Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Lesbrief Arbeidsmarkt

Beoordeling 7.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 2880 woorden
  • 14 april 2008
  • 23 keer beoordeeld
Cijfer 7.2
23 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
Economie samenvatting lesbrief arbeidsmarkt

Hoofdstuk 1
Het aanbod van arbeid bestaat uit alles mensen tussen de 15 en 65 jaar die willen, kunnen en mogen werken. Deze mensen bieden zich aan als arbeidskracht op de arbeidsmarkt.
Een ander woord voor het aanbod van arbeid is de beroepsbevolking. Maar het aanbod van arbeid (beroepsbevolking) bestaat niet alleen uit mensen die werk zoeken maar ook uit de mensen die al werk hebben, werknemers en zelfstandigen. En officiële werklozen die werk zoeken staan ingeschreven bij het CWI (Centrum voor Werk en Inkomen).
Naast de beroepsbevolking heb je ook de niet-beroepsbevolking dat zijn de mensen tussen 15 en 65 jaar die niet werken en niet opzoek zijn naar werk. Dan heb je ook nog de beroepsgeschikte bevolking, dat is de beroepsbevolking + de niet-beroepsbevolking.

Een ander woord voor beroepsgeschikte bevolking is de potentiële beroepsbevolking.
Verder kun je ook het deelnemingspercentage (participatiegraad) berekenen dat doe je zo:
(Beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking) x 100%.
De beroepsbevolking in Nederland groeit elk jaar dat heeft verschillende oorzaken namelijk:
Demografische groei: - Er zijn steeds meer mensen in Nederland: de bevolking groeit.
- En de bevolkingssamenstelling verandert (steeds meer mensen tussen de 15 en 65 jaar.
Maatschappelijke opvattingen: meer vrouwen nemen deel aan het arbeidsproces dat komt doordat er steeds meer jonge vrouwen werk gaan zoeken en oudere vrouwen opnieuw werk gaan zoeken (herintreden).
Stand van Economie: - de arbeidsmarkt trekt mensen die willen en kunnen werken aan zodat het aanbod van arbeid groter wordt. (aanzuigeffect).
- De arbeidsmarkt trekt mensen niet/minder aan omdat mensen denken dat ze toch geen kans maken op een goede baan. (ontmoedigingseffect).
Wetgeving: - zowel de man als de vrouw moet verplicht werken of werk zoeken , daardoor is het aanbod van vrouwen toegenomen.
Organisatie van het arbeidsproces: - door betere kinderopvang en betere mogelijkheden deeltijdwerk, is de opvoeding van kinderen beter te combineren met betaald werk.

De totale vraag naar arbeid bestaat uit werknemers, zelfstandigen en openstaande vacatures.
De vraag naar arbeid groeit vanwege de groei van de economie, groei van technische ontwikkelingen (produceren nieuwe goederen + diensten). Maar de vraag naar arbeid daalt ook vanwege het mechanisme (meer machines minder arbeiders) en door hoge lonen, willen de werkgevers minder arbeiders (anders moeten ze teveel loon uitbetalen).
Er zijn 2 soorten markten:
De Abstracte markt: geheel van vraag en aanbod zonder dat er een plaats os waar de vragers (kopers) een aanbieders (verkopers) elkaar kunnen ontmoeten. (marktplaats)
De Concrete markt: een plek waar vragers en aanbieders van een of meerdere producten elkaar kunnen ontmoeten. (effectenbeurs, weekmarkt op marktplein).
De werkgelegenheid zijn de hoeveelheid mensen die daadwerkelijk arbeid verrichten. Dit kan je op de volgende manier berekenen: (werknemers + zelfstandigen).
Voor de duidelijkheid:
De vraag naar arbeid bestaat uit: werknemers, zelfstandigen en vacatures.
Het aanbod van arbeid bestaat uit: werklozen, werknemers en zelfstandigen.
De beroepsbevolking bestaat uit: werklozen, werknemers en zelfstandigen.
De werkgelegenheid bestaat uit: werknemers en zelfstandigen.
Zo kun je het dus ook bereken.
Bijv. bereken de vraag naar arbeid uit: dan tel je de werknemers, zelfstandigen en de vacatures bij elkaar op.
Behalve de omvang van de werkgelegenheid is ook de prijs van arbeid (loon) van belang. De hoogte van het loon is onder andere afhankelijk van de mate waarin vraag en aanbod op elkaar aansluiten. Daardoor kan het loon stijgen of dalen dat kan op de volgende manier:

Loon stijgt = krappe arbeidsmarkt = vraag van arbeid is groter dan het aanbod van arbeid.
Loon daalt = ruime arbeidsmarkt = vraag naar arbeid is kleiner dan het aanbod van arbeid.
Als het loon stijgt spreek je dus van een krappe arbeidsmarkt en ook een economische groei.
Als het loon daalt spreek je dus van een economische neerslag.

Als je succes wil maken op de arbeidsmarkt spelen de volgende factoren een rol:
Opleiding: welke opleiding heb je gedaan, (mbo-hbo-unieversiteit).
Bevolkingsgroep: ben je vrouw of allochtoon, dan maak je minder kans dan een autochtone man. Dit ligt aan discriminatie op de arbeidsmarkt.

Hoofdstuk 2
Er zijn verschillende soorten ondernemingsvormen (rechtsvorm van een onderneming).
De vier belangrijkste ondernemingsvormen zijn: eenmanszaak, vennootschap onder firma (Vof), besloten vennootschap (BV) en naamloze vennootschap (NV).
Hier een beschrijving van de ondernemingsvormen: Eenmanszaak: er is maar 1 eigenaar, moet zelf voor startvermogen zorgen, je bent privé aan aansprakelijk voor schulden, dus als je failliet bent mogen ze jou persoonlijke bezittingen verkopen. Vennootschap onder firma (Vof): er zijn meerdere eigenaren, de mogelijkheden om geld te lenen zijn groter dan bij een Eenmanszaak (startvermogen), zijn met hun privé vermogen aansprakelijk. Als er maar 1 iemand een privé vermogen heeft moet hij alle schulden betalen. Besloten vennootschap (BV): er zijn meerdere eigenaren zijn, kunnen makkelijker geld lenen voor startvermogen dan eenmanszaak en Vof. De Bv is een rechtspersoon, juridisch zelfstandig. Je kunt bijvoorbeeld bedrijf voor rechter slepen zonder dat je de eigenaren aanklaagt. En de eigenaren zijn met hun privé vermogen niet aansprakelijk voor schulden. Aandeelhouders zijn de eigenaren (aandeelhouder ben je met aandeel, eigendomsbewijs van bedrijf). Bij een Bv staan de aandelen op naam, en kan de aandelen alleen maar verkopen aan familie. Naamloze vennootschap (NV): er zijn meerdere eigenaren zijn, kunnen makkelijker geld lenen voor startvermogen dan eenmanszaak en Vof. De Nv is een rechtspersoon, juridisch zelfstandig. Je kunt bijvoorbeeld bedrijf voor rechter slepen zonder dat je de eigenaren aanklaagt. En de eigenaren zijn met hun privé vermogen niet aansprakelijk voor schulden. Aandeelhouders zijn de eigenaren (aandeelhouder ben je met aandeel, eigendomsbewijs van bedrijf). Bij een Nv staan de aandelen niet op naam, en kunnen de aandelen aan iedereen verkocht worden. Soms zijn er een paar groot-aandeelhouders die zijn samen eigenaren van de Nv. Maar de meeste bemoeien zich nauwelijks met het bedrijf. Een keer per jaar komt er aandeelhouders vergadering daar heeft iedere aandeelhouder één stem. Verder zijn de aandelen in een Bv vrij handelbaar. Als het bedrijf winst maakt krijgen de aandeelhouders koerswinst.
Een overeenkomst tussen werknemer en werkgever is een arbeidsovereenkomst. In een arbeidsovereenkomst staan alle arbeidsvoorwaarden zwart op wit, zodar er geen onduidelijkheid over komt. Er zijn verschillende soorten arbeidsovereenkomsten: individuele arbeidsovereenkomst en collectieve arbeidsovereenkomst (CAO).

Individuele arbeidsovereenkomst: is een arbeidsovereenkomst tussen 1 werkgever en 1 werknemer waarbij het loon en de arbeidstijd wordt vastgelegd.
Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO): staan de rechten en plichten van de werknemers en werkgevers zwart op wit. Als een werkgever een werknemer in dienst neemt moeten zij zich allebei houden aan de CAO. In de CAO staan de volgende zaken: het minimale loon, aantal uren dat gewerkt mag worden per week, overuren,vakantie,pensioen en loonsverhoging. In de Cao worden afspraken gemaakt voor groepen werknemers. Meestal een bedrijfstak (alle bedrijven die zich bezighouden met een zelfde soort productie, bijv. bouw).
De CAO is een overeenkomst tussen de werkgevers en vakbonden (ook wel werknemersbonden genoemd, die handelt over de CAO in het belang van de werknemers).
Organisatiegraad is het percentage van werknemers dat is aangesloten bij een erkende vakbond, dat is in Nederland ongeveer 25%. Je kunt de organisatiegraad bereken op de volgende manier:
(Aantal werknemers aangesloten bij een vakbond / aantal werknemers) x 100%.
Verder staan in een individuele arbeidsovereenkomst en een CAO verschillende arbeidsvoorwaarden die kunnen we splitsen in 2 groepen namelijk primaire arbeidsvoorwaarden en secundaire arbeidsvoorwaarden.
Primaire arbeidsvoorwaarden: loon en de (normale) arbeidstijd.
Secundaire arbeidsvoorwaarden: alle andere arbeidsvoorwaarden denk hierbij aan vakantieregelingen, duur van pauze, reiskostenvergoeding, kinderopvang, scholing en auto van de zaak.
De derde dinsdag van september presenteert de rijksoverheid de rijksbegroting (overzicht van alle inkomsten en uitgave van de overheid) voor het komende jaar. Ook wordt de miljoenennota (samenvatting van de rijksbegroting) gepresenteerd.
Als de rijksbegroting bekend is gaan werknemers (vakbonden) en werkgevers met elkaar aan tafel zitten en overleggen over de arbeidsvoorwaarden. Maar omdat ze niet allemaal aan tafel kunnen gaan zitten, want dan is het te druk gaan ze zich verenigen in vakcentrales (samenvoeging van vakbonden, bijv. hout en bouw zijn bondgenoten). En van elke vakcentrale gaat een vertegenwoordiger overleggen met andere vertegenwoordigers van vakcentrales, dat samen wordt de werknemers centrale. (kan ook met werkgevers).

dus even voor duidelijkheid:
Vakbond Bouw + Vakbond Hout  Vakcentrale 1  vertegenwoordiger 1
Vakbond winkel + vakbond groothandel  vakcentrale 2  vertegenwoordiger 2
Vertegenwoordigers samen  werknemers centrale. (zo gaat ook met werkgevers).
Als de vertegenwoordigers van de werknemers gaan overleggen met de werkgevers noemen we dat het centraal overleg. Ze overleggen over de hoofdlijnen van de arbeidsvoorwaarden, het akkoord (Centraal akkoord) wordt vervolgens weer per bedrijfstak in de CAO verwerkt.
Nog even voor de duidelijkheid:
Centraal Akkoord: afgesloten door centrales werkgevers/werknemers op landelijk niveau.
CAO: afgesloten door vakbonden en werkgevers per bedrijfstak.
Individuele AO: afgesloten door werkgever + werknemer individueel niveau.
Een CAO geld in eerste instantie alleen voor bedrijven die lid zijn van de werkgeversbond die de CAO heeft afgesloten. Maar er zijn ook bedrijven die geen lid zijn van de werkgeversbond dat kan tot ergernis lijden bij loonsverhoging want dan hoeven die bedrijven dat niet te doen. Om die ergernis te voorkomen kan een minister een CAO Algemeen verbindend verklaren dan geldt de CAO dus voor alle bedrijven in die bedrijfstak.

Hoofdstuk 3
Een werknemer produceert nu meer dan een werknemer 100 jaar geleden. Deze stijging van de gemiddelde productie per werknemer per gewerkte tijdseenheid (bijv. per uur) noemen we stijging van de arbeidsproductiviteit. Er zijn verschillende oorzaken voor:

Technische ontwikkeling: mechanisering, het meer gebruiken van machines en automatisering, het meer gebruiken van computers.
Arbeidsverdeling en specialisatie: verdelen van taken zodat mensen zich steeds meer gaan storten op één deel van het productie proces en er zo gespecialiseerd in worden.
Scholing: mensen worden beter opgeleid, geschoold en zijn dus slimmer en produceren meer.
Door stijging van de arbeidsproductiviteit per werknemer betekend dat er meer geproduceerd wordt, dus stijgen de opbrengsten. Maar omdat de opbrengsten stijgen willen de werknemers loonsverhoging. Dat heet Initiële loonstijging (loonstijging die ontstaat door stijging van arbeidsproductiviteit). Je kan ook prijscompensatie krijgen dan krijgt de werknemer meer loon, maar kan hij niet meer kopen omdat de prijzen in dezelfde verhouding stijgen. Verder kan je ook nog incidentele loonstijging krijgen, die stijging krijg je bijv. bij promotie. Incidentele loonstijging staat in tegen stelling tot prijscompensatie en initiële loonstijging niet in de CAO, omdat dit niet voor iedereen gelijk is die andere 2 wel. Incidentele loonstijging is dus loonstijging die je incidenteel krijgt en niet van te voren is afgesproken en ook meestal niet in de CAO staat. Prijscompensatie en Initiële loonstijging gaan niet ten koste van de winst van een bedrijf. Kijk:
omzet 2001 = 20 miljoen, lonen 16 miljoen, winst 4 miljoen.
Winst als percentage van loon = (4 / 16) x 100 = 25 %
2002 omzet stijgt met 7% en lonen met 7%. Omzet 2002 = 20 x 1,07 = 21,4 miljoen
lonen 2002 = 16 x 1,07 = 17,12 miljoen, winst = 4,28 miljoen.
Winst als percentage van het loon = (4,28 / 17,12) x 100 = 25% dus winst op percentagen blijft gelijk bij loonstijging van 7% en Omzet stijging van 7%.
Omzet van een bedrijf is (afzet (aantal verkochte producten) x verkoopprijs). Een andere term voor omzet is Totale opbrengst. Om de omzet te kunnen bereiken moeten allerlei kosten gemaakt worden, bijv. lonen en rentes over leningen, machinekosten, transportkosten en kosten van grondstoffen, hulpstoffen en energie.
Als loonstijgingen groter zijn dan de stijging van de arbeidsproductiviteit, dan stijgen de loonkosten per product. De loonkosten per product kan je op de volgende manier berekenen:

(Loonkosten per uur / aantal producten per uur). Als de loonkosten per product stijgen kan dit tot de volgende problemen/reacties leiden. Prijzen verhogen, minder uitbreiden, productie verplaatsen naar lagelonenlanden en arbeidssparende machines inzetten. Dit verslechterd de concurrentie positie van Nederlandse bedrijven ten opzichte van buitenlandse bedrijven.
Even voor de duidelijkheid:
Loonkosten per product STIJGEN  prijzen STIJGEN  concurrentie positie verslechterd
- Export DAALT, Import STIJGT  werkgelegenheid DAALT.
Lonen stijgen sneller dan prijzen  Koopkracht gezinnen STIJGEN  Consumptie STIJGT  Bestedingen STIJGEN  Productie STIJGT  Werkgelegenheid STIJGT.
Koopkracht: Besteding geld in verhouding tot loon.
Stel je loon stijgt met 7% en de prijzen stijgen met 4% hoeveel ga je er dan in koopkracht op vooruit?
Dat kun je op de volgende manier bereken: (NIC / CPI) x 100 = RIC
NIC: Nominaal index cijfer CPI: Consumenten Prijs Indexcijfer RIC: Rieel index cijfer.
(107 / 103) x 100 = 103.88  je gaat er dus 3.88% in koopkracht op vooruit.

Hoofdstuk 4
De werkgelegenheid wordt bepaald door 2 factoren: totale productie en productie per werknemer.
Op de volgende manieren kun je werkgelegenheid, productie en arbeidsproductiviteit berekenen:
Productie = werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit

Werkgelegenheid = productie / arbeidsproductiviteit
Arbeidsproductiviteit = productie / werkgelegenheid
En op de volgende manier kun je het berekenen als indexcijfer:
Productie = (werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit) / 100
Werkgelegenheid = (productie / arbeidsproductiviteit) x 100
Arbeidsproductiviteit = (productie / werkgelegenheid) x 100
Als de arbeidsproductiviteit stijgt, daalt het aantal banen, dat komt omdat ze dan met minder werknemers even veel produceren. Hierdoor worden automatisch ook de prijzen lager.
Als een bedrijf producten of productieprocessen vernieuwd wordt dat ook wel innovatie genoemd.
De arbeidsproductiviteit is hoger dan vroeger, een oorzaak daarvan is dat mensen nu slimmer zijn en dus sneller kunnen handelen, maar de belangrijkste oorzaak daarvan is dat bedrijven kapitaalintensiever worden, dat wil zeggen dat bedrijven meer met machines gaan werken. als een bedrijf kapitaalgoederen koopt noemt men dat ook wel investeren.
Er zijn 2 soorten investeringen, je hebt diepte-investering en je hebt breedte-investering.

Het verschil tussen die 2 is het volgende, bij diepte investering vervang je oude machines door nieuwe (betere) machines. In dat geval stijgt de arbeidsproductiviteit, maar daalt de werkgelegenheid. Bij breedte investering koopt een bedrijf meer machines, in dat geval blijft de arbeidsproductiviteit gelijk, maar stijgt de werkgelegenheid.
Als een consument goederen en/of diensten koopt noemen we dit consumeren.

Bedrijven kunnen vaak kiezen uit verschillende combinaties tussen machines (kapitaalgoederen) en arbeiders (werknemers). De keuze die de bedrijven maken hangt af van de kosten van de arbeiders en kapitaalgoederen. Wordt er meer arbeid in plaats van kapitaalgoederen ingeschakeld dan noemen we dat arbeidsintensiever. Worden er meer kapitaalgoederen in plaats van arbeid ingeschakeld dan noemen we dat kapitaalintensiever. De vervanging van kapitaalgoederen door arbeid of andersom noemen we substitutie (vervanging).
Vervanging van arbeid door machines economisch gezien beter, want je produceert beter en je hebt minder loonkosten. Maar maatschappelijk gezien is het niet goed, want er is minder arbeid, dus meer werkloosheid.
Bij bedrijven draait het meestal om winst maken, als je winst wil maken moeten je loonkosten zo laag mogelijk zijn, je kan dan mensen ontslaan maar dan produceer je minder, wat je ook kan doen is het bedrijf in het buitenland (lagelonenlanden) te vestigen, dat kan je doen op 2 manieren:
Vestiging in Nederland sluiten en in een lagelonenland tegelijkertijd te openen, of je kan in Nederland weggeconcurreerd worden door andere bedrijven.
Als je meer winst maakt wordt je concurrentie positie ten opzichte van andere bedrijven beter, de definitie van concurrentiepositie is: het vermogen om beter en/of goedkoper te produceren dan concurrenten. Het belangrijkste wapen in de concurrentie positie is: de prijs wie de laagste prijs heeft verkoopt meer en maakt meer winst andere wapens in die strijd zijn kwaliteit (de kwaliteit van een product) en infrastructuur (hoe ziet het eruit, verzorgt, rommelig etc.)
loonkosten per product stijgen  prijzen stijgen  concurrentie positie ten opzichte van het buitenland daalt  export daalt, import stijgt  afzet daalt, productie daalt  werkgelegenheid daalt.

Lonen stijgen sneller dan de prijzen  koopkracht werknemers stijgen  consumptie door gezinnen stijgen  bestedingen stijgen  afzet en productie bedrijven stijgen  wekgelegenheid stijgt.

Loonstijgingen hebben gevolgen, zowel op de korte als op de lange termijn, namelijk de volgende:

Korte termijn: meer ontslagen  meer werkloosheid
Lange termijn: verschuiving werkgelegenheid
De hoeveelheid goederen die een bedrijf in een land koopt hangt af van de totale vraag van goederen en diensten in een land. (vraag komt van gezinnen) – (hoeveelheid = inkomen).

Hoofdstuk 5
Je weet inmiddels wat werkeloosheid is en werkgelegenheid. Maar is ook verborgen werkloosheid, dat zijn werklozen die niet staan ingeschreven bij het CWI. Ook heb je verborgen werkgelegenheid, dat is vrijwilligerswerk en/of zwart werk.
Maar behalve verborgen werkloosheid, zijn er nog verschillende soorten werkloosheid: frictiewerkloosheid, seizoenswerkloosheid, kwalitatieve seizoenswerkloosheid, kwantitatieve seizoenswerkloosheid en conjuctuur werkloosheid. Hier even een beschrijving van alle soorten.
Frictiewerkloosheid: werkloosheid die ontstaat omdat het tijd kost voor een werknemer om een baan te vinden als je net van school af bent, of net bent ontslagen. Maatregelen hiertegen: betere arbeidsbemiddeling: openstaande vacatures worden sneller opgevuld. Seizoenswerkloosheid: werkloosheid die ontstaat als je een seizoen niks aan je baan hebt, bijv. een strandwachter, in de zomer zijn de stranden vol, in de winter is er niemand. Maatregelen hiertegen: activiteiten organiseren op die plaatsen, die ook in de winter leuk zijn. Kwalitatieve structuurwerkloosheid: werkloosheid die ontstaat als vraag en aanbod niet op elkaar aansluiten, er worden andere soorten arbeid gevraagd dan dat er wordt aangeboden. Maatregelen hiertegen: omscholing.
Kwantitatieve structuurwerkloosheid: er zijn te weinig machines ten opzichte van de aangeboden arbeid. Maatregelen hiertegen: verlagen loonkosten, minder aantrekkelijk mensen te vervangen door machines. Conjuctuur werkloosheid: mensen besteden te weinig, dus hoeft er minder geproduceerd te worden, maatregelen hiertegen: Salarissen ambtenaren omhoog krikken, zo kunnen hun meer besteden en moet er weer meer geproduceerd worden.
In de economie spreken we vaak over productiecapaciteit: hoeveel goederen en/of diensten er geproduceerd word als alles op volle toeren draait. De productiecapaciteit kun je op de volgende manier berekenen: (wekelijkse productie (effectieve vraag)/ bezettingsgraad) x 100.

Hoeveel alle bedrijven in land samen produceren hangt af van de effectieve vraag (totale vraag van goederen en/of diensten die een land produceert bij elkaar opgeteld.
Verder zijn er nog een aantal manieren om werkloosheid tegen te gaan: deeltijdmedewerkers, mensen werken niet het volledige aantal uren in een week, zo blijven er uren over die kunnen weer door andere mensen gedraaid worden. ATV, Arbeidstijdverkorting, iedereen in een bedrijfstak gaat minder werken, hierdoor komen ook weer dagen/ uren vrij die weer kunnen worden opgevuld. De laatste manier is flexibilisering, arbeiders flexibel inzetten hierdoor dalen de arbeidskosten en komen er weer plaatsen vrij.

REACTIES

P.

P.

Dit is echt 10000 keer beter dan al die blogs, echt een mooie samenvatting

7 jaar geleden

T.

T.

Genakt van schoolsamenvatting

7 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.