganisaties: Zijn verenigingen die opkomen voor de belangen van de werkgevers. Een voorbeeld hiervan is het VNO
  • Werknemersverenigingen: nemen het op voor de belangen van de werknemers. Zij worden ook wel vakbonden genoemd. Bv. FNV en CNV

 

Zaken die binnen het cao afgesproken moeten zijn:

De hoogte van het loon

De arbeidstijden en de pauzes

Het soort werk dat verricht zal worden

Vakantie en overige vrije dagen

De proeftijd en de opzegtermijn

De hoogte van vergoedingen, bv. reiskosten

 

Een arbeidsovereenkomst kan worden afgesloten voor:

  • Bepaalde tijd: bv voor een half jaar of een jaar
  • Onbepaalde tijd: Dan ben je vast in dienst van je werkgever

 Mensen met een tijdelijk contract hebben ook een soort cao. De afspraken hierover staan in de Flexwet. Zo hoeft een werknemer niet meer dan

 3 tijdelijke arbeidscontracten van dezelfde werkgever te accepteren. Het 4e is [verplicht] een vast contract.

  • Ontslag bij een cao

Een werknemer die een arbeidscontract voor onbepaalde tijd heeft en ontslag wil nemen, moet zich houden aan een minimale opzegtermijn van een maand. De opzegtermijn hangt af van het aantal jaren dat de werknemer voor het bedrijf gewerkt heeft. Soms krijgt een werknemer ontslag op staande voet. Dat gebeurd bij wangedrag zoals diefstal of als een bedrijf grote verliezen lijdt.

Binnen een proeftijd mogen zowel de werkgever als de werknemer op elk moment de overeenkomst verbreken. Voor een tijdelijke arbeidsovereenkomst tot 2 jaar is de proeftijd een maand.

In alle andere gevallen is de proeftijd maximaal 2 maanden.

Het voordeel van de flexwet is dat een medewerker niet zomaar ontslagen kan worden. Als je als flexwerker jarenlang voor een bedrijf werkt volgens een redelijk vast patroon, dan ben je eigenlijk in loondienst. Vandaar dat je dan niet zomaar ontslagen kunt worden.

  • Regels bij een cao

Het voordeel van de flexwet is dat een medewerker niet zomaar ontslagen kan worden. Als je als flexwerker jarenlang voor een bedrijf werkt volgens een redelijk vast patroon, dan ben je eigenlijk in loondienst. Vandaar dat je dan niet zomaar ontslagen kunt worden.

  • Regels bij een cao

Een cao is aan regels gebonden.

  • Zo bestaat er in Nederland het minimum [jeugd]- loon. De werkgever mag nooit minder dan dit minimumloon betalen.
  • De werknemer met een volledige werkweek heeft recht op minstens 20 vakantiedagen
  • Als werknemer heb je recht op 8% vakantiegeld

Als de overheid het eens is met de cao, dan wordt die verbindend verklaard: werkgevers en werknemers binnen de bedrijfstak waarvoor de cao geldt moeten zich aan de gemaakte afspraken houden, ook al zijn ze geen lid van een vakbond.

  • Arbeidsomstandigheden

-Arbeidsomstandighedenwet  [Arbowet]: Deze wet verplicht de werkgever te zorgen voor een goede en veilige werkplek. Bv. er moet voldoende licht zijn, goede beschermingsmiddelen en geen geluidshinder. Mensen zullen zich dan minder snel ziek melden.

Ook mag je niet te veel uren per dag werken en hebben werknemers recht op een pauze.

Voor jongeren die betaald werk verrichten, zijn er aparte regels. Ben je jonger dan 18 jaar, dan mag je bv geen nachtwerk verrichten. En als je op zondag werkt, dan moet de zaterdag ervoor een vrije dag zijn.

Paragraaf 6:  Rekenvaardigheden

  • Toegevoegde waarde

In elke fase van de bedrijfskolom vinden er bewerkingen aan het product plaats. Hierbij worden kosten gemaakt. Ook wil de producent winst maken. De kosten en de winst worden in de prijs van het product doorberekend. De waarde van het product stijgt. De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product – de ingekochte goederen en diensten die nodig waren om het product te maken

 

  • Het schrijven van miljoenen en miljarden
  • Een miljoen is een getal met 6 nullen.  1 Miljoen in cijfers is 1.000.000
  • Een miljard is een getal met 9 nullen. 1 Miljard in cijfers is 1.000.000.000
  • De puntjes die tussen de nullen staan, zijn hulppunten. Deze moet je op een rekenmachine nooit invoeren.

Want een . [punt] op je rekenmachine is een , [komma]

Soms zie je 16,3 miljoen of als afkorting 16,3 mln. Je spreekt dit uit als 16 miljoen driehonderdduizend. Je schrijft dit op als 16.300.000

Bij miljarden kan er staan 9,25 miljard of 9,25 mld. Je spreekt dit uit als 9 miljard tweehonderdvijftigmiljoen. Je schrijft het als 9.250.000.000

 

  • Delen met miljarden en miljoenen

Als je miljarden moet delen door miljoenen, kun je dat op een makkelijke manier doen door van de miljarden en de miljoenen evenveel nullen af te halen.

30 miljard : 16 miljoen = 30.000.000.000 : 16.000.000

30.000 : 16 [bij beide 6 nullen weghalen] = 1.675

  • Procentberekeningen

Er zijn 3 typen procentberekeningen. Belangrijk is dat je altijd eerst je antwoord schat. Als je mb veenrekenmachine op een heel ander antwoord uitkomt, dan weet je dat er iets niet klopt.

  1. Hoeveel is …procent van…?

Voorbeeld: Jan heeft een inkomen van € 1.700 per maand. Hiervan geeft hij 22% uit aan dagelijkse uitgaven. Hoeveel geeft Jan per maand uit?

  1. Uitdrukken in een percentage van

Voorbeeld: Jan heeft een inkomen van € 1.700 per maand. Hiervan geeft hij €374 uit aan dagelijkse uitgaven. Hoeveel procent geeft Jan per maand uit?

  1. Veranderingen in procenten

Voorbeeld: Jan verdiend in 2011 € 1.700 per maand. In 2012 krijgt hij een loonsverhoging waardoor hij € 1.780 gaat verdienen. Met hoeveel procent is zijn inkomen toegenomen?

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.