Hoofdstuk 4

Beoordeling 9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1089 woorden
  • 6 februari 2009
  • 2 keer beoordeeld
  • Cijfer 9
  • 2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Collectieve sector:
1. overheid: rijksoverheid, lagere overheden zoals provincies, gemeenten en gefinancierd uit de schatkist
2. de sociale verzekeringsfondsen, volksverzekeringen en werknemersverzekeringen en gefinancierd door premieheffing
De schatkist wordt gevoed uit 3 bronnen:
1. belastingontvangsten
2. niet-belastingontvangsten (bijv. omroepbijdrage en aardgasbaten
3. leningen als er een tekort is
collectievelastendruk: alle ontvangsten van de collectieve sector, uitgedrukt in een percentage van het nationaal inkomen’

belastingen+sociale premies+niet-belastingontvangsten
in formule: _________________________________________ X 100%
nationaal inkomen
Ook kunnen de belastingdruk en de premiedruk apart worden berekent. De niet-belastingontvangsten bij de belastingontvangsten opgeteld.
Volgens een nationale afspraak wordt de waarde van overheidsproductie gelijkgesteld aan de beloning van de ambtenaren. Wat is de achtergrond van deze afspraak? Er zijn 4 beloningen van de productiefactoren, namelijk loon, interest, pacht en winst. De overheid maakt geen winst en pacht betaald ze zelden of nooit. Interest betaald ze wel (staatsschuld). Maar die interest wordt natuurlijk buiten beschouwing gelaten, want een land met een hoge staatsschuld zou dan een hoge overheidsproductie hebben en dat is nogal ongeloofwaardig.
De indelingen van alle collectieve uitgaven wordt de indeling naar economische categorieën genoemd.

Inkomensoverdrachten: bestaan vooral uit: bijstand, huursubsidie, kinderbijslag en studiefinanciering
Ambtenarensalarissen: bestaan uit loon van ambtenaren en semi-ambtenaren (bijv. werknemers in het onderwijs)
Overheidsbestedingen: overheidsconsumptie en overheidsinvesteringen
Materiële overheidsconsumptie: bijv. meubilair, computers, energie
Overheidsinvesteringen: aanleg en onderhoud van wegen, dijken, kanalen, havens en spoorlijnen
Een andere manier om de overheidsuitgaven te rubriceren is via de ministeries:
Belastingen: gedwongen betalingen aan de overheid waar geen rechtstreekse individuele tegenprestatie v. d. overheid tegenover staat.
Directe belastingen: heet zo omdat de belastingsplicht en de belastingdruk op dezelfde persoon rusten. De bekendste vorm is de loon – en inkomstenbelasting. Iedereen die inkomsten geniet, moet hier belasting over betalen. Wie in dienst is van een werkgever, krijgt direct al te maken met loonheffing. Op grond van het afgesproken inkomen, wordt berekent hoeveel belasting en sociale premies de werknemer moet betalen. Dat bedrag wordt al bij voorbaat ingehouden door de werkgever en afgehouden van diens loon. Deze loonheffing is een voorheffing op de inkomstenbelasting.
Indirecte belastingen: drukken op de consument, maar de aanbieder betaalt het daadwerkelijk.
Enkele vormen hiervan zijn:
- omzetbelasting
- accijnzen
- invoerrechten
- motorrijtuigenbelasting
Om te bepalen hoeveel inkomstenbelasting iemand verschuldigd is, wordt het inkomen ingedeeld in drie soorten inkomsten. Voor iedere box geldt een apart belastingtarief.
De boxen zijn de volgende:
1 Box 1: inkomen uit werk en woning. Het gaat hier om loon, pensioen en winst uit eigen bedrijf. Verder moet iedere eigenaar/bewoner zijn inkomen uit deze box verhogen met een bepaald percentage van de waarde van zijn woning (eigen woningforfait). Het belastbaar inkomen uit deze box wordt berekent volgens het schijventarief. De schijven 1 en 2 zijn opgebouwd uit inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (AOW, ANW, AWBZ). In de schijven 3 en 4 wordt uitsluitend inkomstenbelasting geheven.
2 Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang. Wanneer iemand (eventueel samen met de partner) ten minste 5% bezit van het aandelenvermogen van een NV of BV, spreken we van aanmerkelijk belang.
Het inkomen uit het aanmerkelijk belang (bijv. dividend) wordt belast met een tarief van 25%.
3 Box 3: inkomen uit sparen en beleggen. De inkomsten uit sparen en beleggen worden berekent op basis van het gemiddeld vermogen van de belastingplichtige in een jaar. Het vermogen is het verschil tussen de waarde van de bezittingen en de waarde van de schulden. Over het gemiddelde vermogen dat niet onder een vrijstelling valt wordt een rendement behaald van 4%. Over dit rendement is vervolgens 30% belasting verschuldigd.
Belastingbedragen worden altijd naar beneden afgerond op hele euro’s.
Een belasting is progressief als in verhouding meer belasting moet worden betaald naarmate het inkomen stijgt.
Heffingskorting: een korting op de te betalen belasting. Iedereen heeft recht op de algemene heffingskorting. Daarnaast kunnen afhankelijk van de individuele situatie andere heffingskortingen worden verstrekt, zoals arbeidskorting, kinderkorting en een alleenstaandeouderkorting.
Marginale druk: de marginale belasting – en premiedruk is de extra belasting (uitgedrukt in procenten) die moet worden betaald als meer wordt verdiend.
Vennootschapsbelasting: belasting over de winst die door NV’s en BV’s betaald moeten worden
Omzetbelasting
Van de meeste goederen en diensten wordt de prijs met 19% omzetbelasting verhoogd. Voor sommige geldt een tarief van 6%.
Bedrijven moeten vervolgens het verschil tussen de ontvangsten en betaalde omzetbelasting aan de Staat afdragen. Dit verschil hangt samen met dat tussen de verkoopwaarde van de verkochte goederen en de inkoopwaarde van de gekochte grond – en hulpstoffen. Het resultaat is dat de ondernemer belasting over de toegevoegde waarde (BTW) betaald. Dat verhaalt de ondernemer aan de klant, zodat de consument dit uiteindelijk betaalt.
Accijnzen
Accijnzen worden geheven over een beperkt aantal goederen, zoals alcohol, tabak, suiker en benzine, vaak met de bedoeling het gebruik ervan te ontmoedigen. Accijnzen worden geheven als een vast bedrag per hoeveelheid.
Invoerrechten
Deze bestaan uit een heffing aan de grens bij invoer van bepaalde artikelen.
Motorrijtuigenbelasting
Wordt betaald door personen die met een gemotoriseerd voertuig gebruik maken van de openbare weg.
De hoogte van de belasting, die aan het kenteken van de auto gekoppeld is, is afhankelijk van:
1. het gewicht van de auto.
2. de provincie waar men woont.
3. de brandstof waar de auto op rijdt.
Retributies: betalingen aan de overheid voor een duidelijk aanwijsbare tegenprestaties

Begrotingssaldo: verschil tussen de totale begrote overheidsinkomsten en de totale begrote overheidsuitgaven in een jaar
Begrotingstekort: als begrote overheidsinkomsten geringer zijn dan de begrote overheidsuitgaven
Staatsschuld: totaal aan uitstaande leningen ten laste van de staat
De grootte van deze staatsschuld verandert van jaar tot jaar omdat:
1. bestaande staatsschuld wordt afgelost: de staatsschuld wordt dan kleiner
2. als gevolg van een begrotingstekort nieuwe leningen worden afgesloten, waardoor de staatsschuld toeneemt
financieringsbehoefte: ook wel begrotingstekort, is het bedrag dat de overheid in een jaar moest lenen
financieringssaldo: begrotingstekort – de aflossing op de staatsschuld
financieringstekort: wanneer financieringssaldo negatief is
staatsschuldquote: de staatsschuld als percentage van het nationaal inkomen
een stijgende staatsschuld kan verschillende gevolgen hebben:
1. de rentelast die over de schuld moet worden betaald, kan zo hoog worden dat andere uitgaven worden verdrongen, doordat een steeds groter deel v.d. begrote uitgaven door rentebetalingen worden opgeslokt
2. als de overheid veel geld leent, stijgt de rente en kunnen bedrijven en gezinnen minder geld lenen. Vooral de bedrijfsinvesteringen kunnen zo worden ontmoedigd
3. een stijgende rente leidt tot hogere kosten voor de bedrijven en uiteindelijk tot hogere prijzen (inflatie)
wig: het verschil tussen loonkosten voor de ondernemer en het nettoloon van de werknemer
loonkosten - nettoloon
in formule: __________________________________________ X 100%
loonkosten
hogere collectieve lasten kunnen verschillende gevolgen hebben:
1. ontmoedigende werking op het arbeidsaanbod
2. hoge loonkosten voor de werkgever
3. aantasting van de concurrentiepositie
4. pogingen om de belastingdruk te verminderen. Er doen zich dan verschillende verschijnselen voor:
ontwijking: bedrijven vestigen zich in landen met een lagere belastingdruk; mensen gaan bijv. zelf schilderen i.p.v. een schilder in te huren
Ontduiking: sommige mensen laten activiteiten plaatsvinden zonder de fiscus in te lichten
Afwenteling
Demotivatie



REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.