Hoofdstuk 3 t/m 23

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 5316 woorden
  • 4 mei 2015
  • 1 keer beoordeeld
Cijfer 7.4
1 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Maak jij weleens gebruik van de achteraf betalen-optie bij een webshop?

Voor veel jongeren is het de normaalste zaak van de wereld, maar het kan ook risico’s met zich meebrengen. Zo belandde Maura in de schulden: 'Wat begon met achteraf betalen eindigde met een schuld van zo’n 3.000 euro.'

Lees nu het interview

Concept Markt
Hoofdstuk 3 Hoe werken markten?

Adam Smith – marktmechanisme =  de markt of de prijs zorgt er altijd voor dat vraag en aanbod in evenwicht zijn
Verschillende markten:
- concrete markt = rommelmarkt, groenteveiling
- abstracte markt = iedere markt, bijv. huizen/tv’s

Homogene producten = geen onderscheid tussen ene of andere, bijv. vastkokende aardappelen –>  maakt niet uit van welke boer
Heterogene producten = wel onderscheid tussen producten, bijv. mobiele telefoon, bier en auto’s

Bij een oligopolie is het marktaandeel boven de 60% van de vier grootste bedrijven, bij een monopolie is het marktaandeel boven de 90% van het grootste bedrijf.

Perfecte werkende markt = aanbieders geen invloed op de prijs, bijv. volledige mededinging
Niet-perfect werkende markt = individuele aanbieders kunnen de prijs beïnvloeden, bijv. monopolistische concurrentie, oligopolie en monopolie
Evenwichtsprijs = de prijs waarbij de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid
 

Hoofdstuk 4 De consument

Consumentensurplus = verschil tussen betalingsbereidheid en de prijs die je moet betalen
Producentensurplus = verschil tussen de verkoopbereidheid en de marktprijs
Verschuiving van de vraaglijn naar rechts:        
- consumenten hebben meer te besteden
- voorkeur consumenten is toegenomen
- prijs andere producten veranderd
- aantal vragers neemt toe

Complementaire goederen = samen gebruikt met andere goederen, bijv. meer auto’s, meer benzine
Substitutiegoederen = goederen dat in plaats van een ander goed gebruikt kan worden, bijv. vis wordt duurder dus consumenten kopen meer vlees

Twee soorten verschuivingen:                
langs de vraagcurve -> prijsverandering                                                                               van de vraagcurve ->
- Budget consumenten is toegenomen
- Voorkeur consumenten is toegenomen
- Prijs substitutiegoed gestegen en complementaire goederen gedaald

Prijselasticiteit gevraagde hoeveelheid (Ev) = procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid/ procentuele verandering van de prijs
Procentuele verandering = (nieuwe waarde-oude waarde)/oude waarde x 100%
Vraag elastisch -> prijselasticiteit <-1
Vraag inelastisch -> prijselasticiteit tussen -1 en 0

Inkomenselasticiteit gevraagde hoeveelheid  (Ey) = procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid/ procentuele verandering van het inkomen
Bij noodzakelijke goederen -> inkomenselasticiteit <1
Bij luxe goederen -> inkomenselasticiteit >1
Inferieure goederen = goederen waarvan minder wordt gekocht als het inkomen stijgt, bijv. goedkope artikelen vervangen door duurdere
Statusgoederen = producten kopen omdat andere ze niet kunnen kopen


Hoofdstuk 5 De producent

De constante kosten hangen af van de gekozen productiecapaciteit
De variabele kosten hangen af van de werkelijke productie
Totale kosten = totale variabele kosten + totale constante kosten (TK = TVK + TCK)

Totale omzet/opbrengsten = prijs x afzet (TO = pq)
Totale winst = totale opbrengst - totale kosten (TW = TO - TK)
Break-evenpunt -> verlies laat om in winst
Break-evenafzet -> geen winst, geen verlies (TW = 0), (TO = TK)
Break-evenomzet -> omzet die behaald wordt bij break-evenafzet

Producentensurplus = verschil tussen de verkoopbereidheid en de marktprijs
Verschillende oorzaken waardoor producenten bij dezelfde prijs meer willen aanbieden:
- Een afname van de prijs van de ingekochte goederen en diensten
- Een verbetering van de productietechnieken
- Een toename van het aantal markttoetreders


Hoofdstuk 6 Perfect werkende markten

Kenmerken perfecte markten:
- Er is sprake van vrije toe- en uittreding, iedereen kan een product kopen of verkopen
- De markt is volkomen doorzichtig, alle vragers kunnen op de hoogte zijn van wat er gebeurt op een markt, bijv. aandelenmarkt
De evenwichtsvoorwaarde zorgt ervoor dat de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid
Marktomzet = evenwichtshoeveelheid x evenwichtsprijs

Totaal surplus = consumentensurplus + producentensurplus
Overheid  grijpt in in prijsvorming omdat:
- Het totale surplus is allemaal maximaal bij perfect werkende markten, meeste producten worden aangeboden op de niet-perfecte markten
- Productie en consumptie brengen negatieve externe effecten met zich mee, bijv. vervuiling van het rivierwater
- De prijs op de markt kant door sommige politici te hoog of te laag bevonden worden, minimum prijzen/maximum prijzen

Na de Tweede Wereldoorlog zag de Europese landbouw zich geplaatst voor twee problemen:
- Veel agrarische producten waren op de wereldmarkt goedkoper
- De evenwichtsprijs van veel landbouwproducten was zo laag dat de boeren nauwelijks een redelijk inkomen konden verdienen
Verdrag van Rome 1957 -> EEG opgericht, berustte op drie peilers:
- Goedkope invoer uit niet-Europese landen werd met een heffing (invoerrecht) belast
- Binnen Europa minimumprijzen
- Boeren ontvingen exportsubsidie


Hoofdstuk 7 Niet-perfect werkende markten

Wettelijk monopolie = De overheid kan een aanbieder het alleenrecht geven voor de verkoop van bepaald product, bijv. octrooi/patent -> 6 jaar kost €2500,- en 20 jaar kost €5000,-
Natuurlijk monopolie = afzetmarkt is te klein voor meerdere aanbieders, bijv. waterleidingbedrijven
Collectieve monopolie  = aanbieders gaan samenwerken,bijv. afspraken maken over prijs (kartels), verboden in Nederland

Prijsdiscriminatie = een aanbieder verkoopt hetzelfde product tegen verschillende prijzen aan verschillende kopersgroepen, is profijtelijk als:
- Deelmarkt moet gescheiden zijn
- De vraag op de deelmarkt waarop de aanbieder zijn prijs verlaagt moet voldoende elastisch zijn
- De vraag op de deelmarkt waarop de aanbieder zijn prijs verhoogt moet niet al te elastisch zijn
Marginale kosten = de extra kosten bij een uitbreiding van de productie met één eenheid (MK)
Marginale opbrengst = de extra opbrengst als de afzet met één eenheid toeneemt (MO)
Totale winst maximaal als: marginale opbrengsten = marginale kosten (MO=MK)

Belangrijke kenmerken oligopolie:
- Het aantal ‘spelers’ is klein
- Vaak is er een marktleider
- De verleiding om onderlinge afspraken te maken is verleidelijk

Concentratie = het verschijnsel dat beslissingen over de productie van goederen en diensten door een steeds kleiner aantal ondernemingen worden genomen


Concept Ruilen over de tijd
Hoofdstuk 8 Sparen en lenen

Levensloopregeling = een regeling waarbij je maximaal 12% van je brutoloon kunt sparen. Je levenslooptegoed mag ten hoogste 210% van je jaarsalaris bedragen

Voorraadgrootheden = voorraden die op een bepaald moment aanwezig zijn, bijv. de hoeveelheid van een meer of het saldo van je bankrekening
Stroomgrootheden = hoeveelheid gedurende een bepaalde periode, bijv. de hoeveelheid water dat gedurende een bepaalde tijd in of uit een meer loopt of je loon

Je inkomen kan je op drie verschillende manieren gebruiken:
- Consumeren, goederen en diensten kopen
- Sparen, het niet consumeren van een deel van je inkomen
- Loonheffing (loon- en inkomstenbelasting) + sociale premies (AOW) is besteedbaar inkomen, door het ontvangen van een uitkering van de overheid wordt het besteedbare inkomen hoger
 

Persoonlijke leningen zijn vaak kortlopende leningen, binnen een jaar aflossen
Hypothecaire leningen (voor aankoop van een woning) zijn vaak langlopende leningen, pas na 25/30 jaar afgelost

Rente is de prijs voor het uitlenen van geld
De prijsvorming van geld – leningen of kredieten – gebeurt op de vermogensmarkt
Vermogensmarkt in twee delen opgesplitst:
- Geldmarkt -> kortlopende kredieten, binnen 1/2 jaar aflossing
- Kapitaalmarkt -> langlopende kredieten, langer dan 2 looptijd
De geld- en kapitaalmarkt worden op verschillende deelmarkten onderscheiden, hierbij wordt rekening gehouden met:
- Het risico dat de geldgever loopt, kan worden verminderd door zekerheid te vragen (eigen huis)
- De inflatie, stijging van het algemeen prijspeil
De inflatie wordt gemeten als de stijging van het consumentenprijsindex (CPI) ten opzichte van dezelfde periode het vorige jaar

Nominale rente is de rente die is afgesproken met degene die leent
Index cijfer nominale rente/indexcijfer algemeen prijspeil = indexcijfer reële rente, werkelijke rente in koopkracht uitgedrukt
Weinig inflatie is voor de spaarder een nadeel maar voor de lener een voordeel. De spaarder krijgt immers minder geld maar de lener hoeft minder te betalen.

Balans = een opstelling van bezittingen, de schulden en het eigen vermogen van een onderneming op een bepaald tijdstip
De activa zijn de bezittingen van een onderneming, de passiva het eigen vermogen en het vreemd vermogen
De activa kun je in verschillende onderdelen verdelen:
- Vlottende activa, voorraden
- Vaste activa, auto’s en inrichting
- Liquide middelen, kas en bank
De passiva kun je in verschillende onderdelen verdelen:
- Vreemd vermogen, kort vreemd vermogen moet binnen enkele maanden worden terugbetaald, bijv. crediteuren of bankkrediet. Ook heb je lang vreemd vermogen zoals de hypothecaire lening.
- Eigen vermogen
Resultatenrekening = een overzicht van de opbrengsten en kosten en het daaruit voorvloeiende resultaat over een bepaalde periode
Een balans laat voorraadgrootheden zien, een resultatenrekening laat stroomgrootheden zien.


Hoofdstuk 9 Op lange termijn

Human capital = de bekwaamheid waarover je moet beschikken om deel te nemen aan het economische proces, deels aangeboren deels door opvoeding, onderwijs en training

Bij een lening hebben we te maken met:
- Het bedrag van de lening
- Het overeengekomen rentepercentage
- De periodieke aflossingen

Een hypotheek = het recht dat de eigenaar van de woning aan de geldgever verstrekt om de woning te verkopen en de opbrengst te gebruiken om de vordering te incasseren, wanneer de geldlener niet aan zijn verplichtingen voldoet

Gevolgen van vergrijzing:
- De beroepsbevolking, de groep van 15 tot 65 jaar die wil en kan werken, wordt veel kleiner
- Het wordt moeilijk om de AOW te betalen met steeds minder beroepsbevolking

De AOW is voor alleenstaanden 70% van het minimumloon, gehuwden 50% ieder
Het pensioen is vaak zo’n 70% van het middelloon, het gemiddelde loon
Bij het vaststellen van de hoogte van de pensioenpremie wordt onder meer rekening gehouden met:
- Het inkomen waarop het pensioen is gebaseerd
- De levensverwachting van de pensioengerechtigde
- De looptijd van de beleggingen
- Het rendement dat het pensioenfonds met zijn beleggingen denkt te maken


Concept Samenwerken en onderhandelen
Hoofdstuk 10 Samenwerken

 Externe effecten = onbedoelde gevolgen van het streven naar welvaart door de één, voor de welvaart van de ander
Negatieve externe effecten zoals de gaswinning dat leidt tot daling van de bodem en bijv. overbemesting
Positieve externe effecten zoals een onderneming die geschoolde werknemers aanneemt zonder scholingskosten te betalen, bijv. omdat ze al geschoold zijn door een andere onderneming

Ondernemingen die met hun beleid rekening houden met ‘profit’, ‘planet’ en ‘people’ zijn bezig met maatschappelijk verantwoord ondernemen.
Profit = het toevoegen van waarde met als uitgangspunt de productie van goederen en diensten
Shareholders value = om aan te geven of een onderneming ten behoeve van verschaffers van eigen vermogen ‘extra waarde’ gecreëerd
People = de sociale aspecten van het ondernemen, zowel gericht op eigen personeel als op de samenleving, bijv. goede arbeidsomstandigheden
Planet = de prestaties van een onderneming op het gebied van milieu

Collectieve goederen = goederen die niet opsplitsbaar zijn in individuele leverbare eenheden, bijv. defensie, straatverlichting en de handhaving van de openbare orde. Niemand kan van collectieve goederen worden uitgesloten dus niet uitsluitbaar en niet rivaliserend.
Individuele goederen = goederen die je kunt gebruiken zonder ze met anderen te delen, bijv. kleding
Het gebruik van individuele goederen is daarom uitsluitbaar -> je hoeft het niet te delen. Maar individuele goederen zijn ook rivaliserend -> er blijft minder kleding over voor anderen.

Meeliftgedrag = het verschijnsel dat personen wel van een bepaalde voorziening profiteren maar er niet voor betalen, negatief extern effect


Hoofdstuk 11 Speltheorie
 

De speltheorie analyseert het gedrag van verschillende partijen
Eén van de bekendste toepassingen van de speltheorie is het gevangenendilemma = het vooropstellen van het eigenbelang kan tot een geringer resultaat leiden dan het gezamenlijke belang
 Dominante strategie = een strategie die een partij het beste resultaat oplevert, onverschillig de keuze van de andere partij
Nash-evenwicht = het resultaat dat tot stand komt, als iedere partij zijn actie zó kiest dat zijn eigen resultaat zo goed mogelijk is, gegeven de acties van de andere partij

Spelregels gevangenendilemma:
- Er is sprake van een eenmalige beslissing
- Er is geen overleg mogelijk
- Beide partijen hebben dezelfde informatie
- De resultaten van de één worden beïnvloed door de beslissing van de ander

Zelfbinding = een partij voert vrijwillig een bepaalde strategie waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de andere partij
- Geen handeling uit eigen belang


Hoofdstuk 12 Enkele onderhandelingen

CAO = een overeenkomst over de voorwaarden waaraan elke arbeidsovereenkomst binnen de betreffende bedrijfstak of onderneming moet voldoen

Grootste vakcentrales werkgevers Nederland zijn FNV (Federatie Nederlands Vakbeweging) is de grootste en CNV (Christelijk Nationaal Vakverbond) is de kleinere
Grootste werkgeverscentrale is VNO-NCW (Vereniging Nederlandse Ondernemingen en Nederlands Christelijk Werkgeversverbond)
Vakcentrales en werkgeverscentrales overleggen jaarlijks in Stichting van de Arbeid

Verzonken kosten = kosten die al gemaakt zijn en geen rol meer spelen bij het nemen van een bepaalde beslissing

Kenmerk interne markt (gemeenschappelijke markt) is een vrij vervoer van goederen, arbeid en kapitaal tussen de lidstaten

De eerste grondbeginselen van de Europese Unie werden vastgelegd in het Verdrag van Parijs dat in 1952 door België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Italië is opgericht in de vorm van de EGKS -> vrij verkeer van kolen en staal                                              
Verdrag van Rome:    
EEG -> douane-unie = doel: binnen 12-15 jaar invoerrechten opheffen                           EURATOM = Europese Gemeenschap Atoomenergie
Verdrag van Maastricht:        
EEG wordt EG
EMU -> Economische Monetaire Unie, één gezamenlijke munt (2002)                                               
ECB -> Europese centrale bank

Verdrag van Nice: toetreden tot de Unie werd mogelijk
Verdrag van Lissabon: wettelijke basis EU, ruimte gemaakt voor het stemmen met een gekwalificeerde meerderheid in de Europese Raad -> wetgevende macht Europese Parlement versterkt

Hoogste orgaan EU is de Raad van Ministers/Europese Raad, iedere regering één minister
Europese Commissie is het dagelijkse bestuur van de EU, taken:
- zorg voor nakoming verdragen
- recht van initiatief

Europees Parlement wordt rechtstreeks gekozen door de inwoners van de lidstaten
Hof van Justitie waakt over de juiste toepassing van de verdragen:
- iedereen bij het Hof kan in beroep gaan tegen Unievorderingen
- de regeringen bij het Hof kunnen in beroep gaan tegen beslissingen van andere regeringen
Besluitvorming gebeurt door de Commissie, het Parlement en de Raad
 

Concept Risico en Informatie
Hoofdstuk 13 Informatie

Symmetrische informatie = de koper heeft evenveel informatie als de verkoper
Verkoopbereidheid en betalingsbereidheid liggen vlak bij elkaar
Asymmetrische informatie = de verkoper beschikt over meer informatie dan de koper en de koper heeft geen enkele mogelijkheid om aan die informatie te komen
Verkoopbereidheid (hoog) en betalingsbereidheid (laag) liggen ver van elkaar af
Averechtse selectie (negatieve selectie) = verkopers kunnen hun ‘goede’ producten niet meer kwijt op de markt en verkopen alleen nog maar de goedkopere producten, niet-perfect werkende markt -> oorzaak is gebrek aan informatie
Op perfecte werkende markten komt er een evenwichtsprijs

Manieren waarop marktpartijen met het verschil in informatie opgaan is zeer divers, voorbeelden:
- De verkoper kan een goede naam opbouwen
- De verkopers kunnen ‘agressieve’ verkoopmethoden toepassen
- De koper kan proberen zich vóór de koop te informeren over de verschillende mogelijkheden

Moreel wangedrag (moral hazard) = Na het aangaan van een overeenkomst kan één van de partijen zijn gedrag zo veranderen dat de andere partij voor grote onvoorziene kosten komt te staan


Hoofdstuk 14 Risico en verzekeren

Verzekering = een afspraak tussen een verzekeraar en een verzekeringsnemer
Afspraak is:
- De verzekeringsnemer loopt een bepaald financieel risico dat hij wil afdekken
- De verzekeraar doet een uitkering wanneer de verzekerde situatie zich voordoet

Verscheidenheid = de kans dat alle verzekerden tegelijk hetzelfde overkomt heel klein is
Risicoaversie = mensen willen liever geen of weinig risico lopen, er wordt gekozen voor zekerheid
Verzekeringsdraagvlak = de hoeveelheid verzekerden
Voor een verzekeraar is het van groot belang te zorgen voor een zo groot mogelijk verzekeringsdraagvlak, dit wordt echter bemoeilijkt door averechtse selectie -> alleen de mensen met een groot risico verzekeren zich
Eigen risico = de verzekerde betaalt een deel van de schade zelf

Moeite waard om te verzekeren is:
- Verlies van inkomen, bijv. ontslag, faillissementen, ziekte, ouderdom of invaliditeit 
- Bijzondere financiële lasten, bijv. medicijnen, verzorging of geneeskundige behandelingen

Voor sommigen onmogelijke opgaaf om zich te verzekeren door:
- Kosten van de verzekeringen
- Risico averechtse selectie, vooral jonge mensen zullen zich niet verzekeren tegen bijv. ziektekosten, hierdoor hoge premies voor de slechte risico’s
- Risicodraagvlak, verzekering alleen mogelijk als er voor de verzekeraar voldoende verschil is tussen de te lopen risico’s

Iedereen die niet voldoende in eigen onderhoud kan voorzien en ook geen beroep kan doen op een sociale verzekeringswet kan in aanmerking komen voor de bijstand (WWB, Wet Werk en Bijstand)

WW = Werkloosheidwet
WIA = Wet werk en Inkomen naar Arbeidsverhoudingen
ZW = Ziektewet

ZVW = Zorgverzekeringswet
AWBZ = Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
AOW = Algemene Ouderdomswet, gefinancierd door de werkenden
 

Hoofdstuk 15 Risico en ondernemen

Interne bronnen eigen vermogen:
- Het vermogen dat de ondernemer zelf in de onderneming heeft gestoken
- Winst

Externe bronnen eigen vermogen:
- Familie
- Investeerders
- Durfkapitalisten/participatiemaatschappijen

Bronnen vreemd vermogen, waarover wel rente betaald moet worden:
- Familie, vrienden en durfkapitalisten
- Bankkrediet

Kenmerken eenmanszaak:
- Het eigen vermogen is verschaft door één persoon
- Deze persoon heeft de leiding van de onderneming
- Hij/zij is ook met het privé-vermogen aansprakelijk
- Min of meer gelijkwaardige positie vennoten

Kenmerken openbare vennootschap:
- Het eigen vermogen is afkomstig van verschillende personen
- De vennoten hebben de leiding over de VOF
- De vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden
Rechtspersoon = een juridische constructie waarbij een organisatie zelf rechten en plichten kan hebben

Een besloten vennootschap kent géén hoofdelijke aansprakelijkheid, de verschaffers van het eigen vermogen blijven bij een faillissement buiten schot
Het maatschappelijk kapitaal is verdeeld in aandelen, deze aandelen kunnen alleen van eigenaar wisselen onder zó strikte voorwaarden dat een buitenstaanders geen kans heeft om deze te kopende Aandeelhouders hebben recht op een winstuitkering -> dividend
Leiding hebben de aandeelhouders -> Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA)

Bij een naamloze vennootschap zijn de aandelen niet te koop voor iedereen, aandeelhouders zijn niet bij name bekend, wel worden deze aandelen verhandeld op de effectenbeurs
NV geeft aandeelbewijzen uit om aandeelhouders te herkennen voor bijv. uitkeren dividend, aandelen worden verhandeld via de effectenbeurs

De NV is een rechtspersoon, de leiding wordt benoemd en ontslagen door de AVA
De leiding is in loondienst van de rechtspersoon, leiding en aandeelhouders zijn niet privé aansprakelijk

Hoofdstuk 16 Beleggen

Beleggen = het tijdelijk vastleggen van gelden in beleggingsobjecten
Eén van de eenvoudigste vormen van belleggen is sparen bij een bank -> je laat regelmatig geld bijschrijven op je rekening, met de spaarrekening kun je geen aankopen doen in winkels
Een andere vorm is effecten kopen, effecten zijn bijv. aandelen en obligaties, waardepapieren die op de effectenbeurs verkocht kunnen worden
Een obligatielening kan je plaatsen, vaak miljoenen groot dus niet door één persoon of instelling verstrekt, lening wordt opgedeeld in stukjes -> obligaties
Een obligatielening die door de centrale overheid wordt uitgegeven heet een staatslening

De nominale waarde van een obligatie geeft aan welk bedrag, afgezien van de rente, de organisatie die de obligatie uitgeeft aan de obligatiehouders is verschuldigd
Over de nominale waarde wordt de rente berekend, de verkoop- of koerswaarde wordt bepaald door het risico dat de obligatiehouders loopt

Rendement = de opbrengst in procenten van een belegging
Aandeel = een deelname in het eigen vermogen van een onderneming, bij bezit van 1 of meerdere aandeel ben je aandeelhouder
Meestal besluiten aandeelhouders in AVA om en deel van de winst te reserveren, in het bedrijf te laten, en slechts een deel uit te keren

Een beeld van de ontwikkeling van de beurskoersen wordt gegeven met de AEX-index
(Amsterdam Exchange index), dit indexcijfer is een gewogen gemiddelde van de aandelenkoersen van de 25 grootste aandelenfondsen op de Amsterdamse effectenbeurs, uitgangspunt is omzet en verhandelbaarheid

Verandering van de rentestand kan invloed hebbe op de koers van de aandelen, dit kan direct en indirect
Direct doordat rente voor ondernemingen een kostenpost vormt
Indirect wanneer veranderingen in de korte rente veroorzaakt worden door de centrale bank en het signaal dat de centrale bank met haar renteverandering wil afgeven


Concept Welvaart en Groei
Hoofdstuk 17 Het bruto binnenlands product

Schaarste = in vergelijking tot onze behoeften zijn er te weinig middelen om in die behoeften te voorzien, we moeten iets opofferen om iets anders te verkrijgen
Micro-economie = het bestuderen van een bepaalde prijsvorming op één bepaalde markt
Macro-economie = de vraag van alle consumenten samen, het aanbod van alle ondernemingen samen, de invloed van de overheid enz.

Economische kringloop = een voorstelling van de geld- en goederenstromen tussen de verschillende economische sectoren
Huishoudens (alle inwoners van Nederland) en ondernemingen ontmoeten elkaar op twee markten:
- De markt van productiefactoren
- De markt van consumptiegoederen

Reële sfeer/goederensfeer = de stroom productiefactoren van huishoudens naar ondernemingen en vervolgens de stroom consumptie goederen van ondernemingen naar huishoudens
Tegengesteld aan de goederenkringloop loopt de geldstroom -> geldsfeer/monetaire sfeer

Productie = het toevoegen van waarde
Toegevoegde waarde = omzet - intermediair verbruik (inkopen die bij een andere onderneming zijn gedaan)

Vier productiefactoren: Arbeid, Kapitaal, Natuur en Ondernemersactiviteit

Het bruto binnenlands product (BBP) = de totale productie door binnenlandse sectoren (ondernemingen en overheid, inclusief zelfstandigen)

Bruto toegevoegde waarde = totale toegevoegde waarde inclusief de afschrijvingen
Netto toegevoegde waarde = zonder afschrijvingen

Nationaal inkomen = de som van de gedurende een jaar aan de bezitters van de productiefactoren in een land uitgekeerde beloningen
De beloningen van de productiefactoren noemen we primaire inkomens

De omzet van ondernemingen + toegevoegde waarde door de overheid (ambtenarensalarissen) – intermediair verbruik = bruto toegevoegde waarde/bruto binnenlands product

De officiële transacties, geregistreerd door het CBS, vormen samen formele sector, niet geregistreerde transacties -> informele sector
Informele sector kan je verdelen in legaal (grijze deel) bijv. huishouden en illegaal (zwarte deel) met als doel belasting te ontduiken


Hoofdstuk 18 Nationale rekeningen

Het totaal van de beloningen dat door de huishoudens wordt ontvangen is gelijk aan de totale toegevoegde waarde van ondernemingen (overheid)

Kapitaalgoederen = goederen die bestemd zijn om bij de productie te gebruiken, bijv. fabrieken, vrachtauto’s en machines
Vervangen van kapitaalgoederen noemen we investeren, investeren twee redenen:
- Vervanging van versleten kapitaalgoederen
- Uitbreiden productiecapaciteit

Besparingen – netto-investeringen = 0
Besparingen – netto-investeringen – overheidstekort = 0

Netto-export = het verschil tussen uitvoer en invoer van goederen en diensten


Hoofdstuk 19 Inkomensverdeling

Primaire inkomens = de beloning voor het ter beschikking stellen van productiefactoren
Voorbeelden: Loon, pacht, interest en winst

Secundaire inkomens/besteedbaar inkomen = het primaire inkomen verminderd met de loon- en inkomstenbelasting en sociale premies vermeerderd met inkomensoverdrachten (bijstandsuitkering/kinderbijslag)

Personele inkomensverdeling = de verdeling van de inkomens over de individuele inkomenstrekkers of huishoudens


Weergeven met Lorenzcurve:
- Inkomenstrekkers rangschikken van laag naar hoog
- Verdeel totale groep in tien deelgroepen van evenveel mensen
- Bepaal het aandeel in ieder deciel in het totale inkomen
- Tel de aandelen van de verschillende decielen bij elkaar op -> gecumuleerde inkomensaandelen
- Teken gecumuleerde inkomensaandelen in een grafiek

De secundaire inkomensverdeling is gelijkmatiger dan de primaire inkomensverdeling, oorzaken:
- De overheid belast de hogere inkomens relatief zwaarder dan de lagere inkomens
- Inkomensoverdrachten worden verstrekt aan mensen met de laagste inkomens

Inkomensnivellering = verminderen van de relatieve inkomensverschillen
Inkomensdenivellering = toenemen van de relatieve inkomensverschillen

Belastingen = gedwongen afdrachten aan de overheid, zonder dat daar in het individuele geval aanwijsbare tegenprestaties tegenover staan
Twee groepen belastingen:
- Kostprijsverhogende belastingen/productgebonden belastingen -> bijv. omzetbelasting en accijnzen
- Belastingen op inkomen, winst en vermogen -> bijv. loon- en inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting

Een belastingdienst, ook wel fiscus genoemd, is een overheidsorgaan dat de heffing en inning van belasting voor een staat verzorgt.

Belastbaar inkomen = het inkomen waarover belasting betaald moet worden
Progressieve belasting = er wordt in verhouding meer belasting betaald als het inkomen stijgt
Marginale druk = de extra belasting en premie die moet worden betaald als er meer wordt verdiend

Vlaktaks = een vorm van loon- en inkomstenbelasting waarbij het tarief onafhankelijk is van de hoogte van het inkomen


Hoofdstuk 20 Economische groei

Het BBP verminderd met de inflatie = reëel BBP, uitgedrukt in goederen en diensten

Economische groei = op lange termijn neemt het reëel BBP per hoofd van de bevolking toe
Trendmatige groei = gemiddelde groei gedurende een lange periode

Arbeidsproductiviteit = de waarde van de productie per werkende per tijdseenheid

Categoriale inkomensverdeling = de verdeling van het in ondernemingen gevormde inkomen over de productiefactoren arbeid, kapitaal, natuur en ondernemersactiviteit

Arbeidsinkomensquote = het totale arbeidsinkomen in ondernemingen als percentage van de door ondernemingen toegevoegde waarde, wat resteert noemen we restquote
Aiq = (looninkomen + toegerekend loon zelfstandigen)/toegevoegde waarde x 100%

Het arbeidsinkomen is het looninkomen vermeerderd met het aan zelfstandigen toegerekende inkomen
 

Divergentie = het economisch uit elkaar groeien van landen
Convergentie = het economisch naar elkaar toe groeien van landen

Arme landen kenmerken zich door:
- slecht geformuleerde/slecht gehandhaafde wetten en eigendomswetten
- geringe openheid van de economie voor internationale handel
- overheidsconsumptie die beslag legt op een groot deel van het BBP
- een grote bevolkingsgroei, ondanks grote zuigelingensterfte


Concept Conjunctuur
Hoofdstuk 21 Conjunctuur in Nederland

Nominale groei = toename van het BBP in euro’s
Reële groei = toename van de hoeveelheid geproduceerde goederen en diensten (volumetoename)
Index reëel BBP = index nominaal BBP/index algemeen prijspeil

Trend = gemiddelde groei over een langere periode
Conjunctuur = de schommelingen in de groei van het reëel BBP rond de trend
Groeit reëel BBP duidelijk meer dan gemiddeld -> hoogconjunctuur, de werkloosheid neemt af en aantal vacatures neemt toe, meer werkgelegenheid
Groeit reëel BBP duidelijk minder dan gemiddeld -> laagconjunctuur, als het minstens twee achtereenvolgende perioden krimpt heet dat een recessie, depressie is daarvan een ernstigere vorm

Consumentenprijsindex (CPI) = gewogen gemiddelde van de indices van de verschillende uitgavencategorieën

Waardevast als de koopkracht van bijv. het pensioen gelijk blijft, even snel als CPI
Welvaartvast als de koopkracht minstens even snel stijgt als het gemiddelde loon in het  bedrijfsleven  

Conjunctuurindicator = een aanwijzing voor de fase waarin de conjuncturele ontwikkeling van een bepaald land zich bevindt

Beroepsbevolking = de personen van 15 tot en met 64 jaar die minstens twaalf uur per week werken of willen werken
Totaal beschikbare banen -> werkgelegenheid
Banen waarvoor nog iemand wordt gezocht -> vacatures
Bezette banen + vacatures = werkgelegenheid

Uitzenduren = het aantal uren dat ondernemingen gebruikmaken van uitzendkrachten, kan ook worden gebruikt om de conjuncturele ontwikkeling te voorspellen
Aan het begin van een economische opleving willen ondernemingen liever nog geen vast personeel maar wel uitzendkrachten. Een toename van de uitzenduren kan ook aanwijzing zijn voor een economische opleving


Hoofdstuk 22 Een macro-economisch model

De macro-economische vraag bestaat uit:
- de consumptieve bestedingen
- netto-export
- de investeringen
- de overheidsbestedingen
 

Macro-economische vraagcurve verschuift naar links:
- Afname producenten- en consumentenvertrouwen
- Afzwakking economische groei VS, export neemt af terwijl import gelijk blijft

Macro-economische vraagcurve verschuift naar recht:
- Toename producenten- en consumentenvertrouwen
- Belastingverlaging

Macro-economische vraag = de totale hoeveelheid goederen die ondernemingen en overheid willen produceren en verkopen
Algemeen prijspeil verandert op korte termijn niet, aanbodcurve verloopt horizontaal
Prijspeil verandert bijv. alleen door plotselinge verandering van olieprijzen
Op lange termijn verloopt de aanbodcurve verticaal, niet afhankelijk van prijspeil
Bij economische groei verschuift aanbodcurve naar rechts

Een stijging algemeen prijspeil heet inflatie, een afname van het reëel BBP heet stagnatie, een combinatie van deze twee noemen we stagflatie

Bij hoogconjunctuur kan de overheid proberen de bestedingen af te remmen, bij laagconjunctuur kan de overheid proberen de bestedingen te stimuleren, dit noemen we anticyclische conjunctuurpolitiek
Anticyclische conjunctuurpolitiek geen succes geworden omdat:
- De timing van maatregelen is vaak een probleem, duurt meestal een paar jaar
Verstrekt de stimulerende maatregel de conjunctuur -> procyclisch effect
- Een groot deel van de macro-economische vraag komt uit het buitenland in de vorm van export
- In laagconjunctuur of recessie is het relatief gemakkelijk voor de overheid extra geld uit te geven of de belastingen te verlagen, in hoogconjunctuur is dit lastig

Meeste westerse economieën dempen conjuncturele schommelingen vanzelf, drie van die ingebouwde stabilisatoren zijn:
- Inkomensoverdrachten, doordat het inkomen van een werkloze niet tot nul daalt ligt er een ‘vloer’
- Het minimumloon, zelfde verhaal als bij de inkomensoverdrachten
- Progressieve belastingen, progressie in belastingen remt in fase van hoogconjunctuur een toename van de vraag enigszins


Hoofdstuk 23 De invloed van geld

Omloopsnelheid van geld = het aantal malen dat een euro per jaar gemiddeld van eigenaar verandert

Verkeersvergelijking: M x V = P x T
M = maatschappelijke geldhoeveelheid (money)
V = omloopsnelheid van het geld (velocity)
P = algemeen prijspeil
T = aantal transacties

In Nederland zijn er drie grote banken: ING, ABN Amro en de Rabobank
De kleinere banken zoals de SNS, Friesland Bank en de Triodes Bank noemen we algemene banken
Deze banken hebben zich niet gespecialiseerd in een bepaalde vorm van financiële dienstverlening
De centrale bank, De Nederlandsche Bank (DNB), maakt sinds 1999 deel uit van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB)
Dit stelsel bestaat uit nationale banken van de EU en de Europese Centrale Bank (ECB)
 

Hoofdtaak ECB is inflatiebestrijding, andere taken zijn:
- De ECB is bank van de banken, alle banken hebben een rekening bij de ECB
- De ECB moet zorgen voor een goed functionerend betalingsverkeer, voldoende biljetten en munten in omloop
- De ECB houdt toezicht op de algemene banken

ECB voert monetair beleid om inflatie in controle te houden, doelstelling dat de CPI in het eurogebied niet harder mag stijgen dan met 2% per jaar terwijl een daling van het CPI ook ongewenst is, consumenten gaan hun bestedingen dan uitstellen

Belangrijk instrument ECB om inflatie te bestrijden is het geldhoeveelheidsbeleid, de lange rente wordt bepaald op de kapitaalmarkt en heeft betrekking op langlopende schulden, de korte rente wordt bepaald op de geldmarkt en wordt vergoed op leningen die binnen één tot twee jaar worden terugbetaald
Dit is wat de ECB zou doen bij een te snel stijgende inflatie:
1. De geldhoeveelheid groeit te snel
2. De ECB verhoogt de rente die de banken moeten betalen
3. Banken rekenen die rente door aan hun klanten
4. Er vindt minder geldschepping (via kredietleningen) plaats, geld lenen wordt immers duurder
5. De groei van de geldhoeveelheid neemt af

De Federal Reserve System (FED) uit Amerika heeft naast het bestrijden van de inflatie nog een ander doel, namelijk het sturen van de macro-economische vraag

Wisselkoers = de prijs van de ene valuta uitgedrukt in de andere
Appreciatie = waardestijging van een valuta t.o.v. een andere
Depreciatie = waardedaling van een valuta t.o.v. een andere

De betalingsbalans bestaat uit twee onderdelen:
- De lopende rekening, export en import van goederen en diensten
- De financiële rekening, grensoverschrijdend kapitaalverkeer, bijv. bedrijfsovernames en aankoop van aandelen en obligaties 

Een economische markt kent één markt met een vrij verkeer van goederen, diensten en productiefactoren
In een monetaire unie/muntunie voeren de lidstaten een gemeenschappelijk monetair beleid
Er zijn verschillende motieven voor het vormen van een muntunie, belangrijkste motief van het politiek motief -> het voorkomen van bloedige conflicten
Een ander motief was dat één munt de transactiekosten die samenhangen met het gebruik van verschillende valuta’s doen verdwijnen

Kandidaat-lidstaten die tot de Economisch Monetaire Unie (EMU) willen toetreden moeten aan een aantal eisen voldoen -> convergentiecriteria, bijv. inflatie, wisselkoers en rentestand
Het overheidstekort mag niet hoger zijn dan 3% van het BBP en de staatsschuld mag niet hoger zijn dan 60% van het BBP

Na intreding moeten lidstaten zich nog steeds houden aan deze criteria, bij het niet houden aan de criteria hebben de Stabiliteits- en Groeipact (SGP) maatregelen voorgesteld om de overtreders te straffen in de vorm van een boete 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.