Markt & Overheid

Beoordeling 8.7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 4718 woorden
  • 3 maart 2019
  • 6 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.7
  • 6 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

H1. Volledige mededinging, prijselasticiteit & kosten- en opbrengstenfuncties




  • Homogeen product: goederen en diensten waarvan alle exemplaren in de ogen van de consument identiek zijn, aanbieder van het product maakt niet uit

  • Heterogeen product: goederen en diensten waarvan alle exemplaren in de ogen van de consument verschillen, aanbieder van het product maakt wel uit

  • Volledige mededinging: markt van homogene producten

    -lange termijn: winst > aantrekken nieuwe aanbieders > toename aanbod > daling prijs

    > verdwijnen winst
    à GO = GTK





De kenmerken van de marktvorm van volkomen concurrentie benoemen




  • Veel aanbieders die streven naar maximale winst

  • Veel vragers

  • Homogeen product

  • Marktprijs komt tot stand door vraag en aanbod

  • Transparante markt > alleen laagste prijs wordt mogelijk

  • Vrije toe- en uittreding: geen belemmeringen om toe te treden of uit te treden

  • Prijsafzetlijn is horizontaal want de prijs is een gegeven






Marktgedrag volledige mededinging

Aanbieders zijn hoeveelheidsaanpassers. De aanbieder zal net zoveel producten aanbieden totdat zijn winst maximaal is, hij past de hoeveelheid aan.





Uitleggen hoe marktmechanisme werkt



Er wordt net zoveel geproduceerd en aangeboden als wat er door consumenten

wordt gevraagd. Het doel van aanbieders is winst maken, op een markt van volledige mededinging zullen de aanbieders toetreden tot de markt wanneer er winst is. 

Hoge vraag = toename aanbod, weinig vraag = daling aanbod

Hoge vraag > hoog aanbod > hoge prijs > daling vraag > daling aanbod > daling prijs



Met behulp van een vraagfunctie en een aanbodfunctie de evenwichtsprijs, de evenwichtshoeveelheid en de evenwichtsomzet berekenen



Vraagfunctie = Qv, aanbodfunctie = Qa

-Evenwichtsprijs = formules Qv en Qa gelijk maken in een vergelijking 
à Qa = Qv

-Evenwichtshoeveelheid = evenwichtsprijs invullen in gegeven formule van Qa of Qv

-Evenwichtsomzet = evenwichtsprijs x evenwichtshoeveelheid





De vraaglijn en de aanbodlijn in een grafiek tekenen en het marktevenwicht aangeven

Marktevenwicht waar Qa en Qv elkaar snijden,

horizontaal naar links ligt de evenwichtsprijs en

verticaal naar beneden ligt de evenwichtshoeveelheid.





Verschuivingen van de collectieve aanbodlijn verklaren

Toename aanbod > verschuiving aanbodlijn naar rechts

er is dus meer aanbod bij een bepaalde prijs of een lagere prijs bij een bepaalde hoeveelheid



Oorzaak voor toename aanbod: toename aanbieders door bijv. verhoging winstmarge door verlaging kostprijs



Daling aanbod > verschuiving aanbodlijn naar links

er is dus minder aanbod bij een bepaalde prijs of een hogere prijs bij een bepaalde hoeveelheid




Oorzaak daling aanbod: afname aanbieders door bijv.

verlaging winstmarge door verhoging kostprijs





Verschuivingen van de collectieve vraaglijn verklaren



Daling vraag > verschuiving vraaglijn naar links

er is dus minder vraag bij een bepaalde prijs of een lagere prijs bij een bepaalde hoeveelheid





Toename vraag > verschuiving vraaglijn naar rechts

er is dus meer vraag bij een bepaalde prijs of een hogere prijs bij een bepaalde hoeveelheid





Gevolgen van verschuivingen van de vraaglijn en de aanbodlijn voor het marktevenwicht beschrijven

Toename aanbod > aanbodlijn naar rechts à hogere evenwichtshoeveelheid

                                                                      
à lagere evenwichtsprijs

Daling aanbod > aanbodlijn naar links
à lagere evenwichtshoeveelheid

                                                             
à hogere evenwichtsprijs

Daling vraag > vraaglijn naar links
à lagere evenwichtshoeveelheid

                                                       
à lagere evenwichtsprijs

Toename vraag > vraaglijn naar rechts
à hogere evenwichtshoeveelheid

                                                               
à hogere evenwichtsprijs

 



De prijselasticiteit van de vraag berekenen en gevolg van de waarde van de prijselasticiteit van de vraag voor de omzet uitleggen




  • Prijselasticiteit van de vraag (EV): rekbaarheid hoe je een prijs kan verlagen/verhogen zonder dat je effect hebt op de vraag naar iets (verandering vraag door verandering prijs)

     Ev = % verandering vraag/ % verandering prijs = %
    Q/ %P


    • Ev = 0 = volkomen inelastische vraag: vraag reageert niet op prijsveranderingen

      à omzet blijft gelijk

    • -1 < Ev < 0 = inelastische vraag: vraag reageert minder dan evenredig op de prijs

                            want %
      Q < %P

      à omzet daalt omdat de prijs meer is veranderd in % dan de vraag in %

    • Ev < -1 = elastische vraag: vraag reageert meer dan evenredig op de prijs

                      want
      %Q > %P

      à omzet stijgt omdat de vraag in % meer is veranderd dan de prijs in %






  • Kosten


    • Variabele kosten: kosten die veranderen als de productieomvang verandert

      proportioneel: variabele kosten stijgen evenredig aan de productie

      progressief: variabele kosten stijgen meer dan evenredig aan de productie

      degressief: variabele kosten stijgen minder dan evenredig aan de productie

      -TVK = GVK x Q

      -GVK = TVK / Q

    • Constante kosten:kosten die niet veranderen als de productieomvang verandert

      -GCK: TCK / Q

         > daling GCK als de productie toeneemt

      -TCK: de constante kosten

    • Marginale kosten:bedrag waarmee TK toeneemt als er 1 extra product wordt geproduceerd

      -bij proportioneel variabele kosten: MK = GVK

      -MK =
      TK / Q of MK = TVK / Q

    • -TK = TVK + TCK

      -GTK = GVK + GCK






  • Opbrengst


    • Marginale opbrengst: bedrag waarmee TO toeneemt als er 1 extra product wordt geproduceerd : MO = GO

    • -TO = P x Q

      -GO = TO / Q



  • Winst

    • Marginale winst: bedrag waarmee TW toeneemt als er 1 extra product wordt geproduceerd : MW = MO – MK

    • -TW= TO – TK

      -GW = TW / Q


       



  • Maximale winst: stijging TW als bij toename van de productie de opbrengst meer stijgt dan de kosten, MO > MK of MW = 0, bij MO = MK is de totale winst maximaal,

    bij MO > MK zorgt uitbreiding van productie voor meer winst, bij MO < MK kost uitbreiding van productie meer dan dat het oplevert, daarom totale winst = MO = MK

    totale winst TW = TO - TK

  • Maximale omzet: MO = 0

  • Volledige mededinging: prijs ligt vast dus MO = gelijk aan prijs,

    prijs is ookwel GO dus MO = GO = P

  • Break-even... TO = TK, GO = GTK, TW = 0, GW = 0

    • Break-evenpoint: TO = TK, er komt even veel geld binnen als wat eruit gaat

    • Break-evenafzet: Q die hoort bij TO = TK, hoeveelheid die er moet worden geproduceerd om de kosten te dekken maar waarbij nog geen winst is

    • Break-evenomzet: TO die hoort bij TO = TK, hoeveel geld er moet worden omgezet om de kosten te dekken, maar waarbij nog geen winst is

       





Verklaren dat een producent winst maakt als de totale opbrengst hoger is dan de totale kosten en dit grafisch als rekenkundig onderbouwen

Een producent maakt winst als TO > TK want TW = TO – TK



Vanaf het break-punt wordt er winst gemaakt omdat de opbrengst dan niet alleen kostendekkend is maar er blijft ook nog geld over.




Uitleggen dat het break-evenpunt een belangrijk omslagpunt is bij de afweging om wel of niet toe te treden tot een markt

Op het break-evenpunt is TO = TK, de kosten zijn gedekt maar er wordt nog geen winst gemaakt, vanaf het break-evenpunt is TO > TK en wordt er dus winst gemaakt.

Producenten willen winst maken en daarom is het voor producenten van belang om te weten vanaf welke aangeboden hoeveelheid ze winst zullen maken.





De relatie tussen totale kosten en gemiddelde kosten verklaren en berekenen

De totale kosten zijn de kosten van alle producten bij elkaar en de gemiddelde kosten zijn de kosten per product, dus de totale kosten verdeeld over de producten.

totale kosten = gemiddelde kosten x Q en gemiddelde kosten = totale kosten / Q





Met behulp van de kosten- en de opbrengstlijn de afzet met maximale totale winst afleiden

Maximale totale winst als MO = MK, waar de MO en de MK lijn elkaar snijden ligt het punt van de maximale totale winst, verticaal naar beneden op de Qv as ligt de bijhorende afzet.





Uitleggen dat de totale winst toeneemt zolang de marginale opbrengst hoger is dan de marginale kosten

Zolang MO > MK neemt de totale winst toe, omdat MW = MO – MK.





Uitleggen dat de totale winst afneemt als de marginale opbrengst lager is dan de marginale kosten

Als MO < MK neemt de totale winst af omdat MW = MO – MK dan een negatief getal wordt en de totale winst dus afneemt.





Uitleggen dat de totale winst maximaal is als de marginale opbrengst gelijk is aan de marginale kosten

Als MO = MK dan is de totale winst maximaal omdat vanaf dan MO kleiner wordt dan MK en er dus verlies wordt gemaakt. Bij MO = MK wordt er geen winst meer gemaakt, MW = 0, maar worden de kosten alsnog gedekt, vanaf MO = MK worden er dus verliezen gemaakt.





Met behulp van de kosten- en de opbrengstfunctie de afzet met maximale totale winst berekenen


 



H2. Monopolie, privatisering & prijsdiscriminatie





  • natuurlijke monopolie: monopolie door schaalvoordelen: kostenvoordelen door uitbreiding productieomvang: constante kosten worden lager bij uitbreiding productieomvang en daarom is het voordeliger om maar één aanbieder te hebben

  • wettelijke monopolie: volgens de wet mag er maar één aanbieder zijn

  • feitelijke monopolie: een aanbieder heeft alle concurrentie verdrongen

  • Oorzaken monopolie:

    -technisch: eerste die het product ontwikkeld

    -staatsmonopolie: bescherming markt door de overheid voor bijv. het buitenland

    -intellectueel: octrooi/patent; alleenrecht om iets te maken

    -zeldzaam: gebruik van bijv. zeldzame natuurlijke grondstoffen

  • Gevolgen monopolie:

    -slechte dienstverlening

    -hoge prijzen

    -druk op alle betrokkenen bij de monopolie

    -keuzebeperking consumenten

    -weinig innovatie


     



De kenmerken van de marktvorm monopolie beschrijven




  • Één aanbieder, veel vragers

  • Hoge toetredingskosten à verzonken kosten

  • Prijszetter

  • Geen alternatief

  • Transparante markt

  • Vaak marktleider






  • Marktgedrag monopolist

    Prijszetter: monopolist kan zelf prijs bepalen voor producten omdat hij niet concurreert.

    Maar: afhankelijk van betalingsbereidheid consument, te hoge prijs > afname vraag


    à collectieve vraaglijn = prijsafzetlijn: hoe lager de prijs, hoe meer afzet

  • MO < GO: als een monopolist zijn afzet wilt vergroten moet de prijs omlaag.

    MO wordt kleiner bij uitbreiding van de productie omdat door de prijsdaling de extra opbrengst MO ook steeds kleiner wordt. GO = P dus daalt ook mee met de prijs.  

  • Doelstellingen monopolist:

    -maximale omzet: MO = 0

    -kostendekking: TO = TK

    -maximale totale winst: MO = MK




  • Privatisering: overheidsproductie gaat naar marktsector en wordt particulier



De voordelen en nadelen van privatiseren beschrijven



Voordelen:




  • Concurrentie > consumenten lokken > lagere prijzen

  • Concurrentie > consumenten lokken > innovatie

  • Veel aanbieders > veel keus > beste prijs-kwaliteitverhouding kiezen

  • Particulier bedrijf > geen belastinggeld aan mogelijk een onnodig, verliesgevend bedrijf



Nadelen:




  • Winststreven > kostenbesparing op dienstverlening > verslechtering service & kwaliteit

  • Winststreven > bezuinigen onderhoud infrastructuur > veiligheid in gevaar

  • Winststreven > bezuinigen op lonen en andere arbeidsvoorwaarden





Uitleggen dat privatiseren de personele inkomensverdeling kan beïnvloeden

Winststreven bedrijven binnen marktsector > winst niet naar overheid maar naar aandeelhouders à toename verschil loon tussen eigenaren, directie bedrijven & werknemers




  • Prijsdiscriminatie: verschillende prijzen vragen aan verschillende groepen consumenten voor hetzelfde product



Uitleggen wanneer, waarom en op welke wijze het voor producenten voordelig is prijsdiscriminatie toe te passen

Prijsdiscriminatie > vergroting omzet en winst

-Consumenten meestal verdeeld naar betalingsbereidheid & koopkracht




Uitleggen dat een monopolist met prijsdiscriminatie een deel van het totale consumentensurplus kan afromen

Door prijsdiscriminatie laat de monopolist een bepaalde groep consumenten meer betalen voor een product dan een andere groep consumenten. De prijs wordt dus hoger voor die consumenten waardoor hun consumentensurplus kleiner wordt. Het totale consumentensurplus wordt dus ook kleiner. Het consumentensurplus gaat naar de producentensurplus die groter wordt, er is sprake van afroming.





Kunnen: 




  • De prijs, de hoeveelheid en de omzet bepalen bij een monopolist die streeft naar maximale winst

  • Berekenen van de maximale winst bij een monopolist

  • De prijs, de hoeveelheid en de omzet bepalen bij een monopolist die streeft naar maximale omzet

  • De break-evenafzet bepalen bij monopolie en daarbij de prijs, de hoeveelheid en de omzet berekenen en het break-evenpunt grafisch weergeven

  • Berekenen van de maximale omzet bij een monopolist

  • De afzet en prijs vaststellen bij maximale omzet en daarbij de omzat, de totale kosten en de winst of het verlies berekenen



H3. Oligopolie en monopolistische concurrentie




  • Monopolistische concurrentie: combinatie monopolie en volledige concurrentie,

    markt van heterogene producten die op hun eigen gebied monopolie hebben, maar er is wel concurrentie omdat de heterogene producten binnen dezelfde markt actief zijn



Voorbeelden noemen van markten van monopolistische concurrentie



Frisdrank markt: heterogene producten, soorten frisdrank van bijv. Fanta, 7UP etc.

Omdat de verschillende aanbieders heterogene producten aanbieden hebben ze allemaal op hun eigen gebied een monopolie, er is toch sprake van concurrentie omdat ze allemaal actief zijn op de markt van frisdrank.



De kenmerken van de marktvorm van monopolistische concurrentie beschrijven




  • Veel aanbieders, veel aanbieders

  • Niet transparant

  • Monopolist op eigen deelmarkt

  • Prijszetter maar alsnog beperkt invloed op prijs vanwege concurrentie

  • Heterogeen product

  • Vrije toe- en uittreding

  • Ondernemingen hebben een eigen unieke vraaglijn of prijsafzetlijn

  • Aangeboden producten zijn substitutiegoederen van elkaar: vervangbaar



Het marktgedrag van de aanbieders op een markt van monopolistische concurrentie beschrijven



Doel aanbieders op markt van monopolistische concurrentie: maximale winst behalen.

Er worden heterogene producten aangeboden > elke aanbieder eigen vraaglijn/prijsafzetlijn

 > aanbieder (beperkt) invloed op prijs; prijs kan verhoogd of verlaagd worden

Te hoge prijsverhoging > consumenten overlopen naar concurrent.

Aanbieder maakt winst > imitatie door concurrentie > afpakken klanten en winst door concurrentie > afname winst van geïmiteerde aanbieder




  • Oligopolie:



marktvorm waarbij enkele aanbieders de macht hebben,




  • als slechts enkele aanbieders 85% van het marktaandeel vertegenwoordigen



Voorbeelden noemen van markten van oligopolie

Markt van auto’s, computers, benzine, shampoo en tandpasta. Er komen bijv. niet zomaar allerlei nieuwe auto aanbieders bij vanwege toetredingsbarrières: hoge aanvangsinvesteringen, verzonken kosten en octrooien.



De kenmerken van de marktvorm oligopolie beschrijven




  • Veel vragers, weinig aanbieders

  • Heterogeen of homogene producten

  • Prijs deels bepaald door aanbieder

  • Niet transparant

  • Geen vrije toe- en uittreding

  • Liefst niet concurreren op prijs maar op kwaliteit en service



Het marktgedrag van aanbieders op een markt van oligopolie beschrijven



Doel aanbieders op oligopolistische markt: maximale winst, groot marktaandeel

Felle concurrentie tussen oligopolisten > lage prijs > weinig of geen winst

 
à beperken concurrentie of samenwerking zorgt voor een hogere winst



Toename aanbieders bij oligopolie:



-gemakkelijker schaalvoordelen

-minder hoge verzonken kosten



Toetredingsbarrières:




  • Hoge aanvangsinvesteringen: hoge kosten die alleen maar terug zijn te verdienen d.m.v.

    schaalvoordelen: hoge investeringen > hoge constante kosten > productie alleen op grote schaal mogelijk om winstgevend te worden


    à gebrek aan schaalgrootte maakt toetreding moeilijker

  • Verzonken kosten: kosten die niet kunnen worden terugverdiend bij staking van een activiteit omdat er geen andere gebruiksmogelijkheden zijn, bijv. treinen van NS



à Bedrijf met verzonken kosten staat zwakker bij onderhandelingen



à Hoge verzonken kosten > hoge verliezen van mislukte toetreding

  > afschrikken potentiele toetreders




  • Octrooi: alleenrecht op commerciële gebruik van uitvinding, concurrentie kan deze innovaties niet doorvoeren door deze afscherming van kennis





Verschillende marktstrategieën onderscheiden



Doel aanbieders: zoveel mogelijk winst, marktaandeel vergroten

     marktaandeel = aanbod eigen bedrijf / totale aanbod x 100%

     marktaandeel = (aanbod eigen bedrijf x prijs) / totale omzet




  • Concurreren:

    -prijzenoorlog: concurreren op prijs;prijs verlagen om marktaandeel te vergroten

       risico: toename marktaandeel winnaar, verliezer gaat failliet

    -productdifferentiatie: heterogener maken; eigen kenmerken aan product geven

      > afwijkende prijsafzetlijn & ondernemer wordt prijszetter

      > ruimte voor prijsverhoging, te hoge prijs > klanten naar concurrent

         klanten trouw aan aanbieder: prijselasticiteit vraag klein

  • Samenwerken:

    -kartels: afspraken van aanbieders om onderlinge concurrentie te verminderen

       > vermindering concurrentie > prijzen minder laag en kwaliteit minder hoog

     
    à kartels zijn verboden 





Marktgedrag van ondernemingen verklaren bij dominante strategieën



Initiatief nemende onderneming die als eerste de prijs verhoogd of verlaagd is prijsleider

à concurrenten stellen prijspolitiek af op prijsleider



Prijspolitiek in gevangenendilemma: kartel om prijs hoog te houden voor hoge winst

à dominante strategie is om de afspraak te breken: winst in alle gevallen van afspraak breken groter dan afspraak nakomen, ongeacht de keuze van de ander.





Uitleggen welke samenwerkingsdilemma’s ontstaan bij onderhandelingen als het gaat om de verdeling van het surplus en de consequenties hiervan voor de onderhandelende partijen toelichten



Bij kartelvorming > optreden als monopolie > daling consumentensurplus & stijging producentensurplus, bij kartelvorming daalt consumentensurplus meer dan dat producentensurplus stijgt à totale surplus daalt. Toe- of afname van de totale surplus is een maatstaf voor toe- of afname van welvaart van consumenten en producenten.

Door kartelvorming is er dus welvaartsverlies.





Uitleggen dat de overheid met behulp van toezichthouders op verschillende markten kan optreden



Kartelvorming > minder concurrentie > daling totale surplus > daling welvaart



à kartels wettelijk verboden door overheid



Toezichthouders ontmaskeren kartels door het bedrijf dat als eerste bekend vrijuit te laten gaan en de overige kartelleden te bestraffen.

















































Marktvorm



Volkomen concurrentie



Monopolistische concurrentie



Oligopolie



Monopolie



Aantal aanbieders



Veel



Veel



Weinig



Eén





Soort product



Homogeen



Heterogeen



Homogeen/



Heterogeen





Doorzichtigheid van de markt



Goed



Slecht





Slecht





Goed



Toetredings-mogelijkheid



Gemakkelijk



Gemakkelijk



Moeilijk



Moeilijk



Invloed op de prijs



Geen



Beperkt



Redelijk veel



Veel






H4. Marktfalen




  • Marktfalen: de uitkomsten van de vrije markt zijn ongewenst, er komt geen optimale situatie tot stand; prijzen te hoog of te laag, te veel of te weinig goederen etc.



Oplossingen:

-prijsregulering: maximumprijs, minimumprijs, accijns & subsidies

-prijsbeïnvloeding:




  • Economische machtsvorming:als bedrijven zoveel macht hebben dat zij zich gaan gedragen als een monopolist

    à lagere productie

    à hogere prijs

    à lagere kwaliteit van service en producten

    à weinig efficiëntie en innovatie



Uitleggen waarom de overheid een maximumprijs vaststelt



Machtsmisbruik aanbieders > hoge winsten aanbieders > hoge prijzen consument



à maximumprijs: prijs om consumenten te beschermen tegen hoge winsten aanbieders



Uitleggen dat bij een maximumprijs een vraagoverschot ontstaat en het vraagoverschot grafisch aangeven



Maximumprijs à vraag groter dan aanbod = vraagoverschot

 vraagoverschot = Qv – Qa



De maximumprijs ligt onder de evenwichtsprijs.

Het stuk tussen A en V is het vraagoverschot.





Uitleggen waarom de overheid een minimumprijs vaststelt

Vrije werking prijsmechanisme > kans op ontstaan te lage prijs voor producent

 > laag inkomen producent > aanbod omlaag



à minimumprijs: prijs om aanbod te behouden en redelijk inkomen producent



Uitleggen dat bij een minimumprijs een aanbodoverschot ontstaat en het aanbodoverschot grafisch aangeven



Minimumprijs à aanbod groter dan vraag = aanbodoverschot

 
aanbodoverschot = Qa – Qv


àoverheid koopt aanbodoverschot op tegen minimumprijs



De minimumprijs ligt boven de evenwichtsprijs.



Het stuk tussen V en A is het aanbodoverschot.

Oplossing aanbodoverschot: quotumsysteem: max. productiehoeveelheid






  • Accijns: kostprijsverhogende belasting waarmee de overheid het gebruik van deze producten probeert af te remmen, bijv. bij schadelijke producten als sigaretten en alcohol

  • Subsidies: stimulatie vraag d.m.v. financiële overheidsbijdrage om prijzen te verlagen






  • Minimumjeugdloon: percentage van minimumloon, afhankelijk van leeftijd

  • Minimumloon: loon dat een 23-jarigen wettelijk moet krijgen

  • Arbeidsovereenkomst: contract waar arbeidsvoorwaarden in vastgelegd zijn

  • Collectieve arbeidsovereenkomst: overeenkomst werkgevers en

    werknemers over lonen en andere arbeidsvoorwaarden, in de individuele arbeids-overeenkomst moet rekening worden gehouden met de CAO van die sector

    -afspraken over: arbeidsduur, beloning, onregelmatigheidtoeslag, functiewaarderingsysteem, ATV-en vakantieregelingen, overwerkregeling, regeling in geval van ziekte, arbeidsomstandigheden en veiligheid werknemer, pensioenregeling en ontslagregeling

  • Individuele arbeidsovereenkomst: arbeidsovereenkomst tussen één werkgever en één werknemer, dus de algemene arbeidsovereenkomst maar doelgericht van één werknemer



Voordelen en nadelen noemen van een collectieve arbeidsovereenkomst ten opzichte van een individuele arbeidsovereenkomst voor werkgevers en werknemers

De CAO staat vast, de afspraken van de CAO moeten in de individuele arbeidsovereenkomst worden nageleefd.

Het voordeel voor werkgevers en werknemers is dat beide partijen niet onredelijke voorwaarden in de individuele arbeidsovereenkomst kunnen zetten.

Het nadeel is dat werkgevers en werknemers weinig inspraak hebben op de CAO, als ze het met een arbeidsovereenkomst uit de CAO niet eens zijn kan dit niet zomaar verandert worden.





Arbeidsvoorwaarden onderscheiden naar primaire en secundaire voorwaarden




  • Primaire arbeidsvoorwaarden: loon en normale arbeidstijd

  • Secundaire arbeidsvoorwaarden: overige voorwaarden zoals reiskostenvergoeding, vakantieregeling, kinderopvang en scholingsfaciliteiten etc.






  • Vakbonden: (werknemersbonden) organisatie die de individuele en collectieve belangen behartigt van aangesloten werknemers



> Vakcentrale: koepelorganisatie van vakbonden die aangesloten vakbonden en hun leden vertegenwoordigt op overkoepelend niveau

-overleg op hoog niveau met overheid en werkgeversorganisaties




  • Werkgeversbonden: organisatie die individuele en collectieve belangen behartigt van aangesloten werkgevers

    > Werkgeverscentrale: koepelorganisatie van werkgeversbonden die aangesloten bonden en hun leden vertegenwoordigt op overkoepelend niveau

    -overleg op hoog niveau met overheid en vakcentrales

  • Organisatiegraad: percentage werknemers dat is aangesloten bij vakbond

  • Algemeen verbindend: CAO geldt voor alle werknemers in die bedrijfstak en alle werkgevers zijn verplicht de CAO na te leven



Het belang van de organisatiegraad van werknemers uitleggen



Hoe hoger de organisatiegraad, hoe meer deskundige bijstand en hoe meer de vakbond hun zin kan eisen.

CAO = algemeen bindend > CAO geldig voor alle werknemers, ook niet-georganiseerde werknemers > niet-georganiseerde werknemers profiteren mee

> georganiseerde werknemers betalen meer terwijl er wordt meegelift











Het meeliftersgedrag van niet-vakbondsleden uitleggen

Algemeen bindend: CAO geldig voor alle werknemers, ook niet-leden van vakbonden

> verleidelijkheid werknemers om geen contributie te betalen en dus geen lid te zijn van een vakbond


à meeliftersgedrag

Gevolgen meeliftersgedrag: geen vakbond, verslechtering arbeidsvoorwaarden etc.

Oplossing meeliftersgedrag: collectieve dwang: verplichting vakbondslidmaatschap





Uitleggen dat zelfbinding belangrijk is bij onderhandelingen




  • Zelfbinding: je verbinden aan afspraken, achter je standpunt staan



Belangrijk bij onderhandelingen:

-geloofwaardigheid, zelfbinding vergroot geloofwaardigheid

-zelfbinding beïnvloedt de strategie van de tegenspeler





H5. Overheid bemoeit zich ermee



Toezichthouders: onafhankelijke onpartijdige instituten die controleren of wetten en regels door bedrijven worden nageleefd

Doel: concurrentie bevorderen, consumenten beschermen, toezicht financiële markten

-Autoriteit Financiële Markten (AFM): banken en verzekeraars

-Autoriteit Consument en Markt (ACM): fusies en overnames




  • Fusie: gelijkwaardige bedrijven gaan samen op in een nieuwe onderneming

  • Overname: een sterk bedrijf koopt een zwakker bedrijf op d.m.v. meer dan de helft van aandelen op te kopen



à Concentratie van marktmacht: goederen en diensten door minder bedrijven aangeboden

    
à groter deel van surplus aan producenten toegeëigend






  • Octrooi: alleen recht op het maken of laten maken van een product voor een bepaalde tijd à monopolie & prijszetter: terugverdienen (hoge) ontwikkelingskosten mogelijk



Het dilemma beschrijven van overheid voor het verstrekken van octrooien



Concurrentie op de vrije markt is belangrijk, daarom wilt de overheid monopolievorming en concentratie tegengaan. Octrooien à monopolievorming à hoge prijzen.

Alsnog verstrekt de overheid octrooien omdat zonder octrooien veel nieuwe goede producten met hoge ontwikkelingskosten (zoals medicijnen) niet worden geproduceerd omdat de producent anders met verzonken kosten zit. 



Effecten van octrooien op marktgedrag van marktresultaat herkennen

Octrooien à monopoliepositie & prijszetter à hoge kosten omdat het bedrijf niet hoeft te concurreren à klein consumentensurplus en hoog producentensurplus





Uitleggen op welke manier samenwerking tot stand kan komen in een gevangenendilemma




  • Effectieve zelfbinding

  • Hoog normbesef

  • Collectieve dwang door bijv. sanctieregeling






  • Collectieve goederen: goederen die door de overheid betaald en verzorgd worden


    • Geleverd door de overheid

    • Gefinancierd door belasting: iedereen betaalt aan de productie ervan

    • Niet-uitsluitbaar: niemand kan worden uitgesloten van de consumptie

    • Niet-rivaliserend: consumptie ervan niet ten koste van consumptie van een ander



  • Individuele goederen: goederen die uitsluitbaar en rivaliserend zijn



Met voorbeelden uitleggen dat bij collectieve goederen sprake kan zijn van een gevangenendilemma



Collectieve goederen zijn niet-uitsluitbaar, straatverlichting is een voorbeeld van een collectief goed; de straatverlichting gaat niet uit als er iemand loopt die niet heeft mee betaald aan de straatverlichting.



à Oplossing: collectieve dwang: belasting betalen






  • Quasicollectieve goederen: individuele goederen die door de markt geleverd kunnen worden, maar (deels) door de overheid worden geleverd

    Redenen overheid productie quasicollectieve goederen:

    -toegankelijkheid voor iedereen

    -consumptie van het goed stimuleren

    -kwaliteit van het goed bewaken



Onderscheid maken tussen collectieve, individuele goederen en quasicollectieve goederen

Collectieve goederen: door de overheid aangeboden, niet-uitsluitbaar, niet-rivaliserend

Individuele goederen: op de markt aangeboden, uitsluitbaar, rivaliserend

Quasicollectieve goederen: door de overheid aangeboden, uitsluitbaar, rivaliserend



Externe effecten: positieve of negatieve gevolgen van productie en consumptie voor de welvaart van anderen die niet in de prijs zijn opgenomen

-producent houdt alleen rekening met interne kosten




  • Interne kosten: werkelijke uitgaven van de producent zoals loon en grondstoffen

  • Externe kosten:kosten van productie en consumptie die niet in de prijs zijn opgenomen

  • Maatschappelijke kosten:kosten van economisch handelen voor de samenleving

     interne kosten + externe kosten



Overheidsingrijpen op externe effecten




  • Negatieve externe effecten: de producent wordt alleen geconfronteerd met interne kosten

      > interne kosten doorgerekend in product, externe kosten niet > product te goedkoop

    Oplossing overheid:

    -productie verbieden

    -heffing: accijns om consumptie te ontmoedigen
    à externe effect wordt intern

  • Positieve externe effecten: consumptie gestimuleerd d.m.v. subsidies of belastingkorting



Marktfalen door externe effecten

-Negatieve externe effecten: markt levert meer dan maatschappelijk gewenst

  > marktfalen

-Positieve externe effecten: markt produceert te weinig dan maatschappelijk gewenst

  > marktfalen



Met voorbeelden uitleggen waarom meeliftgedrag een vorm is van een extern effect



Meeliftgedrag > gewenste resultaat niet bereikt > collectief verlies van welvaart



Analyseren hoe de overheid het verschil tussen private en maatschappelijke kosten kan verkleinen

Door heffingen in de vorm van accijns worden externe kosten interne kosten, omdat de heffingen nu ook horen bij de werkelijke uitgaven van de producent.

















H6. Duurzaamheid




  • Penetratiegraad: deel van consumenten dat het product ook echt heeft gekocht in %

  • Duurzaam produceren: productie nu gaat niet ten koste van productie in de toekomst

  • MVO: maatschappelijk verantwoord ondernemen, bedrijven die naast winst als doelstelling rekening houden met het effect van hun activiteiten op het milieu en op menselijke aspecten binnen en buiten het bedrijf



-people: rekening houden met mensen binnen en buiten de onderneming

-planet: de gevolgen van het produceren voor het milieu

-profit: hoe is de winst behaald en wat wordt ermee gedaan



Uitleggen dat MVO negatieve externe effecten van productie vermindert

Door maatschappelijk verantwoord ondernemen nemen de externe negatieve effecten van de productie af, zo verminderen bijv. de negatieve gevolgen voor het milieu.



Uitleggen dat er spanningen zijn tussen duurzaamheid als welvaartsmaatstaf en het nationaal inkomen of nationaal product als welvaartsstaf



Hoe meer we produceren en consumeren, hoe hoger het nationaal product en hoe hoger de welvaart. Maar meer produceren en consumeren staat in strijd met duurzaamheid. Wordt duurzaamheid meegenomen in het begrip welvaart, dan vermindert de welvaart door de manier waarop er nu geproduceerd/geconsumeerd wordt.



H7. Ondernemingsvormen



Rechtsvorm:juridische vorm van een onderneming:




  • Eenmanszaak


    • Zonder rechtspersoon;

    • Eén eigenaar;

    • Persoonlijk aansprakelijk; eigenaar aansprakelijk met hun privévermogen

    • Over winst wordt inkomstenbelasting betaald;

    • Nadelen: privé-aansprakelijk, voortbestaan in gevaar zonder eigenaar



  • Vennootschap onder firma (VOF)

    • Zonder rechtspersoon;

    • Twee of meerdere eigenaren;

    • Persoonlijk aansprakelijk; eigenaren aansprakelijk met hun privévermogen

    • Over winst wordt inkomstenbelasting betaald;

    • Nadelen: privé-aansprakelijk, voortbestaan in gevaar zonder eigenaar



  • Besloten vennootschap (BV)

    • Met rechtspersoon: juridische onafhankelijke eenheid met eigen rechten en verplichtingen, los van de eigenaar/eigenaren;

    • Scheiding tussen de leiding en eigenaren;

    • Aandeelhouders voeren dagelijkse leiding;

    • Aandelen niet vrij verhandelbaar maar op naam;

    • Over winst wordt vennootschapsbelasting betaald;



  • Naamloze vennootschap (NV)

    • Met rechtspersoon;

    • Scheiding tussen de leiding en eigenaren;

    • Aandeelhouders voeren niet dagelijkse leiding;

    • Aandelen vrij verhandelbaar;

    • Over winst wordt vennootschapsbelasting betaald;








  • Aandeelhoudersvergadering: jaarlijkse vergadering van aandeelhouders, elke aandeelhouder heeft stemrecht op basis van het aantal aandelen








  • Eigen vermogen: het eigen ingebracht geld door eigenaren

  • Vreemd vermogen:geleend geld van banken of andere personen



De keuze omtrent het aantrekken van eigen en vreemd vermogen van een onderneming (eenmanszaak, vennootschap onder firma, nv of bv) toelichten




  • VOF & eenmanszaak: eigen vermogen is eigen geld in het bedrijf steken

  • NV en BV: eigen vermogen is aandelenkapitaal

    -vanwege beperkte aansprakelijkheid makkelijker om eigen vermogen aan te trekken

  • Vreemd vermogen: over een lening moet rente worden betaald, hoe risicovoller de lening voor de verschaffers hoe hoger de rente

    -onderpand: extra zekerheid die kredietgever ontvangt als de kredietontvanger niet de afgesproken rente en aflossing betaalt, bijv. huis bij hypotheeklening




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.