Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Hoofdstuk 5 + 6

Beoordeling 4.9
Foto van Astrid
  • Samenvatting door Astrid
  • 3e klas havo | 681 woorden
  • 9 september 2014
  • 7 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.9
  • 7 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Hoofdstuk 5



Loondienst: Als je gedurende korte of langere tijd in dienst van iemand anders werkt en je ontvangst daarvoor een loon of salaris.

Werkgever: is degene voor wie je werkt.

Werknemer: degene die werkt en loon ontvangt.

Leggen samen afspraken vast over de arbeidsvoorwaarden in een arbeidsovereenkomst.

Primaire arbeidsvoorwaarden: de arbeidsvoorwaarden die betrekking hebben op de hoogte van het loon en de arbeidstijd.

Secundaire arbeidsvoorwaarden: arbeidsvoorwaarden die betrekking hebben op bijvoorbeeld pauzes, vakantieregeling, scholing en kinderopvang.

Ondernemingsplan: vermeldt de aanstaande ondernemer het doel van zijn onderneming, onderzoekt hij aan welke regels en voorschriften moet worden voldaan en welke vergunningen nodig zijn. Waaronder: de verwachte omzet, de verwacht inkoopprijzen, de hoogte van de Bedrijfskosten: kosten die nodig zijn om je bedrijf uit te oefenen en producten te kunnen verkopen. Bijv. huur, bezorgkosten, loonkosten, onvoorziene kosten.

Omzet: is het bedrag in geld dat de verkoper ontvangt van de kopers. Omzet = afzet x verkoopprijs

Afzet: de verkochte hoeveelheid.

Verkoopprijs:  het geld waarvoor je iets verkoopt.

Inkoopwaarde van de omzet: geeft aan wat een handelaar of winkelier zelf heeft betaald voor de producten die hij verkoopt. Het geld dat daarna over blijft is de brutowinst.

Brutowinst= omzet – inkoopwaarde van de afzet

Nettowinst: het geld dat over is als van de brutowinst de bedrijfskosten zijn afgetrokken.

Nettowinst: brutowinst – bedrijfskosten

Hoofdstuk 6

Creditzijde: staat hoe het vermogen verkregen is, de vermogensverkrijging.

Debetzijde: staat wet er met het vermogen is gedaan, de vermogensbesteding.

Bezittingen: bijv. transportauto, inventaris, de kas, communicatiemiddelen.

Eigen vermogen: het geld is van de eigenaar zelf.

Vreemd vermogen: het geld wordt geleend bij anderen (zoals familie, band, vrienden) wordt ook wel schulden genoemd.

Voorraadgrootheden: de waarde van de bezittingen en de grootte van het vermogen op een bepaald moment, in de loop van de tijd komen hier veranderingen in .

Balans: is een overzicht van de bezittingen en het vermogen van een onderneming op een bepaald moment.

Mutatiebalans: geeft weer welke balansposten met welk bedrag toe- of afnemen. Alleen de balansposten die veranderen en het bedrag waarmee ze veranderen nemen we op in de mutatiebalans.

Debiteuren: klanten die nog geld moeten betalen, het bedrag dat nog te vorderen is staat debet op de balans onder de balanspost debiteuren.

Crediteuren: is een leverancier (een persoon of bedrijf) aan wie moet worden betaald voor het leveren van een goed of een dienst.





Een crediteur staat aan de rechterkant ofwel aan de creditzijde van een balans

Resultatenrekening: is een overzicht van kosten en opbrengsten in een bepaalde periode, staan alleen financiële transacties die het eigen vermogen veranderen komen op de resultatenrekening.

Stroomgrootheid: is een grootheid die over een bepaalde periode wordt gemeten zoals kosten en opbrengsten.

Handelsonderneming: goederen worden ingekocht en zonder verdere bewerking weer verkocht.

Productieonderneming: dienstverlenende bedrijven en bedrijven die goederen maken, kopen de goederen of diensten die ze maken net eerst bij anderen in, ze maken ze zelf, ze kennen geen brutowinst, de omzet vermindert

Kostprijs: dat zijn de kosten per product.

Kosten: worden gedefinieerd als de offers die noodzakelijk zijn om een bedrijf te runnen.

Afschrijven: het doorberekenen van de waardevermindering van bezittingen die een aantal jaren meegaan.

Privéopname: als je geld uit de zaak haalt en het gebruikt voor een privé-uitgave bijv. uiteten gaan, een feest geven etc.

Privéstorting: Als je geld in je eigen bedrijf stort, invloed op het eigen vermogen, geen invloed op de winst, op de resultatenrekening verandert er niets want het zijn geen kosten.

Btw: Belasting over de Toegevoegde Waarde:  is een belasting die consumenten moeten betalen over de producten die zij kopen. Normaal altijd 21% btw. Behalve bij huur en medische zorg zijn zonder btw. De kapper, eerste levensbehoeften, boeken en diensten van de kapper, fietsreparaties 6% btw.

Btw bij een bedrag inclusief btw

Voorbeeld IPad  €479,- inclusief 21% btw.

Wat is het bedrag aan btw?

479:121x21= €83,13

Prijs product : 100 + aantal procent btw x aantal procent btw



Btw bij een bedrag exclusief btw

Voorbeeld sportschoenen €120,- exclusief 21% btw.

 Wat is de prijs inclusief de btw?

120:0,21= €25,20 dus 120+25,20= €145,20

Prijs product: (aantal procent btw: 100)= bedrag aan btw


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Astrid