ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
MODULE VIJF
Hoofdstuk 1

Paragraaf 1
Economiespel: de economie lijkt erg op een spel,er zijn spelregels, spelers en iedereen wil winnen.
Spelers: de mensen die zoveel mogelijk willen verkopen
Het grote verschil met een echt spel is dat iedereen een beetje wint.
Speltheorie: om het marktevenwicht van het economie spel te berekenen is er een speltheorie bedacht. Je moet voorspellen van de spelers aan doen en proberen zijn opbrengsten te berekenen.
Paragraaf 2
Acties: een voorbeeld van een economie spel is: de MAC en de BK staan allemaal aan de overkant van het treinstation. Zij willen beide zoveel mogelijk winst behalen, ze kunnen allebei kiezen tussen wel prijsverhoging of geen prijsverhoging. Deze keuzes noem je acties. Ze zijn nu verwikkeld in een economiespel. Moeten ze allebei de prijs verhogen of alleen eentje.
Om dit op te lossen moet er drie vragen worden beantwoord:
- wie zijn de spelers
- wat zijn hun acties
- wat is hun doelstelling
Opbrengstenmatrix: deze matrix bevat de opbrengsten voor allebei de spelers met alle mogelijke combinaties van acties.
Je hebt een rijspeler: bepaald welke rij van de opbrengsten matrix gespeeld word, en een kolomspeler: bepaald welke kolom van de opbrengsten matrix word gespeeld.
Pararaaf 3
De laatste stap van het economie spel is de oplossing. De spelers moeten bepalen wat de beste actie is aan de hand van de opbrengstenmatrix.
Onderstreep de hoogste getallen in de opbrengstenmatrix als je gaat vergelijken. De oplossingen van het economiespel staat in de cel waar beide getallen onderstreept zijn. Ze kiezen tegelijkertijd hun beste actie, hierdoor ontstaat het marktevenwicht. De oplossing bestaat uit een actie, bijvoorbeeld: het marktevenwicht op de markt is, wel prijsverlaging/wel prijsverlaging.

Hoofdstuk 2
Paragraaf 1
Gevangenenprobleem: hierin ontstaat een tegenstelling in het individuele en collectieve belang. Dit komt veel voor in de economie. Hierbij is het evenwicht ongunstiger als beide spelers hun eigen belang najagen terwijl het evenwicht gunstiger is wanneer ze samen het collectieve belang najagen.
Paragraaf 2
De overheid produceert collectieve goederen omdat er geen aanbieders te vinden zijn die het goed willen produceren, omdat geen enkele consument kan worden uitgesloten van het consumeren van deze producten kan er geen winst op worden gemaakt.
Collectieve goederen hebben ook een positief extern effect hierdoor ontstaat het gevangenenprobleem.
Opbrengstenmatrix productie collectief goed
Opbrengst collectief goed- 10
Productie collectief goed- 14
Draagt 1 speler bij; 10-14= -4, daardoor heeft andere speler opbrengst van 10
Dragen ze beide bij; 10-7(productiekosten door tweeën)=3
Word het helemaal niet geproduceerd kost & geeft het niets= 0
de oplossing is in het gevangenenprobleem altijd= niet bijdragen aan collectief goed, ook al zouden ze er allebei op vooruit gaat als ze allebei investeerden. Maar door het gevangenenprobleem en zullen ze alleen hun eigen belang najagen.
Het positieve externe effect van een collectief goed lokt meeliftgedrag- iemand die niet betaalt voor het collectieve goed, maar wel van de opbrengsten geniet, uit. Meelift gedrag is altijd mogelijk als er een positief extern effect is, maar dankzij het meeliftgedrag ontstaat altijd een marktevenwicht dat altijd slechter is dan wat mogelijk is.
Anders gezegd als iedereen zijn eigenbelang najaagt, worden collectieve goederen niet geproduceerd.
Paragraaf 3
Een oplossing voor het gevangenenprobleem is samenwerken, en dat kan op drie manieren.
- spelers kijken naar collectieve i.p.v. individuele opbrengsten- samen kijken naar de collectieve winst, en niet alleen uitgaan van het eigen belang. Hierdoor kan het gevangenenprobleem opgelost, beide spelers kiezen voor de actie die hen uiteindelijk het meeste voordeel oplevert.
- spelers binden zichzelf- sociale normen kunnen het gevangenenprobleem ook oplossen. Als je bijvoorbeeld samen lid bent van een vereniging ga je vriendschappelijk met elkaar om en ga je minder snel met elkaar concurreren. De sociale norm is dat je elkaar iets gunt. Een uitverkoop houden om klanten weg te halen bij de concurrent is tegen deze norm. Het beperkt de keuzevrijheid. Deze oplossing is alleen geen zekerheid dat het gevangenenprobleem word opgelost omdat niet iedereen bereid is zich hier aan te houden.
- Spelers worden onderworpen aan collectieve dwang- de vorige oplossingen gingen uit van het goede gedrag van de spelers, maar of ze zich daar aan houden is altijd de vraag. Deze oplossing is het meest vergaande- spelers worden gedwongen te kiezen voor het collectieve belang d.m.v.:
- belasting heffen – de overheid lost het gevangenenprobleem bij productieve goederen op door belasting te heffen. Niemand ontkomt hieraan. Dit geeft voordeel voor beide spelers.
- contracten afsluiten – spelers kunnen dit afsluiten, als één van het het contract verbreekt kan de ander naar de rechter stappen.
Zelfbinding- speler legt zich vast op bepaalde keuzes, door bijvoorbeeld te zeggen dat hij geen uitverkoop houdt als de ander dat ook niet doet. Als ze zich er allebei aan houden is het gevangenenprobleem op uitverkoop opgelost.
Geloofwaardige zelfbinding- het jezelf echt ontnemen van keuzemogelijkheden. Door bijvoorbeeld je uitverkoop borden te vernietigen zo is het onmogelijk om nog langer uitverkoop te houden. Als de concurrent dat ook doet, is het probleem weer opgelost.
In een coöperatie of coöperatieve vereniging wordt gekeken naar het algemene belang. Zij regelen bijvoorbeeld de gezamenlijke inkoop en verkoop of zorgen voor een verzekering voor iedereen die aangesloten is. Op ledenvergaderingen heeft iedereen stemrecht en bepalen samen de standpunten. Ze coöperatie kiezen altijd voor de acties in het algemeen belang, zo helpen ze bij het oplossen van het gevangenenprobleem.

Hoofdstuk 3
Paragraaf 1
Constante waardespel- bij een verandering van keuze het verlies van de enen speler gelijk aan de winst van andere speler. De collectieve opbrengst verandert niet. Een oplossing voor dit spel is niet mogelijk omdat er twee marktevenwichten zijn en niet eentje waar ze beiden beter van worden. De waarde is constant. Dat is het gevangenenprobleem niet.
Onderhandelen- een oplossing voor het constante waardespel is onderhandelen. Ze moeten samen praten over een akkoord.
Het seksegevecht (tussen man vrouw) is een voorbeeld van een situatie waarbij economisch surplus verdeeld moet worden. De verdeling van het surplus begint met veel onderhandelingen. Zo onderhandelen werkgevers met werknemers over het loon. Ze moeten genoeg investeren zodat hun werknemers goed werk leveren maar ook weer niet te veel dat hun bedrijf failliet zou kunnen gaan. Vaak eindigen deze onderhandelingen in een compromis waar het economisch surplus wordt verdeeld. De helft van de winst investeren in de onderneming en de rest in de vorm van loon van werknemers.
Paragraaf 2
Verzonken kosten- een belangrijk onderdeel bij onderhandelingen. Dit zijn kosten die worden gemaakt voor de onderhandelingen en niet meer terug verdiend kunnen worden. Deze kosten hebben alleen waarde in een specifieke situatie.
Specifieke investering- hierdoor kan het economiespel in jou voordeel worden beïnvloed, het is dus een vorm van geloofwaardige zelfbinding.
Maar verzonken kosten kunnen ook in het nadeel van een speler werken, zijn onderhandelingspositie wordt zwakker als hij hoge specifieke kosten maakt. Het is belangrijk dat hij tot een goede deal komt anders zijn, zijn kosten voor niets geweest.

MODULE ZES
Hoofdstuk 1
Pararaaf 1
Het leven bestaat uit risico’s dit beïnvloed ook de economie. Risico is de verwachte schade van een gebeurtenis. Je berekent het risico = kans op gebeurtenis x de schade als gevolg van die gebeurtenis. De omvang van een gebeurtenis word beïnvloed door twee onderdelen: de kans op- en de schade van een gebeurtenis. De kans op diefstal is in een stad bijvoorbeeld groter dan in een dorp. De kans op een gebeurtenis kan het zelfde zijn maar de schade hoger. Een kans op een ongeluk is in de VS en Nederland hetzelfde, alleen een de prijs van een ziekenhuisopname kan veel hoger zijn.
Het inschatten van risico gaat gepaard met onzekerheid, als je het risico verkeerd inschat worden verkeerde keuzes gemaakt. Een consument koopt bijvoorbeeld het schilderij niet omdat hij de kans op diefstal te groot vind, als de kans eigenlijk veel lager is, dan gaat de koop ten onrechte niet door, dat is dus een nadeel bij het verkeerd inschatten van risico. Je hebt dus informatie nodig om risico te kunnen inschatten.
Paragraaf 2
Vrijwillige risico’s: risico’s die iemand bewust neemt. Bijvoorbeeld een bergbeklimmer die goed uitgerust de Himalaya beklimt blijft de kans lopen om te bevriezen. Dat is een vrijwillig risico dat hij neemt.
Onvrijwillige risico’s: risico’s die niet te vermijden zijn. Zo kan iedereen ziek worden, je kan de kans proberen te verminderen door gezond te leven maar het risico zal nooit helemaal verdwijnen.
Paragraaf 3
Risicoaversie: niet houden van risico’s nemen. Een risico avers persoon kiest altijd voor de optie met het laagste risico. Ze laten dus bewust een kans liggen om eventueel een hoger bedrag te winnen als daar een hoger risico aan vast zit.
Verwachte opbrengst: de kans op een gebeurtenis X de opbrengst van die gebeurtenis
Bijvoorbeeld:
Loterij Prijs per lot Uitbetaling kop Uitbetaling munt Verwachte opbrengst Mogelijke schade risico
A 20,- 24,- 16,- 0,- 4,- 2,-
B 20,- 40,- 0,- 0,- 20,- 10,-
Bij loterij A heb je 50% kans op kop, met als opbrengst: (24-20=4,-)
En 50% kans op munt : (16-20=-4)
De verwachte opbrengst is dan= 50% X 4,- + 50% X -4,- = 0,-
Bij loterij B : 50% X 40,- + 50 % X 0,- -20 = 0,-
Dus: hoeveelheid kans op gebeurtenis X opbrengst gebeurtenis – het geïnvesteerde bedrag
De mogelijke schade die je oploopt is: het verschil tussen de prijs per lot en het laagst uitgekeerde bedrag.
Loterij A- verschil 20,- en 16,- = 4,-
Loterij B- verschil 20,- en 0,- = 20,-
het risico
Loterij A: 50% X 4,- = 2,-
loterij B : 50% X 20,- = 10,-

Hoofdstuk 2
Paragraaf 1

Als je onvrijwillige risico’s zo klein mogelijk wilt maken, moet je jezelf verzekeren.
Om een verzekering af te sluiten betaal je premie, dit is de prijs van de verzekering.
Gevolg van verzekeren in tabel
We gaan er van uit dat één op de tien fietsen word gestolen. En de nieuwe aanschaf waarde van een fiets is 600,-
Iemand die zich niet verzekerd betaald geen premie. Maar krijgt ook niets uitbetaald als er iets gestolen word. De schade is in dit geval dan 600,-. Het risico is: 1/10 X 600,- = 60,-. De looptijd bedraagt 10 jaar. In één van die tien jaar word de fiets gestolen, in de andere jaren niet. De verwachte kosten van niet verzekeren: (9 (jaar) x 0,- + 1 x 600) /10=60,-
Dus ik denk: aantal jaren x premie per jaar + 1 x mogelijke schade / aantal jaren =
DENK IK. Als het niet zo is, wil je het dan even uitleggen? 
Iemand die zich wel verzekert, betaald 60,- premie per jaar. Als zijn fiets gestolen word betaald de verzekering 600,- uit. Hij heeft dus geen risico meer want de mogelijke schade is weg. Voor de berekening ga je uit van 10 jaar. Verwachte kosten: (10 x 60,- + 1 x 0,-)/10=60
Dus ik denk: aantal jaren x premie per jaar + 1 x mogelijke schade/ aantal jaren =
Premie per jaar
Uitbetaling bij diefstal Mogelijke schade Verwachte kosten risico
Niet verzekeren 0,- 0,- 600,- 60,- 60,-
Wel verzekeren 60,- 600,- 0,- 60,- 0,-
Verwachte kosten: kans op een gebeurtenis X verwachte kosten4
Paragraaf 2
Verzekeraars bieden verzekeringen aan. De schades die een verzekering dekt staan in de verzekeringspolis. Hierin staat wanneer de verzekering uitkeert, hoeveel premie je krijgt, en hoeveel je moet betalen. Een verzekering is een contract tussen verzekeraar en consument. De verzekering loopt naar een betaalde tijd af.
Een verzekeraar bied alleen verzekeringen aan waarbij hij geen verlies lijdt. De totale opbrengst moet ten minste evengroot zijn als de totale kosten.
Totale opbrengst = premie x aantalverzekeringsnemers
Totale kosten = verwachte uitbetaling per verzekeringnemer x aantal verzekeringsnemers
Voor de kostenberekening moet worden gerekend met de verwachte schade per verzekeringsnemer. Dit is de gemiddelde uitbetaling. De berekening van deze uitbetaling gaat als volgt: als tien leerlingen een verzekering afsluiten, en een van die tien fietsen word gestolen dan is de gemiddelde uitbetaling:
( 1 x 600 + 9 x0,-)/10= 60,-. Dit zijn de totale kosten voor de verzekeraar.
Dus denk ik: 1 fiets word gestolen t.w.v 600,- + van negen mensen word hij niet gestolen dus kost dat 0,- / tien jaar = 60,-
De verwachte uitbetaling van een verzekeringsnemer is gelijk aan het risico van de verzekeringsnemer = risico verzekeringsnemer x aantal verzekeringsnemers
De premie moet gelijk zijn aan het risico van de verzekeringsnemer,maar de verzekeraar heeft ook nog andere kosten daarom moet de premie eigenlijk hoger zijn dan het risico van de verzekeringsnemer.
Hoe hoger de premie hoe meer winst de verzekeraar maakt. Hoeveel winst ze maken hangt af van de marktstructuur. Is er sprake van vrije toetreding daalt de premie. Zijn er een beperkt aantal aanbieders maken verzekeraars winst.
Paragraaf 3
een verzekeraar weet nooit zeker hoeveel schade een individueel persoon heeft, omdat ze het verschil in kans per persoon moeilijk kunnen inschatten. De een zet zijn fiets bijvoorbeeld wel in een bewaakte fietsenstalling op slot, diegene heeft een lager risico. De ander zet hem nooit op slot en al helemaal niet in een overdekte fietsenstalling, diegene heeft een veel hoger risico. Verzekeraars kunnen dit nooit per persoon inschatten, daar heeft de verzekeraar een informatieachterstand. Hij kent alleen de gemiddelde kans en het gemiddelde risico.
Dit heeft informatieasymmetrie, op dit moment heeft de verzekeringnemer meer kennis dan de verzekeraar. Want de verzekeringnemer weet van zichzelf vast wel dat hij slordig is of niet.
Voor een verzekeraar is alleen de optelsom van de premies van belang. Twee verzekeringsnemers hebben beide een premie van 80,-. De een is slordig en zijn risico is hoger dan de 80,-. Namelijk: 1/5 x 600 = 120. de verzekeraar maakt verlies. Diegene die voorzichtig is heeft een risico van 1/20 x 600 = 30. de verzekeraar maakt winst. Samen is dat 150,-. De verzekeraar heeft dus collectief nog steeds geen verlies gedraaid.
Informatie symmetrie kan twee problemen geven:
Averechtse selectie- waarom zou iemand die netjes en zuinig is op zijn spullen zich verzekeren, de kans dat er wat gebeurd is te klein om een verzekering af te sluiten. De onvoorzichtige verzekert zich maar al te graag omdat zijn risico veel hoger is.
Als gevolg van dit moet de verzekeraar de premies verhogen omdat minder mensen zich verzekeren.
Moreel wangedrag- roekeloos gedrag van verzekeringsnemers. Omdat het ‘toch wel verzekerd word’.
Ook vanwege moreel wangedrag moeten verzekeraars meer betalen, omdat de risico’s stijgen maar de premies hetzelfde blijven.
Paragraaf 4
Drie mogelijkheden om asymmetrische informatie op te lossen:
Informatie verzamelen- over verzekeringsnemers. Door informatie te verzamelen krijgt de verzekeraar meer inzicht op het individuele risico. Bijvoorbeeld d.m.v. een saneringsbewijs. Dit is een bewijs dat de tandarts afgeeft na onderzocht te hebben dat het gebit gezond is. Zo heeft de verzekeraar een beter idee van het risico dat hij verzekert.
Dit kan ook moreel wangedrag verlichten, iemand die veel vaker schades indient dan andere word daar van verdacht. De verzekeraar gaat zich dan afvragen waarom dat zo vaak gebeurt. Verzekeringsmaatschappijen houden alles nauwkeurig bij, zodat ze kunnen inschatten of iemand moreel wangedrag vertoond.
Premiedifferentiatie- Verzekeraars krijgen bij schade hetzelfde bedrag uit gekeerd. Alleen de premie die ze moeten betalen verschilt, omdat de één een hoger risico heeft dan de anders. Zo lijdt de verzekeraar geen verlies meer. De hoogte van de premie is afhankelijk van het individuele risico. Een verzekeraar kijkt vaker naar groepen van individuen. Bijvoorbeeld autoverzekeringen zijn voor jongeren duurder omdat ze vaker bij een ongeluk betrokken zijn. Ouderen betalen een hogere ziektekostenverzekering omdat zij een grotere kans hebben om ziek te worden.
Invoering eigen risico- dit kan moreel wangedrag tegen gaan. Dit houd in dat de verzekeraar niet alle schade dekt maar dat de verzekeringsnemer een deel zelf betalen moet. In ruil hiervoor verlaagt de verzekeraar de premie.
Verzekeringnemers met klein risico nemen een hoog eigen risico omdat de kans op schade klein is en de kans klein is dat hij zijn eigen risico betalen moet en het betekend een lagere premie.
Verzekeringnemers met een groot risico nemen een laag eigen risico omdat de kans groot is dat ze het betalen moeten.
Bonus malussysteem: verzekeraars worden via dit systeem beloond voor hun goede gedrag en gestraft voor hun slechte gedrag. Dit doen ze door middel van premie verlaging. Als iemand jaar in jaar uit zonder schade leeft word dit beloond door premie verlaging. Maar elke keer dat iemand een schadeclaim indient word dit bestraft met premieverhoging. Dit beiden voorkomt moreel wangedrag.
Paragraaf 5
door premiedifferentiatie betaald iedereen een premie die hoort bij zijn risico, maar bij een onvrijwillig risico vinden veel mensen die oneerlijk, hij kan er niks aan doen dat hij een onvrijwillig hoger risico heeft.
Waarom zou iemand een hoge premie betalen terwijl ze zelf een laag risico hebben, zodat mensen met een hoog risico en dezelfde premie betalen afgedekt kunnen worden. Om dit te voorkomen moet de verzekering verplicht gesteld worden. Op deze manier dwingt de overheid solidariteit af van mensen met een laag risico tegenover mensen met een hoog risico. Zo is iedereen verzekerd tegen zijn eigen risico zonder dat mensen met een hoog risico een hoge premie betalen moeten. Zulke verplichte verzekeringen heten volkverzekeringen. De verzekeraars bepaalt met de overheid het basispakket dat vergoed word in geval van ziekte. De verzekeraars mogen niemand uitsluiten of de premies verhogen of verlagen.

Hoofdstuk 3
Paragraaf 1

Handelen in risico’s gebeurt op de kapitaal markt, op deze markt word gehandeld in documenten met een verwachte waarde en bijbehoren risico, dit worden effecten genoemd, rechten met financiële waarden.
De belangrijkste effecten zijn:
-aandelen: recht op eigendom van een onderneming die het aandeel heeft uitgegeven. Je bent dan mede eigenaar van de onderneming. In ruil daarvoor heb je een recht op deel van de winst. Deze winstuitkering heet Dividend, zolang de onderneming niet failliet gaat blijft een aandeel geldig.(onbepaalde looptijd)
-bedrijfsobligaties: een schuldbewijs voor een lening die de onderneming is aangegaan. De obligatiehouder is de schuldhouder van het bedrijft dat de obligatie uitgeeft in ruil daarvoor betaald de onderneming de schuld + rente. Is de schuld afgelost houd de obligatie op met bestaan. (bepaalde looptijd)
-staatsobligatie: een schuldbewijs voor een lening die de overheid is aangegaan.
Een staatsobligatie geeft aan op welk termijn de overheid de schuld aflost en hoeveel rente ze betalen moet. Het grote verschil met bedrijfsobligaties is dat de staat bijna nooit failliet gaat, dus dat ze het bedrag niet afbetalen is nihil.
Vragers en aanbieders komen elkaar niet fysiek tegen, het is een abstracte markt. Totale vraag en aanbod worden vaak elektronisch via de computer op elkaar afgestemd, zo ontstaat een evenwichtsprijs voor de effecten, de prijs van effecten noem je: koers. Deze koers staat elke dag in de krant, om het algemene koersverloop van aandelen worden de meest verhandelde aandelen berekend. In Nederland heet dat de AEX. De gemiddelde koers van de 25 meeste verhandelde aandelen.
Paragraaf 2
Iemand die effecten koopt heet een belegger. Aandelen geven recht op dividend en obligaties keren rente uit. De waarde van aandelen is onzeker door dat de koersen kunnen stijgen maar ook kunnen dalen door lagere winsten van bedrijven of faillissement. Hier moet de handelaar rekening mee houden tijdens de berekening van het verwachte rendement.
Verwachte rendement= verwachte investeringsopbrengst/investeringx100%
een onderneming doet een investering van 10,000 in de ontwikkeling van een nieuw product word dit een succes verdient de onderneming 30.000 de kans daarop is 50%. Het risico van deze investering is= 50%x10,000=5000
om het verwachte rendement te berekenen moeten ze eerst de verwachte opbrengst berekenen. Als de investering goed uit pakt verdienen ze 30,000, pakt het slecht uit krijgen ze niks. De kans op dit allebei is 50%. De verwachte opbrengst is dus: 50% x 30,000 + 50% x 0,- = 15000,-. Hieruit volgt de verwachte opbrengst na aftrek van de kosten: 15000,- - 10,000= 5000,-. Het verwachte rendement is dan 5000,- / 10,000 x 100%= 50 %
Dus: eerst het risico uitrekenen, dan de verwachte opbrengst na aftrek van de kosten dat delen door elkaar x 100 %
Aandelenemissie= het uitgeven van aandelen door een onderneming om een investering te bekostigen.
Een belegger kan kiezen in welke effecten hij investeert, daarbij houd hij rekening met het verwachte rendement en het bijbehorende risico.
Investerings opbrengst berekenen
100 aandelen verkocht t.w.v. 100,00= 10,000
als de investering goed uitpakt word de winst van 30,000 aan de aandeelhouders uitgekeerd
iedere aandeelhouder krijgt ; 30,000/100=300,- aan dividend.
De verwachte investeringsopbrengst = 50% x 300 + 50% x 0 – 100,- = 50. het verwachte rendement is dan: 50,- / 100,- x 100 % = 50%
Dus: de kans op een gebeurtenis x opbrengst + de kans op de gebeurtenis x opbrengst – investering = investeringsopbrengst
Verwacht rendement = Investeringsopbrengst / investering x 100% =
Om het rendement van aandelen te bepalen kijkt de beleger naar het dividend van van het afgelopen jaar. Maar het is nooit zeker dat dit jaar hetzelfde behaald word.
De belegger kan ook staatsobligaties kopen deze opbrengst is zeker. De kans op schade is bij bedrijfsobligaties groter dan staatsobligaties, maar kleiner dan bij bedrijfsaandelen. Een belegger die risicoavers is kiest voor staatsobligaties omdat het risico vaak het laagst is. Een belegger die houdt van risico kiest voor aandelen. Een hoger risico gaat gepaard met een hoger rendement. Beleggers willen gecompenseerd worden voor het risico dat ze nemen. Dat gebeurt in de vorm van een hoger verwacht rendement, het verwachte rendement bevat dan een risicopremie, een premie bovenop het rendement van het risicoloze alternatief.
Paragraaf 3
Je kunt je geld ook op de bank zetten dat is een risicoloos alternatief voor investeringen in effecten, daarom beïnvloed de hoogte van de rente de effectenkoersen.
Door rentestijging is de waarde van het aandeel gedaald, andersom is het zo dat als de rente daalt de waarde van aandelen stijgt.
Voorbeeld: iemand heeft 100,-. Hij kan dit op de bank zetten voor 5 % rente, of investeren in aandelen dat 5% rendement oplevert. Maar wat nu als de rente stijgt? Dat levert bij de bank 100,- op, maar in aandelen levert het niet genoeg meer op, dus moet er een tweede aandeel bij komen.
De hoogte van de rente beïnvloedt de waarde van aandelen ook indirect. Als de rente stijgt, gaan de kosten van geld lenen omhoog. Ondernemingen financieren hun investeringen vaak met geleend geld, een stijging maakt investeren dus duurder waardoor er minder word geïnvesteerd. Maar het is wel nodig om productiviteit te vermeerderen in de toekomst om de winst op pijl te houden. Want word dat minderen daalt de waarde van het aandeel ook want dan word de winst van het aandeel minder.
Een stijging van de rente zorgt voor daling van bestaande bedrijfsobligaties, omdat deze een vaste rente uit keert. Een rentestijging kan er voor zorgen dat een onderneming geen investeringen meer kan bekostigen, dan loopt de rente uitkering gevaak, hierdoor daalt de waarde nog meer.
Bij staatsobligaties geld alleen; als de rente stijgt, daalt de waarde van de staatsobligatie die een eerder vastgestelde rente uitkeert. Maar de overheid kan niet failliet gaan. Eigenlijk komt de rentebetaling dus niet in gevaar.
Paragraaf 4
Effecten dragen een risico, dat beïnvloed de koers van het effect. Daalt het risico met een gelijkblijvend rendement, zal de koers stijgen. Want de kans op schade daalt en het aandeel word aantrekkelijker. De belangrijkste factor die het risico beïnvloed is informatie, hoe meer informatie hoe beter het risico ingeschat kan worden. Informatie kan misbruikt worden. Als onderzoeksresultaten niet bij iedereen bekend zijn, noem je dan handelen met voorkennis dit is verboden. Hiervoor kan je eventueel een gevangenisstraf krijgen. De AFM houd hier controle op. Bijvoorbeeld; Sommige beleggers denken dat een aandeel bijvoorbeeld 50,- waard is terwijl andere weten dat het 25,- euro waard is. Zij weten dus dat de koers van het aandeel hoger is, als de onderzoeksresultaten bekend worden. Dit is koersgevoelige informatie. Deze kennis kan misbruikt worden door aandelen tegen een lage koers te kopen van beleggers die uitgaan van een hoger bedrag daardoor gaat de koers omhoog. Dat is in het voordeel van de beleggers die dat al wisten.

Hoofdstuk 4
Paragraaf 1

Een bedrijf kan kiezen om een investering met vreemd (geleend) vermogen of eigen (uit ingehouden winst, of opbrengst van aandelenemissie) vermogen te financieren. De keuze zal bepaald worden door wat het voordeligst is.
Ondernemingsrisico- de kans dat een investering verlies geeft X de omvang van het verlies.
Een bank die geld uitleent voor een investering loopt de kans dat de lening niet word terug betaald. De bank wil compensatie voor het ondernemingsrisico, de rente die de bank vraagt is daarom verhoogt met een risicopremie. De moet dan veel rente betalen op hun lening dat verhoogt het verwachte rendement van de bank. Voor een onderneming kan het voordeliger zijn om aandelen te verkopen aan aandeelhouders, omdat het geld dat de onderneming op haalt met de aandelenemissie niet terug hoeft te betalen. De aandeelhouders delen alleen mee in de toekomstige winst.
Redenen om wel geld te lenen bij een bank; omdat aandeelhouders mede eigenaar zijn van het bedrijf en dus mee mogen beslissen. Ze mogen stemmen over belangrijke beslissingen, het uitgeven van aandelen betekend inleveren van beslissingsbevoegdheid. Aandeelhouders delen ook in de winst, maakt een onderneming veel winst, moet ze ook veel dividend uitkeren. Wat ze bij de bank uit betalen moeten ligt vast, dat heeft niets met de winst te maken die blijft geheel in de onderming.
Onderpand (bijv. woning/bedrijfshal): het risico voor een bank is lager als het in ruil voor een lening een onderpand krijgt. Kan de onderneming niet alles afbetalen, word de bank eigenaar van het onderpand. Dit verkleint dus de schade die een bank kan oplopen doordat ze het pand kunnen verkopen om toch nog (een deel van) de lening terug te krijgen.
Paragraaf 4
Bedrijfsvorm; bepaalt wie de eigenaar en het ondernemingsrisico van de onderneming draagt.
De bedrijfsvorm heeft drie kenmerken
Rechtsvorm: Dit geeft aan of er sprake is van een persoon of organisatie.
Er zijn twee rechtsvormen:
natuurlijk persoon: individuen gaan contracten aan. Een mobiel telefoonabonnement of lening aangaan.
Rechtspersoon: Mensen in dienst van de organisatie sluiten contracten in naam van de organisatie.
Aantal eigenaren: sommige ondernemingen hebben één eigenaar, de ander een paar, en weer andere hebben er veel.
Inbreng eigen vermogen: financieel kapitaal dat de onderneming zelf inbrengt. Financiële reserve waarmee de onderneming de bedrijfsvoering financiert.
Aansprakelijkheid voor schulden: in sommige ondernemingen is één persoon aansprakelijk, in andere gevallen zijn dat meerdere mensen of een organisatie, voor de schulden.
Eenmanszaak: één persoon is eigenaar die het hele vermogen heeft ingebracht. En ook verantwoordelijk voor alle schulden. (natuurlijk persoon)
Vennootschap onder firma(VOF): meerdere personen hebben eigen vermogen ingebracht. Beschouw dit als een samenwerkingsverband van verschillende eenmanszaken. Ze zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de schulden. (natuurlijk persoon)
Openbaar vennootschap (OV): in 2008 is er een wetsvoorstel besproken, gaat deze wet door, veranderd de naam VOF in openbaar vennootschap. Je hebt twee soorten openbare vennootschappen; een met en een zonder rechtspersoonlijkheid. Er is één groot verschil met andere ondernemingsvormen met rechtspersoonlijkheid; de eigenaren blijven persoonlijk aansprakelijk.
Besloten vennootschap(BV): eigenaren eigen vermogen zelf ingebracht, in ruil daarvoor krijgen ze een aandeel in de onderneming. Dit zijn dus aandeelhouders. Het verschil met een VOF is dat een BV een rechtspersoon is. De BV is een ondernemer die contracten kan afsluiten, een BV is dus aansprakelijk voor alle schulden.
Naamloze vennootschap(NV): het enige verschil tussen een BV en een NV dat een NV vrij verhandelbaar is. De aandeelhouder is vrij om zijn aandeel door te verkopen. Bij een BV staat alles op naam en kan het alleen met instemming van andere aandeelhouders.
Bron 3 blz 59

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.