Eindexamens 2024

Wij helpen je er doorheen ›

Produceren

Beoordeling 5.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 806 woorden
  • 17 mei 2004
  • 58 keer beoordeeld
Cijfer 5.4
58 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Durf jij de uitdaging aan?

Ben jij tussen de 17-30 jaar en wil je kennismaken met Defensie en een bijdrage leveren aan de samenleving? Tijdens de MDT Missie van het Ministerie van Defensie en Stichting TijdVoorActie zet je jezelf 80 uur in voor zelfontwikkeling, maatschappelijke impact én teamwork. Meer weten? 

Check de video
Produceren: voortbrengen van goederen en diensten met beghulp van productiefactoren. 4 productiefactoren zijn: - Natuur (natuurlijk omgeving en natuurlijke hulpbronnen) - Arbeid (betaald werk) - Kapitaal (vermogen in kapitaal goederen) - Ondernemersactiviteit (economische risico’s) Vastkapitaal: gaat veel langer mee dan 1 productieproces zoals machines en gebouwen. Vlottend kapitaal: wordt in 1 productieproces verbruikt. Zoals hulpstoffen en grondstoffen
Formele economie: productie die bij de belastingdienst bekend staat. Het staat geregistreerd. Informele economie: deze wordt niet door het CBS geregistreerd. Grijze circuit: legale werkzaamheden, zelf een schuur bouwen of vrijwilligerswerk doen. Zwarte circuit: illegale werkzaamheden, zoals drugshandel, hierover wordt GEEN loonbelasting of sociale premies betaald. Markt: samenhangend geheel van vraag en aanbod van een product. Markten voor productiefactoren zijn: - arbeidsmarkt (de prijs = loon/salaris) - vermogensmarkt (bedrijven kunnen hier geld lenen om kapitaalgoederen aan te schaffen) geografische arbeidsverdeling: dat landen een arbeidsverdeling hebben, zo heeft Spanje sinaasappelen en Nederland tulpen. Interne arbeidsverdeling: arbeidsverdeling binnen een onderneming

Externe arbeidsverdeling: arbeidsverdeling tussen ondernemingen. Breedte-investering: het wordt uitgebreid met machines van een type dat al in gebruik is. De verhouding kapitaal/arbeid blijft hierbij gelijk. de arbeidsproductiviteit blijft gelijk. Diepte-inverstering: de verhouding kapitaal/arbeid neemt toe, oude machines worden vervangen, de arbeidsproductiviteit stijgt. Reeële groei: is de geproduceerde hoeveelheid in aantallen is toegenomen. Reeël inkomen: wat je kan kopen voor je inkomen. Nominale groei: Als de geproduceerde hoeveelheid in geldbedrag toeneemt van 1 euro naar 1.50 euro in jaar 2 bijvoorbeeld. Marktmechanisme: vrij spel van vraag en aanbod speelt een grotere rol voor de prijs van een product. Productiecapaciteit: het aantal producten dat je maximaal in een bepaalde periode kan verkopen. Op lange termijn kan de productiecapaciteit stijgen doordat bijvoorbeeld in een land de kapitaalgoederenvoorraad toeneemt. Of de productiecapaciteit helemaal benut wordt hangt af van 4 bestedingen: - consumptie van gezinnen (particuliere consumptie) - investeringen door bedrijven (machines, computers enz) - overheidsbestedingen (geld voor infrastructuur) - export (verkoop aan het buitenland) laagconjunctuur: het nationaal inkomen daalt, de bestedingen zijn dan zo laag dat de productiecapaciteit niet helemaal wordt benut het gevolg hiervan is werkloosheid. Hoogconjunctuur: het nationaal inkomen stijgt, de bestedingen worden dan erg hoog zodat de productiecapaciteit tekort schiet. Mensen moeten hierdoor veel overwerken. Productiestructuur: de manier waarop geproduceerd wordt met behulp van productiefactoren. Zoals arbeid, kapitaal, natuur en ondernemersactiviteit. Toegevoegde waarde: loon/pacht, huur, rente en winst samen (omzet- (ingekochte grondstoffen + diensten van derden) ) Nationaal product: de waarde van de productie in een land in een jaar (door CBS berekend) Nationaal inkomen: is het inkomen van het volk in een land in een jaar (wat er tot beschikking komt van het volk) Nationaal product = nationaal inkomen : loon, huur rente en winst is de beloning voor de inzet van de productie factoren en de productie is de toegevoegde waarde. Je kijkt naar de toegevoegde waarde, deze is gelijk aan het nationaal inkomen. Kenmerken van laagconjunctuur: - daling nationaal product - bestedingen zijn laag - bezettingsgraad lager
kenmerken van hoogconjunctuur: - stijging van nationaal inkomen - mensen moeten overwerken - bestedingen worden heel hoog
marginale tarief: het belastingtarief dat je verdient voor elke extra verdiende gulden, dat is het percentage wat je in de laatst gekomen schijf betaalde. Inkomensoverdracht: er wordt geld uitgegeven zonder dat de ontvanger van het geld een aanwijsbare tegen presentatie levert. 7 oorzaken van inkomensverschillen: - schaarste verschillen - verwervingsverschillen - productiviteitsverschillen - inspanningsverschillen - machtsverschillen - vermogensverschillen
secundair inkomen = primair inkomen – belastingen – sociale premies + subsidies + sociale uitkeringen
welvaart in enge zin: je kijkt naar het bruto binnenlandsproduct (BBP), dus wanneer je inkomen stijgt, stijgt ook je welvaart
welvaart in ruime zin: BBP + de stand van het milieu + hoeveel vrije tijd je hebt (je gaat namelijk niet onnodig werken) BBP: hetzelfde als het BBI (inkomen) dit is gelijk omdat ze beide bestaan uit alleen loon, huur, rente en winst. Externe effecten: onbedoelde welvaartseffecten van het produceren of consumeren, deze zijn niet in de marktprijs opgenomen. 2 redenen waarom belastingontvangsten dalen als je het stelsel sterk progressief maakt: - je ontmoedigt mensen om te werken, zo stijgen de lonen niet en komen ze niet in hoge schijven terecht. - Mensen zullen verhuizen naar bijvoorbeeld een ander land, om de belasting te ontwijken (in Duitsland hoef je namelijk minder belasting te betalen) 3 redenen die van belang zijn voor de hoogte van de heffingskorting die iemand geniet: - of iemand arbeid verricht (arbeidskorting) - ouder dan 65 (ouder korting) - alleen staand + kind ( ook korting…zie stencil) Rente dat je moet betalen voor je eigen huis, is ook een aftrekpost, hierover hoe je dus geen belasting te betalen. Inkomensnivellering: het verkleinen van de verschillen, van de netto besteedbare inkomens. 3 manieren waarop de nederlandse overheid de inkomensverschillen kan verkleinen: - progressief belastingstelsel - goed stelsel voor sociale zekerheid - wekgelegenheidsbeleid
voor rijkere mensen is het secundair inkomen lager dan het primair inkomen omdat: - zij betalen meer belastingen en premies - zij ontvangen geen subsidies (of nauwelijks)

REACTIES

J.

J.

is dit uit het boek index? consumenten en producenten?

17 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.