Internationale handel

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 703 woorden
  • 23 juni 2003
  • 31 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 31 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Internationale handel

Waarom?
1. je kunt niet alles zelf produceren (grondstoffen, klimaat)
2. om de economische positie te verbeteren (export0
3. lage loonkosten hebben andere landen
(loonkosten per product = kosten per werknemer = goedkoper produceren)
arbeidsproductiviteit: productie per werknemer per tijdseenheid
arbeidsproductiviteit stijgt door:
1 mechanisatie/ automatisering
2 scholing
3 specialisatie en arbeidsverdeling
import: invoer van producten uit het buitenland

export: uitvoer van jou producten naar het buitenland
exportoverschot: meer export dan import
exportwaarde: aantal stuks x de prijs
exportvolume: aantal stuks
productie „º„» productiecapaciteit
Maximale productie: beschikbare grondstoffen, werknemers en machines
Arbeidsintensief: vele arbeiders, weinig machines
Kapitaal intensief: weinig arbeiders, veel machines
Ontwikkelingslanden: arbeidsintensief
Westerse landen: kapitaalintensief
Bezettingsgraad: productie / productiecapaciteit x 100%
Open economie: veel export en veel import => waarde import / nationaal inkomen
Exportquote: waarde export / nationaal inkomen x 100%

Hoger da n20 procent = open economie
Waarde export = aantal producten x de prijs
Nationaal inkomen: alle inkomen van het land bij elkaar opgeteld
Nederland heeft een open economie
Betalingsbalans: overzicht van ontvangsten en uitgaven met betrekking tot het buitenland
Lopende rekening: worden de waarden van de handel in goederen en diensten van een land weergegeven
Kapitaalrekening: leningen, beleggingen, investeringen, buitenlandse bestedingen (export)
Materieel saldo + => deviezen stijgen
- => deviezen dalen
deviezen: belangrijkste buitenlandse valuta: dollar, euro, yen
multinationals: bedrijven die in verschillende landen vestigingen hebben
grootschalige productie: productie op een hele grote schaal
hoe kan de euro stijgen?
- hangt samen met de vraag en aanbod naar euro¡¦s
- door meer export
- buitenlandse beleggingen hier
- buitenlandse bedrijven vestigen zich hier
euro stijgt: concurrentiepositie verslechtert
wisselkoers: waarde van een valuta uitgedrukt in een andere valuta
euro stijgt: appricatie
euro daalt: deppricatie
euroland rente stijgt: vraag naar euro¡¦s stijgt: waarde euro stijgt
euro stijgt: export daalt, import stijgt: lopende rekening verslechtert
als de rente in de VS stijgt dan:
- aanbod van dollar door Amerikanen daalt
- waaneer de aanbod daalt en de vraag blijft gelijk dan stijgt de wisselkoers

hoge euro t.o.v de dollar - voor de VS meer export
import uit Europa zal dalen
vraag naar dollar zal stijgen
dollarkoers zal stijgen en de euro zal dalen

vrijhandel: geen belemmeringen in de internationale handel
protectionisme: beschermen van binnenlandse bedrijven tegen buitenlandse concurrentie
hoe?
- invoerrechten: belastingen te heffen op de ingevoerde producten
- invoercontingentering: maximale hoeveelheid vaststellen van de invoer
- hoge kwaliteitseisen: strenge kwaliteitseisen voor de buitenlandse producten
- subsidiering binnenlandse producten: zelf goedkoper produceren met subsidue van de overheid.
Waarom?
- hoge kwaliteitseisen zorgt voor goede producten
- bescherming van binnenlandse werkgelegenheid
- bescherming van nieuwe opkomende industrie
- voorkomen van afhankelijkheid van het buitenland (voedsel enz.)

inflatie: prijzen van de producten stijgen
lage koers van de euro: prijzen van de geimporteerde producten stijgen, prijs van het product in eigen land stijgt ook ( er is sprake van inflatie)

open economie: veel import en veel export
gesloten economie: weinig import en export, voorbeeld: Noord Korea
importqoute: waarde import / nationaal inkomen x 100%
exportquote: waarde export / nationaal inkomen x 100%

voorbeeld van vrijhandel:
12 eurolanden: EMU, economische monetaire unie
kenmerken:
- een munt (geen wisselkoersrisico meer)
- vrijhandel (geen invoerheffingen meer)
- geen grenzen (vrij verkeer van kapitaal en arbeid)
- een gemeenschappelijk buitentarief voor de landen buiten het eurogebied

Lesbrief Inkomen

De vorming van inkomen

Primaire inkomens: loon + pacht + rente + huur + winst
Productiefactoren: arbeid + natuur + kapitaal + kapitaalgoederen + ondernemingsactiviteit
Arbeidsproductiviteit stijgt door:
- mechanisering en automatisering
- specialisatie en arbeidsverdeling
- scholing
investeren: kopen van kapitaalgoederen door producenten
consumeren: kopen van consumentengoederen door consumenten

primaire inkomens ¡V belasting ¡V sociale premies = nettoloon
sociale premies: hiermee worden de uitkeringen betaald = overdrachtinkomens

toegevoegde waarde: productiewaarde
1. omzet in kosten grond en hulp stoffen
omzet: afzet x verkoopprijs
2. totaal van primaire inkomens: loon + rente + pacht + huur + winst

balans: overzicht van bezittingen en schulden op een bepaald moment
activa:
passiva: hoe je het hebt bekostigd
vaste activa: machines en gebouwen
vlottende activa: grondstoffen, debiteuren
debiteuren: klanten waarvan je nog geld moet ontvangen
liquide activa: geld waar jij direct over kunt beschikken (kas, bank)
eigen vermogen: aandelen vermogen en winst reserve
winstreserve: winst die je over heb gehouden en die je hebt gespaard
lang vreemd vermogen: lang lopende rekening
kort vreemd vermogen: crediteuren
crediteuren: leveranciers die je nog moet betalen
bij een resultatenrekening komt de winst aan de kostenzijde te staan
winst: opbrengst min alle kosten

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.