Ben jij weleens opgelicht?

Wij doen onderzoek naar online oplichting onder jongeren. Vul de vragenlijst in (ca 5 min) en maak kans op een Bol.com bon van 25 euro (echt waar!)

Lesbrief Welvaart - H4; De collectieve sector

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 3335 woorden
  • 8 december 2003
  • 111 keer beoordeeld
Cijfer 7.1
111 keer beoordeeld

Hoofdstuk 4 : De collectieve sector 4.1 Het begrip collectieve sector. Overheidsorganen hebben het hoogste gezag. Alleen overheidsorganen hebben het recht geweld uit te oefenen, alleen zij mogen de politie of defensie inschakelen. Ook hebben de overheden de bevoegdheid om dwingende tegels voor te schrijven, regels dus waaraan iedereen zich moet houden. Dit recht om regels op te leggen aan publiek noemen we publiekrechtelijke lichamen of publiekrechtelijke organen genoemd. De overheid maakt van deze bevoegdheid veel gebruik. Bijvoorbeeld bij het instellen van de leerplicht, of om dichter bij de economie te blijven. Ook een vereniging kan haar leden contributie stellen. Een vereniging heeft echter uitsluitend privaatrechtelijke bevoegdheden; het lidmaatschap van een vereniging is vrijwillig. Ben je geen lid dan hoef je geen contributie te betalen. De belastingplicht en de leerplicht zijn regelingen van de nationale overheid, ook welk rijksoverheid of de staat genoemd. Naast de nationale overheid kennen we een aantal lagere overheden, dat zijn ook publiekrechtelijke organen. Niet alleen de provincies en de gemeenten vallen hieronder, ook de waterschappen behoren tot de lagere overheid. Om hun werk te kunnen financieren mogen ze heffingen opleggen aan de bewoners van hun gebied. Overheidsorganen zijn publiekrechtelijke organen; in feite is de overheid een verzameling van publiekrechtelijke organen, in leven geroepen door de gemeenschap. Er zijn ook organen die niet helemaal publiekgerechtelijk zijn maar wel enkele publiekgerechtelijke bevoegdheden hebben. In de uitvoering van de sociale zekerheid bestaan deze organen. De sociale zekerheidwetten worden gedeeltelijk uitgevoerd door Centra voor Werk en Inkomen (CWI), instellingen die door werkgevers en werknemers werden opgericht. Het zijn private instellingen die van de politiek enkele publiekrechtelijke bevoegdheden hebben gekregen, bijvoorbeeld de bevoegdheid om sociale premies te innen bij de bedrijven. Horen ze tot de overheid, of niet? In de begroting van de Rijksoverheid worden ze niet als overheid gezien, terwijl het Centraal Planbureau (CPB) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ze er wel toe rekenen. In elk geval behoren tot de collectieve sector. De collectieve sector bestaat dus uit alle overheidsorganen, inclusief de instellingen voor de sociale zekerheid. De totale uitgaven van de collectieve sector noemen we de collectieve uitgaven. De totale inkomsten noemen we de collectieve ontvangsten of collectieve middelen. Van de collectieve ontvangsten in Nederland komt verreweg het meeste terecht bij de Rijksoverheid. Deze overheid bekostigt ook de meeste voorzieningen en betaalt volop mee aan voorzieningen die gemeenten, provincies en de Europese overheid tot stand brengen. 4.2 De collectieve voorzieningen. 4.2.1 Collectieve en individuele goederen. Een dijk is een voorbeeld van een zuiver collectief goed. Omdat het niet val te splitsen in individueel leverbare prestaties; er kan geen prijs worden toegerekend aan degenen die van de dijk profijt hebben; er is geen markt voor deze veiligheid.Is splitsing in individueel leverbare prestaties wel mogelijk dan is het product een individueel goed. Het produceren van zuiver collectieve goederen is een belangrijke bestaansreden van de overheid. Een dergelijke samenleving waarin de overheid zich beperkt tot de levering van deze goederen noemt men een nachtwakerstaat. De overheid levert meer dan alleen zuivere goederen, ze bemoeit zich ook met de levering van individuele goederen. Ze bemoeit zich o.a met onderwijs, infrastructuur en het openbaar vervoer; allemaal goederen die in beginsel individueel zijn. Wanneer de overheid de levering van individuele goederen geheel of gedeeltelijk op zich neemt, noemen we deze goederen quasi-collectief. De productie van de zuiver collectieve goederen is in het algemeen geheel in handen van de overheid. Om collectieve voorzieningen tot stand te brengen trekt de overheid personeel aan, de ambtenaren. De overheidsinstellingen produceren de diensten die worden geleverd aan de gemeenschap. De gemeenschap consumeert de diensten die de overheid produceert. De gemeenschap betaalt geen marktprijs voor de geleverde diensten, dat is niet mogelijk bij een zuiver collectief goed. Ze zijn niet gratis, de gemeenschap betaald vooral n de vorm van belastingen en sociale premies. Een deel van het overheidsgeld is bestemd voor de overheidsconsumptie; daaronder vallen bijvoorbeeld de salaris van de ambtenaren en de kosten die de ambtenaren verbruiken. Daarnaast zijn er de overheidsinvesteringen, bijv. de infrastructuur. We noemen het een investering omdat een weg lange tijd, ook door toekomstige generaties, kan worden gebruikt. Overheidsconsumptie en overheidsinvesteringen vormen samen de bestedingen van de overheid. Ook overdrachten vormen een belangrijke vormen een belangrijke uitgavencategorie. De overheid draagt zowel inkomen als vermogen over. Bij inkomensoverdrachten draagt de overheid geld over van de belasting- en premiebetalers naar bijvoorbeeld de uitkeringsgerechtigden. Kenmerk van inkomensoverdrachten is dat de overheid geen tegenprestatie verwacht. Voorbeelden van vermogensoverdrachten zijn schenkingen en aflossingen van schulden. Als de overheid de eigendom en zeggenschap van particuliere bedrijven overneemt, noemen we dat nationaliseren. In de jaren zeventig ontstond een samenleving met een omvangrijke collectieve sector die ook wel een verzorgingsstaat word genoemd. Op een gegeven moment zette de politici het mes in de naar hun mening, te ver uitgedijde overheid. Privatisering werd de trend : overheidsbedrijven werden afgestoten naar de particuliere sector. De post- en telefoonbedrijven bijvoorbeeld werden in veel landen geprivatiseerd.
4.2.2 Het stelstel van sociale zekerheid. Het stelsel van sociale zekerheid is grotendeels gebaseerd op het solidariteitsbeginsel, op het gevoel van samenhorigheid Het risico van het verlies van inkomen en het risico van hoge kosten als gevolg van bijvoorbeeld ziekte, ontlag of ouderdom is voor individuen vaak niet te dragen; uit solidariteit worden deze risico’s daarom gezamenlijk gedragen. Mensen die door verschillende omstandigheden in financiële moeilijkheden raken kunnen een uitkering aanvragen op grond van een van de sociale wetten. Een aantal sociale uitkeringen is bedoeld om inkomensverlies op te vangen, we noemen ze inkomensvervangende uitkeringen of ook wel uitkeringen voor inkomensverderving. De overige uitkeringen zijn bedoeld als bijdrage in hoge kosten. Over de hoogte van inkomensvervangende uitkeringen bestaat een voortdurende discussie. De discussie spitst zich toe op de hoogte van het sociaal minimum, het bedrag dat iemand minimaal nodig heeft om zich te kunnen redden in de Nederlandse samenleving. In de discussie spelen de begrippen waardevast en welvaartsvast een rol. Een uitkering is waardevast als de koopkracht van de uitkering gelijk blijft. Dit kan worden bereikt door de uitkering even hard te laten stijgen als de prijzen. Een waardevaste uitkering stijgt mee met het gemiddelde prijsniveau; waardevaste uitkeringen zijn in Nederland gekoppeld aan de consumentenprijsindex (CPI). Veel Nederlanders vinden dat de handhaving van de koopkracht niet voldoende is. Ze vinden dat uitkeringsgerechtigden ook mogen meedelen in de gemiddelde stijging van de welvaart; ze vinden dat uitkeringen welvaartsvast moeten zijn, een veel gebruikte maatstaaf voor de stijging van de welvaart is de gemiddelde loonstijging bij de bedrijven (gemiddelde stijging van de CAO-lonen). Het sociaal minimum is in Nederland een vastgesteld percentage (70%) van het wettelijk minimumloon, het loon dat werknemers minimaal verdienen. Welvaartsvastheid van de uitkeringen kan worden bereikt door het minimunloon even hard te laten stijgen als de lonen. Wanneer het minimum loon wordt gekoppeld aan de lonen in de bedrijven zijn automatisch ook de uitkeringen daaraan gekoppeld, want die zijn immers een vast percentage van het minimumloon. A.De sociale voorzieningen. De sociale uitkeringen bestaan uit voorzieningen en verzekeringen. De voorzieningen worden betaald uit de algemene middelen (de belastingpot), de verzekeringen worden betaald uit premies. De voorzieningen zijn bedoeld voor mensen die niet op een andere manier kunnen voorzien in hun levensonderhoud en vormen het vangnet van de sociale zekerheid. Jongeren van 18 tot en met 20 jaar komen vrijwel niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Als je na het verlaten van school niet verder studeert en binnen een half jaar geen baan vindt, krijg je en garantiebaan aangeboden of een training als voorbereiding op een garantiebaan. Alleen tijdens de zoektijd naar en baan heb je dan recht op een uitkering. Voor een bijstandsuitkering kom je alleen in aanmerking als je niet in staat bent op een andere manier een inkomen te verwerven. De Sociale Dienst onderwerpt daarom elke aanvrager aan een inkomenstoets. Daarnaast kent de bijstand een vermogenstoets. Hierbij wordt nagegaan of je misschien nog voldoende vermogen hebt om vooruit te kunnen. Dat kan ertoe leiden dat je eerst een deel van je spaargeld moet opmaken voordat je een uitkering krijg, of dat je eerst je huis moet verkopen en van de opbrengst moet leven. De Sociale Dienst beperkt zich niet tot het verstrekken van uitkeringen. Ook stimuleert ze de uitkeringsgerechtigden bij het zoeken naar een betaalde baan. B. De volksverzekeringen Voor een verzekering betaal je premie. Het belangrijkste verschil tussen voorzieningen en verzekeringen zit hem dan ook in de wijze van financiering. De sociale voorzieningen worden gefinancierd uit de algemene middelen terwijl de sociale verzekeringen worden betaald uit premies. De sociale verzekeringen zijn grofweg te verdelen in volksverzekeringen en werknemersverzekeringen. Volksverzekeringen zijn er voor het volk, voor iedere Nederlander, ongeacht je premie hebt betaald en ongeacht de hoogte van je inkomen. Je kunt de volksverzekeringen herkennen aan de beginletter: de “A” van algemeen (dit geldt niet voor de ABW). De hoogte van de uitkeringen voor inkomensderving is bij de volksverzekeringen ook gelijk aan het sociaal minimum. De overige uitkeringen zijn vergoedingen voor hoge kosten.
4.3 De inkomsten van de collectieve sector. 4.3.1 Inleiding. Belastingen en sociale premies vormen de belangrijkste bronnen van inkomsten voor de collectieve sector. Belastingen zijn verplichte afdrachten aan de overheid, zonder dat daar een directe prestatie tegenover staat. De belastingen die de overheid int verdwijnen in de schatkist en vormen de zogenaamde algemene middelen. Je weet als belastingbetaler niet wat er met dat geld gebeurd. De overheid legt belastingen op aan personen en ze heft belastingen over (ver)kooptransacties. De belastingen opgelegd aan personen noemen we directe belastingen; het zijn heffingen op het inkomen of op het vermogen van personen. Bij de directe belastingen is degene die de belasting afdraagt tevens degene op wie de belasting drukt. Bij de indirecte belastingen is dat niet het geval: degene die deze belasting afdraagt kan hem doorberekenen aan iemand anders. De belasting toegevoegde waarde (BTW) is een bekende indirecte belasting : de verkoper van een product berekent de BTW door in de verkoopprijs. Vervolgend draagt hij de BTW die hij ontvangt af aan de belastingdienst. De uiteindelijke koper van een product is daarom de drager van deze indirecte belasting. Alle verplichte afdrachten aan de collectieve sector samen noemen we collectieve lasten. Druk je de collectieve lasten uit in procenten van het binnenlands product dan vind je de collectieve lastendruk of collectieve lastenquote. De ontvangsten van de overheid bestaan voor een groot gedeelte uit de collectieve lasten. Daarnaast heeft de collectieve sector ook nog enkele andere bronnen van inkomsten, die men een verzamelnaam de overige inkomsten of niet-belastingontvangsten worden genoemd. Zo levert de collectieve sector ook diensten waarvoor een prijs wordt gerekend, bijvoorbeeld paspoorten en diverse andere vergunningen. Tenslotte zijn er ook nog de inkomsten uit bedrijven waarvan de overheid geheel of gedeeltelijk eigenaar is. 4.3.2 De heffingen op inkomen. Als ingezetene van Nederland ben je verplicht de belastingdienst het inkomen te melden dat je in de loop van het jaar hebt ontvangen. De fiscus deelt het inkomen in, in zogenaamde boxen. Er zijn drie boxen. In box 1 wordt het inkomen belast dat werd verdient met arbeid : het loon voor de werknemers en de winst voor zelfstandigen. . Box 2 is voor degenen die een flink pakket van de aandelen van een bedrijf hebben.In box 3 word het inkomen belast dat werd verdient met vermogen, dus de rent, de huur, de pacht en de winst. A. De heffing op inkomen uit arbeid : box 1
De loonheffing
Op een loonstrookje kun je zien dat de premies volksverzekeringen en de loonbelastingen zijn samengevoegd tot een bedrag : de loonheffing. Wanneer een werknemer en een werkgever een arbeidsovereenkomst aangaan spreken ze een brutoloon af. De totale kosten die een werkgever betaald wanneer hij iemand in loondienst neem, de loonkosten of arbeidskosten, zijn hoger dan het brutoloon. Dat komt door het werkgeversdeel in de premies van de werknemersverzekeringen. Als gevolg van de belastingen en sociale premies gaapt er een gat tussen het bedrag dat de werkgever betaald en het bedrag dat de werknemer ontvangt. Dit gat, dat geheel bestaat uit afdrachten aan de collectieve sector, noemt men wel de wig op de arbeidsmarkt, De loonheffing die wordt ingehouden op het brutoloon si een voorheffing, een voorschot op de inkomensheffing. De inkomensheffing hangt af van het jaarinkomen en kan pas definitief worden vastgesteld nadat het jaar voorbij is. De belastingdienst wil niet zo lang wachten, en houdt daarom dus al een maandelijkse loonheffing in. Ze baseert de loonheffing op het te verwachten jaarinkomen, ze gaat er dus van uit dat je het hele jaar in loondienst blijft. Ben je het hele jaar in loondienst, dan klopt de berekening van de belastingdienst : het totaalbedrag aan geïnde loonheffingen is gelijk aan de te betalen inkomensheffing. Heb je slechts een gedeelte van het jaar gewerkt, dan hebt je te veel afgedragen en dat kun je dan weer terugvorderen van de belastingdienst.
Het schijvensysteem Voor werknemers bestaat het arbeidsinkomen uit het loon en voor zelfstandigen is dit de winst. De belastingplichtige geeft zijn totale inkomen uit arbeid door aan de belastingdienst. Deze berekent de belastingen nadat het bedrag gecorrigeerd is met eventuele aftrekposten. De heffing wordt berekend over het belastbaar arbeidsinkomen: het bruto arbeidsinkomen vermindert met aftrekposten. B. De vermogensrendementsheffing : box 3. Naast het inkomen uit arbeid kenen we het inkomen uit vermogen. Het gaat hierbij om opbrengsten uit het vermogen zoals de rente op spaarrekeningen, de winstuitkeringen op aandelen, de huur en de pacht. De belasting op deze inkomsten is de vermogensrendementsheffing. Zie verder pagina 71. 4.3.3 De overige directe belastingen Successierechten
Als iemand overlijdt staat ook de fiscus klaar. Dit om eventueel successierechten te innen over de nalatenschap. Het tarief loopt op naarmate de erfenis groter is. Verder zijn bij een erfenis van naaste verwanten de successierechten lager dan bij erfenissen van verre verwanten of niet verwanten. Kansspelbelasting
Als je een prijs wint bij een loterij of een ander kansspel wil de fiscus meedelen in de vreugde. Je moet erover namelijk kansspelbelasting betalen
De vennootschapsbelasting

Het Nederlandse rechtssysteem kent verschillende ondernemingsvormen.Een daarvan is de eenmanszaak. Bij de eenmanszaak zijn de leiding en de eigendom verenigd als een en dezelfde persoon. De winst van de eenmanszaak wordt daarom gezien als inkomen voor de eigenaar. Men moet belasting betalen over de winst; de zogenaamde vennootschapsbelasting 4.3.4 De indirecte belastingen. De indirecte belastingen betaal je als je iets koopt. In tegenstelling tot directe belastingen betaal je deze belastingen niet zelf aan de fiscus. De verkoper draagt ze voor je af nadat hij of zij ze eerst heeft doorberekend in de verkoopprijs. De uiteindelijke koper, de consument, kan de belasting niet doorberekenen en is de uiteindelijke drager van deze belasting. Belasting toegevoegde waarde. Bedrijven dienen bij hun verkopen BTW in rekening te brengen aan de klant. Deze BTW verminderd met de BTW die dat bedrijf bij haar inkopen heeft moeten betalen, moet aan de fiscus worden afgedragen. In Nederland bestaan drie tarieven : - het gangbare tarief is 19% en geldt voor de meeste (niet-alledaagse) goederen en diensten; - het verlaagde tarief van 6% is er voor noodzakelijke levensbehoeften - het nultarief (0%) geldt bijvoorbeeld voor medische diensten, onderwijs en huur. Accijnzen
Dit zijn bijzondere verbruiksbelastingen die worden geheven over bepaalde consumptiegoederen zoals alcohol, suiker, tabak en benzine. Accijnsheffing is een middel van de overheid om de aanschaf van bepaalde producten te ontmoedigen. Milieuheffingen
De heffing is bedoeld om verbruikers aan te zetten tot een zuiniger energieverbruik, waardoor vooral de CO2 uitstoot wordt beperkt. De energieheffing wordt ook wel ecotaks genoemd. De opbrengst van de heffing wil de overheid aan de belastingbetalers teruggeven door een verlaging van de heffingen op inkomen. Invoerrechten
Als goederen worden geïmporteerd kunnen ze aan de grens duurder worden gemaakt door het heffen van invoerrechten
Motorrijtuigenbelasting
Dit is een belasting voor het gebruik van een overheidsvoorziening (autoweg). De overheid kan vaststellen dat je gebruikt maakt van de voorziening, maar niet in welke mate je er gebruik van maakt. De hoogte van de heffing hangt af van de zwaarte van het voertuig. Het wordt gebruikt voor onderhoud van de wegen
De overige ontvangsten

De ontvangsten van de Rijksoverheid die niet tot de belastingen worden gerekend, worden ook wel de niet-belasting ontvangsten genoemd. Je kunt het in enkele groepen verdelen : - Retributies : individueel toegerekende prijzen voor het gebruik van een overheidsvoorziening. Als de overheid in staat is een individuele prijs toe te rekenen aan degene die gebruik maakt van een voorziening vraagt ze een retributie. Bv parkeergeld, havengeld, marktgeld leges bij paspoorten en kentekenbewijzen. - Inkomsten uit overheidsbezit. De overheid ontvangt winst (dividend) van overheidsbedrijven. De belangrijkste inkomstenbron zijn de aardgasopbrengsten. 4.3.5 De sociale premies. De financiering van de sociale voorzieningen in Nederland is gebaseerd op het omslagstelsel. Dit houdt in dat jaarlijks voor elke verzekering wordt geschat welk bedrag nodig zal zijn voor uitkeringen; dit benodigde bedrag wordt vervolgens omgeslagen over de verwachte inkomens en zo komt een premiepercentage tot stand. Het omslagstelsel heeft tot gevolg dat de personen die op dit moment een inkomen verdienen de AOW-uitkeringen van de huidige bejaarden betalen, dat de werkenden in loondienst de uitkering betalen voor de huidige werklozen enzovoorts. Naast het omslagstelsel bestaat er nog een manier om uitkeringen te financieren : het kapitaaldekkingstelsel. Bij dit systeem betaalt iedere persoon in zijn “actieve” loopbaan premie voor zijn toekomstige uitkering. Een vorm van sparen voor de toekomst dus. Het kapitaaldekkingsysteem wordt toegepast bij de (aanvullende) bedrijfspensioenen. Wanneer blijkt dat de premies te laag zijn vastgesteld ontstaan er tekorten bij de sociale fondsen. Deze tekorten worden aangevuld uit de schatkist. Wat opvalt is dat voor de AKW geen premie is vermeld. Dat komt doordat de overheid enkele jaren geleden heeft besloten deze premiebetaling voor haar rekening te nemen. De AKW wordt dus gefinancierd uit de schatkist. Toch wordt de AKW nog steeds beschouwd als een sociale verzekering en niet als en sociale voorziening. De premie bestaat uit twee delen. De basis-premie geldt voor alle bedrijven. De premie-opbrengst is bestemd voor alle WAO-gevallen. De rekenpremie is bestemd voor nieuwe gevallen . De hoogte van de rekenpremie verschilt per bedrijf en hangt af van het aantal werknemers van een bedrijf dat in het verleden in de WAO terechtkwam (het WAO-risico)Net als het ziekterisico kunnen werkgevers het risico op arbeidsongeschiktheid onderbrengen bij particuliere verzekeraars. 4.3.6 Heffingsbeginselen. Het draagkrachtbeginsel. Volgens dit beginsel dienen degenen met de meeste draagkracht het zwaarst te worden belast. Toepassing van het draagkrachtbeginsel vind je vooral bij de heffing op het arbeidsinkomen : de verschillende schijventarieven zijn bedoeld om inkomens te nivelleren. We spreken van nivellering als de verhouding tussen de hoge en de lage inkomens verandert ten gunsten van de lage inkomens. Dit wordt bereikt door hoge inkomens tegen een hoger tarief te belasten dan de lage inkomens. Het gaat er bij nivellering niet om dat de hogere inkomenstrekkers meer euro’s afdragen, maar dat ze in procenten van hun inkomen meer afdragen. In Nederland wordt de nivellering van inkomens bereikt door de aangebrachte progressie bij de tarieven van de heffing op arbeidsinkomen. Progressie houdt in dat de tarieven oplopen naarmate het inkomen hoger is. In sommige landen betaald iedereen hetzelfde tarief; die landen hebben een proportioneel belastingstelsel. In theorie is het ook denkbaar dat de sterkste schouders de minste lasten dragen; het systeem heet in dat geval degressief en heeft tot gevolg dat de inkomens worden gedenivelleerd. Het doelmatigheidsbeginsel. Veel mensen doen er zo veel mogelijk aan om zo min mogelijk belasting te hoeven betalen. De bereidheid om belasting te betalen noemen we de belastingmoraal. De overheid dient bij de inrichting van het belastingstelsel rekening te houden met de belastingmoraal. De overheid hanteert het doelmatigheidsbeginsel ; de inningskosten moeten opwegen tegen het te ontvangen belastingbedrag. Belastingadviseurs proberen de belastingafdracht te verkleinen, zonder daarbij de wet te overtreden. Behalve me ontwijkgedrag kampt de fiscus ook met belastingontduiking. Terwijl je bij ontwijken nog binnen de wettelijke mogelijkheden blijft, treed je bij ontduiken buiten de wet. Hier is sprake van fraude. Als gevolg van belastingontduiking ontstaat zwart verdiend inkomen; inkomen waarover geen belasting is betaald. De FIOD houdt zich bezig met het opsporen en bestraffen van belastingfraudeurs. Naast ontwijking en ontduiking van belasting is er nog een derde probleem bij de belastingheffing : de afwenteling. Bij afwenteling laat degen voor wie belastingen zijn bedoeld, ze dragen door iemand anders.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.