Module 2 en 3 (hoofdstuk 1)

Beoordeling 5.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1262 woorden
  • 15 juli 2008
  • 8 keer beoordeeld
Cijfer 5.6
8 keer beoordeeld

Samenvatting economie Module 2.

Hoofdstuk 1

1.1 t/m 1.4 Ondernemen – het combineren van productiefactoren; arbeid kapitaal en natuur.
Organisatie – een geordende groep mensen die samenwerkt om bepaalde doelen te bereiken.
Winst – Een positief verschil tussen opbrengsten (omzet) en kosten.
Ondernemingen – Streven naar winst.
Participanten – Deelnemers van de onderneming; (stakeholders) leveranciers, consumenten – Leveren een bijdragen aan de gang van zaken en ontvangen hiervoor een vergoeding.

Ondernemers combineren productiefactoren - > Resultaat; producten.

Winst moet gezien worden als een beloning voor de ondernemingsactiviteiten, omdat een goede ondernemer;
- weet voor welke mensen de prod. Zijn
- de alternatief aanwendbare productiefactoren zo combineert dat hij tegen zo laag mogelijke kosten produceert;
- ondernemingsrisico’s inschat en deze niet uit de weg gaat.

Beurswaarde - De totale beurswaarde van een bedrijf is de waarde van alle aandelen van dat bedrijf volgens de beurskoers

Paragraaf 2
2.1 t/m 2.9

Maatschappelijke behoeften; hier voorzie je in door goederen of diensten voort te brengen en deze te verkopen.
Productiegroei - ..
werkgelegenheid
Daarnaast geeft werk de mensen ook de mogelijkheid om zich te kunnen ontplooien, hun talenten te gebruiken en deze verder te ontwikkelen. Ook biedt werk je de mogelijkheid om je nuttig te voelen en om sociale contacten te hebben.
Inkomen -

Winst – het maken van winst is een teken dat je met de productie op het goede spoor zit.
Allocatie – Winst en verlies - > sturen de toedeling of allocatie van de productiefactoren . “Zal ik het wel hiervoor inzetten? De andere producten verkopen beter? Productiefactoren inzetten voor 1 enkel product.
Milieu
Goed en Kwaad – wat mag wel en niet? Democratische samenleving.
Emancipatie – Denk aan het beleid dat is gericht op het weer in dienst nemen van minder geschikten of mindervaliden.

3.1 t/m 3.4
Ondernemingsgrootte – maatstaf - totale omzet per jaar. Maatstaf - aantal werknemers.
Toegevoegde waarde – Een andere manier om de omvang van een onderneming weer te geven, is die via de toegevoegde waarde.
Toegevoegde waarde = Waarde eindproducten – ingekochte grondstoffen – hulpstoffen en diensten van derden.
Bedrijfstakken – een groep ondernemingen die sterk op elkaar lijkende producten maakt.

4.1 t/m 4.3
Balans-een vermogens overzicht op een bepaald moment; het is een overzicht van bezittingen, schulden en het eigen vermogen.

Eigenvermogen = Bezittingen – schulden
Totaal activa = Totaal passiva.

Begroting – Een overzicht van de verwachte opbrengsten, kosten en winst.
Resultatenrekening – een overzicht van kosten, opbrengsten en winst over een afgelopen periode.
Verandering bezittingen – Verandering schulden = Verandering eigen vermogen.

5.1 t/m 5.3
Productdivisies – verschillende afdelingen binnen het bedrijf; verlichting, Consumentenelektronica..enz.
Jaarrekening – De balans laat zien in welk activa het vermogen is gestoken, aan de andere kant waar het vermogen vandaan komt.

6.1 t/m 6.2
Sociaal jaarverslag – Hierin wordt gerapporteerd over de mensen en hun belangen in de onderneming.
OR (ondernemingsraad) – bespreken van zaken in de onderneming, uitbrengen van advies, medebeslissingsrecht en arbeidsvoorwaarden.
Milieuverslag / ‘groen’verslag = welke positieve en negatieve invloeden de onderneming het afgelopen jaar had op het milieu.


Hoofdstuk 2
kosten – noodzakelijke uitgaven die een ondernemer moet doen om goederen de kunnen produceren.
Constante kosten (ck) – Deze kosten veranderen niet bij een verandering van de productie.
Variabele kosten (vk) – deze kosten veranderen bij een verandering van de productieomvang.
productiecapaciteit – Maximaal mogelijke productie bij een gegeven hoeveelheid productiemiddelen.
Recht Evenredige variabele kosten = De kosten veranderen proportioneel met de productie. (Stijgt de productie met 25%? Dan stijgt de prijs ook met 25%)
Totale Kosten = Totale Opbrengst – Totale Kosten.
Break-even point – Totale kosten gelijk aan de omzet. (Balansmethode!)
vb. TO = 2.5q = Tk = 0.5q +150


TK = (A x Q) + B
A = waarde van de variabele kosten per eenheid product
Q = productieomvang (gevraagde hoeveelheid)
B = Waarde van de totale constante kosten.

2.1 t/m 2.4
Arbeidsovereenkomst – arbeidsvoorwaarden; afspraken tussen werkgever en werknemers
Primaire arbeidsvoorwaarden ; over de beloning (loon, vakantiegeld, reiskosten)
Secundaire arbeidsvoorwaarden – werktijden, pauzes, werkomstandigheden.
CAO – Collectieve Arbeids Overeenkomst = de primaire en de secundaire voorwaarden worden hier geregeld.

Verschillende vormen van loonsverhoging ;

1. Incidentele loonsverhoging = een jaar ouder, hogere functie
2. Prijscompensatie = Prijsstijging van consumptiegoederen = stijging van loon. (zelfde procentuele aantal)
3. Initiële loonstijging (= reële loonstijging) = Koopkracht van de werknemer neemt op deze manier toe.

Arbeidsproductiviteit = het aantal mensen in dienst.
Arbeidsproductiviteit = Wat de gemiddelde werknemer per tijdseenheid produceert.
^ Dit kan voorkomen door bijv. specialisatie.

Interne Arbeidsverdeling = specialisatie binnen en organisatie.
Extra arbeidsverdeling = Specialisatie in een beperkt aantal werkzaamheden of productie.

3.1 t/m 3.2
Innovaties – toegepaste vernieuwingen van producten of productieprocessen.
Investeren – kopen van nieuwe kapitaalgoederen. Daarin maken we het volgende onderscheid;
- Breedte-investering = verhouding tussen arbeid en kapitaal blijft gelijk. (maar wordt eigenlijk gekopieerd en geplakt .. verbreden.)

- Diepte-investering = verandert de verhouding tussen arbeid en kapitaal ten gunste van kapitaal.
kapitaalintensiteit; verhouding kapitaal tegenover verhouding van arbeid.

schaalvergroting – oftewel vergroting van de productiecapaciteit.
Fusie – samengaan van voorheen zelfstandige ondernemingen.
overname – Wanneer het ene bedrijf, dat je fuseert groter is ..

Hoofdstuk 3
1.1 t/m 1, 3
Productgerichte denkwijze;
- product staat centraal
- persoonlijke voorkeur van de producent
- consument wordt geacht het product te kopen.
Consument gericht; wensen en behoeften van de consument staan centraal.
Marketing – het maken en uitvoeren van plannen voor het vergroten of behouden van de afzet
Afzet = aantal verkochte producten.
Marktsegment = Aantal afnemers van een bepaald product die min of meer gelijke wensen en behoeften hebben.
Doelgroep – Hierop concentreert de producent zich qua productie.

Marketing Mix;
1. Product
2. Prijs
3. Plaats
4. Promotie

2.1 t/m 2,2
Fysiek product – we letten op de basiseigenschappen van het product. (De maaltijd heeft een bepaalde voedingswaarde)
Tastbare product - ß is het product zoals het aangeboden wordt. (mooi ontwerp, verpakking, - Mobieltje, auto)
Uitgebreide product - Tasbare product, uitgebreid met niet-tastbare eigenschappen, zoals de sfeer in het restaurant.

Homogene producten – zijn volgens de ogen van de consument allemaal hetzelfde.
Heterogene producten - zijn volgens de ogen van de consument absoluut anders.


Trading-up - Kwalitatief betere of luxere uitgave van zijn product aan. Bijv. een sportieve uitgave van een type auto.
Trading-down - kwalitatief lager of minder luxe product. Bijv. een pocket uitgave van een boek of dagmenu’s in een luxe restaurant.

Productlevencyclus – Geeft aan hoe de omzet van een product zich heeft ontwikkelt vanaf het moment dat het op de markt kwam.

3.1 t/m 3.3
’de markt maakt de prijs’ - De juiste prijs vinden bij het juiste aantal producten.
Prijsbepaling
– kostengeorienteerde prijsvaststelling = kostprijs + vaste winstopslag.
- concurrentiegeorienteerde prijsvaststelling = sterk rekening houden met de prijzen van de concurrenten.
- afnemersgeorienteerde prijsvaststelling = uitgaan van welke hoeveelheden de afnemers kopen bij verschillende prijzen.
(DIT IS ALLEMAAL MINDER BELANGRIJK!)

Module 3
Hoofdstuk 1


1.1 t/m 1.2
Soorten markten;
Abstracte markt = geen concrete, zichtbare ontmoetingsplaats; bijvoorbeeld: de arbeidsmarkt.

Concrete markt = Geheel van vraag en aanbod op een ontmoetingsplaats.

Marktprijs = Dit hangt af van de speling van vraag en aanbod. Hoe hoger de prijs, hoe minder producten de consumenten bereid zijn te kopen. Hoe lager de prijs, hoe meer ze willen kopen. Hoe hoger de prijs, hoe meer de producenten bereid zijn aan te bieden. Hoe lager de prijs, hoe minder ze willen aanbieden. Er is een bepaalde prijs waarbij de consument evenveel wil kopen als de producent wil aanbieden: dit is de marktprijs.

2.1
Verband tussen prijs en aangeboden hoeveelheid;
met een tabel
met een grafiek
met een vergelijking.

qa = 3.5p + 25 (een voorbeeld van een vergelijking)

3.1 t/m 3.3
(Ea) Prijselasticiteit = Geeft aan hoe sterk de prijs reageert op aangeboden hoeveelheid

Ea = Qa : P%
Qa = (nieuw – oud) : oud = .. x 100.
P% = (nieuw – oud) :oud = .. x 100

Ev = Procentuele verandering van de aangeboden hoeveelheid : Procentuele prijsverandering
Volkomen (prijs) inelastisch aanbod = wanneer de aangeboden hoeveelheid helemaal niet beïnvloed wordt door de prijs. Het aanbod is dan totaal onafhankelijk van de prijs.

Productiekosten nemen af - Groter aabod = Aanbodlijn verschuift naar links.

4.1 t/m 4.2

q (met een streepje erboven) Evenwichtsprijs = Er is maar 1 prijs waarbij het zelfde aangeboden wordt.
p (met een streepje erboven) Evenwichtshoeveelheid = Er is maar 1 aantal dat dezelfde prijs bedraagt.
q(met streepje bovenop) x p(met streepje bovenop) = Omzet.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.