Module 1 en helft module 2

Beoordeling 5.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 500 woorden
  • 14 januari 2004
  • 42 keer beoordeeld
Cijfer 5.2
42 keer beoordeeld

Economie
Basisbehoeften van de economie: Consumenten hebben oneindig veel behoeften: ze willen steeds meer hebben en ja daar zijn middelen voor nodig:  Vrije goederen: er is voldoende van bijvoorbeeld lucht  Schaarse goederen: het zijn economische goederen en er is onvoldoende van om alle behoeften te vervullen van de mensen. Het heeft een prijs je staat het alleen af voor een ander schaars goed bijvoorbeeld geld voor een koelkast. Productiefactoren  Natuur: alles wat de natuur ons bied  beloning = pacht  Arbeid: het werken van mensen  beloning = loon  Kapitaal: alle goederen die al eerder geproduceerd zijn  beloning = winst
De vraaglijn

De individuele vraaglijn = de vraaglijn van 1 consument
De collectieve vraaglijn = de vraaglijn van alle consumenten samen, de collectieve vraaglijn ontstaat door de individuele vraaglijn horizontaal op te tellen (bijvoorbeeld alle consumenten). Er is een negatief verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid, de vraaglijn is nooit stijgend dus altijd dalend!! Vraaglijn = geeft aan welke hoeveelheid consumenten willen kopen voor uiteenlopende prijzen. Uitrekenen hoe de vraaglijn loopt
Voor Q en P altijd ene nul invullen dan krijg je vanzelf de 2 punten waar de vraaglijn begint en eindigt! Verschuivingen van de vraaglijn (welke manieren)  Verschuiving langs de vraaglijn  van 10 naar 5 bijvoorbeeld. Het blijft dezelfde vraaglijn alleen de prijs daalt. Oorzaak: het veranderen van de prijs van het product zelf  Verschuiving van de vraaglijn: 1 = verandering van de behoeften. Bijvoorbeeld: seizoen, mode, reclame. Minder behoeften  vraaglijn naar links
2 = verandering van het inkomen van mensen
Normale goederen: als je inkomen omhoog gaat  vraaglijn naar rechts (bijvoorbeeld: dure merkkleding koop je als je inkomen omoog gaat). Inferieure goederen: goederen waarvan je meer koopt als je inkomen daalt  vraaglijn naar links (bijvoorbeeld zeeman kleding). Dus hoger inkomen is minder zeeman kleding als het ware.  3 = verandering van de prijs van een ander product  thee wordt duurder dan komen er meer koffie drinkers. Substitutie goederen: goederen die elkaar kunnen veranderen. (bijvoorbeeld thee duurder  meer koffie drinkers) De prijs van het goed stijgt (thee) dan gaat de vraaglijn van het andere goed naar rechts (koffie) Complentaire goederen: goederen die samen gebruikt worden. De prijs van het ene goed stijgt  de vraaglijn van het andere goed gaat naar links.  De collectieve vraaglijn verschuift door: punt 1, 2, 3 (alles bij elkaar) en kijk bij individuele vraaglijn. 4 = verandering van het aantal consumenten (bijvoorbeeld minder asielzoekers = mindervraag naar leraren) Prijselasticiteit van de vraag  Prijselasticiteit van de vraag: verhoudingsgetal dat laat zien met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid van een goed verandert als de prijs met 1 procent verandert.  Grondstoffen + hulpdiensten (zo genaamd diensten van derden)  onderneming  eindproducten Diensten van derden: diensten van anderen (bijvoorbeeld banken).  € 5000,-  onderneming  € 12000,- Het verschil tussen die 2 is de toegevoegde waarde.  De toegevoegde waarde is ene feitelijke productie van een onderneming. De toegevoegde waarde is NIET hetzelfde als winst en het wordt verdeeld in een bedrijf over de productie factoren.  Toegevoegde waarde = € 7000,- - arbeid  loon bijvoorbeeld € 4000,- - natuur  pacht bijvoorbeeld € 100,- - kapitaal  interest (rente) bijvoorbeeld € 400,- Totaal: bijvoorbeeld € 4500,- Wat erover blijft is de winst voor een bedrijf
Ondernemerschap  doel = winst

REACTIES

B.

B.

lol deze smv is kaolo slecht alleen al in de eerste zinnen staan shi 10 fouten g.

10 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.