Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 3

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 671 woorden
  • 20 juni 2018
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Economie



H3 geld



eigenschappen , functies en vormen van geld



Geld => een ruilmiddel , je ruilt goederen tegen geld en daarna dat geld tegen goederen. (geld is alles wat in een samenleving algemeen aanvaard wordt als ruilmiddel)



vertrouwen = burgers moeten vertrouwen hebben in het geld. (hyperinflatie = het verdwijnen van het vertrouwen in geld. De prijzen stegen zeer snel.)



De technishce vereisten = Een kleine hoeveelheid kan een naar verhouding grote waarde vertegenwoordigen + gemakkelijk deelbaar + houdbaar + niet reproduceerbaar



-> functies




  • Ruilmiddel = je kunt goederen en diensten ruilen voor geld en dat geld vervolgens weer uitgeven aan andere goederen en diensten (indirecte ruil)

  • Rekenmiddel = je kunt de waarde van bepaalde zaken met elkaar vergelijken

  • oppotmiddel = je kan ervoor kiezen om je geld opzij te zetten , het te sparen



-> soorten geld



Intrinsiek : de waarde van het materiaal van de munt



Nominaal : de waarde die op de munt staat (nomina is naam) -> de nominale waar is altijd hoger dan de intrinsieke waarde



fiduciar : We acceoter geld zonder intrinsieke waarde , omdat we erop vertrouwen dat anderen dit geld op hun beurt accepteren. fiductie = vertrouwen



chartaal : munten en bankbiljetten , je kan het aanraken



giraal : de direct opeisbare tegoeden  , wat op je bankrekening staat (giraal = je giro)



-> de wet van Gresham



'Bad money always drives out good money'



=> de munten met een hoge intrensieke waarde gaan uit de omloop.



-> de maatschappelijke geld hoeveelheid



maatschappelijke geldhoeveelheid = het totaal aan chartaal en giraal geld



in procenten uitrekenen = alles bij elkaar optellen (600 + 4000 = 4600) -> (deel / geheel) x 100% => bijvoorbeeld (600/4600) x 100 = 13%



3.2



Bankbalansen en geldschepping



balans : een overzicht v bezitting , schulden en eigen vermogen ve onderneming op een bepaald tijdstip



Activia (L) : waarde vd bezittingen -> gebouwen , machines , de bedragen die de klanten nog moeten betalen + de kasmiddelen en het banksaldo



Passiva (R) : de schulden + het eigen vermogen



eigen vermogen  : bezitting - schulden



Crediteuren : leveranciers van het geld -> verleners , uit leners



Debiteuren : de klanten die nog moeten betalen -> leners



Liquide middelen : kasmiddelen + het banksaldo



'de activa wordt gedinancierd met schulden en het eigen vermogen => activa + passiva zijn gelijk'



-> Liquiditeit , geldschepping https://www.youtube.com/watch?v=GCWjq7Ywy84



Liquiditeit = de mate waarin een onderneming in staat is aan zijn kortetermijnverplichtingen te voldoen



Liquiditeit = (kasmiddelen / kortetermijnverplichtingen) x100%



'hoe meer vertrouwen in een bank , hoe lager het liquiditeit percentage kan zijn



rekeningcouranttegoeden : schulden die de bank op elk moment moet kunnen voldoen



-> chartale opname



chartale opname is ook wel de liquiditeit -> als rekeninghouders een deel van hun tegoed in chartale vorm willen opnemen terwijl een bank onvoldoende chartaal geld ter beschikking heeft , raken de klanten hun vertrouwen in de bank kwijt.



-> overschrijving



Centrale bank : de bank van de banken => het tegoed van de centrale bank is dus het geld van de bank. Omdat banken hier altijd beschikking over hebben behoort dit tot de liquide middelen.



Peter boekt 2.000 euro van zijn reknening bij ING over naar zijn rekening bij de Rabobank => het tegoed bij INg neemt bij de Nederlands Bank af met 2.000 , maar het tegoed bij de Rabobank bij de DNB neemt toe met 2.000 euro.



gevolg : als rekening houders ongerust worden zullen ze steeds meer gaan overboeken naar een andere bank => de post 'tegoed centrale bank' neemt af (dus ook de liquiditeit)



-> geldschepping



=> een toenoeme van de maatschappelijke geldhoeveelheid door kredietverlening



kredietverlening = het uitlenen van het geld wat mensen op de bank hebben gezet , want ze hebben niet al hun geld tegelijk nodig. Dus als iemand 100 euro stort kan deze worden uitgeleend aan iemand , want de persoon heeft deze niet gelijk of helemaal nodig. => er wordt 100 uitgeleend , maar die persoon heeft ook recht op 100 euro => er is 100 euro aan geld geschept



MAAR de liquiditeit neemt zo af. En er is een minimumliquiditeits percentage => een rem op het creëren van girale goederen.










































REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.