Hoofdstuk 6 De oude dag

Beoordeling 7.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 694 woorden
  • 1 februari 2015
  • 6 keer beoordeeld
Cijfer 7.9
6 keer beoordeeld

Hoofdstuk 6

Paragraaf 1

Je  AOW-uitkering bouw je op  vanaf 15 tot 65 jaar: 2% per jaar dat iemand in Nederland woont. In Nederland is het sociaal minimum vastgesteld op 70% van het minimumloon. Voor gehuwden of samenwonenden is de AOW-uitkering 100% van het minimumloon.

Bij de invoering van de AOW werd nagedacht over hoe deze gefinancierd moest worden. Er werd gekozen voor een  uitkering op basis van een verzekering, waarvoor dus premie moet worden betaald.

Er zijn twee mogelijkheden om de benodigde premie binnen te krijgen:

  • Het kapitaaldekkingsstelsel. Hierbij wordt iedereen die een inkomen heeft gedwongen een premie te betalen om op zijn oude dag verzekerd te zijn van een inkomen. Dan is er voldoende kapitaal voor de oude-dagsuitkeringen.

  • Het omslagstelsel. De premies die nodig zijn om de uitkeringen in een bepaald jaar te betalen worden omgeslagen over de personen die in dat jaar een inkomen verdienen.

(Bij de in voering van de AOW is toen gekozen voor het omslagstelsel omdat ze zo snel mogelijk die uitkering wilde realiseren. Wanneer men had gekozen voor het kapitaaldekkingsstelsel had men een flink aantal jaren een dubbele premie moeten betalen.)

Bij de AOW geldt een premie-inkomensgrens (boven een bepaald inkomen stijgt de premie niet verder). Voor de berekening van de AOW-premie in 2013 neem je 17,9% van het inkomen en trekt daar € 969 vanaf.

Wanneer de opbrengst van de premies niet genoeg is om de uitkeringen te financieren wordt de rest betaald uit de algemene belastingen.

Uitkeringen kunnen waardevast of welvaartsvast zijn:

  • Bij waardevast stijgt de uitkering mee met de inflatie, zodat de koopkracht gelijk blijft.

  • Bij welvaartsvast stijgt de uitkering mee met het welvaartsniveau. Deze soort stijgt dus meer dan de waardevaste uitkering, maar als het slechter gaat met de welvaart daalt deze ook sneller dan de waardevaste uitkering        

Paragraaf 2

Sommige mensen sparen vrijwillig voor een uitbreiding op de AOW-uitkering, maar meestal is dit verplicht (= gedwongen besparingen). Dit wordt geregeld via pensioenfondsen. Voor elke bedrijfstak is er een apart pensioenfonds. De pensioenuitkering is geen vervanging van, maar een aanvulling op de AOW-uitkering. Iemand die 40 jaar premie betaalt, krijgt een zodanige aanvulling op de AOW, dat het totaal inkomen 80% van het gemiddeld verdiende loon bedraagt.

De betaalde pensioenpremie is aftrekbaar voor de belastingen, maar over de pensioenuitkering wordt wel belasting betaald.
Pensioen is uitgesteld loon, in principe ruil je over de tijd. Nu betaal je premie en later krijg je er een uitkering voor terug.

De pensioenfondsen beheren de betaalde pensioenpremies en ze betalen de uitkeringen. De ontvangen premiegelden worden belegd in onder andere:

  • Aandelen -> bewijzen van mede-eigendom in een onderneming

  • Obligaties -> schuldbewijzen met een vaste looptijd en een vaste rente (minst risicovol)

  • Onroerend goed

De pensioenfondsen willen een zo groot mogelijk rendement halen op hun beleggingen. Daarbij moeten ze letten op de risico’s die ze lopen. Dekkingsgraad is een maatstaf waarin het vermogen
(= ontvangen premies en opbrengsten van beleggingen) wordt vergeleken met de verplichtingen
(= de uitkeringen die moeten worden betaald).

Verplichtingen omrekenen naar het heden noem je contant maken. (A = € 1000 / 1,05 = …. Contante waarde van de toekomstige verplichting)

Dekkingsgraad = vermogen / contant gemaakte uitkeringen • 100%

Paragraaf 3

Wie AOW en/of bedrijfspensioen te laag vindt, kan extra sparen voor de oude dag. je kunt alleen sparen als je een deel van je inkomen niet uitgeeft. Door sparen vorm je vermogen waardoor later extra uitkering mogelijk is. Je kunt je spaargeld op verschillende manieren vastleggen: bij een bank op een spaarrekening, door te beleggen in effecten (obligaties en aandelen), door zelf een pensioenverzekering af te sluiten, of door het aflossen van de hypotheek op de eigen woning.


Paragraaf 4

image?w=152&h=27&rev=1&ac=1image?w=152&h=27&rev=1&ac=1image?w=152&h=27&rev=1&ac=1image?w=243&h=32&rev=1&ac=1

Voor zorgkosten die niet individueel verzekerbaar zijn, kan een beroep worden gedaan op de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De AWBZ is een volksverzekering en geldt dus voor iedereen. Vooral ouderen doen beroep op deze verzekering.

Proportioneel -> doordat de hoger inkomens een hoger percentage aan belasting betalen dan de lagere inkomens verandert de verhouding tusse4n de hoge en lage inkomens ten gunste van de lage inkomen (nivellering)
Degressief -> je betaalt procentueel minder als je inkomen stijgt (denivellering)
Progressief -> gemiddelde belastingsdruk is voor iedereen hetzelfde



 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.