Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 7

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 2321 woorden
  • 27 april 2013
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Economie


Hoofdstuk 7: Productie in beweging: groei en conjunctuur



7.1 Soorten bewegingen


Er zijn in de economie verschillende soorten bewegingen. Hierbij onderscheiden we:


-          De trendbeweging


-          De conjunctuurbeweging


-          De seizoensbeweging


-          Incidentele bewegingen



De trendbeweging


Met trend wordt de algemene richting bedoeld waarin een variabele zich beweegt.


Als het inkomen per hoofd in honderd jaar groeit van €157 tot €25063, betekent dat een gemiddelde groei van ruim 5% per jaar.


In westerse landen is er de afgelopen eeuwen spraken van voortdurende groei. Daarom spreken we van een groeitrend. Ook komt het af en toe voor dat de trend ruw onderbroken wordt; bijvoorbeeld de tweede wereldoorlog. Dat heet een trendbreuk.



De conjunctuurbeweging


Het komt zelden voor dat de groei in een bepaald jaar precies op het gemiddelde zit. Sommige jaren zijn hoger, en sommige lager. De schommelingen in de feitelijke groeicijfers van het nationaal product rond de groeitrend noemen we de conjunctuurbeweging.



Seizoensbewegingen


Binnen de periode van een jaar vind je de seizoensbeweging. De jaargetijden veroorzaken pieken in een aantal bedrijfstakken. Bijvoorbeeld bij de horeca in de zomer en schaatsbanen in de winter.



Incidentele bewegingen


Door allerlei incidenteel optredende factoren kan de economie beïnvloed worden. Een land dat zich in (burger)oorlog bevindt, zal de weerslag op de productie voelen. Natuurrampen kunnen de economie veel schade toebrengen, maar ook leiden tot flinke investeringen.



7.2 De productiecapaciteit


De productiefactoren (arbeid, kapitaal, natuur en ondernemersactiviteit) à productieproces à productie.


De ondernemer combineert de productiefactoren en brengt zo een bepaalde productie tot stand.




  • Onder de productiecapaciteit verstaan we de maximale hoeveelheid goederen en diensten die een land op korte termijn kan voortbrengen.



Een eenvoudig model van de productiecapaciteit


AA = het arbeidsaanbod: de beroepsbevolking (de feitelijk werkenden + de werklozen)


K = kapitaalgoederenvoorraad (de waarde van de aanwezige kapitaalgoederen)


a = gemiddelde arbeidsproductiviteit


k = gemiddelde kapitaalproductiviteit



De gemiddelde arbeidsproductiviteit (a) is de waarde van de productie per hoeveelheid arbeid. De arbeidsproductiviteit kan per arbeidsuur, maar ook per arbeidsjaren gaan. Als bekend is hoe groot de beroepsbevolking is, kan worden uitgerekend hoe groot de productie zou zijn, als iedereen is ingeschakeld.



Maximale productievolgens arbeid = AA x a



Niet alleen met de productiefactor arbeid maar ook met de productiefactor kapitaal moet gewerkt worden. Hoeveel er met de kapitaalgoederenvoorraad kan worden gemaakt hangt af van de gemiddelde kapitaalproductiviteit (k). Onder de kapitaalproductiviteit verstaan de waarde van de productie per hoeveelheid kapitaal. (Stel dat de kapitaalproductiviteit 1/3 is, dat betekent dat er met elke euro 0,33 cent productie tot stand kan worden gebracht.)


Maximale productievolgens kapitaal = K x k



Vb.          Maximale productievolgens arbeid = 6,5 miljoen x €50000 = €325 miljard


                Maximale productievolgens kapitaal = €900 miljard x 1/3 = €300 miljard


In dit voorbeeld is kapitaal de knelpuntsfactor.



De knelpuntsfactor bepaalt de omvang van de productiecapaciteit. In het voorbeeld is de productiecapaciteit €300 miljard. Dan kunnen we zeggen dat kapitaal de schaarste factor is. Dan spreken we van kapitaalschaarste. Als arbeid de schaarste factor zou zijn, zouden we spreken van arbeidsschaarste.



Theoretische productiecapaciteit is de maximale productie die gehaald kan worden als de aanwezige productiemiddelen zo volledig mogelijk worden benut. Dit gebeurt natuurlijk maar zelden, daarom wordt er uitgegaan van productiecapaciteit op normale bezetting.




  • De arbeidscoëfficiënt geeft aan hoeveel eenheden arbeid er nodig zijn om €1 eindproduct te maken. Arbeidscoëfficiënt = hoeveelheid arbeid / productiewaarde.

  • De kapitaalcoëfficiënt geeft aan hoeveel


eenheden kapitaal nodig zijn om €1 eindproduct te maken.


Kapitaalcoëfficiënt = hoeveelheid kapitaal / productiewaarde.




Toename van de productiecapaciteit


Op korte termijn wordt de productie (inkomen) beperkt door de productiecapaciteit. Op de lange termijn kan de capaciteit toenemen. De productiecapaciteit wordt bepaald door de kwantiteit en de kwaliteit van de aanwezige productiefactoren.



Arbeid


Kan in hoeveelheid veranderen door:


-          Een toename of afname van de bevolking


-          Een toename of afname van de participatiegraad


De kwaliteit kan ook veranderen, door bijvoorbeeld scholing. Scholing à investering in menselijk kapitaal à human capital. Maar kwaliteit kan ook veranderen door arbeidsverdeling à specialisatie.



Kapitaal


Kapitaalvoorraad neemt toe door investeringen à investeringsklimaat is van belang à geheel van factoren die of een ondernemer al dan niet investeert (belastingdruk, goede infrastructuur, goed geschoolde beroepsbevolking & nabije afzetmarkt). Gunstig investeringsklimaat bevordert de investeringen en daarmee de productiecapaciteit.


Kwaliteit wordt bepaald door technische ontwikkelingen. à mechanisatie (machines nemen menselijke handelingen over) en automatisering (machines besturen zichzelf) à hierdoor productiviteit van de factor kapitaal sterk verbeterd.  à vooral door introductie computer.


Mogelijkheid om productiefactor kapitaal beter te benutten is ploegendiensten, hierdoor kan ook s’ avonds en in het weekend worden gewerkt à constante kosten per eenheid product kunnen dan omlaag.



Natuur


Door inpoldering à hoeveelheid Nederlandse landbouwgrond toegenomen.


Door onderzoek + stijgende energieprijzen à steeds meer natuurlijke hulpbronnen rendabel te exploiteren.


Kwaliteit van de grond kan worden verbeterd door drainage en diepontwatering.



Ondernemersactiviteit


Fusie met ander bedrijf kan de schaal van de productie verhogen à daarmee kosten verlagen à kapitaalgoederenvoorraad kan beter benut worden door ploegendiensten.



Innovaties


Een innovatie is de (succesvolle) introductie van nieuwe vindingen in het productieproces.


Bij een innovatie gaat het om het toepassen van een nieuwe vinding. à bijvoorbeeld betere kapitaalgoederen (computers), of introductie nieuw product (vliegverkeer).


Innovaties ie van veel belang zijn geweest en die vaak vele andere innovaties oproepen, worden basisinnovaties genoemd. à bijvoorbeeld radio’s, vliegtuigen, spoorwegen.


7.3 De effectieve vraag


In mate waarin de productiecapaciteit wordt benut, noemen we de bezettingsgraad.



De totale (macro-economische) vraag wordt effectieve vraag genoemd. Dit bestaat uit de volgende onderdelen:


-          De gezinsconsumptie


-          De bedrijfsinvesteringen


-          De overheidsbestedingen


-          Het saldo van export en import



De gezinsconsumptie


De consumptieve uitgaven hangen van een aantal factoren af.


-          Inkomen à belangrijkste. à grotendeels inkomen uit arbeid, kleiner gedeelte uit spaartegoed waar rente over wordt ontvangen. à ander deel is uitkeringen.


-          Rentestand à gezinnen die geld willen lenen om grote uitgaven te financieren kunnen een persoonlijke lening afsluiten.


-          Verwachtingen à als consumenten de toekomst zonnig inzien en aannemen dat hun inkomen de komende tijd zal stijgen, zijn ze eerder bereid schulden te maken en grote uitgaven te doen dan bij veronderstelde sombere vooruitzichten.



De bedrijfsinvesteringen


-          Het verwachte rendement op de investering à een ondernemer maakt schatting van afzet, prijzen & kosten à met behulp van deze ramingen kan hij uitrekenen wat de investering hem opbrengt.


-          Rentestand à hoe hoger de marktrente, hoe minder de kans er is dat het rendement op een


investering boven die marktrente uitkomt.


à hoge rentestand à uiteindelijke kosten investering omhoog. à


ontmoedigt investeringen.


à lage rentestand à uiteindelijke kosten investering omlaag.  à moedigt investeringen aan.



-          De verwachte economische groei à Als verwacht wordt dat het nationaal inkomen zal groeien, zullen ook meer kapitaalgoederen nodig zijn om die productie tot stand te brengen. Bedrijven dan genoodzaakt om te investeren.


-          De bezettingsgraad van de kapitaalgoederenvoorraad à flinke economische groei, maar kapitaalgoederenvoorraad is de laatste jaren behoorlijk onderbezet, zullen ondernemers wachten met investeren totdat de vraag naar goederen + diensten de productiecapaciteit nadert/overschrijdt. à dan pas weer investeren.



De overheidsbestedingen


Overheidsbestedingen à jaarlijks door parlement + kabinet voor komende jaar vastgesteld.


Korte termijn à overheidsbestedingen bepaald door politieke besluitvorming, standpunten politieke partijen spelen belangrijke rol.



Het saldo van de import en export


Export onder meer afhankelijk van:


-          Het inkomen van het buitenland, vooral in landen waarnaar we veel uitvoeren


-          De prijs van onze exportgoederen ten opzichte van de prijs van concurrerende producten uit het buitenland.


-          De voorkeur die er in het buitenland bestaat voor onze producten boven die uit andere landen.


-          Voor handel met niet-eurolanden: de hoogte van de wisselkoers.



Import is onder meer afhankelijk van:


-          Ons eigen nationaal inkomen: hoe hoger ons inkomen, des te meer producten kopen we in het buitenland.


-          De prijs van buitenlandse producten ten opzichte van die van ons eigen producten


-          Onze voorkeur voor buitenlandse producten


-          Voor handel met niet-eurolanden: de hoogte van de wisselkoers.





7.4 Economische groei


Inflatie is een stijging van het algemeen prijspeil.


Het indexcijfer dat het algemeen prijspeil weergeeft, is samengesteld uit de prijzen van een pakket consumptiegoederen à consumentenprijsindex. Het algemeen prijspeil wordt weergegeven met behulp van indexcijfers ten opzichte van een te kiezen basisjaar.





Het reëel nationaal inkomen is het voor inflatie gecorrigeerde nationaal inkomen.


Het inkomen is euro’s van een bepaald jaar noemen we het nominaal inkomen.


Economische groei is een toename van het reëel nationaal inkomen.



Groei reële inkomen berekenen à indexcijfers.


Indexcijfer reëel inkomen  x 100





Economische groei op lange termijn



Op lange termijn speelt ook de bevolkingstoename een rol. Daarom wordt op lange termijn meestal gekeken naar de groei van het reële inkomen per hoofd van de bevolking.








Grenzen aan de groei


Negatieve externe effecten van de productie zijn: vervuiling op allerlei gebied en uitputting van de grondstoffenvoorraden. Oplossingen à zo weinig mogelijk afval produceren en niet in wilde weg dumpen.


Maatregelen om de milieuschade te beperken, stuiten vaak op weerstanden. Eén probleem is de internationale concurrentiepositie. Als andere landen minder ingrijpende maatregelen nemen dan Nederland, worden Nederlandse bedrijven met relatief hoge kosten geconfronteerd en zullen zij de productie wellicht naar het buitenland verplaatsen. à ten koste van werkgelegenheid.



7.5 De conjunctuurbeweging




In de opgaande fase van de conjunctuurbeweging, dat ook wel hausse wordt genoemd, groeit het nationaal product


harder dan gemiddeld. In de fase van hoogconjunctuur is er zelfs kans op overbesteding.


Na verloop van tijd is de top (hoogconjunctuur) wel bereikt en gaan de groeicijfers afnemen, het is zelfs mogelijk dat de economie in een recessie belandt. à de situatie dat de economie twee kwartalen achter


elkaar negatieve groeicijfers laat zien.


Als de recessie lang aanhoudt wordt het ook wel een depressie genoemd. Als de beroepsbevolking flink blijft toenemen, neemt de werkloosheid toe. Verder is de opwaartse druk op de prijzen sterk verminderd (de bezettingsgraad neemt af), zodat de inflatie terugloopt. In deze situatie is onderbesteding in de meeste gevallen het gevolg. à onderbesteding is de situatie waarin de effectieve vraag onder de normaal bezette productiecapaciteit ligt. à de druk op de prijzen is dan geheel weggevallen, en de kans bestaat dat er deflatie – een algemene prijsdaling – optreedt.




De registratie van de conjunctuurbeweging


Een conjunctuurindicator is een mix van een aantal economische variabelen, zoals de industriële productie, de invoer, de orderportefeuille van bedrijven en de hoeveelheid in omloop zijnd geld, waarmee de conjunctuur kan worden gemeten.



Conjunctuurpolitiek


De Engelse econoom John Maynard Keynes (1883-1946) heeft de stoot gegeven tot de conjunctuurpolitiek. Tot het eind van de jaren vijftig streefden overheden naar een evenwichtige begroting. Keynes vond dat je je niet willoos door de conjunctuurgolf moest laten meeslepen, maar de economie moest proberen te beïnvloeden.



In de fase van laagconjunctuur bestond er een gebrek aan effectieve vraag. In zo’n geval zou de overheid het heft in handen moeten nemen en zelf de effectieve vraag ‘oppeppen’. Dat kan door zelf meer uitgeven (meer ambtenaren aannemen). Een andere manier is belastingen verlagen.


In beide gevallen kan er een tekort op de overheidsbegroting ontstaan, Keynes vond dat geen probleem. De economische groei die door deze politiek zou ontstaan, brengt ook weer belastingen in het laatje. Bovendien in hoogconjunctuur zou de omgekeerde gedragslijn moeten worden gevolgd.



Bij hoogconjunctuur is de effectieve vraag zo groot dat de productiecapaciteit bereikt is of zelfs overschreden wordt. Overheid à belastingen verhogen, uitgaven matigen à effectieve vraag vermindert.


Het beleid waarbij de overheid de effectieve vraag probeert te beheersen door tegen de conjunctuurgolf in te gaan, wordt anticyclische begrotingspolitiek genoemd.


Deze politiek is geen succes geworden. Redenen:


-          De openheid van de Nederlandse economie. à Zeer groot deel Nederlandse productie wordt uitgevoerd. à dit deel ligt buiten de invloedssfeer van de overheid.


-          Het probleem van de timing. à conjunctuurgolf is verre van regelmatig


-          Opwaartse druk op de overheidsuitgaven. à Als de economie zich in een recessie bevindt, zullen maatregelen om de overheidsuitgaven te verhogen en de belastingen te verlagen, weinig weerstand ontmoeten. Er ontstond grote maatschappelijke weerstand.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.