Ben jij weleens opgelicht?

Wij doen onderzoek naar online oplichting onder jongeren. Vul de vragenlijst in (ca 5 min) en maak kans op een Bol.com bon van 25 euro (echt waar!)

Hoofdstuk 5

Beoordeling 5.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 386 woorden
  • 25 augustus 2002
  • 74 keer beoordeeld
Cijfer 5.1
74 keer beoordeeld

Economie Hoofdstuk 5 Eenmanszaak: als een onderneming maar 1 eigenaar heeft. Die eigenaar heeft de leiding, is aansprakelijk met het hele vermogen. VOF: Vennoten onder Firma: een aantal vennoten brengt arbeid en vermogen in. Zo zijn de taken verdeeld en de firmanten kunnen zo overleggen. BV en NV: Besloten en Naamloze Vennootschap: de aandeelhouders zijn eigenaar. Rechtspersonen, dus nooit met privé-vermogen aansprakelijk. Aandelen NV verhandelbaar. Balans: een overzicht van de bezittingen en schulden op een bepaald moment. Credit: bronnen van waar het geld afkomstig is. Rechts. Debet: is te zien wat er met het vermogen is gedaan. Links. Resultatenrekening (Winst&Verlies rekening): daarop staan kosten en opbrengsten. Verschil RK en Balans: *Op balans bezittingen, op RK kosten en opbrengsten. *RK is over een bepaalde periode, balans is bepaald moment. Variabele kosten: kosten die variëren met de productieomvang. Constante kosten: kosten die niet variëren met de productieomvang. Break-even punt: het snijpunt van de TO-lijn en de TK-lijn. Factoren die vraag van consumenten bepalen: *preferenties *inkomen *prijs product *prijs andere producten *aantal vragers
Substitutiegoederen: als producten elkaar kunnen vervangen. Complementaire goederen: als producten elkaar aanvullen. Individuele vraagfunctie: het verband tussen de prijs en gevraagde hoeveelheid van 1 persoon. Collectieve vraagfunctie: alle individuele vraagfuncties bij elkaar opgeteld. Prijs inelastisch: het maakt niet uit hoeveel het kost, consumenten kopen het toch wel. Prijs elastisch: als het duurder wordt, dan is er minder vraag naar. Markt: samenhangend geheel van vraag naar/aanbod van een product. Concrete markt: een duidelijk aanwijsbaar geografisch bepaalde plaats. Vaste tijden. Abstracte markt: aanbieders en vragers komen elkaar zomaar tegen. Producenten hebben macht op de markt: *1 aanbieder *klein aantal aanbieders *verschillende uitvoeringen *aanbieders verkopen niet onder een prijs. Monopoliepositie: als een bedrijf de enige aanbieder is. Potentiële concurrenten: de mogelijkheid dat er concurrenten op de markt toe treden. Prijsoorlog: als 1 aanbieder tot een

prijsverlaging gaat en de concurrenten doen
dat ook. Kartel: overeenkomst tussen zelfstandige ondernemingen om concurrentie te vermijden. Prijskartel: ondernemingen spreken af niet te verkopen onder bepaalde prijs. Productiekartel: ondernemingen stellen vast hoeveel eenheden v/e product in een periode mag voortbrengen. Consumentenorganisaties doen: *warenonderzoek *info geven over product *juridisch bijstand leveren *overheid adviseren
Marketing-mix: Prijsbeleid, Productiebeleid, Promotiebeleid, Plaatsbeleid. Fusie: aantal onderneming gaan samen, vormen nieuwe onderneming. Overname: kleine onderneming wordt eigendom van grote onderneming. Sterke concentratie: markt wordt overheerst door aantal grote ondernemingen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.