Jongens gezocht: hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

les 1 t/m 4

Beoordeling 5.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 467 woorden
  • 10 mei 2015
  • 4 keer beoordeeld
Cijfer 5.1
4 keer beoordeeld

Les 1:

Eerste levensbehoeften: Eten, drinken, kleding, woonruimte, onderwijs en gezondheidzorg

Luxe behoeften: behoeften die niet per se nodig zijn, maar je ze toch graag wil hebben.

Onbeperkte behoeften: behoeften dat mensen steeds meer willen hebben

Beperkte middelen:

  • Geld
  • Tijd
  • Natuur

Omdat je we niet alles kunnen krijgen stellen we prioriteiten.

Consumeren: Het bevredigen van je behoeften

  • Goederen: materiele dingen
  • Diensten: immateriele dingen

Welvaart:de mate waarin mensen hun behoefte met consumptiegoederen kunnen bevredigen

Welzijn: de mate waarin mensen hun behoefte kunnen bevredigen zonder schaarse middelen

Les 2:

Zelfvoorzienend: het zelf produceren van producten

Specialisatie/arbeidsdeling: mensen gaan zich toeleggen op het maken van 1 product, of op maar 1 onderdeel van het product.

Direct ruilen: Ruilen met product, zonder dat er geld van te pas komt.

Indirecte ruil: Ruilen met geld, voor een product

Wettige betaalmiddelen: Euromunten en eurobiljetten

Taken van Nederlandse banken:

  • Omloop brengen van de euro’s
  • Financiele dienstverlening goed wordt uitgevoerd door bedrijven 
  • Het beheren van spaargeld van mensen
  • Het uitlenen van geld aan mensen en bedrijven
  • Zorgen voor betalingsverkeer tussen mensen en bedrijven
  • Zorgen dat de koopkracht van de euro niet veel veranderd

Inflatie: Het minder waard worden van geld

Deflatie: Het meer waard worden van geld

Chartaal geld: geld in briefjes en muntjes

Giraal geld: geld wat virtueel op de bank staat

Geld dient als:

  • Spaarmiddel
  • Rekenmiddel
  • Ruilmiddel

Les 3:

Inkomen: geld dat binnenkomt bij inviduele personen.

Productiefactoren van een bedrijf:

  • Grond en grondstoffen
  • Arbeidskrachten
  • Geld dat wordt gebruikt om machines en gebouwen te kopen
  • Een ondernemer die de productie organiseert

Productiefactoren van een huishouden:

  • Pacht
  • Loon
  • Rente
  • Winst

Belangerijkste uitkeringen:

  1. De WW: Als je werkeloos bent geworden
  2. De WIA: als je arbeidsongeschikt bent
  3. De AOW: als je 66 bent geworden
  4. De Bijstand uitkering: als je 27 bent en geen ander inkomen of uitkering krijgt

Inkomenstenbelasting: geld waarmee de regering allerlei uitgaven betaalt

Sociale premies: geld waarmee de regering de uitkeringen mee betaalt

Bruto inkomen: inkomen zonder inkomstenbelasting of sociale premies

Netto inkomen: inkomen dat je overhoudt met de belasting

Uitgaven:

  • Vaste uitgaven
  • Dagelijkse uitgaven
  • Incidentele uitgaven

Les 4:

Inkomen+behoeften=wat je koopt en wat je met je tijd doet

Bestedingspatroon: manier waarop groepen mensen hun geld uitgeven.

Onbewuste motieven:

  • mee willen doen met de groep
  • leuk gevonden willen worden
  • op te vallen
  • indruk te maken

sociale beinvloeding: de invloed van je omgeving, je vrienden, familie op dingen die je koopt

commerciele beinvloeding: reclame en plaatjes van de winkel zodat je ze beter onthoudt

doelgroep: een groep mensen waar een bedrijf op doelt het product te kopen.

Lenen is verantwoord als:

  1. je zeker weet dat je de komende tijd genoeg geld verdient om het geleende geld plus de rente terug te betalen
  2. je voor het geleende geld iets koopt dat voorziet in belangerijke en langdurige behoefte

NIBUD: Helpt mensen om verstandig om te gaan met geld.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.