De komende twee weken zijn 'seksweken' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


ADVERTENTIE
Geslaagd? Doneer je verslagen We zijn heel trots op je, supergoed gedaan. Waarschijnlijk ga je Scholieren.com nu voorgoed verlaten. Wil je ons nog bedanken voor 4, 5 of 6 jaar trouwe dienst? Upload dan nu al je verslagen en samenvattingen voor de generaties scholieren die na jou strijden voor dat diploma.

Nu uploaden
10 de collectieve sector
Bij collectieve sector gaat het om voorzieningen waardoor collectief betaald wordt en vervolgens voor iedereen ter beschikking staat.
Markt/private sector: zijn producent en consument vrij in hun beslissingen om te produceren en consumeren. Het markt mechanisme bepaalt wat er geproduceerd wordt. De overheid stelt wel grenzen door regels en wetten.
Kartels: zijn afspraken tussen ondernemingen om de concurrentie op de markt te beperken.
Semi-collectieve sector: gaat om instellingen die niet tot de overheid behoren maar wel voor een groot deel uit de belastingopbrengsten worden gefinancierd(bijv ziekenhuizen). Collectieve sector: wordt via belastingen en sociale premies collectief wordt betaald voor voorzieningen waar we allemaal een beroep op kunnen doen, bestaat uit overheid+instellingen die de sociale verzekeringen uitvoeren. Budget sector: collectieve +semi-collectieve sector - omdat ze via overheidsbudget gefinancierd worden
Budget sector bestaat uit semi-collectieve en collectieve sector. In de collectieve sector heb je de instellingen sociale verzekering en overheid. De overheid(incl. Onderwijs) bestaat weer uit het rijk en provincies en gemeenten.
11-rijksbegroting en miljoenen nota
Aan het indienen van de rijksbegroting gaat een lange periode van voorbereidingen vooraf. In die periode wordt door de minister van financiën en verschillende andere ministers onderhandels over de gewenste uitgaven. Op prinsjesdag dient de minister van financiën de begrotingsvoorstellen in bij 2e kamer. De begrotingsvoorstellen vormen de rijksbegroting. Ieder ministerie heeft zijn eigen begroting hierdoor worden de versch. deelbegrotingen als aparte wetsvoorstellen bij het parlement ingediend en behandeld. De voorbereidingen beginnen heel vlot ze onderhandelen over de wenselijke en mogelijkheid van bepaalde overheidsuitgaven. De ministers willen hun eigen deel belangen uitvoeren en de minister van financiën is er meer in het algemeen belang. De plannen van de regering die in de rijksbegroting tot uitdrukking komt zijn zowel gebaseerd op actuele economische situatie en op het financieel-economische beleid voor het komende jaar. Miljoenen nota: anders dan rijksbegroting, zij bevat algemene toelichting op de rijksbegroting, een overzicht van de nationale en internationale economische situatie en een toelichting op het regeringsbeleid. Na prinsjes dag volgt de begrotingsbehandeling: begint met Algemene politieke beschouwing daarna de Algemene Financiële beschouwingen daarna worden ze behandeld in de 2e kamer en 1e kamer daarna mag de regering het geld pas uitgeven. De volksvertegenwoordiging heeft dus het laatste woord.
12 de overheidsuitgaven.
De overheid kan haar geld op verschillende manieren uitgeven. Bij overheidsbestedingen wordt beslag gelegd op productie factoren. Dit is niet het geval bij overdrachtsuitgaven. De overheid geeft elk jaar meer geld uit dan ze binnen krijgen hierdoor moeten ze bij banken lenen en over het leende bedrag moeten ze weer rente betalen. Bij het verstrekken van een subsidie doet de overheid niets anders dan geld overdragen aan personen of instellingen die daarvoor geen tegenprestatie hoeven te leveren. Dit is overdrachtsuitgaven. Daar vallen uitgaven aan sociale voorzieningen van het ministerie van SZ&W(sociale zaken en werkgelegenheid)ook onder. EZ=economische zaken OC&W=onderwijs, cultuur en wetenschappen. VROM=volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en milieu. V&W=verkeer en waterstaat die investeren. Bij een investering gebeurt er iets anders dan bij een subsidie. De mensen die bijv de wegen aanleggen verdienen een inkomen in ruil voor een tegenprestatie, namelijk arbeid. Daarmee leveren ze een bidrage aan het inkomen aan het nationale inkomen van Nederland. Door de overheidsinvesteringen ontstaat er productie en inkomen. Daarom rekenen we deze uitgaven tot overheidsbestedingen. Bij overheidsbestedingen wordt beslag gelegd op de productie factoren. Dit houdt in dat deze productiefactoren niet meer beschikbaar zijn voor andere productieve aanwendingen een kenmerk hiervan is dat er ook nog in de toekomst er geprofiteerd van kan worden. Hierbij horen ook minister van Binnenlandse zaken, landmacht politie . De overheid draagt ook hier door het in dienst hebben van deze mensen mee aan het nationale inkomen. Alleen hier kan je niet in de toekomst nog van profiteren en daarom heten deze overheidsconsumptie in plaats van overheidsbestedingen. Immateriële overheidsconsumptie=omdat het bij de salarissen gaat om de productie van diensten zoals vragen beantwoorden, verkeer regelen een dienst die je niet kunt pakken, hij is niet materieel. Materiële overheidsconsumptie= dit is wel te pakken en het is materieel zoals aankoop van papier voor de ministeries en benzine voor alle dienstauto’s . Arbeidsproductie=De waarde van het overheidsproduct wordt gelijkgesteld aan de uitbetaalde salarissen, anders gezegd: we gaan er van uit dat de personeelskosten tevens de waarde van het door dat personeel voortgebrachte product bepalen. De overheidsuitgaven bestaan uit overdrachtsuitgaven en overheidsbestedingen. Overheidsbestedingen bestaan uit overheidsinvesteringen en overheidsconsumptie. Overheidsconsumptie bestaat uit immateriële overheidsinvesteringen en materiele overheidsconsumptie
13: de overheidsinkomsten
De belangrijkste bron van inkomsten van de overheid wordt gevormd door de belasting. Deze kunnen weer worden onderverdeeld in directe en indirecte belasting. De totale inkomsten van het rijk bestaan uit belastingen en niet-belastingontvangsten. De belasting is verreweg de belangrijkste inkomstenbron. Belasting=verplichte bijdragen aan de overheid waar geen directe tegen presentatie van die overheid tegenover staat. Directe belasting=wordt geïnd bij degene die de belasting ook moeten betalen. Als je werkt en je verdiend een loon moet je loonbelasting betalen. Maar je kunt ook op inkomens zoals rente, dividend op aandelen, huur enz belasting betalen en dit heet inkomstenbelasting. Bedrijven in de vorm van een besloten vennootschap(BV) of naamloze vennootschap(VN) moeten over de gemaakte winst vennootschapbelasting betaald worden. Indirecte belasting of kostprijsverhogende belastingen=deze belastingen worden door ondernemingen afgedragen aan het rijk maar uiteindelijk door de consument betaald in de vorm van een hogere prijs van het betreffende product. Ze verhogen dus de prijs en worden op een indirecte manier geïnd(bijv BTW) De naam van deze belasting, Belasting op toegevoegde waarde, heeft te maken met de zogenaamde grondslag van de belastingheffing. Zoals bij loonbelasting loon en bij inkomsten belasting het inkomen de grondslag vormt, is bij BTW de toegevoegde waarde de grondslag. De toegevoegde waarde van een bedrijf vind je door de omzet van dat bedrijf te verminderen met de waarde van de ingekochte producten en diensten. In de prijs van sommige producten zit behalve BTW ook accijnzen. BIJV: BENZINE ALCOHOLENZ) De overheid wil het gebruik hiervan afremmen. Onder kostprijsverhogende belasting vallen o. a invoerrechten, motorrijtuigenbelasting. De inkomsten van de overheid die geen belasting zijn, bestaan allereerst uit de aardgasinkomsten en verder uit bonte verzameling zoals reclames en schoolgeld enz. De overheidsinkomsten bestaan uit niet-belastingontvangsten en belastingen. Belastingen bestaan uit directe en indirecte belasting.
14: begrotingstekort, financieringstekort en staatsschuld
Het terugdringen van het financieringstekort is een belangrijke doelstelling van de regering. Een groot financieringstekort en een hoge staatsschuld hebben namelijk nadelige gevolgen van onze economie. Het verschil tussen de totale uitgaven en de totale inkomsten noemen we begrotingstekort Nu bevinden zich onder de uitgaven ook de aflossing op staatsschuld, dus de leningen die overheid in het verleden heeft afgesloten. Wat er extra geleend moet worden noemen we het financieringstekort. Als bewijs dat je geld hebt uitgeleend ontvang je obligatie. Daarom worden dit soort leningen ook wel obligatie leningen genoemd. Door aankoop van een obligatie ontvang je jaarlijks rente. Na een bepaalde periode wordt de obligatie weer afgelost en krijg je het uitgeleende geld weer terug. De staatsschuld wordt veelal uitgedrukt als percentage van het nationale inkomen. We noemen dit ook wel staatsschuldquote . Als de procentuele toename van het staatsschuld kleiner is dan de procentuele toename van het nationale inkomen, dan daalt de staatsschuldquote. Een groot financieringstekort en een hoge staatsschuld hebben nadelige gevolgen. Ten eerste:gaan de rentelasten steeds meer de andere overheidsuitgaven verdringen. Ten tweede: moet de overheid bij een groot tekort veel geld lenen. Daardoor kan de rente gaan stijgen, waardoor de bestedingen afnemen en de economische groei afneemt. Uiteindelijk is het belang van het onderscheid tussen overheidsconsumptie en overheidsinvesteringen in gedachten te houden. Het kan namelijk voor de toekomst noodzakelijk zijn om overheidsinvesteringen te doen. Het maakt ook veel uit waar d overheid het voor uitgeeft. Als het met de toekomst te maken heeft heb je der later ook nog veel profijt van. Het maakt dus veel uit met welk doel overheidsconsumptie of overheidsinvesteringen –de overheid geld leent.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.