Reacties op de examens, het laatste examennieuws, je voorlopige cijfer berekenen en de antwoorden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


H17 Geldschepping

§1

Geldscheppende instellingen: alle instellingen die maatschappelijke geldhoeveelheden vergroten/verkleinen.
- Centrale Overheid/Rijk via de munten
- Centrale Bank via bankbiljetten
- Primaire Banken via het girale geld
Maatschappelijke geldhoeveelheid/primaire liquiditeiten: het totaal v/h giraal/chartaal geld in handen van niet-scheppende instellingen.
Het geld in de kassen van geldscheppende instellingen hoort niet bij de maatschap. geldhoeveelheid, omdat anders dubbeltellingen ontstaan. Bovendien dient het als dekking voor het girale geld.
Formele geldschepping/vernietiging= substitutie:
- Omzetten van het ene geldsoort naar het andere geldsoort; giraal→chartaal en andersom
- M verandert niet in omvang, maar wel in samenstelling
Materiële geldschepping/vernietiging:
1. Transformatie
- Omzetten van geld in niet-geld en andersom. Bijv. het kopen van vreemde valuta of termijndeposito's
- M verandert wél in omvang
2. Wederzijdse schuldaanvaarding:
- De bank heeft een plicht gekregen aan de lener, omdat het geld beschikbaar moet stellen en de lener is verplicht deze schuld op termijn terug te betalen.
- Bij het aangaan v/d lening stijgt M, bij aflossing daalt M

§2

Balans: cijfermatige opstelling waarin de bezittingen, de schulden en het eigen vermogen van een organisatie overzichtelijk en systematisch zijn opgenomen.
Debetzijde: activa, bezittingen (rechts/boven), hoe het vermogen is aangewend
Creditzijde: passiva, schulden en eigen vermogen (links/onder), hoe en van wie het vermogen is gekregen.
Vaste activa: bezittingen die voor langere tijd in het bedrijf aanwezig zijn en die niet binnen een jaar kunnen worden omgezet in geld.
Financiële activa: eigendomsrechten op andere organisaties
Effecten: aandelen/obligaties
Liquide middelen: voorraad giraal/chartaal geld
Vorderingen: som van alle bedragen die men van anderen in de toekomst te ontvangen heeft.
Kas: wordt door een bank aangehouden, omdat girale tegoeden chartaal opgevraagd kunnen worden.
Debiteuren/uitstaande kredieten (kunnen door elkaar gebruikt worden): kunnen ook klanten zijn aan wie een bank een lening heeft gegeven. Deze gelden moeten in de toekomst terugbetaald worden.
Tegoeden bij De Nederlandsche Bank: vorderingen op DNB, waaronder een vaste rekening die elke bank bij DNB heeft (giraal geld).
Opgenomen kredieten: kredieten die een bank zelf heeft opgenomen bij andere financiële instellingen.
Voorschotten bij DNB: op korte termijn vervallende schulden van de bank bij DNB
Eigen vermogen van een bank wordt ook wel 'garantievermogen' genoemd, omdat het dient om tegenvallers op te vangen. Bijv. als een debiteur zijn schuld niet kan betalen.
Tegoeden in rekening-courant/crediteuren: aan deze post kun je zien of er sprake is van geldschepping bij een bank, want dit is het girale geld van rekeninghouders.
Termijndeposito's: spaargeld dat voor een bepaalde periode vaststaat.

§3

Substitutie: ene geldsoort wordt omgezet in de andere geldsoort
Je stort 1000 euro op je bankrekening
Kas +1000 (chartale geldvernietiging) Rek. courant tegoeden +1000 (girale geldschepping)
Transformatie: geld wordt omgezet in niet-geld (of andersom), tussen publiek en geldscheppende instellingen
Je stort 1000 euro op je termijndeposito
Kas +1000 geldvernietiging) Termijndeposito +1000
Bij wederzijdse schuldaanvaarding geeft een bank een lening aan een klant. Dat wordt geboekt a/d debetkant, bij debiteuren of uitstaande kredieten. Tegelijkertijd wordt het geld in girale vorm ter beschikking gesteld, dat boek je a/d creditkant bij rek. courant tegoeden of crediteuren.
Je sluit een lening van 10000 euro
Debiteuren +10000 Rek. courant tegoeden +10000 (girale geldschepping)

§4

De interne rem op de kredietverlening wordt gevormd door de kasliquiditeit die een bepaald minimum% moet zijn.
Solvabiliteit: voldoende eigen vermogen om risico's van kredietverlening op te vangen.
Kasliquiditeit/dekkingspercentage:
Kasgeld (+ tegoed DNB)
direct opeisbare verplichtingen x 100%
Direct opeisbare verplichtingen:
1. alle rek. courant tegoeden/crediteuren
2. kortlopende spaargelden
3. kortlopende termijndeposito's
Je stort 2000 euro op je girorekening
Kas 2000 Crediteuren 2000
Kasliquiditeit: 25%, dus 25 % v/h girale geld moet in de kas.
Kas: 2000= 25% v/d mogelijke crediteuren
Mogelijke crediteuren: 2000/25 x 100%= 8000
Bestaande crediteuren 2000-
Geldschepping via kredietverlening 6000
Kas 2000 Crediteuren 8000
Debiteuren 6000
Geldschepping vormt de bijdrage van deze bank aan de maatschappelijke geldhoeveelheid. Berekenen door: giraal geld (crediteuren) - chartaal geld (in kas v/d bank)
8000-2000=6000
Externe rem op de kredietverlening ligt in handen van DNB. Deze instelling kan de kredietverlening afremmen/stimuleren door:
1. rente verhogen/verlagen
2. omvang v/d kassen v/d banken te beïnvloeden
Primaire liquiditeiten=maatschappelijke geldhoeveelheid in enge zin=M1=totaal van het chartaal en giraal geld in handen van niet-geldscheppende instellingen
Secundaire liquiditeiten=vorderingen van het publiek op banken, die zonder veel kosten/koersverlies omgezet kunnen worden in geld= korte termijn deposito's, korte spaartegoeden, overige secundaire liq.
Liquiditeitsmassa=M3=primaire en secundaire liquiditeiten= maatschap. geldhoeveelheid in ruime zin=referentiewaarde
M2= M1 + kortlopende termijndeposito's + kortlopende spaartegoeden
Liquiditeitsquote: M3/BBP x 100%
Geldhoeveelheid x omloopsnelheid= waarde BBP
Eerste gedeelte is in de monetaire sfeer
Na = teken in de reële sfeer
Omdat de omloopsnelheid afhankelijk is v/d betalingsgewoonte v/h publiek, kan deze op korte termijn constant verondersteld worden.
De ECB bepaald jaarlijks de referentiewaarde: percentage dat M3 groeien mag, zonder gevaar voor inflatie.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.