Hoofdstuk 4

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 547 woorden
  • 16 augustus 2010
  • 2 keer beoordeeld
Cijfer 7
2 keer beoordeeld

Collectieve sector
|
Overheid          |    Socialeversekeringsfondsen
|
Rijk                   |    Volksverzekeringen   
Lagere overheden  |    Werknemersverzekeringen
|
Gefinancierd uit de schatkist        Gefinancierd door middel van premieheffing
Schatkist= belastingontvangsten, niet-belastingontvangsten, leningen

Collectieve lastendruk= totaal aan ontvangsten van de collectieve sector uitgedrukt in een percentage van het bruto binnenlands product.
totale ontvangsten collectieve sector

collectievelastendruk=    ------------------------------------------------    x100%
bruto binnenlands product
totale uitgaven collectieve sector
collectieveuitgavenquote= ------------------------------------------------    x100%
bruto binnenlands product
Waarde van de overheidsproductie bestaat uit de ambtenarensalarissen.

Collectieve uitgaven naar economische categorieën

Collectieve uitgaven               
Overheidsuitgaven        Inkomens     
Overheidsbestedingen    Overdrachtsuitgaven    overdrachten via
Overheidsconsumptie    Overheids    inkomens overdrach    de socialeverze
Ambtenare    Materiele    investerin    en via de overheid    keringsfondsen

nsalarissen    overheids    gen                 
consumptie                    
Een andere manier om de overheidsuitgaven te rubriceren is via de ministeries.

Belastingen= gedwongen afdrachten aan de overheid, zonder dat hier een direct aanwijsbare tegenprestatie tegenover staat.
Directe belastingen
Deze belastingen zijn inkomensafhankelijk.
• loonbelasting
• inkomensbelasting
• vennootschapsbelasting
• vermogensbelasting
Indirecte belastingen
Deze belastingen zijn inkomensonafhankelijk.
• accijnzen (vast bedrag)
• BTW (%)
• Invoerrechten (op importgoederen)
• BPM ( vast % op motoren en personenwagens)
Belasting= progressief als met het stijgen van het inkomen in verhouding meer belasting moet worden betaald.

Er zijn 3 boxen:

Inkomen uit werk en woning
Inkomen uit aanmerkelijk belang
Inkomen uit sparen en beleggen

Box 1:
Inkomen 54.000 , fietsaftrek 300 (-) ,betaalde hypotheekrente 6.000 (-)
eigen woning forfait 2.700 (+)

Looninkomen 54.000
+ eigenwoning forfait 2.700
= 56.700
- fietsaftrek 300
- hypotheekrente 6000
belastbaar inkomen= 50.400

schijf 1 = 0-15.000 euro         = 32%
schijf 2 = 15.000-27.000 euro     = 38%
schijf 3 = 27.000-46.000 euro    = 42%
schijf 4 = 46.000+            = 52%

belastbaar inkomen         = 50.400
32% van 15.000             = 4.800
38% van (27.000-15.000)         = 4.560

42% van (46.000-27.000)        = 7.980
52% van (50.400- 46.000)        = 2.288
------------ +
Totaal af te dragen            = 19.628 euro
Heffingskorting= korting op de te betalen belasting.
bijvoorbeeld in voorbeeld 1 heeft de persoon recht op een algemene heffingskorting van 1.500 euro en een arbeidskorting van 1.000 euro

Schijventarief            19.628
Algemene heffingskorting        -1.500
Arbeidskorting            -1.000
Te betalen                =17.128

Gemiddelde belastingdruk= totaal te betalen belasting uitgedrukt in percentage van het inkomen = (17.128/ 54.000) x 100%= 31.7%

Marginale belastingdruk= geeft aan welk percentage over de laatst verdiende euro wordt betaald. (schijf 4 -> 52%)

Box 2:
Het inkomen uit aanmerkelijk belang – bijvoorbeeld dividend – wordt belast met een tarief van 25%.

Box 3:
Inkomen uit sparen en beleggen, het vermogen is het verschil tussen de waarde van de bezittingen en de waarde van de schulden. Het inkomen ervan wordt belast in box 1 (woning wordt niet meegerekend)
Vennootschapsbelasting= dit is een belasting over de winst die door NV’s en BV’s betaald moet worden. Het tarief van deze belasting ligt iets onder de 35%.
Indirecte belastingen
BTW -> Voorbeeld
Bedrijf heeft omzet van 1.500.000, exclusief BTW, het heeft voor 952.000 ingekocht (inclusief BTW), hoeveel btw betaalt de ondernemer aan de fiscus?
100/119 x 952.000= 800.000

19% van 1.500.000= 285.000
19% van 800.000= 152.000
285.000-152.000= 133.000
133.000= 19% van 1.500.000 – 800.000 (dus BTW wordt alleen geheft over de toegevoegde waarde)
Accijnzen -> worden geheven over alcohol, tabak, suiker, benzine etc. Vaak met het doel het gebruik te ontmoedigen.
Invoerrechten -> een heffing aan de grens bij invoer van een bepaald artikel.

Niet-belastingsontvangsten= alle overheidsinkomsten die niet onder de directe of indirecte belastingen vallen.
Retributies= betalingen aan de overheid voor een duidelijk aanwijsbare tegenprestatie.


Tekort, overschot en staatsschuld
overheidsuitgaven        120 miljard
overheidsinkomsten    100 miljard
begrotingstekort        20 miljard

Deze 20 miljard wordt de financieringsbehoefte genoemd.
begrotingstekort                20 miljard
aflossing op bestaande staatsschuld    12 miljard
financieringstekort            8 miljard= het bedrag waarmee de staatsschuld toeneemt.
Begrotingssaldo= het verschil tussen de totale overheidsuitgaven en de totale overheidsinkomsten.
Financieringssaldo= het begrotingstekort verminderd met de aflossing op de staatsschuld.
Als de overheidsinkomsten groter zijn dan de overheidsuitgaven is er sprake van een begrotingsoverschot.

Staatsschuldquote= de staatsschuld in een percentage van het bruto binnenlands product.
Hoge belastingen zorgen voor: Ontwijken, ontduiking, afwenteling (wordt doorgerekend) en demotivatie.
Daardoor werden maatregelen genomen: Bezuinigingen op de collectieve uitgaven, deregulering en privatisering.

Voor volledige tabellen zie bijlage

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.