Doe mee met Markteffect's studiekeuze-onderzoek
Maakt niet uit of je je studie al gekozen hebt. Win één van de 200 (!) cadeaubonnen van €25

Meedoen

Hoofdstuk 4

Beoordeling 5.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1448 woorden
  • 7 februari 2016
  • 2 keer beoordeeld
Cijfer 5.5
2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Check check, dubbelcheck!

Heb jij tweestapsverificatie al ingesteld op je accounts? Tweestapsverificatie is jouw tweede slot op de deur 🔐. Met tweestapsverificatie heb je 99,9 procent minder kans dat je account gehackt wordt. Check hoe jij je accounts beter kunt beveiligen!

Meer informatie

 

Samenvatting Hoofdstuk 4; Aan 't werk

Boek: 200% Economie 4 mavo/tl
 

Paragraaf 1; productie

Produceren
Het maken van goederen en het verrichten van diensten.
voorbeelden van productie zijn:
*Het bakken van een taart (= het maken van een product)
*Het schilderen van een huis (= een dienst verrichten)
*Je haren laten knippen door een kapper (= een dienst verrichten)

 

De overheid, bedrijven en consumenten kunnen goederen en diensten maken.

Productie in ruime zin
Productie in ruime zin zijn alle producten samen.
 

Productie in enge zin
Betaalde productie die geregistreerd wordt en daarom bekend is bij de overheid. (Als economen het over produceren hebben, bedoelen ze meestal productie in enge zin.

 

Je kunt productie indelen in formele productie en informele productie.

Formele productie
Productie die plaatsvindt bij bedrijven en de overheid.

Informele productie
Is de niet officieel geregistreerde productie.
*Vrijwilligerswerk
*huishoudelijk werk
*Werk waarbij je in natura betaald wordt; Betaald worden in goederen of diensten in plaats van geld.
*Zwart werk; Als je geen belasting betaalt over je inkomsten.

 

 

Als je als bedrijf wilt produceren, maak je gebruik van productiefactoren.
Natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap.
 

Het gebruiken van productiefactoren is niet gratis, er hoort een beloning bij;
*Natuur = pacht
*Arbeid = loon
*Kapitaal = rente
*ondernemerschap = winst

 

Kapitaalintensief
Productie met naar verhouding veel machines en weinig arbeiders.

Kapitaalextensief
Productie waarbij  in verhouding weinig kapitaalgoederen worden gebruikt.

Arbeidsintensief
Als een bedrijf juist veel arbeid voor de productie gebruikt.

 

Kapitaalgoederen
Goederen waarmee je andere goederen kunt produceren, zoals machines.
 

Investeren
Het kopen van nieuwe kapitaalgoederen door bedrijven.

 

Omdat arbeid veel geld kost in Nederland, zie je dat veel arbeidsintensieve bedrijven naar landen gaan waar de lonen lager zijn.

 

 

 

Bedrijfskolom
De bedrijven die na elkaar meewerken bij de productie van grondstof tot eindproduct.

  1. Bedrijf levert grondstof
  2. Ander bedrijf vervoert de grondstof naar een ander bedrijf
  3. Dat bedrijf maakt er een product van

 

Elk bedrijf in een bedrijfskolom voegt wat waarde toe. Het product wordt dus steeds duurder. Bedrijven zijn vaak gespecialiseerd in een klein onderdeel van het productieproces.

 

Bedrijfstak
De bedrijven die het zelfde soort productie hebben.
Voorbeeld: landbouw. Tot deze bedrijfstak behoren alle boerderijen.

Binnenlands product
De waarde van alle productie door bedrijven en overheid in een land.
*Deze waarde is gelijk aan het nationaal inkomen.

Wanneer spreken we van economische groei?
Als bedrijven meer gaan produceren, waardoor het binnenlands product toe neemt.

 

Meeste bedrijven willen groeien. Dit kan verschillende betekenissen hebben;
*Meer omzet maken
*Meer winst maken
*Meer vestigingen openen

 

Waarom willen bedrijven groeien?
Om de concurrentie met andere bedrijven aan te kunnen. Managers proberen de arbeidsproductiviteit in hun bedrijf daarom zo hoog mogelijk te krijgen.

 

Arbeidsproductiviteit
De productie die een werknemer in een bepaalde tijd kan verrichten. De arbeidsproductiviteit kun je berekenen als Aantal producten per uur, maar ook als de waarde van de productie per uur.

Hoge arbeidsproductiviteit; Werknemers maken veel producten per tijdseenheid. De loonkosten per product zijn dan laag. Hoe hoger de arbeidsproductiviteit is van een bedrijf, hoe hoger de concurrentiekracht.
(= de mate waarin een bedrijf weet te concurreren met andere bedrijven)

Lage arbeidsproductiviteit; Werknemers maken weinig producten per  tijdseenheid. De loonkosten per product zijn dan hoger.

Om de concurrentiekracht op peil te houden, moeten bedrijven innoveren.

Innoveren
Het ontwikkelen van nieuwe ideeën, werkmethodes of producten.

 

Bij nieuwe werkmethodes wordt werk vaak gemechaniseerd of geautomatiseerd.

Mechanisering
Alles dat eerst door mensenhanden werd gedaan, wordt overgenomen door machines.

Automatisering
Denkwerk wordt vervangen door computers.

 

 

 

 

 

Technische arbeidsverdeling
De arbeidsverdeling binnen een bedrijf.
Werknemers hebben zich gespecialiseerd in een deel van het werk.

*Voordeel:
1) Hierdoor gaat het tempo van het werk omhoog, waardoor de arbeidsproductiviteit stijgt.
2) Producten worden vaak goedkoper en beter.

*nadeel:
1) Het werk kan saai en eentonig worden.
2) Als bedrijf ben je afhankelijk van andere bedrijven.

 

Werk kan ook worden verdeeld naar geslacht en cultuur. Zo zijn er typische banen voor mannen en typische banen voor vrouwen.

 

Maatschappelijke arbeidsverdeling
Het werk wordt verdeeld tussen de bedrijven, de overheid en andere organisaties.

voorbeeld: de overheid zorgt voor de aanleg van wegen, maar de uitvoering hiervan gebeurd door verschillende bedrijven.

Regionale arbeidsverdeling
De arbeidsverdeling tussen regio’s, gebieden.

Internationale arbeidsverdeling
De arbeidsverdeling tussen landen. De arbeiders in een land gaan zich specialiseren in de productie van goederen die ze goed en goedkoop kunnen maken.

 

 

 

Waar een bedrijf zich vestigt is afhankelijk van verschillende factoren:

*de kosten; Bij een arbeidsintensief bedrijf is de hoogte van de loon belangrijk. Als de lonen in een buitenlands land lager zijn, vestigt een bedrijf zich daar liever. Ze nemen daar mensen aan die goedkoper zijn.

 

*Een bedrijf kiest een vestigingsplek op basis van de aanwezigheid van grondstoffen, kwaliteit, van de infrastructuur, politieke zekerheid, klimaat en grondsoort.

Paragraaf 3; We Gaan Ondernemen

Ondernemer
Iemand die een bedrijf heeft.

Afzet
Aantal verkochte producten.
*Voorbeeld: Als een oliebollenkraam op 1 dag 100 oliebollen verkoopt, is de afzet 100 oliebollen.

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen
Gids Online oplichting

Tips en trucs om geen slachtoffer te worden van online oplichting

Afzet
Aantal verkochte producten.
*Voorbeeld: Als een oliebollenkraam op 1 dag 100 oliebollen verkoopt, is de afzet 100 oliebollen.

Omzet
De opbrengst van het aantal verkochte producten.
AFZET X VERKOOPPRIJS
Voorbeeld: Als een oliebol ,- kost, is bij eem afzet van 100 oliebollen de omzet 100 x ,- = 0,-

 

 

Inkoopprijs
De prijs van de grondstoffen of producten die je nodig hebt om het eind product te maken.
*Voorbeeld: Om oliebollen te maken heb je meel, eieren, melk en olie kopen.
de meel, eieren, melk en olie zijn de grodstoffen die je nodig hebt om het eind product te maken; de oliebol. De prijs van de meel, eieren, melk en olie is de inkoopprijs.

Inkoopwaarde
Is de inkoopprijs van ingekochte goederen met daarbij de inkoopkosten zoals het vervoer van de spullen.

Brutowinst
DE OMZET – DE INKOOPWAARDE
*Voorbeeld: Stel de inkoopwaarde per oliebol is #buffer#,50
dan is de totale inkoopwaarde van 100 oliebollen ,-. De brutowinst van de oliebollenkraam is dan de omzet 0  - de inkoopwaarde = 0,-

Nettowinst/-verlies
BRUTOWINST – OVERIGE KOSTEN
Als je van de brutowinst ook de andere kosten zoals huur, loonkosten, afschrijvingskosten voor diensten van derden afhaalt heb je de nettowinst of het nettoverlies.
*Voorbeeld: Als de overige kosten bijvoorbeeld zijn, is de nettowinst van de oliebollenkraam de brutowinst 0 – de overige kosten = ,-

 

 

 

 

 

 

Als een bedrijf werknemers in dienst heeft, heeft het bedrijf loonkosten.

Loonkosten
Kosten die het bedrijf maakt om zijn werknemers uit te betalen.

De loonkosten bestaan uit 4 delen:
-Nettoloon
-Loonbelansting
-Sociale premies voor werknemers
-Sociale premies voor werkgevers

Wig
Het verschil tussen de loonkosten en het nettoloon.

 

Brutowinstmarge/brutowinstopslagpercentage
Het percentage waarmee het bedrijf de inkoopprijs verhoogt als dekking van de bedrijfskosten en als nettowinst voor de eigenaar.

Het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs van een product.
Bedrijven stellen vaak de brutowinst als percentage van de inkoopprijs vast, en berekenen zo de verkoopprijs.

*Als een schoenverkoper een paar schoenen inkoopt voor en een brutowinstmarge van 60% gebruikt, dan is de brutowinst . De verkoopprijs zonder btw is dan + = ,-

Hoe berekend:
: 100 = #buffer#,55
#buffer#,55 x 60% = ,-
inkoopprijs + brutowinst = verkoopprijs zonder btw
 

Paragraaf 4; Wat Kost ‘t?

Constante kosten
Deze kosten blijven altijd gelijk, of er nu veel of weinig geprooduceert wordt.
*Voorbeeld:
-Kosten voor het gebouw; huur
-Personeel
-Verzekering

 

 

Variabele kosten
Kosten die toenemen als je mer produceert.
*Voorbeeld:
-Grondstoffen

 

Afschrijvingen
Het minder waard worden van een duurzaam productiemiddel.
Afschrijvingen zijn wel kosten voor een bedrijf, maar geen uitgaven. Je doet de uitgaven namelijk al als je het productiemiddel aanschaft, de kosten verspreid je over de jaren dat het productiemiddel meegaat.

*Voorbeeld: Auto’s of computers worden na verloop van tijd minder waard, doordat ze slijten of doordat er bijvoorbeeld betere computers zijn uitgevonden. De kosten van deze producten worden verdeeld over hun levensduur.

Afschrijving = vervangingswaarde – restwaarde

                                               Levensduur

Kostprijs
Alle kosten voor het maken van een product.
De kostprijs is niet gelijk aan de verkoopprijs. Het bedrijf wil zelf ook nog geld verdienen.

Verkoopprijs
De verkoopprijs van een product bestaat ui de onderdelen inkoopkosten, bedrijfskosten en winstopslag. De consument betaalt vervolgens ook nog btw, belastingstoegevoegde waarde, over de verkoopprijs.

Btw
Belasting over het bedrag waar consumenten goederen en diensten voor kopen.

Consumentenprijs
De verkoopprijs inclusief btw.

 

Maatschappelijke kosten
Kosten die door de maatschappij worden betaald.
*Voorbeeld: De kosten voor het opruimen van zwerfafval.
Wie betaalt het opruimen hiervan? De overheid regelt dit via de belastingen.
 

 

Maatschappelijke opbrengsten
Soms doet een bedrijf een ontdekking die goed is voor de samenleving.
*Voorbeeld:
-Het ontdekken van medicijnen.

REACTIES

D.

D.

hoofdstuk 3*

7 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.