Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Hoofdstuk 6

Beoordeling 5.6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 592 woorden
  • 25 augustus 2002
  • 76 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.6
  • 76 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ECONOMIE HOOFDSTUK 6

Bronnen en inkomen:
Productiefactor Beloning
Natuur pacht/huur
Arbeid loon
Kapitaal rente
Ondernemersactiviteit winst
netto-toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde - afschrijvingen.

Produceren is niets anders dan met productiefactoren waarde toevoegen aan ingekochte grondstoffen, hulpstoffen (energie), halffabrikaten en diensten van derden.
Hulpstoffen worden niet in het eindproduct verwerkt, grondstoffen en halffabrikaten wel.

Diensten van derden: een onderneming maakt gebruik van een andere onderneming; reclamebureau of transportbedrijf.


Afschrijvingen: kosten die samengaan met de waardevermindering van kapitaalgoederen.

Nationaal product: de waarde van de totale productie in een land in een jaar.
Nationaal inkomen: het totaal aan inkomsten van de inwoners van een land in een jaar.

Aftrekposten: beroepskosten, reiskosten, persoonlijke verplichtingen, hypotheekrente,
buitengewone lasten.

Progressief tarief: het belastingspercentage dat je over je gehele inkomen betaalt, stijgt naarmate je inkomen hoger wordt.
Rechtevenredig tarief: je belastingspercentage blijft gelijk, maakt niet uit hoe hoog je inkomen.
Degressief tarief: Hoe meer je gaat verdienen, hoe minder belastingspercentage je hebt.

Inkomensnivellering: de progressie in de inkomstenbelasting heeft dus tot gevolg dat de inkomensverschillen na de belastingheffing kleiner zijn dan ervoor. Als de inkomensverschillen kleiner worden, in er inkomensnivellering.
Inkomensdenivellering: als de inkomensverschillen groter worden.


Marginale tarief: het belastingtarief voor een extra gulden die je verdient.
Marginale druk: als we bij een stijging van het bruto inkomen rekening houden met progressie en subsidies.

Zeven oorzaken van inkomensverschillen:
• Schaarsteverschillen (aantal mensen met goede opleiding = schaars)
• Verwervingsverschillen (scholing en ervaring)
• Productiviteitsverschillen (mensen moeten hun geld waard zijn)
• Inspanningsverschillen (doorzettingsvermogen)
• Verantwoordelijkheid
• Machtsverschillen
• Vermogensverschillen

Stukloon: het loon is afhankelijk van het aantal geleverde prestaties.

Primair inkomen: het inkomen dat je krijgt als beloning voor het ter beschikbaar stellen van productiefactoren. Dit is het inkomen dat bestaat uit loon, pacht/huur, rente en winst.
Uit het primair inkomen berekenen we het secundair inkomen door rekening te houden met:
inkomensoverdrachten van gezinnen aan overheid of overheid aan gezinnen.

Verschil netto inkomen en secundair inkomen:
• Netto inkomen = bruto inkomen – inkomstenbelasting en sociale premies.
• Secundair inkomen is het besteedbaar inkomen.

Koopkracht: het reëel vrij beschikbare inkomen
Reëel: gecorrigeerd voor prijsveranderingen.
Vrij beschikbaar: er is rekening gehouden met belastingen, sociale premies, subidies…

Lorenz-curve: geeft grafisch de personele inkomensverdeling weer in een land in een bep. jaar.

Inkomensverschillen hebben de volgende gevolgen:
• Prikkel om een prestatie te leveren
• Prikkel om mobiliteit te vergroten
• Een rechtvaardige inkomensverdeling
• Migratie

Maximumprijs: de hoogste prijs waartegen een goed mag worden verkocht. Het is ter bescherming van de consumenten.
Minimumprijs: is de laagst mogelijke prijs waartegen een goed mag worden verkocht. Het is ter bescherming van de aanbieders.
Maximum en minimum prijzen: interventieprijzen, omdat de overheid op de markt intervenieert.

Buffervoorraden: door teveel van een goed aan te bieden, wordt de prijs anders. Als je de helft opslaat, blijft de prijs gelijk. Heb je te weinig, kan je die opgeslagen hoeveelheid weer gebruiken, waardoor de prijs gelijk blijft.

Motieven om een vergunning aan te vragen: overlast voorkomen, gezond leefmilieu behouden.

Quotum: een maximale hoeveelheid.

Exportquota: op deze manier beperken landen het aanbod op de wereldmarkt.

Convenant: een afspraak van de overheid met het bedrijfsleven om tot zelfregulering (eigen regels) te komen.

Schaarste: de spanning tussen behoefte en middelen om in de behoefte te voorzien.

Welvaart: de mate waarin in behoeften wordt voorzien d.m.v. productiefactoren.

Merit goods:
• Huursubsidie
• Subsidies voor sport en cultuur
• Subsidies voor milieubehoud
• Subsidies voor onderwijs


Omzet = aantal verkochte producten x verkoopprijs

Netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde – afschrijvingen

Bruto Nationaal Product = alle bruto
toegevoegde waarden optellen.

Bruto inkomen – aftrekposten = belastbaar inkomen – belasting vrije som = belastbare som

Secundair inkomen = primair inkomen – belastingen – sociale premies + subsidies +
sociale uitkeringen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.