Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Lesbrief Welvaart

Beoordeling 5.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1859 woorden
  • 14 maart 2002
  • 60 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.6
  • 60 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Hoofdstuk 1, Vakantie en Werken.
Om je behoeften te bevredigen heb je middelen nodig: goederen (materiële zaken, eten, een huis) en diensten (onstoffelijke zaken, vakantie, een controle van je gebit). Een goed is schaars in de economie, wanneer er moeite voor moet worden gedaan, om eraan te komen. Een brood is een schaars goed, je moet naar de bakker en betalen voor dat brood. Schaarste dwingt mensen tot keuzes maken. Micro-economie = de econ. keuzes die gemaakt worden in een gezin of in een bedrijf. Meso-econ. = houdt zich bezig met het bestuderen van bedrijfstakken (de handel, de horeca). Macro-econ. = Econ. problemen op een (inter)nationaal vlak. Een goed dat niet schaars is, dat je zo kunt hebben (vb. zonlicht) noemen we een vrij goed. Een vrij goed kan na een tijd ook schaars worden, vb. drinkwater uit een rivier kan vervuild worden. Als je schoenen maakt van leer, machines en arbeid, dan zijn de laatste drie de productiefactoren en zij produceren schoenen. Schoenen zijn meer waard als leer, dus als je aan het produceren bent, dan ben je bezig met het toevoegen van waarde. Keuzes die gemaakt worden zijn van economische aard, of van sociale aard (als ik die schoenen koop, dan hoor ik niet bij de groep), de reclame maakt hier dankbaar gebruik van. Keuzes kunnen ook met elkaar in conflict komen, een bedrijf wil veel winst maken en daarom zo min mogelijk loon uitkeren, maar het personeel zal beter werken bij een goed loon. Er zijn ook tegenstrijdigheden tussen micro en macro econ. een visser (micro) wil zoveel mogelijk vis vangen, maar als je het uit een macro - econ. punt bekijkt, dan ben je fout bezig en is de zee binnen no time leeggevist.

Hoofstuk 2, Productie en Inkomen.
In Nederland is het CBS belast met het verzamelen van allerlei gegevens. Als een ruil direct is, goederen ruilen tegen goederen, is de waarde van het product moeilijk vast te stellen. Ruilmiddelen zijn middelen in een indirecte ruil, die mensen graag willen hebben, nu geld, vroeger schelpen, zout. In de loop van de tijd werd er steeds meer arbeidsverdeling toegepast, de bakker bakte brood en de smid maakte gereedschap. Doordat men steeds meer delen van een product ging maken, stierf de zelfvoorziening uit. Een ondernemer heeft productiefactoren nodig om een bedrijf draaiende te houden: arbeid, en de kapitaalgoederen: machines, natuur en ondernemersactiviteit. Dit allen zijn factordiensten. De beloning voor arbeid is loon, voor kapitaal(zoals gebouwen e.d) rente, winst en huur. voor natuur (de grond) pacht en voor de ondernemersactiviteit is de winst. Om deze investeringen te doen heeft een ondernemer geld, vermogen nodig, hij kan eigen vermogen (je eigen gespaarde geld) of vreemd vermogen (geleend geld) hebben. Het risico op verlies in een onderneming is het ondernemersrisico. Grond hoort bij de natuur, maar is eigenlijk een vrij goed net als zonlicht en regenwater. Toch moet ervoor betaald worden, omdat dat stuk grond vele bewerkingen heeft ondergaan, BV. Voor de afvoer van teveel regenwater, en bovendien is grond privé bezit. Bij kleine bedrijven is het heel normaal dat een eigenaar ook het bedrijf leidt, maar bij grotere bedrijven net als sony, daar is de leiding in handen van een specialist in loondienst, en de eigena(a)r(en) zijn de aandeelhouders. Je krijgt de omzet van een bedrijf door de afzet te vermenigvuldigen met de gemiddelde prijs. De productiewaarde is de waarde die aan grond en hulpstoffen worden toegevoegd. Die productiewaarden gaan in zijn geheel op aan beloningen voor diegene die de factordiensten hebben geleverd. De inkomens die ontstaan bij een bedrijf zijn bijna altijd gelijk aan de productiewaarde. Het verzorgen van een financiële administratie is wettelijk verplicht. Een balans is een momentopname van de bezittingen van een bedrijf. Links staan de bezittingen of activa, de bestedingen van een bedrijf. En rechts staan de vermogen of passiva, de inkomsten van een bedrijf, hier kon je zien waar de activa van gefinancierd is. Links in de balans krijg je eerst de vaste activa (grond gebouwen en machines). Vaste activa kunnen langer dan een jaar worden gebruikt. Dan krijg je de vlottende activa, het geld in deze activa komt binnen een jaar weer vrij. (vb. de grond of de afnemers die nog moeten betalen, debiteuren). Onderaan staan de liquide activa, de middelen die je zo weer kunt uitgeven. (vb. het geld in de kas of op de rekening). Des te langer het vermogen in het bedrijf blijft, des te hoger het komt te staan bij de passiva in de balans. Bovenaan komt dus het eigen vermogen, dit is door de eigenaar in het bedrijf gestoken en blijft dus altijd beschikbaar. Daar na komt het lang vreemd vermogen (lange lening van de bank, kan jaren duren voordat het terugbetaald hoeft te worden Daarna komt het kort vreemd vermogen, schulden die binnen een jaar terug betaald moeten worden. Schulden die aan leveranciers betaald moeten worden heten crediteuren. In een resultaatrekening staat 2 keer saldo, 1 bij de kosten en 1 bij de opbrengsten, wordt er winst gemaakt, dan moet dat bij de kosten komen, wordt er verlies geleden, dan moet dat bij opbrengsten staan. Het nationale product is de waarde van de productie van een heel land. Dit is de stap van Micro naar Macro econ. Het is makkelijker om deze stap te maken met een tussenstap, naar de meso econ. De bedrijfskolom (= al de bedrijven die worden doorlopen om van oerproduct (pootgrond ) tot eindproduct bij de consument (bos bloemen) te komen. Alle productiewaarden uit een bedrijfskolom samen is de totale productie. Macro-econ. ziet het productieproces eruit als een kringloop van goederen en een tegenovergestelde kringloop van geld. En er zijn 2 sectoren gezinnen (consumeren) en Bedrijven (produceren). Als je van Meso naar Macro niveau wilt stuit je op problemen. Er zijn niet alleen bedrijven in de particulieren of de marktsector, maar er is ook nog een collectieve of overheidssector, de overheid geeft allerlei faciliteiten, zonder daar een echte beloning voor te krijgen. De overheid heeft dat geld gekregen in de vorm van belastingen, daarom wordt de overheidsproductie vastgesteld aan de hand van de salarissen van ambtenaren, de beloning die deze ambtenaren krijgen voor hun geleverde diensten, de factordiens arbeid. De marktsector + de overheid = het binnenlands product. Het nationaal inkomen krijg je door alle lonen in Nederland verdient op te tellen bij alle Nederlanders die in het buitenland verdienen en dan alle inkomens betaald aan het buitenland er van af te trekken. De productiewaarde kan gemeten worden aan de hand van de afgedragen belastingen en dus de opgegeven inkomsten. Iedereen is ook bij de wet verplicht om zijn inkomsten te melden, wanneer mensen dit niet doen en dus ook geen belastingen betalen, praat je over het officieuze circuit of het zwarte circuit. Anders heet het het officiële of witte circuit.


Bijlage 1, Indexcijfers.
Indexcijfers zijn handig om dingen met elkaar te vergelijken (inkomensstijging met inflatie). Je neemt een basisjaar = 100. Alle opvolgende jaren hebben een ander indexcijfer. (waarde in jaar N : waarde in het basisjaar) * 100 = indexcijfer in jaar N. De indexcijfers van de omzet bereken je door (afzetindex * prijsindex) : 100 = omzetindex. Als er inflatie is dan worden de producten duurder, (koffie stijgt van 1,00 naar 1,15 per pond) Als je zo van alle producten op de wereld een prijsindexcijfer hebt, dan kun je het gemmiddelde uitrekenen, de inflatie. Er is 1 probleem, want het is een gewogen gemiddelde, als de koffie stijgt is dat belangrijker dan wanneer de koffiemelkprijs stijgt. De koffie gaat dus meer meetellen dan de koffiemelk. Het CBS maakt het CPI (consumenten prijs indexcijfer), dit is het indexcijfer van alle producten bij elkaar. De wegeing van deze producten bepaalt het CBS door een aantal modale gezinnen hun uitgaven bij te laten houden. Om het CPI te berekenen is er ook een prijspeil nodig, de stijging of daling wordt ook per product bijgehouden en geregistreerd met een indexcijfer. De wegingsfactoren kunnen in de loop der tijd ook veranderen. Het CBS verzamelt al deze gegevens om erachter te komen hoeveel het leven duurder of goedkoper is geworden. Het nominale inkomen is je inkomen in geld (f 2000,--) Het reële inkomen is de koopkracht van het inkomen. Reëel inkomens IndexCijfer = Nominaal inkomens IndexCijfer : Prijspeil IndexCijfer. RIC = NIC : PIC.

Hoofdstuk 4, Welvaart.
Materiële welvaart of welvaart in enge zin wordt bedoeld hoeveel goederen en diensten je tot je beschikking hebt. Als je materiële en Immateriële welvaart samen pakt dan heb je de welvaart in de ruime zin. Welvaart in de enge zin is redelijk goed vast te stellen omdat het kwantitatief is. Immateriële welvaart is veel moeilijker te meten. Om materiële Welvaart te meten wordt vaak de hoogte van het inkomen genomen. Je hebt nominaal inkomen, je inkomen in geld. En het reëele inkomen, de koopkracht van je inkomen. Reëele inkomensverander- ingen worden berekend met indexcijfers. Met de volgende berekening kun je de verandering van de koopkracht van het inkomen berekenen. Alle indexcijfers moeten dan wel een zelfde basisjaar hebben.:
Indexcijfer koopkracht= (Indexcijfer nominaal inkomen : Prijsindexcijfer (CPI) ) * 100
Activiteiten die dagelijks in het huishouden gebeuren kunnen ook de welvaart verhogen, bv. stofzuigen. Deze activiteiten worden meestal uitgevoerd door iemand van het gezin en er staat dus geen betaling tegenover. En het kan dus ook niet geresgistreerd worden, er kan ook in natura betaald worden. bv. ik was de auto en mijn vader geeft mij rijlessen daarvoor. Bedrijven betalen elkaar ook weleens in natura, de handel met gesloten beurzen. Activiteiten die de welvaart vergroten, maar niet tot de geldeconomie horen horen bij de parallele of niet-geld economie. Deze zijn onder te verdelen in 4 groepen. 1 huishoudelijke arbeid, 2 zorgarbeid, 3 doe-het- zelfen, 4 vrijwilligerswerk hulp aan niet huisgenoten.
De parallele economie en de zwarte economie hebben allebei iets gemeen, ze zijn niet geregistreerd. Daarom wordt er nog onderscheid gemaakt tussen informele en formele economie. De activiteiten in de informele economie worden niet officieel geregistreerd. Bij welvaart in de ruime zin horen ook andere dingen, het gevoel, de kwaliteit van de gezondheidszorg enz. enz. De natuur is altijd een hulpbron geweest waaruit men kon putten en hun afval in kon lozen, hierdoor kan de natuur aangetast worden. De natuur wordt nu gezien als 1 van de voorwaarden waaronder de economie blijft bestaan. Beperkingen in de natuur kunnen ook beperkingen betekenen voor de de economische groei. De milieugebruiksruimte is de maximale hoeveelheid van de natuur waar we gebruik van kunnen maken, treden we daaroverheen, dan kan dit schadelijhke gevolgen hebben. Door veel bedrijven zijn milieuconvenanten afgesloten met de overheid, waarin staat dat ze als bedrijf minder zullen vervuilen. Er wordt gezegd dat vervuiling marktconform aangepakt moet worden, de kosten van de vervuilingen moeten doorberekend worden op de producten. Dan worden die producten minder gewild en de niet vervuilende worden dan meer gewild. Wanneer externe effecten in de prijs van een product worden opgenomen, dan noemen we dit internaliseren. Een techniek voor de vermindering van vervuiling is het emissieplafond, een bepaalde maximale uitstoot wordt verkoht aan bedrijven, als deze gaan krimpen mogen ze de emissierechten ook weer verkopen aan bedrijven die willen groeien. er gaan stemmen op voor een groen nationaal product, de kosten voor de vervuiling worden doorberekend in het nationale inkomen, maar wat zijn de kosten van een half aangetast bos.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.