Hoe kies jij een studie?

Daar zijn wij benieuwd naar. Vul onze vragenlijst in en bepaal zelf wat voor beloning je daarvoor wilt krijgen! Meedoen duurt ongeveer 7 minuten.

Meedoen

Hoofdstuk 2

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 2084 woorden
  • 15 november 2007
  • 14 keer beoordeeld
Cijfer 7.4
14 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Overweeg jij om Politicologie te gaan studeren? Meld je nu aan vóór 1 mei!

Misschien is de studie Politicologie wel wat voor jou! Tijdens deze bachelor ga je aan de slag met grote en kleine vraagstukken en bestudeer je politieke machtsverhoudingen. Wil jij erachter komen of deze studie bij je past? Stel al je vragen aan student Wouter. 

Meer informatie
Hoofdstuk 2: - Primair inkomen:het inkomen dat wordt ontvangen voor het ter beschikking stellen van productiefactoren; het primair inkomen bestaat dus uit: loon, pacht, rente, winst en huur. - Secundair inkomen: primair inkomen – inkomstenbelasting-sociale premies + sociale uitkeringen+inkomensafhankelijke besteedbaar inkomensubsidies (bijv. huursubsidie) - Collectieve sector = overheid + de sector “sociale zekerheid” - De Sociale zekerheid omvat de dat zijn de instellingen die van de overheid de taak hebben“sociale fondsen” gekregen om de premies te innen die de werkgevers en werknemers moeten betalen voor de sociale verzekeringen, en die tevens uit de ontvangen premies de uitkeringen moeten betalen aan de rechthebbende. - De sociale fondsen (=bedrijfsverenigingen); moeten dus de wetten van de sociale verzekeringen uitvoeren. Sociale fondsen heten UVI’S(=uitvoeringsinstellingen voor de sociale zekerheid). Er kwamen er 5, maar in 2002 zijn de 5 uvi’s samengevoegd tot 1 organisatie: het UWV (=uitvoeringsorgaan Werknemers Verzekeringen). - Overdrachtsinkomens : de sociale uitkeringen+ de inkomensafhankelijke subsidies - Tertiair inkomen: secundaire inkomen – indirecte belasting (BTW) – retributies (betaling aan de overheid voor individueel aanwijsbare prestaties) + subsidies op goederen en diensten (onafhankelijke subsidies) - Belasting: betaling aan de overheid vaan geen individueel aanwijsbare prestatie tegenover staat. We kennen 2 hoofdgroepen van belastingen - 1.Directe belastingen: de inkomens belasting, die we direct afdragen aan de overheid. - 2.Indirecte belastingen: BTW en accijnzen op door ons gekochte goederen en invoerrechten aan eerst staat de consument hem af aan de winkelier, douane en die->de grens sluist het geld door naar de overheid. - Naar belasting heft de overheid ook betaling aan de overheid waar een individueel aanwijsbarenog retributies presentatie tegenover staat (bijv. schoolgeld, zegelrecht) - Er zijn 3 manieren voor het heffen van directe belasting (heffingssysteem): 1.degressief, 2.proportioneel en 3. progressief - 1. Progressief systeem van heffing: naarmate het bedrag waarover de heffing wordt berekend groter wordt, wordt het heffingspercentage groter - 2. Proportioneel systeem van heffing: bij elk bedrag is het heffingspercentage hetzelfde - 3. Degressief systeem van heffing: naarmate het bedrag waarover de heffing wordt berekend groter wordt, wordt het heffingspercentage lager - marginaal tarief: het belastingspercentage over de laatst verdiende euro. - Gemiddeld tarief: het totale belastingbedrag als percentage van het belastbaar inkomen. Dus: belastingbedrag/belastbaar inkomen x100% - Eigenwoning forfait: het bedrag dat je zou hebben verdient indien je de eigen woning had verhuurd i.p.v er zelf wordt verminderd met de hypotheekrente aftrek.in te gaan wonen - Soorten heffingkortingen : algemene heffingskorting (verplicht), arbeidskorting (als men werkt tot 57 jaar), kinderkorting ( als kind ouder is dan 6 maanden en jonger is dn 18 en het gezamenlijke bruto inkomen niet meer is dan: 56.191,-), alleenstaande ouderkorting (als men weduwe/weduwenaar is en kind(eren) in huishouden heeft dat jonger is dan 27) - sociale voorzieningen: het is het laatste vangnet voor iedereen->(gefinancieerd door de belastingen) die niet op een andere manier (door arbeid of sociale verzekeringen) inkomen kan mensen zonder enig inkomen wort dus zo een bestaan gegarandeerd. ->verwerven Voornamelijk door ABW (=Algemene bijstandswet) - Sociale verzekeringen: worden door de mensen ZELF betaald via premies; de premies zijn afhankelijk van de hoogte van het loon (maar over het loon boven een bepaald maximumloon, de “premiegrens”, hoeven geen premies betaald te worden) - Volksverzekeringen: deze gelden voor iedereen, en de premie wordt geheel betaald door iedereen die inkomstenbelasting moet betalen. - A.W.B.Z (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten): deze wet verzekert de kosten van langdurige verpleging - A.O.W (Algemene Ouderdomswet): garandeert iedereen vanaf 65 jaar een inkomen. Als men ene hoger pensioen wil dan kan je deelnemen aan speciale pensioengebouw. Daar boven op aanvulling op de A.O.W (bedrijf)pensioenfondsen kan iedereen voor zichzelf extra pensioenvoorzieningen treffen, zoals lijfrente enz. - De A.O.W wordt gefinancieerd volgens het omslagstelsel: de uitkeringen doordatin een bepaald jaar worden betaald uit de premieopbrengst van dat jaar. onze bevolking vergrijst zal daarom meer A.O.W moeten worden opgebracht door premies omhoog.steeds minder mensen - Misschien is het beter om in de iedereentoekomst voor de AOW het kapitaal dekkingsstelsel toe te gaan passen spaart zelf voor zijn ouder dag, want dit leidt bij vergrijzing niet tot hogere premies. Maar bedenk: het kapitaal dekkingsstelsel heeft ook risico’s: het jaarlijks spaarrendement kan ook tegenvallen en bij sterke inflatie wordt het gespaarde bedrag minder waard ->- De AOW is “welvaartsvast” dat wil zeggen volgt de ontwikkeling van het algemene loonpeil - Waardevast: dan zou de prijzen 5% omhoog, dan->ontwikkeling van het algemene prijspeil worden gevolg ook de uitkering 5% omhoog. - A.N.W.= algemene nabestaandenwet: volgens deze wet kunnen mensen die weduwenaar/weduwe of wees worden een uitkering krijgen;deze uitkering is inkomensafhankelijk - A.K.W.=Algemene kinderbijslagwet: deze geeft een tegemoetkoming in de kosten die ouders maken in het verzorgen van hun kinderen t/m 24 jaar. deze->- Werknemersverzekeringen gelden alleen voor werknemers. - W.W (werkeloosheidswet): garandeert mensen minstens gedurende een half jaar ene uitkering in geval van werkeloosheid, Na WW volgt de Bijstand. - W.A.O (Wet op arbeidsongeschiktheid): als een werknemer langer dan 2 jaar ziek is, krijgt hij een uitkering via de WAO. - De WAO premie is afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidsrisico: hoe meer mensen bij een bedrijf in de WAO gaan, hoe hoger de WAO premie voor zo’n werknemer zal Premie differentiatie noemt men ditzijn. - Z.F.W (ziekenfondswet): deze vergoedt voor de verzekerden de kosten van medische verzorging; iedereen onder een bepaalde brutoloongrens is verplicht verzekerd. - De premie voor de volksverzekeringen wordt geheel betaald door elke belastingbetaler zelf: ook elke werknemer betaald dus zijn eigen premie volksverzekering volledig zelf - De premie voor de werknemersverzekeringen wordt nog steeds door werknemers en een werkgeversaandeel en een werknemersaandeel->werkgevers betaald - De kosten van ons stelsel sociale zekerheid zijn, in vergelijking tot het buitenland, erg hoog: het streven van de vakbeweging om de uitkeringen elk jaar met hetzelfde percentage te verhogen als de lonen in het bedrijfsleven werkt sterk kostenverhogend. (koppeling tussen lonen en uitkeringen) - De regering probeert aan deze kostenexplosie het volgende te doen: 1. het volume beleid: zorgen dat er minder uitkeringen komen
2. het loslaten van de koppeling: ontkoppeling tussen de uitkering en de lonen in het bedrijfsleven

3. allerlei maatregelen om mensen makkelijker aan het werk te krijgen: loonsubsidies voor werkgevers om werklozen in dienst te nemen, omscholen van werklozen enz. 4. fraudebestrijding: strengere controles, eenvoudigere regels en hogere boetes
5. aanscherpen van de regelgeving: verruiming van het begrip passende arbeid door niet meer te spreken van passende arbeid, maar van gangbare arbeid. 6. vervroegde pensionering ontmoedigen: de regering heeft in plaats hiervan een levensloop regeling ontworpen: werknemers kunnen zelf een deel van hun salaris belastingvrij sparen voor extra verlof. - hoe hoger de uitkering en hoe groter de belasting en premiedruk, hoe groter het fraudeleuze gebruik dat er van de sociale zekerheid wordt gemaakt. - Armoede val: van veel mensen daalt het netto-inkomen als ze van een uitkering naar een betaalde baan gaan, ondanks het feit dat de betaalde baan een hoger bruto bedrag oplevert dan de uitkering. - Sociale diensten, arbeidsbureaus en uitkeringsinstellingen verdwijnen. Ze worden samen versimpeld in 1 loket. Dit loket wordt gevormd door het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI); dit centrum zorgt voor contact met de uitvoerder van de sociale zekerheid. - Eindloon: het loon dat iemand vlak voor zijn pensionering verdiend. Middelloon: het gemiddelde van het totale loon dat iemand in zijn hele werkleven heeft opgebouwd. - Het bedrijfspensioen zou (sinds 1997) niet mee per eindloon, maar per middelloon moeten worden gefinancieerd. Een middelloon pensioen zal dus lager uitvallen en dat is beter te financieren in een vergrijzende samenleving. - Vlaktaks: het schijventarief vervangen door 1 belastingtarief van 35% voor de inkomstenbelasting ter wille van een verdere vereenvoudiging van de belastingsheffing. - Loonkosten: 1. werkgeversdeel van de sociale premies
2. werknemers deel van de sociale premies
3. loonheffing
4. nettoloon - 1t/m 3 = WIG - 2 t/m 4 = Brutoloon
voorbeeldje: - categoriale inkomensverdeling: hierbij gaat het om de verdeling van de totale verdiensten/beloningen in een land over de productiefactoren - personele inkomensverdeling: hierbij gaat het om de verdeling van de totale verdiensten in een land over de inkomenstrekkers - De verschillen in inkomen ontstaan door: 1. verschil in productiviteit
2. verschil in inspanning
3. opleidingsverschillen
4. ervaring, leeftijd
5. verantwoordelijkheid van de functie
6. verschillen in schaarste
7. macht, geslacht
8. verschil in vermogen (meer geld meer rente ) - inkomens hebben ook een functie in de economie: 1. het belonen van verschillen in productiviteit
2. het bevorderen van de mobiliteit (geografische mobiliteit binnen een functie) 3. het bevorderen dat mensen hun positie als werkloze opgeven (bijv. uitkering lager dan laagste loon) - de gevolgen van inkomensverschillen: 1. prikkel tot prestaties en mobiliteit
2. mogelijke sociale onrechtvaardigheid en verhuizen naar een ander gebied - opdracht 7, 8,9 + aantekening - de secundaire inkomensverdelingcurve ligt in nederland dichter bij de 45 graden lijn dan de primaire inkomensverdelingcurve omdat: 1. progressief systeem van belastingheffing ! 2. de uitkeringen/inkomensoverdrachten en zelfs inkomensafhankelijke subsidies aan de laagstbetaalden worden gegeven (bijv. huursubsidies) Kortom: de secundaire inkomensverdeling is in nederland minder ongelijk - absolute cijfers= werkelijke aantallen, relatieve cijfers= verhoudingsgetallen - belangrijke relatieve getallen zijn: procenten, promillen, perunages en indexcijfers - Procenten (per 100): - procent verandering: Nieuw - Oud : Oud x 100 % - procentpunt verandering: Nieuw – Oud - Promillen (per 1000) : hetzelfde als de formule bij procenten, maar dan keer 1000 (‰) - Perunages (per 1): een verhoudingsgetal, waarbij het percentage gedeeld wordt door 100 : 90% = 90/100 = 0.9 (0.9 is het perunage van 90 %) - Indexcijfer = een percentage dat de verhouding uitdrukt tussen de omvang van een verschijnsel op een bepaald tijdstip en de omvang van datzelfde dat is altijd 100) Je mag alleenverschijnsel op een basistijdstip (basisjaar indexcijfers met basisjaar verglijken - basisjaar kan je verleggen met de formule: Nieuw - Oud : Oud x 100 - nominaal loon: het loon dat men verdient in guldens (bruto of netto) - als de procentuele loonstijging = de koopkracht blijf gehandhaafdprocentuele prijsstijging - Zowel de prijsstijging als de loonstijging (dus ook de koopkracht verandering) is in indexcijfers te vangen

Hierbij zijn 2 formules van belang: - Inflatiecorrectie: het ongedaan maken van de verzwaring van de belastingdruk die het gevolg is van prijsstijging. Door aanpassing van schijf-bedragen van het schijventarief vindt de inflatiecorrectie plaats - Budget onderzoek: onderzoek naar het bestedingspatroon van de consumenten - Elk jaar berekent het C.B.S ook de stijging van de kosten van levensonderhoud voor de gezinnen via indexcijfers. Hiertoe gebruikt het C.B.S de “consumenten index” - De consumenten prijsindex (CPI) is een samengesteld en gewogen prijsindex van de gezinsconsumptie - Samengesteld: het gaat hier om de gemiddelde prijsstijging van een pakket goederen - Gewogen: naarmate aan een bepaald goed méér wordt besteed, telt een prijsverandering van dat goed méér mee in het gemiddelde - De wegingsfactor is het deel van het inkomen dat in het basisjaar aan dat goed wordt besteed. (zie opdracht 13) - Consumentisme: het streven van de consumenten om d.m.v organisaties samen hun belangen te verdelen - De consumenten organisaties doen het volgende voor hun leden: 1. het uitvoeren van vergelijkende warenonderzoeken
2. het geven van voorlichting aan leden
3. juridische bijstand aan leden
4. de belangen van de consumenten verdedigen bij de overheid - Wetten om de belangen van de consumenten te beschermen: - Warenwet: hierin staan de wettelijke voorschriften omschreven waaraan veel producten moeten doen, zoals: kwaliteit, toevoegingen en aanduidingen op verpakkingen - De Colportagewet: als je iets aan de deur koopt omdat je wordt overdonderd en je later er spijt van heb. De wet geeft de consument mogelijkheden om binnen een aantal dagen de aankoop ongedaan te maken. - De wet Misleidende Reclame: deze wet verbied reclame waarin onjuiste info staat, die ten onrechte de klant tot een aankoop zou verleiden - De overheid heeft ook andere middelen om de consumptie te beïnvloeden : door bijv. accijns (tabak), subsidiëren (sport) en wettelijk verbieden van de consumptie van bepaalde goederen (hard drugs) - Bij een individuele arbeidsovereenkomst moeten ze rekening houden met : de wettelijke regelingen en wat er geregeld is via de C.A.O in de betreffende bedrijfstak - Veel vakbonden zijn aangesloten bij een overkoepelende organisatie: de vakcentrale - Bekendste vakcentrale : F.N.V (federatie Nederlandse vakbeweging) met bijna 1 miljoen leden en C.N.V (christelijke nationaal vakbond). - Vakbonden die niet bij een vakcentrale zijn aangesloten, worden “categorale bonden” genoemd - Werkgevers vakbonden zijn: V.N.O (verbond van Nederlandse ondernemingen) en N.C.W (Nederlands christelijk werkgeversverbond ) - De georganiseerde werkgevers en werknemers worden samen de sociale partners genoemd - Primaire arbeidsvoorwaarden= loon, percentage loonstijging, prijscompensatie en arbeidstijden en de aard van het werk - Secundaire arbeidsvoorwaarden= aantal vakantiedagen, scholingsmogelijkheden en de arbeidsomstandigheden. - In het loonoverleg wordt altijd bijzondere aandacht besteed aan de positie “modale werknemer”: de Jan Modaalgemiddelde werknemer

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.