Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Hoofdstuk 14 en 15

Beoordeling 5.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 720 woorden
  • 16 februari 2004
  • 14 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.5
  • 14 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Hoofdstuk 14

De arbeidsmarkt is het geheel van aanbod van en vraag naar arbeid.

Het totale arbeidsaanbod komt van de beroepsbevolking.

De vraag naar arbeid is de werkgelegenheid.

Een arbeidsjaar is het aantal uren dat een voltijdwerker onder normale omstandigheden in een jaar werkt.

Onder de beroepsbevolking verstaan we de groep personen van 15 tot en met 64 jaar die minstens 12 uur per week werkt of zou willen werken.

De omvang van de beroepsbevolking in personen gemeten, hangt van drie factoren af:

1. de omvang van de totale beroepsbevolking;
2. het deel van de bevolking dat 15 tot en met 64 jaar oud is: de beroepsgeschikte bevolking of potentiële beroepsbevolking;
3. het deel van de beroepsgeschikte bevolking dat tot de beroepsbevolking behoort: de participatiegraad.

De bevolkingsomvang neemt nog steeds toe. Daarvoor bestaan twee oorzaken:
1. Er is nog steeds een geboorteoverschot, dat wil zeggen: het geboortecijfer ligt hoger dan het sterftecijfer;
2. Ook door het immigratieoverschot neemt de bevolkingsomvang toe.

Er zijn verschillende factoren die de participatiegraad beïnvloeden:
1. de wetgeving
2. maatschappelijke opvattingen
3. de organisatie van het arbeidsproces
4. de hoogte van het loon.

Het aantal banen hangt van de volgende factoren af:
1. de vraag naar goederen en diensten

2. de arbeidskosten
3. de arbeidsproductiviteit
4. de arbeidstijd
5. de bedrijfstijd.

Het verschil tussen het nettoloon en de loonkosten wordt de wig genoemd.

De arbeidsproductiviteit is de productie per werknemer per tijdseenheid.

Onvolledige bezetting is het gedeeltelijk opvullen van de vacatures die door arbeidstijdverkorting zijn ontstaan.

Hoofdstuk 15

Mensen zijn werkloos als ze geen betaald werk hebben maar er wel naar op zoek zijn.
Uit de geregistreerde werkloosheid kan het werkloosheidspercentage worden berekenend. We drukken de werkloosheid dan uit in een percentage van de beroepsbevolking:

geregistreerde werkloosheid
Werkloosheidspercentage = ----------------------------------- x 100 %
beroepsbevolking

Het ontmoedigingseffect houdt in dat mensen ten gevolgen van de grote werkloosheid er maar van afzien zich te laten inschrijven; het heeft toch geen zin. Het tegenovergestelde is het aanvullingseffect.

Conjuncturele werkloosheid is de werkloosheid die het gevolg is van het tekortschieten van de effectieve vraag naar goederen en diensten bij een gegeven productiecapaciteit.

Structurele werkloosheid wordt veroorzaakt door veranderingen in de productiestructuur.

Bij kwantitatieve structurele werkloosheid is het aantal arbeidsplaatsen niet groot genoeg om de gehele beroepsbevolking werk te bieden. Er is met andere woorden een tekort aan arbeidsplaatsen.

Enkele veelgenoemde oorzaken voor het achterblijven van voldoende werkgelegenheid:

1. de hoogte van de arbeidskosten per eenheid product;
2. de concurrentie van lagelonenlanden;
3. sluiting van bepaalde bedrijfstakken;
4. samenwerking tussen bedrijven, overnames en fusies.

Er is kwalitatieve structurele werkloosheid wanneer er gelijktijdig werklozen zijn én onvervulbare vacatures.

Vacatures zijn openstaande arbeidsplaatsen bij particuliere bedrijven of de overheid.

Veel voorkomende oorzaken van kwalitatieve structurele werkloosheid zijn:
1. gebrek aan scholing
2. gebrek aan regionale mobiliteit
3. gebrekkige arbeidsbemiddeling.

Frictiewerkloosheid is werkloosheid die ontstaat door de duur van de sollicitatieprocedures en / of de duur van de arbeidsbemiddeling.

Er zijn verschillende maatregelen denkbaar om kwantitatieve structurele werkloosheid te bestrijden. De volgende mogelijkheden worden onderscheiden:
1. beheersing van de arbeidskosten
2. stimulering van innovaties
3. arbeidstijdverkorting
4. bedrijfstijdverlenging
5. vervroegde uittreding

Arbeidsmobiliteit moet worden verbeterd, onder arbeidsmobiliteit verstaan we de beweeglijkheid van de productiefactor arbeid. We onderscheiden drie soorten arbeidsmobiliteit:
1. geografische mobiliteit
2. mobiliteit tussen beroepsgroepen
3. mobiliteit tussen werkenden en niet-werkenden.

De geografische mobiliteit kan worden bevorderd met verhuispremies of reiskostenvergoeding.

De mobiliteit tussen verschillende beroepsgroepen kan bevorderd worden door om- en bijscholingsprogramma’s.

Ook kan de mobiliteit tussen werkenden en niet-werkenden worden bevorderd. Er zijn wat dit betreft twee groepen van belang:
1. de groep ‘gewone’ werklozen
2. de groep ‘extra kwestbare’ werklozen.

Als het tekort aan arbeid tijdelijk is, kunnen de volgende maatregelen worden genomen:

- Het personeel kan beter benut worden door middel van overwerk.
- Er worden buitenlandse werknemers aangetrokken.
- Natuurlijk kan de overheid ook maatregelen nemen om de hoogconjunctuur af te remmen. Via verhoging van de belastingstarieven kan zij de bestedingen afremmen. Omgekeerd zal de overheid in een laagconjunctuur de belastingtarieven verlagen om de bestedingen te stimuleren.

Als het ernaar uitziet dat het tekort langdurig is, kan worden gedacht aan:
- arbeidsbesparende innovatie, zoals robotisering van het productieproces en maatregelen die de efficiency en de arbeidsproductiviteit verhogen;
- flexibele pensionering, waarmee meestal bedoeld wordt dat werknemers gedwongen of gestimuleerd worden langer door te werken;
- mogelijkheden voor kinderopvang, waardoor het arbeidsaanbod van (vooral) gehuwde vrouwen kan toenemen;
- zorgen voor meer deeltijdwerk, met hetzelfde doel als de vorige maatregel;
- immigratie, niet in de vorm van ‘pendelarbeid’ van buitenlandse werknemers, maar blijvende vestiging in ons land.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.