Hoofdstuk 8 Het buitenland



Vrijhandel en protectie

Nederland heeft een open economie, omdat wij veel handel drijven met het buitenland. Internationale arbeidsverdeling is het goederen en diensten verkeer met het buitenland. Het voordeel van de internationale arbeidsverdeling treedt alleen op als er tussen landen een vrijhandel is. Protectie vormen: Invoerrecht (een belasting op ingevoerde goederen, die de ingevoerde goederen duurder maakt ten opzichte van de in het binnenland geproduceerde goederen), Export subsidie (een subsidie op uitgevoerde goederen, waardoor de eigen producten tegen een lagere prijs op de wereldmarkt komen), Invoer contingenten (de overheid stelt een maximum aan de hoeveelheid of de waarde die van een goed mag worden ingevoerd), Non-tarifaire belemmeringen (dit zijn ingewikkelde douaneformaliteiten of kwaliteitseisen waaraan buitenlandse producten moeilijk voldoen). Motief = bescherming van eigen industrie.



De betalingsbalans



Weergave van economische transacties naar het buitenland. Verschillende rekeningen: 1 Goederen- (waarde van de uit-/invoer van goederen), 2 diensten- (waarde van het aan/door buitenland bewezen diensten), 3 inkomsten- (uit/aan het buitenland ontvangen/betaalde primaire inkomens(loon, interest enz.) + inkomensoverdrachten), 4 kapitaal- (buitenlandse/Nederlandse investeringen en beleggingen in het Nederland/buitenland), 5 goud- en deviezenrekening (afneming/toeneming van de officiële reserves). 1 = zichtbaar verkeer, 2 + 3 = onzichtbaar verkeer, 1 + 2 + 3 = lopende rekening, 1 + 2 + 3 + 4 = overschot/tekort op de betalingsbalans.



Evenwicht op de betalingsbalans

Formeel: links en rechts gelijk, materieel: als er per saldo het goud- en deviezen bezit niet verandert, fundamenteel: als de lopende rekening en het structurele kapitaalverkeer in evenwicht zijn.



Wisselkoersen

Waardeverhoudingen tussen twee munteenheden. Flexibele: laat met de koers vorming over aan het vrije spel van vraag en aanbod. Vaste: er is een vaste ruilverhouding afgesproken. Appreciatie: koersstijging van een munt bij flexibele wisselkoersen worden zo genoemd. Depreciatie: de munt van een land deprecieert als de betalingsbalans van dat land een tekort vertoont. Revaluatie: verhoging van spilkoers (afgesproken waarden van de verschillende Europese valuta. Devaluatie: verlaging van spilkoers.



Internationale liquiditeiten



Betaalmiddelen die internationaal worden gebruikt. Probleem: de waarde is sterk afhankelijk van de economie in de VS. Rol van de bijzondere trekkingsrechten in het IMF (is de mogelijkheid om te lenen bij het IMF (Internationale Monetaire Fonds)).



Internationale organisaties

Doelstelling IMF: kredietverlening aan landen met een tekort op de betalingsbalans. Doelstelling + activiteiten Wereldbank: lange termijn geld aan ontwikkelingslanden lenen. IDA: bij deze instelling krijgen armste landen leningen tegen lagere rente en langere looptijd. WTO: onderhandelen met elkaar over afschaffen van handels belemmeringen, zoals invoerrechten en exportsubsidies. UNCTAD: om positie van ontwikkelingslanden te versterken. OESO: westerse industrie landen en Japan, leveren advies over economische politiek en ontwikkelingshulp.



Economische integratie

Vormen: vrijhandelsgebied (de aangesloten landen hebben den onderling alle handelsbelemmeringen in het goederenverkeer afgeschaft), douane-unie (hierbij is er niet alleen vrijhandel maar tevens een gemeenschappelijke handelspolitiek tegenover niet aangesloten landen), gemeenschappelijke markt (als er in een douane-unie ook vrij verkeer van de productiefactoren is toegestaan), economische unie (heeft dezelfde kenmerken als een gemeenschappelijke mark, bovendien voren de lidstaten een gemeenschappelijke economische politiek), monetaire unie (betalingsverkeer tussen de lidstaten is volkomen vrij en zijn de wisselkoersen vast of is er een gemeenschappelijke geldeenheid).



De instellingen van de Europese Unie

Europese Raad: vergadering van regeringsleiders van de lidstaten, drie keer per jaar. Raad van ministers: samengesteld uit de ministers van nationale regeringen, deelnemers hangt af van onderwerp. Europese commissie: zorgt voor voorbereidingen en uitvoering van de besluiten van de ministerraad. Verder er op letten dat ze zich houden aan Europese verdragen. Europese Parlement: één keer per maand, internationaal georganiseerde groepen (christenen, liberalen etc.) Europese Hof van justitie: als er een geschil tussen de EU en een lidstaat of tussen twee lidstaten kunnen ze hier heen.



Ontwikkelingslanden

Kenmerken: laag inkomen per hoofd, weinig industrialisatie, economische groei gering, het land krijgt zijn export opbrengsten met de uitvoer van één of een beperkt aantal grondstoffen (monocultuur), op het gebied van onderwijs en kennis is er een achterstand.



Ontwikkelingssamenwerking

Financieel, technisch en voedsel hulp. Liefdadige en politieke overwegingen. Multilaterale hulp via internationale organisaties. Bilaterale hulp: rechtstreeks van land tot land



Hoofdstuk 9 Economische orde en economische politiek



Economische orde

Vrije ruilverkeerhuishouding: op makrten ontmoeten productenten en consumenten elkaar. Consumenten brengen wensen tot uitdrukking, producenten reageren door te produceren waar mensen behoefte aanhebben, afgestemd door prijs. Centraal geleidehuishouding: de overheid bestuurd het economisch leven tot de details. Gecentraliseerde besluitvorming: consumenten en producenten beslissen zelfstandig en onafhankelijk van elkaar wat zij kopen en verkopen.



Sovjet-Unie en Oost-Europa

Omschakeling van plan economie naar markteconomie.



Markteconomie

De markt- of prijsmechanisme als middel voor allocatie van productiefactoren.



Het falen van het prijsmechanisme

Vragers zonder koopkracht hebben geen invloed op de markt. Ondernemers hebben meer macht op de markt dan de consumenten. De markt kan niet voorzien in behoefte aan zuiver collectieve goederen. Externe effecten worden verwaarloosd.



Georiënteerde economie

Gemengde economische orde: niet geheel vrij en niet geheel door de overheid in Nederland. Ruim welvaartsbegrip: betekend ook voorzien van behoeften aan frisse lucht, schoonwater en rust. Die waarden zijn niet af te leiden uit een BBP.



Doelstellingen van economische politiek

1 Evenwichtige arbeidsmarkt (enerzijds de werkloosheid bestrijden, anderszijds verkomen van een overspannen arbeidsmarkt), 2 stabiel prijsniveau (de overheid moet er aan bijdragen dat de prijzen in de loop van de tijd gemiddeld gelijk blijven), 3 evenwichtige betalingsbalans (de overheid moet zorgen voor evenwicht in de economische betrekkingen tussen Nederland en het buitenland), 4 rechtvaardige inkomensverdeling (elke politieke partij, elke maatschappelijke groepering heeft bij het begrip een andere opvatting. De ene partij vindt dat de inkomensverschillen moeten worden verkleind, de ander vind dat mensen die meer presteren meer moeten verdienen, ongeacht of er daardoor grote verschillen in inkomens ontstaan), 5 evenwichtige groei (groei en de verbeteringen van de productiecapaciteit in ons land), 6 gezond leefmilieu (nadelen die de productiegroei veroorzaken). Die zes kunnen niet allemaal tegelijk, niet iedereen heeft dezelfde inhoud.



Instrumenten van economische politiek

Begrotingsbeleid, monetair beleid, inkomens-, loon- en prijsbeleid (niet eenvoudig, ECB heeft als opdracht de prijsstabiliteit te handhaven), betalingsbalansbeleid (omvat alles wat te maken heeft met de relaties met het buitenland), groeibeleid (let men op de manier waarop de industrie over ons land is verdeeld), mededelingsbeleid (het vergroten van het economische prestatieniveau van een land).



Mededelingsbeleid

Concurrentie beperkingen: mededelingsafspraken, misbruik van economische machtsposities, concentratievorming. Mededelingen wet = NMa



Milieu beleid

Externe effecten: negatief (lozen van afvalstoffen) geen plaats in afweging van onderneming(extern), positief (huizen met mooi aangelegde tuinen). Duurzame ontwikkeling: de huidige generatie zo omgaat met de schaarse middelen dat het behoud van natuur, hulpbronnen en milieu voor de toekomstige generaties is verzekerd.



Advies instellingen

CPB: centraal plan bureau, opstellen van voorspellingen. SER: sociaal economische raad.



Hoofdstuk 10 Macro-economie



Macro-economie

1 Consumptie huishoudingen: groepen personen in hun rol van consument, 2 ondernemingen: brengen met behulp van de productie factoren goederen en diensten voort, 3 collectieve sector: rijksoverheid, gemeenten, provincies en instellingen die de sociale zekerheid uitvoeren, 4 financiële instellingen: pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen en banken. Ontvangen besparingen van andere sectoren in de economie en lenen geld aan die sectoren, 5 het buitenland: verzamelnaam van alle buitenlandse bovengenoemde dingen waarmee ons land transacties aangaat.



De toegevoegde waarde

Gelijk aan het verschil tussen de marktwaarde van de productie en gebruikte grond- en hulpstoffen en diensten van derden.

Marktwaarden

Verbruik grondstoffen -

Ingekochte diensten van derden -

Toegevoegde waarde

Sommige fabrieken verbruiken buiten grond- en hulpstoffen ook een van de waarde van de vaste kapitaalgoederen (de machines en gebouwen). Dit is afschrijving.

Bruto toegevoegde waarde

Afschrijvingen -

Netto toegevoegde waarde

Als we toegevoegde waarde berekenen door uit te gaan van de marktprijzen of verkoopprijzen van de goederen, spreken we van de toegevoegde waarde tegen marktprijzen. Als we de kostprijsverhogende belastingen en de prijsverlagende subsidies weglaten uit de marktprijzen, spreken we van de toegevoegde waarde tegen factorkosten. Deze bereken je als volgt:

(bruto/netto) Toegevoegde waarde tegen marktprijzen

Kostprijsverhogende belastingen -

Prijsverlagende subsidies +

(bruto/netto) Toegevoegde waarde tegen factorkosten

We stellen de netto toegevoegde waarde van de overheid gelijk aan de salarissen van de ambtenaren die de overheid in een jaar uitbetaald.

Netto toegevoegde waarde van de overheid

Afschrijvingen van de overheid -

Bruto toegevoegde waarde van de overheid



Nationaal inkomen

De som van de primaire inkomens, gecorrigeerd door de primaire inkomens naar en van het buitenland, is gelijk aan het nationaal inkomen. Verschil tussen binnenlands product en nationaal product ontstaat doordat de productie in elk land voor een deel plaatsvindt met buitenlandse productiefactoren. Netto nationaal product = nationaal inkomen.



Categoriale inkomensverdeling

Is de verdeling van het nationaal inkomen over de inkomenscategorieën (loon, pacht en huur, interest en winst).

De totale loonsom

Loonsquote = Nationaal inkomen

Loonsom in de ondernemingen en financiële instellingen + toegerekend arbeidsinkomen zelfstandigen

Arbeidsinkomensquote = Netto toegevoegde waarde van ondernemingen en financiële instellingen



Bestedingen

Een investering in vaste kapitaalgoederen is een uitbreidingsinvestering of een vervangingsinvestering. Als vervangingsinvesteringen niet worden meegeteld, spreken we van netto-investeringen, anders van bruto-investeringen.



Staat van Middelen en Bestedingen

Consumenten+Investeringen+Ondernemingen+Export-iMport=YNationaal inkomen



Macro-economische identiteiten

Zijn per definitie waar; hebben geen verklarende betekenis



Het officieuze circuit

Zwart: dit bestaat uit transacties die in strijd zijn met de wet en transacties waarvan het inkomen niet bij de Belastingsdienst is opgegeven.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.