Onderzoekje

Zit jij in de bovenbouw van vmbo of havo? Doe dan mee aan dit korte onderzoek van een paar minuutjes over jouw studiekeuze en maak kans op een Bol.com van 15 euro!





MEEDOEN



 


Samenvatting ECO ST3 micro economie
Formules

De opbrengst (omzet)

TO : P x Q (TO : Totale Opbrengst, P : verkoopprijs Q : afzet)
GO : TO/Q (GO : Gemiddelde Opbrengst)
MO : De toename van TO als er één extra product wordt verkocht.
(MO : Marginale Opbrengst)
De kosten
TK : TVK + TCK (TK : Totale Kosten, TVK : Totale Variabele Kosten,
TCK : Totale Constante Kosten)
TK : GTK x Q en dus GTK : TK/Q
(GTK : Gemiddelde Totale Kosten)
TVK : GVK x Q en dus GVK : TVK/Q
(GVK : Gemiddelde Variabele Kosten)
TCK : GCK x Q en dus GCK : TCK/Q
(GCK : Gemiddelde Constante Kosten)
GTK : GVK + GCK
MK : De toename van TK als er één extra product wordt geproduceerd.
(MK : Marginale Kosten)
De winst
TW : TO – TK (TW : Totale Winst)
GW : TW/Q (GW : Gemiddelde Winst)
GW : GO – GTK
MW : De toename van TW als er één extra product wordt geproduceerd en verkocht. (MW : Marginale Winst)
MW : MO - MK
De doelstellingen
- Maximale winst: MO : MK of MW : 0
- Geen winst/verlies (break even point):TO : TK of GO : GTK of TW : 0 of GW :0
- Maximale omzet: MO : 0 (top TO)

Hoofdstuk 2
Normaal gesproken geldt: Als de prijs stijgt, stijgt het aanbod en daalt de vraag
Als de prijs daalt, daalt het aanbod en stijgt de vraag.
Er ontstaat dus een punt waarop vraaglijn en aanbodlijn elkaar snijden en hierbij ontstaat de evenwichtsprijs en de evenwichtshoeveelheid.
Dit proces verloopt het soepelste bij volledige mededinging.
De kenmerken van deze marktvorm zijn:
• veel vragers , veel aanbieders (weinig macht per
individu dus).
• homogene producten (in de ogen van de consument allemaal
hetzelfde, dus geen merken, etc.).
• volkomen doorzichtige markt (iedereen is overal van op de
hoogte).
• vrije toe- en uittreding (iedereen kan meedoen in deze markt).
Door de eerste twee kenmerken heeft een individuele aanbieder dus geen enkele invloed op de prijs, hij kan hooguit zijn aangeboden hoeveelheid zodanig aanpassen dat hij maximale totale winst maakt. Hij is dus een hoeveelheidsaanpasser.
In principe verandert er niets aan de kostenfuncties als je van marktvorm verandert, alleen de opbrengstfuncties gaan veranderen!
Bijv. Alléén bij volledige mededinging geldt P:GO:MO, bij alle andere marktvormen geldt P:GO≠MO.
Op langere termijn zie je op een markt van volledige mededinging het volgende beeld ontstaan: zolang er (over)winst te behalen is bij de productie van een bepaald goed zullen er nieuwe ondernemers tot de markt toetreden.
Hierdoor verschuift de aanbodcurve naar rechts en zal de prijs gaan dalen totdat GO : GTK en de (over)winst dus volledig verdwenen is.
Dit punt noemen we het bedrijfstakevenwicht.
Let op dat ook hier weer het verschil bestaat tussen verschuiving van of langs de aanbod/vraaglijn. Bedenk hierbij dat je steeds moet nagaan of een bepaalde verandering er voor zorgt dat er bij dezelfde prijs meer of minder vraag of aanbod is. Als dat inderdaad het geval is, zal de vraag- of aanbodlijn naar links of naar rechts verschuiven! Als alleen de prijs van het goed zelf verandert, verschuift de lijn niet, maar kom je alleen op een ander punt op die lijn terecht.
Je hoeft niet meer na het instellen van heffingen/subsidies de nieuwe aanbodfunctie te kunnen bepalen, maar je moet wel uit de verschuiving kunnen afleiden hoe groot de heffing/subsidie is en hoeveel procent daarvan wordt doorberekend aan de consument.
Daarnaast moet je het instellen van max/minimumprijzen door de overheid en de gevolgen daarvan kunnen begrijpen/berekenen. Een minimumprijs beschermt de producent en ligt dus boven de evenwichtsprijs. Hierdoor ontstaat er wel een aanbodoverschot dat de overheid tegen de minimumprijs moet opkopen. Bij een maximumprijs wordt de consument beschermt, dus die moet onder de evenwichtsprijs liggen. Hierdoor ontstaat er een vraagoverschot, waardoor de overheid een soort rantsoeneringssysteem moet invoeren of het goed zelf meer moet gaan aanbieden.
Hoofdstuk 3
Omdat op langere termijn alle winst bij volledige mededinging verdwenen is, proberen ondernemers om deze marktvorm te veranderen in hun voordeel. Dat doen ze door hun producten van elkaar te laten verschillen (productdifferentiatie), zodat er niet langer sprake is van homogene goederen, maar juist van heterogene goederen. We spreken dan van monopolistische concurrentie.
Kenmerken:
● veel vragers, veel aanbieders
● heterogene goederen
● minder doorzichtige markt (vanwege heterogene goederen)
● vrije toe- en uittreding
Iedere ondernemer probeert zo zijn eigen doelgroep te vinden en vaste klanten te krijgen die het liefst zijn merk kopen, zodat hij toch wat meer macht op de markt krijgt. Een onderneming is als het ware een soort monopolist van zijn eigen merk.
Hierdoor kan hij dan ook wat variëren met zijn prijs (hij is een beetje een prijszetter), waarbij hij er wel rekening mee moet houden dat bij een te hoge prijs de vraag naar zijn product snel zal afnemen, omdat mensen het product bij de concurrent zullen gaan kopen. Deze verkoopt weliswaar een iets ander product, maar de verschillen zijn meestal klein, zodat de overstap snel gemaakt zal zijn. Hierdoor zal ook bij deze marktvorm op langere termijn de winst afnemen en uiteindelijk nul worden.
Omdat de prijs voor een afzonderlijke ondernemer dus geen vaststaand gegeven meer is, zullen de opbrengstfuncties er anders uitzien dan bij volledige mededinging (nogmaals, voor de kostenfuncties maakt de marktvorm geen verschil).
Niet langer geldt als prijsafzetfunctie P : 15 (als de marktprijs 15 zou zijn), maar P is nu voor een deel constant en voor een deel gerelateerd aan de afzet, bijv. P : -2Q + 24 (waarin Q staat voor de af te zetten hoeveelheid). Dit komt doordat de ondernemer zijn eigen prijs kan vaststellen, maar er geldt wel een negatief verband tussen de prijs die hij vaststelt en de afzet die hij daarbij krijgt.
Omdat algemeen geldt: TO : P x Q wordt de TO-functie:
TO : (-2Q + 24) x Q : -2Q2 + 24Q
TO is dus geen lineaire functie meer, maar een (berg)parabool. Dit heeft ook consequenties voor GO en MO. In dit voorbeeld geldt:
GO : TO/Q : -2Q + 24
en MO : TO’ : - 4Q + 24 Grafisch gezien betekent dit dat de MO-lijn 2x zo snel daalt als de GO-lijn en dus de Q-as op de helft snijdt van het punt waarop de GO-lijn de Q-as snijdt.
Alle berekeningen, formules, etc blijven qua opzet hetzelfde als bij volledige mededinging, alleen kun je nu ook het punt van maximale omzet berekenen (bij MO : 0).

Hoofdstuk 4
Bij de marktvorm waarbij er slechts enkele aanbieders van een goed zijn spreken we van oligopolie.
Kenmerken:
● veel vragers, enkele aanbieders
● meestal heterogene goederen (soms homogene goederen)
● markt is nog ondoorzichtiger geworden (omdat er erg veel reclame
wordt gemaakt op deze markt, weet de consument vaak niet meer
precies hoe de werkelijke kwaliteit van het product is, of hoe de
kostenopbouw van bedrijven is)
● vrije toe- en uittreding
Omdat er zo weinig concurrenten zijn, houdt men elkaar scherp in de gaten. Een actie van één aanbieder kan onmiddellijke gevolgen hebben voor de overige aanbieders, vandaar dat allerlei bedrijfsgegevens vaak angstvallig verborgen worden gehouden voor de concurrentie. Ook hier probeert men zich te onderscheiden van de rest, om zo een eigen klantenkring op te bouwen (denk maar eens aan alle wasmiddelenreclames, die allemaal nèt iets anders bieden dan de concurrent).
Meestal is er één marktleider (degene met het grootste marktaandeel) wiens prijs men over het algemeen zal volgen.
Ook bestaat er een zekere prijsstarheid, doordat men niet snel van deze prijs zal afwijken: als een individuele producent zijn prijs zou
verhogen, zou niemand volgen en zou hij veel klanten verliezen; als een individuele producent zijn prijs zou verlagen zou iedereen volgen en zal hij weinig extra klanten krijgen. Dit laatste zorgt ook voor het geknikte verloop van de prijsafzetlijn (zie lesbrief).
Er wordt derhalve meestal geen prijsconcurrentie gevoerd, maar men probeert zich op andere manieren te onderscheiden van de concurrentie. Som wordt er zelfs afgesproken dat alle aanbieders dezelfde prijs hanteren, er is dan sprake van een kartel: een afspraak tussen bedrijven om de onderlinge concurrentie te beperken. Een kartel kan ook op andere zaken dan de prijs betrekking hebben. Omdat kartels de concurrentie beperken en daardoor nadelig zijn voor de consument, is kartelvorming in principe verboden op enkele uitzonderingen na.

Hoofdstuk 5
Als er van een product maar één aanbieder is, spreken we van een monopolie.
Kenmerken:
● veel vragers, één aanbieder
● homogene goederen (er is immers geen andere aanbieder)
● markt wordt weer iets doorzichtiger
● vrije toe- en uittreding (al zal de monopolist wel proberen de enige
aanbieder te blijven, zelfs al moet hij dan genoegen nemen met een
iets lagere winst)
Vanwege de afwezigheid van concurrentie kan deze aanbieder zelf de prijs op de markt vaststellen (hij is dus een prijszetter). Wel moet hij steeds rekening houden met het feit dat een hogere prijs ook hier tot een lagere afzet zal leiden, al zal de prijselasticiteit van de vraag kleiner zijn dan bij de andere marktvormen (de vragers kunnen immers niet overstappen naar de concurrent, ze kunnen alleen besluiten het goed wel of niet te kopen).
Op iets langere termijn kunnen bepaalde goederen wèl vervangen worden door andere goederen (door nieuwe uitvindingen bijvoorbeeld), dus daar kan wel wat concurrentiekracht vanuit gaan.
Omdat monopolisten door de afwezigheid van concurrentie vaak “lui”worden en te hoge prijzen vragen, is men vooral in de Verenigde Staten erg tegen een monopolie en worden bedrijven dan vaak gedwongen op te splitsen (Microsoft).
Omdat de monopolist de enige aanbieder is, is zijn afzet tegelijkertijd de totale vraag op de markt. Daarom valt zijn prijsafzetlijn altijd samen met de collectieve vraaglijn.
In opgaven worden er nogal eens overheidsbedrijven ten tonele gevoerd, die van oudsher veel monopolieposities hadden. Deze zijn dan meestal gericht op kostendekking (breakeven). Daarnaast blijven ook bij monopolie de overige doelstellingen mogelijk zoals het streven naar maximale omzet of het streven naar maximale winst. Deze winst wordt soms expres wat lager dan het maximum vastgesteld, omdat te hoge winsten op den duur concurrenten zou kunnen aantrekken om tot de markt toe te treden. Bij een monopolistische markt ontstaat vaak prijsdiscriminatie: voor hetzelfde goed wordt aan verschillende groepen een verschillende prijs gevraagd. De reden hiervoor is dat de monopolist op die manier meer kopers kan bereiken en op bepaalde tijdstippen een lage bezettingsgraad kan voorkomen.
De voorwaarde is dan wel dat de kopersgroepen strikt gescheiden zijn (bijv. via abonnementen of zo), zodat niet iedereen op de goedkoopste manier aan het product komt.
Daarnaast bestaat er in het algemeen ook prijsdifferentiatie, maar hierbij worden er verschillende prijzen gevraagd omdat de goederen ook (een beetje) van elkaar verschillen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

Goede samenvatting!

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

M.

M.

Heel erg lollige leuke samenvatting :P Hier ben ik uren zoet mee!

BEDANKT!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

Ik hoop inderdaad dat het genoeg is voor het proefwerk morgen, ook al moet ik zeggen dat ik hier inmiddels al twee proefwerken over heb gehad... moet lukken toch ;o?

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

G.

G.

Mooie beknopte samenvatting. Heel handig!

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

I.

I.

Goede duidelijke samenvatting! Heb zelf ook al iets gemaakt maar hier heb ik ook veel aan, ik print hem gelijk eventjes uit! ;)

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

T.

T.

HOOP DAT DIT GENOEG IS VOOR MIJN PROEFWERK MORGEN :P

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast