Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Lesbrief Kleding + elasticiteiten

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 8297 woorden
  • 28 oktober 2012
  • 19 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.6
  • 19 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Samenvatting economie lesbrief ‘Kleding’.



NB: de elasticiteiten zullen allemaal op het einde van de samenvatting onder elkaar geplaatst worden.



Hoofdstuk 1, De kledingmarkt.



- Kleding is een van de grootste uitgavenposten van jongeren.


- Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onderzoekt via budgetonderzoeken aan welke producten de Nederlander zijn geld uitgeeft. Het meet op die manier het bestedingspatroon of uitgavenpatroon van de Nederlander.


- Bestedingspatronen worden gebaseerd op het budget dat iemand heeft.


- Ook al wordt er relatief minder aan kleding uitgegeven, dan kan het nog zo zijn dat er absoluut meer aan is uitgegeven. Dit noemt men het noemereffect.


                           uitgaven kleding


                • –––––––––––––––––––––––– x 100 %


                             totale uitgaven


- Er is een samenhang tussen de omzet, de verkoopprijs en de afzet (verkoopvolume).


                • Dit zie je in de formule p x q = omzet.


                               * P = prijscomponent.


                               * Q = volumecomponent.


                                       indexcijfer prijs x indexcijfer volume


- Indexcijfer omzet = ––––––––––––––––––––––––––––––


                                                               100%



Hoofdstuk 2, Op zoek naar een spijkerbroek.



- Winkels zijn een concrete markt: een plek waar aanbieders en kopers elkaar werkelijk ontmoeten.


- De gevraagde hoeveelheid bij een bepaalde prijs kun je weergeven met een vergelijking. Die vergelijking wordt dan een individuele vraagfunctie of individuele vraagvergelijking genoemd als het om de vraag van één persoon gaat, als het om de vraag van alle personen gaat, dan is het een collectieve vraaglijn. Een collectieve vraaglijn is afgeleid van een individuele vraaglijn en is dus gebaseerd op dezelfde factoren.


• Bij zo’n grafiek staat op de horizontale as de gevraagde hoeveelheid en op de verticale as de prijs.


• Bijvoorbeeld: Qv = -0,05P + 6 (= individuele vraaglijn). Qv = -500P + 80.000 (= collectieve vraaglijn).


                               * Dit is een negatief verband, want hoe hoger de prijs, hoe lager de vraag.


- Als je een grafiek pakt van zo een individuele vraagfunctie, kun je verschuivingen hebben over of van de vraaglijn.


• Bij zo een functie gaat men ervan uit dat de prijs de enige bepalende factor is voor de vraag. Van alle andere factoren (smaak, prijzen van andere producten, verandering van het inkomen) veronderstellen we dat deze constant blijven. Dit heet ceteris paribus. Dit geldt bij beide vraaglijnen.


                • Over de vraaglijn: dit vindt alleen plaats als de prijs van het product veranderd.


• Van de vraaglijn: eigenlijk heb je bij alle andere gevallen een verschuiving van de vraaglijn. Zo kan men bijvoorbeeld een reclame zien en daardoor helemaal fan zijn van een bepaald merk, zodat ze bij elke prijs meer spijkerbroeken wil. In dat geval, verschuift de hele vraaglijn naar rechts. Andere voorbeelden zijn, een verandering van het inkomen of een verandering van de prijzen van andere (kleding)producenten.




          nieuw – oud


- ––––––––––––––––––– x 100 % = procentuele verandering.


                    Oud


- De prijselasticiteit (Ev) geeft aan hoe sterk de vraag reageert op een verandering van de prijs. Voor verdere uitleg, zie einde samenvatting.


• Voor verkopers is dat handig om te weten, aangezien je dan weet hoeveel speling je hebt met je prijs.


- De prijselasticiteit voor primaire en luxe goederen verschilt duidelijk.


• Primaire goederen/eerste levensbehoeften zijn noodzakelijk, zoals water en kleding. Deze zijn niet erg prijsgevoelig (= prijsinelastisch), want je zult ze toch moeten hebben, hoe duur ze ook zijn.


• Luxe goederen zijn niet noodzakelijk voor ons levensonderhoud, zoals een chique telefoon tegenover een bouwvakkersmobiel. Deze zijn dus wel prijselastisch, want zodra ze duurder worden en men heeft het geld er niet meer voor, zullen ze niet meer gekocht worden. Dit kan ook andersom. Sommige mensen kopen bijvoorbeeld een dure tas om er een statement mee te maken, maar als zo’n tas opeens heel goedkoop wordt zodat iedereen er mee loopt, zullen sommigen hem niet meer kopen.


- De kruislingse prijselasticiteit van de vraag (=Ek) geeft weer hoe sterk de vraag naar het ene goed reageert op een prijsverandering van een ander goed.


- De inkomenselasticiteit (= Ey) geeft weer hoe sterk de gevraagde hoeveelheid van het ene merk producten en de gevraagde hoeveelheid van merkloze producten reageren op veranderingen in het besteedbaar inkomen.



Hoofdstuk 3, Spijkerbroeken te koop.



- De weg die een product aflegt van grondstof tot eindproduct is voor te stellen in een bedrijfskolom. Aan het begin hiervan (= bovenaan) staat de oerproducent. Aan het einde van de bedrijfskolom staat de consument (= onderaan).


                • Iedere schakel in een bedrijfskolom is een geleding.


                • Tussen de schakels bevindt zich een markt (abstract).


• De pijltjes naar beneden geven de goederenstroom weer (de goederenstroom kan ook een dienstenstroom zijn).


                • De pijltjes naar boven geven de geldstroom weer.


- Er kunnen een heleboel dingen gebeuren in een bedrijfskolom. Als voorbeeld nemen een bedrijfskolom van kleding.


• Specialisatie: hierbij stoot een bedrijf activiteiten af naar een andere bedrijfskolom. Zo kan een winkel opeens alleen nog maar mannenkleding gaan verkopen.


• Parallellisatie (of horizontale integratie): hierbij is een bedrijf in verschillende bedrijfskolommen actief. Zo verkoopt de Bijenkorf naast kleding ook huishoudelijke spullen, boeken en sieraden.


• Verticale integratie: hierbij gaan bedrijven meerdere schakels uit de eigen bedrijfskolom omvatten. Zo verkopen modehuizen als Chanel niet gewoon de kleding aan de consument, ze ontwerpen ook zelf de kleding en hebben eigen ateliers waar hun kleding wordt geproduceerd.


• Differentiatie: hierbij wordt een productiefase afgestoten. Zo kan een kledingconcern dat eerst zelf zijn stoffen maakte, besluiten deze voortaan in te kopen.




                • Samenvatting:























Samengaan



Opsplitsing



Verticaal



Verticale integratie



Differentiatie



Horizontaal



Parallellisatie



Specialisatie



- Er kunnen 3 redenen zijn waarom een bedrijf aan verticale integratie zou doen. Er wordt hierbij een tussenliggende markt uitgeschakeld. Een schakel die eerst onafhankelijk was, wordt geïntegreerd in het eigen bedrijf.



  1. Het wegnemen van onzekerheid. Als de productie van een goed afhankelijk is van een grondstof, wil een bedrijf die aanvoer veilig stellen.

  2. Te hoge transactiekosten. Transactiekosten zijn alle kosten die gemaakt moeten worden om een ruil tot stand te brengen en deze af te wikkelen, bijvoorbeeld de kosten voor het sluiten van een contract, het vinden van de juiste persoon om handel mee te drijven, etc. Als de marktprijs plus de transactiekosten hoger zijn dan de kosten van het zelf maken van het product, is verticale integratie voordelig. Het bedrijf kan daardoor de markt overtreffen in efficiency en de transactiekosten elimineren.

  3. Problemen tussen toeleverancier en fabrikant. Het voorbeeld uit de lesbrief: winkelketen C&A gaat afritsbroeken verkopen en benadert daarvoor het bedrijf Ping. Deze krijgt een jaarcontract met kans op verlenging als de broeken aanslaan. Ping moet voor deze productie een nieuwe machine kopen met een levensduur van tien jaar. Voor Ping is het risico van investering groot. Als Ping de machine aanschaft, heeft hij te maken met verzonken kosten, kosten die hij niet meer kan terugverdienen als de productie stopt. Als na een jaar opnieuw moet worden onderhandeld over een contract is de onderhandelingspositie van Ping zeer zwak, terwijl C&A sterk staat. Men spreekt hier van een berovingsprobleem of hold-upprobleem. Deze ontstaat als na het afsluiten van een contract de machtsverhoudingen tussen de contractpartijen veranderen. Dit kan alleen voorkomen als een contract onvolledig is. In dit geval zou een meerjarig contract de oplossing zijn.


- TK, alle kosten samen. TO, totale opbrengst/omzet. Positief verschil tussen TO en TK, TW, totale winst. Bij negatief verschil, verlies.


                • Positief verschil tussen verkoopprijs en kostprijs is de winst per product ofwel winstmarge.


* Hoe hoger de winstmarge, hoe aantrekkelijker het is om het aanbod te vergroten. Dit aanbod wordt begrensd door de opslagcapaciteit. Binnen de capaciteitgrenzen is er een positief verband tussen de verkoopprijs en de aangeboden hoeveelheid (= als de verkoopprijs van een product stijgt, zullen kledingzaken meer producten aanbieden). Dit verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid van een producent wordt weergegeven door de individuele aanbodsfunctie of individuele aanbodvergelijking.


- De prijselasticiteit van het aanbod (=Ea) geeft aan hoe sterk het aanbod reageert op veranderingen in de prijs.


- De aanbodvergelijking.


• Als we het aanbod van spijkerbroeken van alle kledingzaken bij elkaar optellen, ontstaat de collectieve aanbodvergelijking.


• Van 1 winkel(keten) kun je de individuele aanbodvergelijking opstellen.


• Als de prijs van het product verandert, dan verandert de lijn niet, maar vindt er een verschuiving plaats over (langs) de lijn.


• Als één van de andere factoren verandert, zoals een verhoging van de arbeidslonen, zal de lijn naar links of naar rechts verschuiven. In het geval van een verhoging van de lonen, zullen de productiekosten dus omhoog gaan, en schuift de lijn naar links.


- Wanneer men een eigen zaak begint, stelt men een ondernemingsplan op. Hierin staat ook een financieringsplan. Daarin staat hoeveel geld ondernemers nodig hebben om een bedrijf te beginnen en of ze het bedrijf zullen financieren met eigen of vreemd vermogen. Externe partijen, zoals banken, krijgen dan een goed beeld van hun bedrijf.


- Het aanschaffen van kapitaalgoederen noemen we investeren.


                • Om kapitaalgoederen aan te schaffen is geld(kapitaal) nodig.


* Kapitaal heeft dus 2 betekenissen. Goederen (waarmee je andere goederen of diensten kunt produceren) en geld.


* Je kunt investeringen op 2 manieren financieren.


                               ○  Met eigen geld/vermogen.


                               ○  Met vreemd geld/vermogen.


- Een balans is een overzicht van de bezittingen en het vermogen van een bedrijf op een bepaald moment. De bezittingen, ook wel activa genoemd, staan links op de balans. Het vermogen of de passiva staan rechts. Hierdoor kun je zien hoe de bezittingen zijn gefinancierd.


• De posten op een balans zijn voorraadgrootheden, want ze worden geregistreerd op een bepaald tijdstip.


                • De activa worden onderscheiden in:


* Vaste activa, deze gaan minstens een jaar mee. Bijvoorbeeld de inventaris, meubels, het pand en een bedrijfsauto.


* Vlottende activa, deze gaan korter dan een jaar mee. Bijvoorbeeld de voorraad of de debiteuren. Debiteuren zijn vorderingen op klanten die nog moeten betalen omdat ze op rekening hebben gekocht.


* Liquide activa, geld in de kas of op een betaalrekening bij de bank.


• De passiva worden onderscheiden in:


* Eigen vermogen.


* Vreemd vermogen. Vreemd vermogen kun je dan weer opsplitsen in:


○  Lang vreemd vermogen, leningen met een looptijd langer dan een jaar.


○  Kort vreemd vermogen. Bijvoorbeeld geleend geld, dat binnen een jaar moet worden terugbetaald. Of crediteuren, dit zijn schulden aan leveranciers omdat je op rekening hebt ingekocht.


- De resultatenrekening of verlies-en-winstrekening is ook een belangrijk deel van de bedrijfsadministratie. Die geeft een overzicht van de opbrengst en de kosten van een bedrijf over een bepaalde periode. Is de opbrengst groter dan de kosten dan maakt het bedrijf winst. Zijn de kosten hoger dan de opbrengst, dan maakt het bedrijf verlies. Opbrengst en kosten zijn voorbeelden van stroomgrootheden (= stroomgrootheden worden geregistreerd over een bepaalde periode, bijvoorbeeld een maand of een jaar).


• Links op de resultatenrekening staan de kosten.


* Hieronder vallen onder andere, de inkoopwaarde van de voorraad, de afschrijvingskosten van de voorraad, de energiekosten, de huur en de rente (en de winst als die aanwezig is).


                • Rechts op de resultatenrekening staan de opbrengsten.


                               * Hieronder valt de omzet (en het verlies, indien van toepassing).


• De resultaten hebben invloed op de balans. Winst valt toe aan de eigenaar. Een deel hiervan wordt uitgegeven aan belastingen en het andere deel is voor de eigenaar, dat is zijn inkomen. De eigenaar kan ervoor kiezen om een deel van de winst in het bedrijf te stoppen, dit komt dan bij het eigen vermogen. Wanneer er een verlies optreedt, wordt het eigen vermogen kleiner. Er wordt dan ingeteerd op het eigen vermogen. Een goede opdracht om te oefenen is opdracht 3.15.




- De 5 belangrijkste rechtsvormen zijn:



  1. De eenmanszaak. De helft van alle ondernemingen in Nederland zijn eenmanszaken. Wanneer zo’n zaak ook nog geen personeel heeft, noemen we het een zzp’er (= zelfstandige zonder personeel). Een eenmanszaak wordt geleid door één persoon die tevens de eigenaar is. Er is geen scheiding van privévermogen en het vermogen van de onderneming. Als er dus een schuld is die het bedrijf zelf niet kan betalen, dan wordt er aanspraak gedaan op het privévermogen (huis, auto, etc.) van de eigenaar.

  2. De vennootschap onder firma (vof). Wanneer enkele zelfstandigen willen samenwerken, bijvoorbeeld omdat ze samen een groter vermogen bij elkaar kunnen brengen, dan kunnen ze dat doen in de vorm van een vennootschap onder firma. De betrokkenen, firmanten genoemd, leiden de onderneming en zijn gezamenlijk eigenaar. Omdat er meerdere firmanten zijn is specialisatie mogelijk. De ene firmant kan marketing doen, de andere personeelszaken, etc. Elk van de firmanten is hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de onderneming. Dit wil zeggen dat elk van de firmanten met zijn privévermogen aansprakelijk is voor alle schulden van de firma.


• Het voordeel van de eenmanszaak en de vof is dat de winst na aftrek van de belasting geheel ten goede komt aan de eigenaar(s). Ze kunnen ook vreemd vermogen aantrekken. Afhankelijk van de grootte van het totale eigen vermogen zal een bank meer of minder geld uitlenen. Een bank kijkt bij het uitlenen naar het risico dat hij loopt.



  1. De besloten vennootschap (bv). Met het oprichten hiervan kan het privévermogen van vennoten afgeschermd worden voor schuldeisers van de onderneming. Alle vennoten betalen een deel van het eigen vermogen. Hun aansprakelijkheid beperkt zich tot het bedrag dat ze ingelegd hebben. Dat is mogelijk omdat de bv een rechtspersoon is. Een rechtspersoon kan zelfstandig rechtshandelingen verrichten zoals schulden aangaan, onroerend goed kopen en personeel aannemen en ontslaan. Besloten vennootschappen zijn vaak familiebedrijven. De directeuren zijn in loondienst van de bv en hebben vaak de meeste aandelen in handen. Ze krijgen dus loon en als aandeelhouder een deel van de winst, het dividend. De belangrijkste beperking is dat je met een bv niet zo veel vermogen kunt verwerven. De aandelen van een bv staan op naam en kunnen alleen met toestemming van de aandeelhouders aan iemand anders worden overgedragen.

  2. De naamloze vennootschap (nv). Hierbij staan de aandelen niet op naam en zijn daarom vrij verhandelbaar op de effectenbeurs. Hierdoor kan een nv een veel groter vermogen aantrekken. De eigenaren van de aandelen zijn voor de grote van hun aandeel eigenaar van het bedrijf, ze leveren immers een deel van het eigen vermogen. Hierdoor hebben ze recht op dividend. De directeuren van een nv zijn verenigd in de Raad van Bestuur en zijn in loondienst en hebben de dagelijkse leiding van de nv. Ze hoeven geen aandelen te hebben. De Raad van Commissarissen houdt toezicht op de Raad van Bestuur.


• Naast eigen vermogen kunnen bv’s en nv’s ook vreemd vermogen aantrekken. Banken zullen alleen minder snel geld uitlenen aan deze bedrijven, want ze zijn immers risicovol. Er kan namelijk nauwelijks aanspraak worden gemaakt op de aandeelhouders bij schulden.


• Het fiscale verschil tussen de bv’s en de nv’s en de vof’s en de eenmanszaken is dat de winst van de bv/nv onder de vennootschapsbelasting valt (25%) en de winst van de vof/eenmanszaak valt onder de inkomensbelasting (kan oplopen tot 52%).



  1. Coöperatieve vereniging. De grootste coöperatieve vereniging is de Rabobank. Dit zijn eigenlijk allemaal losse banken (met ook eigen rentepercentages etc.) die samen vallen onder één naam. Ze hebben allemaal hetzelfde doel.



- Samenvatting rechtsvormen (zonder coöperatieve vereniging).














































Rechtsvorm



Ondernemersrisico strekt zich uit tot…



Eigendom en leiding



Mogelijkheid om vermogen aan te trekken



Belasting over de winst



Continuïteit



Eenmanszaak



Zakelijk- & privévermogen



Verenigd in één persoon



Klein



Inkomsten-belasting



Klein



Vof



Zakelijk- & privévermogen



Verenigd in firmanten



Beperkt



Inkomsten-belasting



Beperkt/


redelijk



Bv



Aandeelbedrag



Gesplitst



Groot



Vennootschap-


Belasting



Groot



Nv



Aandeelbedrag



Gesplitst



Zeer groot



Vennootschap-


Belasting



Zeer groot




Hoofdstuk 4, De productie van een spijkerbroek.



- Het is voor Westerse winkelketens voordelig om hun producten te laten maken in lagelonenlanden, zoals India en China. Het naaien is erg arbeidsintensief en wordt daarom graag gedaan in landen waar de uurlonen laag zijn. Winkelketens ontwerpen de kleding, plaatsen orders voor de productie in Azië en via een uitgebreide marketing verkopen ze hun spullen.


- Kosten die niet veranderen als ‘q’ verandert, noemen we de constante kosten of vaste kosten. De kosten van de vaste activa, de afschrijvingskosten, liggen voor langere tijd vast. Ze staan los van de productieomvang. Ook de kosten van de directie en de administratie veranderen niet als de productieomvang toe- of afneemt. Alle constante kosten samen zijn de totale constante kosten (TCK). Je kunt de totale constante kosten ook per product berekenen = TCK/q. Hoe meer je produceert, hoe lager GCK.


- De kosten die wel veranderen als de productie verandert, noemen we de variabele kosten. Zoals de materiaalkosten en de loonkosten. Alle variabele kosten samen zijn de totale variabele kosten (TVK). Je kunt ook de variabele kosten per product uitrekenen = GVK = TVK//q.


- Proportioneel/degressief/progressief.




























GVK



TVK



Proportionele variabele kosten



Blijven gelijk



Evenredig



Degressief variabele kosten



Dalen



Minder evenredig



Progressief variabele kosten



Stijgen



Meer evenredig.



- De afzet waarbij de totale omzet gelijk is aan de totale kosten (TO = TK) staat bekend als de break-evenafzet. De bijbehoren omzet wordt de break-evenomzet genoemd. Hierbij is de totale opbrengst precies voldoende om alle kosten te dekken.


- De extra kosten bij uitbreiding van de productieomvang met één eenheid noemen we de marginale kosten (MK).


                              Δ TK


                • MK = –––––


                               Δ q





- De extra opbrengst bij uitbreiding van de productieomvang met één eenheid is de marginale opbrengst (MO).


                                Δ TO


                • MO = –––––––


                                 Δ q


- De extra winst bij uitbreiding van de productieomvang met één eenheid is de marginale winst (MW).


                                  Δ TW


                • MW = –––––––


                                     Δ q


- Marginale analyse: een bedrijf beoordeelt de verandering van de totale winst aan de hand van de marginale opbrengst en de marginale kosten van één extra product.


- De totale winst is maximaal of het totale verlies is het kleinst bij die productie waarbij de marginale opbrengst gelijk is aan de marginale kosten. MO = MK.


- Bij duurzame productie gaat het profijt van de huidige generatie niet ten koste van het profijt van de toekomstige generaties.



Hoofdstuk 5, Overgeleverd aan de markt.



- Homogene producten: producten die in de ogen van de consument exact hetzelfde zijn. Dat heeft tot gevolg dat de consument alleen op de prijs let bij het kopen ervan.


- Aanbodoverschot: hierbij is het aanbod bij een bepaalde prijs groter dan de vraag.


• In dit geval zal de prijs dalen. Hierdoor krijg je een grotere vraag en een kleiner aanbod, waardoor ze in evenwicht komen.


- Vraagoverschot: hierbij is de vraag bij een bepaalde prijs groter dan het aanbod.


• In dit geval zal de prijs stijgen. Hierdoor krijg je een kleinere vraag en een groter aanbod, waardoor er een evenwicht ontstaat.


                               * De prijs die in dat geval tot stand komt is de evenwichtsprijs of marktprijs.


* De hoeveelheid producten die bij deze prijs aangeboden en gevraagd wordt is de evenwichtshoeveelheid.


○ Het proces van prijsaanpassingen dat optreedt bij vraag- en aanbodoverschotten van producten noemen we het marktmechanisme of prijsmechanisme.


- De marktvorm van volledige mededinging/volkomen concurrentie is de basisvorm van alle marktvormen en heeft 4 kenmerken.


1. De individuele aanbieder heeft geen invloed op de prijs, omdat hij maar een zeer klein marktaandeel heeft. Hij heeft geen enkele macht op deze markt. De ondernemer is een prijsnemer of hoeveelheidsaanpasser. (De prijsafzetfunctie is hierbij dus een horizontale lijn.)


2. Alle producten zijn in de ogen van de kopers identiek (= homogeen). Hierdoor letten consumenten alleen op de prijs.


3. Er is sprake van vrije toetreding en uittreding.


4. De markt is doorzichtig of transparant.


(5. De prijs is voor de individuele vrager een gegeven en gaat via het marktmechanisme. Consumenten zijn overgeleverd aan de markt en hebben dus geen invloed op de prijs.)


* Bovengenoemde kenmerken komen in de praktijk bijna nooit allemaal tegelijk voor. De marktvorm volkomen concurrentie is daarom een theoretische marktvorm.


- Toetreding: iemand die al aanbied op een bepaalde markt maakt een flinke winst. Kledingzaken die nog geen producten op die bepaalde markt verkopen (bijv. merkloze zwarte T-shirts), zien winstkansen en gaan de shirts ook aanbieden. Het aantal aanbieders neemt toe. Hierdoor verschuift de collectieve aanbodlijn naar rechts, dat wil zeggen dat bij elke prijs het aanbod groter wordt.


• Het grotere aanbod als gevolg van de toetreding leidt tot een druk op de prijs. Hierdoor daalt de winstmarge.


                • Het proces van toetreding en prijsdaling stopt als de winstmarge nul is en de winst is verdwenen. De situatie die dan ontstaat, noemen we bedrijfstak evenwicht. Hierbij is er geen winst meer en dus geen reden om tot de markt toe te treden.


                               * De prijs is gedaald en gelijk aan de gemiddelde totale kosten.


- In grafiek:


                • GO boven GTK = winst.


• GO tussen GTK en GVK. Men moet hierbij doorgaan met produceren. Je maakt wel verlies, maar je verdient wel gedeeltelijk TCK terug, die je anders volledig zou moeten betalen.


- Door een toename van het aantal aanbieders verschuift de collectieve aanbodlijn naar rechts. Bij een afname van het aantal aanbieders verschuift hij naar links.


• Invoerheffing kan ook zorgen voor een verschuiving van de aanbodlijn. Die verschuift dan met het bedrag van de invoerheffing naar rechts (zie blz. 72 voor het maken van een nieuwe aanbodfunctie in het geval van invoerheffingen).



Hoofdstuk 6, De enige aanbieder.



- Monopolie: een marktvorm, waarbij er slechts één aanbieder is.


- Octrooi of patent: het exclusief recht op de commerciële exploitatie van een uitvinding (duurt meestal 15 tot 20 jaar).


- Monopolist: wanneer een onderneming als enige een bepaald product aanbiedt en er dus geen concurrenten zijn.


• Wanneer een onderneming dat product als enige aanbiedt vanwege een octrooi, is dat een wettelijk monopolie.


• Natuurlijk monopolie: wanneer schaalvoordelen zo’n grote rol spelen dat er op een markt slechts plaats is voor één aanbieder (bijvoorbeeld bij glasvezelkabels).


* Een potentiële nieuwkomer is niet in staat voldoende schaalgrootte te ontwikkelen om winstgevend te worden.


- De toetredingsbarrière is sterker als de kosten van toetreding verzonken kosten kunnen worden.


- Een monopolist is prijszetter (= hij bepaalt zelf de prijs, want er is toch geen concurrent).


                • De vraag naar zijn product neemt af, naarmate de prijs hoger is.


* In dat geval kunnen substitutie goederen een rol gaan spelen. Wanneer een treinkaartje duur wordt, pak je gewoon de auto.


- Monopolies op basis van een octrooi kunnen last hebben van piraterij. Bijvoorbeeld alle nep-merkspullen in Turkije.


• Juridisch wordt het vervalsen van merknamen gezien als diefstal van intellectuele eigendommen.


- De functie die aangeeft hoeveel producten een aanbieder kan afzetten bij een bepaalde prijs noemen we de prijsafzetfunctie. De afbeelding van deze functie, de prijsafzetlijn, heeft bij een monopolist een dalend verloop.


- Bij marktvorm monopolie: MO<GO.


• Uitleg: wanneer een producent, uitgaande van een bepaalde prijs, meer producten wil verkopen, zal hij de prijs moeten verlagen. De prijsverlaging geldt voor alle producten die hij verkoopt, ook voor de producten die eerst tegen een hogere prijs werden verkocht. MO is dus gelijk aan GO min de totale opbrengstdaling als gevolg van de prijsdaling. Bij dalende gemiddelde opbrengst is de opbrengst van één extra eenheid (MO) lager dan de gemiddelde opbrengst (GO).


• Dus géén MO = GO = P.


- TO-lijn loopt ook anders dan bij volledige mededinging. Dit is geen stijgende rechte lijn meer, maar een bergparabool.


- Een natuurlijk monopolie kan in de loop van de tijd veranderen door nieuwe technieken. Waar eerst een stroomleverancier alleen was, kwam er opeens concurrentie van zonnepanelen en windenergie.


- Een wettelijk monopolie is in ieder geval tijdelijk, totdat het octrooi afloopt.


• Op dat moment kunnen er andere ondernemers toetreden op de markt. De mogelijke uitkomsten hiervan kun je bekijken in een resultatenmatrix of uitbetalingsmatrix. De informatie is symmetrisch.


• We kennen dergelijke matrixen van het gevangenendilemma. Daar kiezen de spelers simultaan (= ze nemen hun beslissing tegelijkertijd). Bij het toetredingsvraagstuk is dat niet het geval. Een spel waarin de spelers na elkaar beslissen, noemen we een sequentieel spel.


- Door zelfbinding overtuig je de andere partij dat je je aan je dreigement of belofte zult houden. Als je je niet bindt, kun je reputatieschade oplopen.



Hoofdstuk 7, Je onderscheiden van de concurrent.



- Productdifferentiatie: het aanbrengen van een onderscheidend kenmerk ten opzichte van concurrerende producten.


• Differentiatie leidt tot heterogeniteit van de producten (de producten zijn dus niet langer homogeen/hetzelfde).


- In zo’n geval spreekt men van een marktvorm, die monopolistische concurrentie heet. Deze benaming lijkt tegenstrijdig, maar is te verklaren omdat deze marktvorm zowat kenmerken heeft van monopolie als van volkomen concurrentie.


• Monopolistisch kenmerk: eigen product.


* Hierdoor zijn deze zaken beperkt prijszetter. Ze hebben een kleine marge, waarin ze met hun prijs kunnen spelen, omdat ze voor hun eigen klantenkring monopolist zijn. Maar zodra ze hun prijs teveel verhogen, lopen klanten over naar de concurrent.


* Doordat alle aanbieders een eigen product hebben, creëer je allemaal kleine deelmarkten. Zo zijn spijkerbroeken met printjes een deelmarkt van de spijkerbroekenmarkt. Daardoor hebben alle aanbieders van unieke spijkerbroeken een eigen unieke vraagfunctie.


• Volkomen concurrentie: veel aanbieders, die gemakkelijk toe en uit kunnen treden.


- In een grafiek, geldt dat wanneer de MK-lijn horizontaal loopt, GVK en MK gelijk zijn.



Hoofdstuk 8, De strijd om het marktaandeel.



- Sportmerken geven vaak veel geld uit aan onderzoek, ontwikkeling en marketing.


• Onder marketing van allen alle activiteiten van een onderneming die gericht zijn op het bevorderen van de verkoop. Hiermee hopen merken hun reputatie te verbeteren.


- Ambush-marketing: aanvallen vanuit een hinderlaag. Dit doet men door bijvoorbeeld op strategische plekken billboards te huren, op een plek waar bijvoorbeeld vaak gefilmd wordt.


- Oligopolie: als op een markt een beperkt aantal aanbieders actief is, of als enkele grote aanbieders een duidelijk overheersende positie innemen. Het aantal concurrenten is bij oligopolie zo klein, dat ze elkaar in de gaten kunnen houden.


                • Een actie van de ene, leidt meteen tot een reactie van de ander.


• Om te bepalen of een marktvorm oligopolistisch is, wordt gekeken naar de concentratiegraad. De concentratiegraad geeft aan hoe groot het gezamenlijke marktaandeel is van de grootste aanbieders in een bedrijfstak. Als hun aandeel groot is, mag worden verwacht dat ze een sterke invloed hebben op het marktgedrag van de overige aanbieders. De meest invloedrijke aanbieder is de marktleider.


• Een vraagfunctie van een van deze aanbieders hangt niet alleen af van de prijs, maar ook van de prijzen van de concurrentie.


• Net als een natuurlijk monopolie is een oligopolie vaak gebaseerd op schaalvoordelen.


- De schaalvoordelen die de gevestigde aanbieders genieten, werken op die manier als een toetredingsbarrière. De barrière is extra moeilijk te doorbreken als de investeringen kunnen leiden tot verzonken kosten.


- Innovatie: het investeren in onderzoek…


                • naar de ontwikkeling van nieuwe producten (= productinnovatie).


                • naar nieuwe productietechnieken (= procesinnovatie).


                               * Op de zaken die hierbij gevonden worden, worden vaak octrooien aangevraagd.


 - De gevestigde ondernemingen beconcurreren elkaar en ze trekken samen ten strijde tegen mogelijke nieuwkomers. Het reageren op elkaar is kenmerkend voor deze marktvorm.


- Bij een prijzenoorlog beconcurreren de aanbieders elkaar met voortdurende prijsverlagingen. Dit doet Albert Heijn bijvoorbeeld wel eens. Zij verlagen dan hun prijzen, waardoor hun winstmarge daalt, maar ze hebben een groot vermogen, dus ze kunnen het wel hebben. Hierdoor zijn C1000 en Jumbo en dergelijke wel ook gedwongen om hun prijzen te verlagen, maar daardoor daalt ook hun winstmarge, terwijl sommige kleinere supermarkten niet zo’n grote reserves hebben en daardoor failliet gaan. Hierdoor kunnen grote ketens als AH kleinere winkels uit de markt verstoten. Hun marktaandeel neemt hierdoor toe.


                • Een andere manier om marktaandeel te winnen is productdifferentiatie.


- Als aanbieders afspraken maken, met als doel de onderlinge concurrentie te verminderen, noemen we zo’n afspraak een kartel. Omdat de overheden de concurrentie juist willen bevorderen, zijn kartels wettelijk verboden.


- Sommige aanbieders beconcurreren elkaar op hoeveelheid. Op deze markten moet men ver vooruitkijken als ze hun investeringen plannen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij producenten die enorme vliegtuigen maken.


- Duopolie: wanneer er maar twee aanbieders op de markt zijn. Beide zijn dan gedeeltelijk prijszetter. Wanneer een van beide dat doet, dan volgt er vaak meteen een reactie van de ander. Hier moet rekening mee gehouden worden. De producten van beide aanbieders zijn vaak heterogeen (zoals bij sportschoenen van Adidas en Nike), maar toch kunnen ze elkaar vervangen. Bij een te hoge prijs van de ene, lopen de klanten dus gewoon over naar de ander. Hierbij verliest de ene aan marktaandeel. Als bedrijven elkaar beconcurreren met de prijs is er prijsconcurrentie.


- Een groot marktaandeel is niet het uiteindelijke doel van een onderneming, het is eerder een middel om de winstgevendheid te bevorderen.


- Als men bij een duopolie afspreekt om hun producten niet onder een bepaalde prijs te verkopen, ontstaat er een kartel. De afgesproken prijs is voor beide aanbieders even hoog, zodat geldt Pa = Pn = P, waarbij P de kartelprijs is. Bij deze prijs is hun winst maximaal.


- Voor beiden betrokken partijen is het verleidelijk om de afspraak aan z’n laars te lappen als de ander zich eraan houdt. Hierdoor houden beide zich niet aan de afspraak en functioneert het kartel niet meer.


• Hierbij ontstaat een gevangenendilemma. Ze komen in de verleiding om hun prijs niet te verhogen, in de hoop dat de ander dat wel doet. Het is echter niet aannemelijk dat een van beide partijen zal kiezen voor de hoge prijs omdat niet zeker is dat de ander dat ook doet.


* Een bindend contract zou hierbij de oplossing kunnen zijn. Maar een kartel is geheim, dus het afsluiten van zo’n bindend contract is een probleem. Het is ook zo dat de betrokken partij die het kartel verraad, een lagere boete krijgt. Hierdoor is het verleidelijk om het te verraden en daarom worden kartels vaak vermeden.


* Prijskartels zijn vaak instabiel. Hoe groter het aantal deelnemers, hoe groter de kans dat een van hen het kartel verraadt.


* Bij een herhaald dilemma kan een tit-for-tatstrategie ontstaan. Als de een steeds beetje bij beetje z’n prijs verhoogt, zal de andere misschien volgen. Wanneer dit niet gebeurt, kan er een prijzenoorlog ontstaan.


○ Let wel op, prijzenoorlogen zijn uiterst zeldzaam en komen vaak alleen voor bij supermarkten of benzinestations.


* De betrekkelijke rust is te verklaren. Men zal de prijzen ongeveer gelijk houden. Als de marktleider zijn prijs ietsjes verhoogd, zullen vaak de anderen volgen en hebben ze allemaal een hogere prijs. Wanneer de rest niet volgt, verlaagt de marktleider zijn prijs meteen weer.


- Hoeveelheidsconcurrentie wordt ingezet als de uitbreiding van de productiecapaciteit niet gemakkelijk is. De capaciteit wordt gebaseerd op de verwachte toekomstige afzet.


- De marktvorm oligopolie bevindt zich wat de invloed van de prijs betreft tussen volledige mededinging.


• Volledige mededinging: aanbieder heeft geen invloed op de prijs en de evenwichtsprijs is hierbij niet hoger dan de marginale kosten.


•Monopolie: de aanbieder heeft de macht om de prijs boven de marginale kosten te stellen.


- Hierbij volgt een voorbeeld uit het boek. Hierbij spelen duopolisten een rol. Ze bieden beiden een homogeen product aan.


• Eerst gaan we kijken hoe het eruit zou zien, als de marktvorm leek op volledige mededinging. Hierbij beconcurreren de duopolisten elkaar.


* Hierbij kunnen de beide aanbieders kiezen om grote hoeveelheden aan te bieden. Maar aangezien de collectieve vraagfunctie een dalende lijn is (zie figuur 8.2), zal er alleen maar meer verkocht kunnen worden bij een lagere prijs. In een uiterst geval kan die prijs zelfs dalen tot het niveau van de marginale kosten. Er ontstaat dan een evenwicht zoals bij volledige mededinging. Dit is het collectieve aanbod. Je kunt niet uit de grafiek aflezen, hoe ze dat aanbod over elkaar verdelen. Mogelijk leveren ze allebei helft.


• Nu kijken we hoe het eruit zou zien als dit een monopolistische marktvorm was. Hierbij werken de duopolisten samen.


* Ze werken hierbij samen in een kartel. Het kartel kan het aanbod zodanig beperken dat de gezamenlijke winst maximaal is. Dit noemen we een productie- of hoeveelheidskartel. Het enige verschil met een monopolie is, dat er moet worden afgesproken hoe de productie over beide leveranciers wordt verdeeld. Het aanbod bij het samenwerkingsevenwicht is het gezamenlijke aanbod van beide partijen (Q = Qa + Qb). Bij een kartelafspraak wordt de verdeling van het aanbod vastgelegd.


- Oligopolisten kunnen elkaar ook beconcurreren met productdifferentiatie. Ze willen hiermee hun marktaandeel behouden of vergroten. Dit kan op verschillende manieren:


• Kwaliteitsverschillen. Hiermee wordt ingespeeld op de koopkracht (rijke mensen willen bijvoorbeeld graag een chique auto met een hoge kwaliteit, terwijl mensen die minder te besteden hebben gewoon een goedkope auto willen met niet teveel details etc.) en/of de voorkeur.


• Vestigingsplaats. Consumenten hebben het liefst een winkel dicht bij huis.


• Openingstijden. Consumenten willen het liefst de mogelijkheid hebben om ook ’s avonds en op zondag te winkelen.


* Dit soort productdifferentiatie leent zich niet voor ieder product. Bij auto’s kan een producent gemakkelijk veel verschillende soorten maken. Maar bij benzine maakt het eigenlijk helemaal niet uit waar een consument tankt.





- Nash-evenwicht.


• Bij het Nash-evenwicht gebruikt men bij het zoeken van het evenwicht de methode van ‘best response’ of ‘beste antwoord’. De vraag voor elke speler is: wat is mijn beste antwoord bij elke keuze van de ander?.


• In het Nash-evenwicht geldt dat, gegeven de keuze van de ander, geen van beide spelers zich kan verbeteren. Geen van beide zal zich dan veranderen en daardoor heb je een evenwicht.


• Het Nash-evenwicht wordt o.a. gebruikt bij het analyseren van het gedrag van oligopolisten.


- Het kan soms voordelig zijn om als eerste te kiezen en met die keuze de ander voor een voldongen feit te plaatsen. Dit heet ‘first mover advantage’ of ‘voordeel van de beginzet’.


- Een evenwicht in dominante strategieën is altijd een Nash-evenwicht, maar een Nash-evenwicht is niet altijd een evenwicht in dominante strategieën. Voor voorbeelden zie ‘Battle of the sexes’ en ‘Chicken game’ op bladzijde 115 en 116.


- Zelfbinding is een manier om een spel naar je hand te zetten. De zelfbinding gaat altijd vooraf aan het eigenlijke spel. De zelfbinding moet bekend zijn bij de tegenspeler (bijvoorbeeld het vastzetten van het stuur bij de chicken game).


• Onvoorwaardelijke zelfbinding: een speler legt zich vast ongeacht wat de tegenspeler zal doen. De speler beperkt zijn keuzemogelijkheden in de hoop daarmee de keuze van zijn tegenspeler te beïnvloeden in zijn eigen voordeel.


                • Voorwaardelijke zelfbinding: hierbij gaat het om een dreiging of een belofte. De actie wordt alleen dan uitgevoerd als de tegenspeler aan de gestelde voorwaarde voldoet. Hierbij speelt reputatie een rol.






Elasticiteiten



I. Prijselasticiteit van de vraag.


Methode segmentelasticiteit.


                    Gevolg    % Δ Qv


Ev = Ep = –––––– = ––––––


                   Oorzaak    % Δ P















 
   





                A               -1                    B                           0



                • Gebied A: elastische vraag.


                • Gebied B: relatief inelastische vraag.


                • 0: volkomen inelastisch.



Methode puntelasticiteit.



Ev =




II. Kruisprijselasticiteit.


                Methode segmentelasticiteit.


                           Gevolg         % Δ Qv (goed B)


                Ek = –––––––– = –––––––––––––­­­­­­­­­­­­­


                           Oorzaak        % Δ P (goed A)
















 
   


                                                                                     0         


• Onder 0: complementaire goederen. Goederen die elkaar aanvullen (bijvoorbeeld tabak en vloeitjes).


• Boven 0: substitutie goederen. Goederen die elkaar vervangen (bijvoorbeeld twee merken t-shirts).



                Methode puntelasticiteit.




III. Inkomenselasticiteit.


                Methode segementelasticiteit.


                          Gevolg          % Δ Qv


                Ey = –––––––– = –––––––


                          Oorzaak        % Δ y




                               A                    0                      B                    1                      C



                               • Gebied A: inferieure goederen/minderwaardige goederen.


                               • Gebied B: noodzakelijke goederen.


                               • Gebied C: luxe goederen.



                Methode puntelasticiteit.




IV. Prijselasticiteit van het aanbod.


                Methode segmentelasticiteit.


                          Gevolg           % Δ Qa


                Ea = –––––––– = ––––––––


                          Oorzaak          % Δ P




                                                          0                  A                       1                   B


                               • Gebied A: relatief inelastisch.


                               • Gebied B: elastisch.


                               • 0: volkomen inelastisch.



                Methode puntelasticiteit.


                        dqa      P


Ea = ––– • ––


                         dp      qa






REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.